denkbeeld daaraan, dat bij mijn grootste weldaden, zoo als mijne
ontsnapping van Salé, toen ik door den Portugeschen kapitein opgenomen
werd, toen ik zoo wel slaagde in Brazilië, mijne lading uit Engeland
ontving, enz., ik nimmer de woorden: "Gode zij dank," in mijn hart of in
mijn mond had; en bij mijne grootste tegenspoeden dacht ik zelfs niet
aan het gebed, en gebruikte Gods naam alleen tot vloeken en lasteren.
Verscheidene maanden, gelijk ik reeds gezegd heb, was mijn geest zeer
bedrukt over mijn vorig snood en verhard leven; en toen ik alles om mij
heen beschouwde en overwoog, welke bijzondere bestieringen ik sedert
mijne komst alhier had ontwaard, en hoe goedertieren God met mij
gehandeld had; hoe Hij mij niet alleen minder gestraft had, dan mijne
overtredingen verdienden, maar zoo genadig voor mij gezorgd had; gaf dit
mij groote hoop, dat God mijn berouw had aangenomen, en ik nog in 't
vervolg op zijne goedertierenheid hopen mogt.
Deze overwegingen maakten mij niet alleen onderworpen aan den wil van
God, in mijn tegenwoordigen toestand, maar zelfs opregt dankbaar voor
denzelven. Ik bedacht, dat ik, die nog in leven was, mij niet mogt
beklagen, daar ik geenszins de regtmatige straf voor mijne zonden had
ontvangen; maar dat ik dagelijks mij verheugen en dankbaar zijn moest
voor dat dagelijksch brood, dat mij als door een wonder geschonken was,
een wonder zoo groot, als dat van de voeding door de raven van den
Profeet Elias, of liever door eene reeks van wonderen. Ik bedacht, dat
ik van al de onbewoonde plaatsen op de wereld, geene plaats kon
bedenken, waar ik gunstiger omstandigheden had kunnen aantreffen. Ik was
aan den eenen kant van alle menschelijk gezelschap beroofd, hetgeen mij
eene groote droefheid was, maar aan den anderen kant werd mijn leven
niet bedreigd door verscheurende dieren; er waren geene venijnige dieren
of giftige planten, geene wilden om mij te slagten. Kortom, schoon mijn
leven aan den eenen kant zeer treurig was, was het aan den anderen kant
gezegend; zoo ik slechts een regt besef had van Gods goedheid en zorg
voor mij, en hieruit mijne dagelijksche vertroosting putte. Toen ik
deze dingen goed inzag, was ik niet meer ter nedergeslagen.
Ik was hier nu zoo lang geweest, dat verscheidene zaken, die ik aan wal
had gebragt of geheel versleten of gebruikt waren. Mijne inkt
bijvoorbeeld was geheel verbruikt, sedert eenigen tijd, op een weinig
na, dat ik zoo dikwijls met water had aangelengd, tot hij zoo bleek was,
dat men hem naauwelijks op het papier zien kon. Zoo lang hij duurde had
ik hem gebruikt, om de dagen van de maand op te teekenen, waarin mij
iets merkwaardigs gebeurde, en bij overweging van het verledene,
ontdekte ik een zonderling zamentreffen van de dagen, waarop mij
verschillende gewigtige gebeurtenissen bejegend waren, en zoo ik
bijgeloovig genoeg was geweest, om aan ongelukkige of gelukkige dagen te
gelooven, zouden mij deze niet zonder reden sterk getroffen hebben.
In de eerste plaats vond ik, dat op denzelfden dag van het jaar, dat ik
mijn vaders huis verliet en naar Hull ging, om in zee te gaan, op
dienzelfden dag werd ik door een Saleschen kaper genomen en tot slaaf
gemaakt. Ik ontkwam aan de schipbreuk op de reede van Yarraouth op
denzelfden dag, dat ik naderhand van Salé in de boot vlugtte. Eindelijk,
op mijn geboortedag, te weten den 30 September, werd mijn leven zoo
wonderdadig gespaard, toen ik op dit eiland op het strand geworpen werd;
zoo dat mijn zondig leven en mijn eenzaam leven op dit eiland op
denzelfden dag begonnen waren.
Het eerst wat na mijn inkt op raakte was mijn brood, ik bedoel de
beschuit, die ik uit het schip bragt. Met deze was ik zoo spaarzaam als
mogelijk geweest, en had meer dan een jaar lang er dagelijks slechts een
van gebruikt; en toch had ik een geheel jaar lang geen brood, tot ik
zelf eenig koorn verkreeg, hetgeen zoo wonderdadig bewaard en eene
groote weldaad voor mij was.
Mijne kleederen begonnen jammerlijk te verslijten. Ik had geen linnen
meer dan eenige oude hemden, die ik in de kisten van andere matrozen had
gevonden, en die ik zorgvuldig bewaarde, omdat ik dikwijls niets anders
dragen kon dan een hemd, en het was een groot geluk voor mij, dat er bij
de matrozen kleederen schier drie dozijn hemden waren. Er waren ook
verscheidene dikke buizen van de matrozen, maar deze waren te warm om te
dragen, en hoewel het luchtgestel zoo geweldig heet was, dat men geene
kleederen behoefde, kon ik toch niet geheel naakt gaan, al had ik er
lust toe gehad, hetgeen in 't geheel het geval niet was, want ik kon,
ofschoon ik geheel alleen was, het denkbeeld er van niet verdragen.
Eene reden, waarom ik niet geheel naakt kon gaan, was, dat ik geheel
naakt, niet zoo goed de zonnehitte verdragen kon, als wanneer ik eenige
kleederen aan had; want de zon verschroeide letterlijk mijne huid,
terwijl, als ik een hemd aan had, de wind mij eenige koelte gaf, door
onder hetzelve te spelen. Even min kon ik het zoo ver brengen, dat ik
zonder een hoed of muts in de zon liep; want dadelijk zou de zonnehitte
mij hoofdpijn gegeven hebben, als de zonnestralen zoo regt op mijn hoofd
vielen, terwijl ik door het dragen van een hoed of muts hiervoor bewaard
werd.
Te dien einde besloot ik eens schouwing te houden van al de lappen, die
ik over had, en die ik mijne garderobe noemde. Al mijne kamizolen waren
versleten, ik trachtte dus anderen te maken van de groote jassen, die ik
had. Ik ging dus aan het kleedermaken of liever lappen. Het ging echter
nog al dragelijk; maar de broeken, die ik alstoen maakte, zagen er
jammerlijk uit.
Ik heb reeds gezegd, dat ik de huiden van al de viervoetige beesten, die
ik gedood had, had bewaard, en die met eenige stokken in de zon
uitgespannen, waardoor sommigen zoo hard geworden waren, dat zij
genoegzaam onbruikbaar waren; van anderen echter had ik veel nut. Het
eerste wat ik van deze maakte was eene groote muts met het haar naar
buiten, opdat de regen er langs zou loopen. Dit ging zoo goed, dat ik
een geheel stel kleederen van deze huiden maakte, namelijk eene buis en
broek, aan de knieën open en zeer ruim, want zij moesten mij eer koel
houden dan verwarmen. Ik moet bekennen, dat zij er jammerlijk uitzagen
en dat, ofschoon een slechte timmerman, ik nog tienmaal slechter snijder
was. Echter kwamen zij mij zeer goed te stade, en als ik in den regen
liep, bleef ik volkomen droog, omdat er geen regen doordrong.
Daarna besteedde ik veel tijd en arbeid, om mij een zonnescherm te
maken; ik had er een hoog noodig en verlangde er zeer naar. Ik had ze te
Brazilië gezien, waar zij bij de zware hitte zeer nuttig zijn; en hier,
nog digter bij de evennachtslijn, was de hitte zelfs nog heviger.
Bovendien was zulk een scherm voor mij even nuttig voor den regen als
voor de zon. Ik gaf mij ontzettende moeite, en het duurde lang voor ik
iets maken kon, dat opstond. Toen ik eindelijk dacht er achter te zijn,
mislukten er nog twee of drie, maar eindelijk had ik er een die tamelijk
naar mijn zin was. De grootste moeijelijkheid was om te maken, dat het
neêr sloeg. Ik kon er wel een maken dat opgezet kon worden, maar als ik
dit niet kon neêr doen, had ik het altijd boven mijn hoofd moeten dragen
en dat ging niet. Eindelijk echter maakte ik een goed, en bedekte het
met huiden, met het haar naar buiten, zoo dat de regen er goed afliep;
en het weerde de zon zoo goed af, dat ik thans veel beter in het warmste
weder dan vroeger in het koelste kon uitgaan. Als ik mijn scherm niet
noodig had, droeg ik het toegeslagen onder mijn arm.
Aldus leefde ik zeer rustig, mijn geest was zeer bedaard, doordien ik
mij geheel aan Gods wil onderworpen en aan zijne voorzienigheid
toevertrouwd had. Hierdoor leefde ik beter dan in de maatschappij, want
als ik naar verkeering met menschen verlangde, dan vroeg ik mij zelven
af, of aldus met mij zelven en naar ik hoopte, in mijne gebeden, met
mijnen Schepper te verkeeren, niet beter was dan de grootste genietingen
van den omgang met anderen in de wereld?
Ik kan niet zeggen, dat mij na dien tijd, vijf jaren lang, iets
buitengewoons gebeurde, ik leefde op dezelfde wijze en op dezelfde
plaats voort. Hoofdzakelijk hield ik mij bezig, behalve met mijn
jaarlijkschen arbeid van graan en rijst te teelen, en van mijne druiven
te droogen, waarvan ik altijd voor een jaar in voorraad had; ik zeg
behalve dezen arbeid en mijn dagelijks uitgaan met mijn geweer, had ik
ondernomen eene kanoe te maken, die ik ten laatste voltooid had; zoodat
ik, door er een kanaal van zes voet wijd en vier voet diep voor te
delven, die eene halve mijl ver, in de kreek bragt. De eerste kanoe was,
gelijk ik gezegd heb, zoo groot, dat ik die niet naar het water, en het
water evenmin naar de kanoe kon brengen; dus lag zij daar als eene
herinnering voor mij, om in het vervolg verstandiger te werk te gaan.
Den volgenden keer dan ook, schoon ik er geen geschikten boom toe vinden
kon, en het op eene plek was, waar het water eene halve (Eng.) mijl ver
moest gebragt worden, gaf ik het echter geenszins op, zoodra ik zag dat
het uitvoerbaar was, en schoon ik er bijkans twee jaren aan bezig was,
verdroot mij deze arbeid nimmer, omdat ik hoop had van eindelijk eene
boot te verkrijgen, waarmede ik naar zee zou kunnen gaan.
Toen echter eindelijk mijne kleine praauw voltooid was, beantwoordde
hare grootte echter volstrekt niet aan het doel, dat ik beoogde toen ik
de groote maakte; ik meen van er mede naar het vaste land over te
steken, waar dit ongeveer veertig (Eng.) mijlen ver af lag. De kleinte
van mijn boot droeg er ook toe bij, aan dat voornemen een einde te
maken, en eindelijk dacht ik er niet meer aan. Maar daar ik nu eene boot
had, vatte ik thans het voornemen op eene reis rondom mijn eiland te
maken. Ik was, gelijk ik verhaald heb, toen ik het eiland dwars
doorgetrokken was, op eene plaats aan de andere zijde geweest, en mijne
op dien togt gemaakte ontdekkingen maakten mij zeer verlangend ook de
andere deelen der kust te zien, en nu ik eene boot had, maalde het
denkbeeld van het eiland rond te varen, mij den geheelen dag door het
hoofd.
Te dien einde, en om alles met beleid en bezadigdheid te doen,
vervaardigde ik een mastje voor mijne boot, en maakte er een zeil voor,
uit sommige stukken van scheepszeilen, die in groote menigte, in mijne
voorraadschuur lagen.
Toen de mast en het zeil gereed waren, beproefde ik de boot, en vond dat
zij zeer goed zeilde. Toen maakte ik kleine kasten of bergplaatsen van
voren en achteren in mijne boot, om er leeftogt, kruid, lood en andere
noodwendigheden in droog te houden, hetzij voor regen of voor het schuim
der zee, en aan de binnenzijde maakte ik eene lange geul, waarin ik mijn
geweer kon leggen, met eene klep er over heen, om het droog te houden.
Ik maakte mijn zonnescherm van achteren vast in de boot, zoodat het
overeind stond, boven mijn hoofd, en mij even als eene zonnetent voor de
hitte beschermde. Op deze wijze deed ik nu en dan een togtje naar zee,
maar ging nimmer diep in zee, of ver van de kleine kreek. Eindelijk
echter verlangde ik zoo, om den omtrek van mijn koningrijkje te bezien,
dat ik de reis rondom hetzelve besloot te ondernemen. Diensvolgens
rustte ik mijn scheepje uit voor de reis. Ik deed er in twee brooden, of
liever koeken, van mijn meel gebakken, eene aarden pot vol gepelde
rijst, (een voedsel dat ik veel gebruikte) een klein fleschje rum, eene
halve geit en kruid en lood om er meer te schieten; en twee grove
jassen, die ik, gelijk ik gezegd heb, uit de matrozenkisten gered had.
Deze laatste dienden, de een om op te liggen, de ander om mij des nachts
te bedekken.
Het was den 6 November, in het zesde jaar mijner regering of van mijne
gevangenschap, zoo als men het noemen wil, dat ik op deze reis onderzeil
ging. Ik vond dat de reis veel verder was dan ik verwacht had, want
schoon het eiland op zich zelf niet zoo groot was, vond ik, toen ik aan
de oostzijde kwam, een groot rif van klippen, dat zich ongeveer twee
mijlen ver in zee uitstrekte, sommige waren boven water, andere blind;
en achter deze strekte eene drooge zandbank zich nog eene mijl verder
uit, zoodat ik verpligt was een groot eind in zee te steken, om deze
kaap te omzeilen.
Toen ik dit rif het eerst ontdekte, stond ik op het punt, mijne
onderneming op te geven en terug te keeren, daar ik niet wist hoe ver ik
genoodzaakt zou zijn in zee te gaan, en bovenal hoe ik zou terugkeeren,
dus ging ik voor anker liggen, want ik had van eene gebroken dreg, die
ik uit het schip gehaald had, eene soort van anker gemaakt. Na mijne
boot goed vastgelegd te hebben, nam ik mijn geweer en stapte aan land,
waar ik op een heuvel klom, van welken ik dacht die kaap te kunnen
overzien, en waar ik hare geheele uitgestrektheid waarnam, en besloot
het te wagen.
Toen ik van den heuvel, waarop ik stond, de zee overzag, bespeurde ik
eene sterke, ja eene allergeweldigste strooming, die oostelijk liep, en
zelfs digt langs het rif heen; en ik nam dit te naauwkeuriger op, omdat
ik inzag dat er eenig gevaar bestond, dat als ik in deze strooming
geraakte, ik door hare hevigheid zeewaarts kon gesleept worden, zonder
dat ik het eiland weder zou kunnen bereiken. En waarlijk, als ik niet
eerst op den heuvel was geklommen, geloof ik, dat dit ook zou gebeurd
zijn, want aan de andere zijde was dezelfde strooming, behalve, dat die
op een verderen afstand liep, en digt onder de kust liep eene sterke
tegenstrooming, zoo dat ik niets te doen had dan slechts buiten de
eerste strooming te blijven, en ik zou ongetwijfeld naar de kust
teruggevoerd worden.
Ik bleef echter twee dagen voor anker liggen, omdat de wind, die vrij
stevig was (uit het O.Z.O., en dus juist tegen de gezegde strooming
inblies) op dat punt eene zware branding maakte, zoo dat het uithoofde
van de branding niet veilig voor mij was, al te digt bij de kust te
houden, en niet al te ver af, uithoofde van de strooming.
Den derden dag was des morgens de zee stil, daar de wind gedurende den
nacht was gaan liggen, en ik waagde den togt; maar het volgende is eene
les voor alle onbedreven loodsen. Naauwelijks was ik aan het rif, zelfs
nog geen bootslengte van den wal, of ik bevond mij in zeer diep water,
en eene strooming, die als een molensluis liep. Deze sleepte mijne boot
met zoo veel geweld mede, dat ik, wat ik ook deed, haar niet aan den
rand der strooming kon houden, maar zij mij, naar ik bemerkte, al verder
en verder van de tegenstrooming, die aan mijne linkerhand was,
afsleepte. Er was geen wind genoeg om mij te helpen, en wat ik met mijne
riemen doen kon beteekende niets. Ik begon mij thans verloren te achten,
want daar de strooming aan beide kanten van het eiland was, wist ik dat
zij op weinige mijlen afstands met elkander zamentreffen moesten, en dan
was ik onherstelbaar verloren. Ik zag ook geene mogelijkheid het te
vermijden, zoodat ik niets voor oogen had dan den dood, niet van de zee,
want die was kalm genoeg, maar van den dood door honger. Ik had wel is
waar, eene schildpad, zoo groot als ik maar optillen kon, aan het strand
gevonden, en in de boot geworpen, en ik had eene groote kruik met zoet
water, dat is te zeggen een van mijne gebakken potten; maar wat zou mij
dit baten als ik in den uitgestrekten Oceaan gedreven werd, waar op
misschien duizend mijlen afstands, geene kust, geen vast land of eiland
was.
En nu zag ik, hoe gemakkelijk de Goddelijke Voorzienigheid den
rampzaligsten toestand, waarin zich iemand bevindt, nog veel erger kan
maken. Nu zag ik naar mijn eenzaam eiland uit, als naar de aangenaamste
plaats der wereld, en het grootste geluk, waarnaar ik wenschen kon, was,
dat ik daar maar weder zijn mogt. Verlangend strekte ik er de handen
naar uit. "O, gelukkig oord," zeide ik, "ik zal u nimmer wederzien!
Rampzalige, die ik ben, waar ga ik heen?" Vervolgens verweet ik
mijzelven mijne ondankbaarheid, en hoe ik over mijn eenzamen toestand
getreurd had, en wat ik nu wel niet zou willen geven als ik daar slechts
weder aan wal was! Zoo zien wij nimmer onzen toestand in het ware licht,
voor wij door het tegendeel, er een helderder inzigt in verkrijgen; en
datgene wat wij genieten, leeren wij eerst waarderen als wij het moeten
missen. Het is naauwelijks mogelijk zich de ontroering te verbeelden,
waarin ik mij thans bevond, nu ik van mijn geliefd eiland (zoo
beschouwde ik het thans) op den wijden Oceaan was gedreven, schier twee
mijlen ver, en genoegzaam wanhopende het ooit weder te zullen zien. Ik
werkte echter hard, tot mijne kracht genoegzaam uitgeput was, en hield
mijne boot zooveel noordelijk, dat wil zeggen naar den kant der
strooming, waar de tegenstrooming lag, als ik bij mogelijkheid kon.
Tegen den middag meende ik een windje in mijn gezigt te voelen, dat uit
het Z. Z. O. kwam. Dit beurde mijn moed een weinig op, vooral toen het
een half uur later eene frissche koelte begon te waaijen. Ik was thans
op een vreesselijken afstand van het eiland, en als er mistig weder was
opgekomen, was ik ook verloren geweest, want ik had geen kompas aan
boord, en zou nooit geweten hebben hoe ik naar het eiland had moeten
sturen, als ik het eens uit het gezigt had verloren, maar daar het weder
helder bleef, zette ik mijn mast weder op en mijn zeil bij, en hield zoo
veel noordelijk als ik kon, om uit de strooming te geraken.
Juist toen ik mijn mast en zeil bijgezet had, en er vaart in de boot was
gekomen, zag ik zelfs aan de helderheid van het water, dat de strooming
eenigzins veranderen moest; want waar de strooming zoo sterk was, was
het water dik; maar daar ik hier de zee helder zag, bemerkte ik tevens
dat de strooming afnam; en thans vond ik tien minuten verder oostelijk,
dat de zee op eenige klippen brandde; deze rotsen scheidden de strooming
weder, de voornaamste liep meer zuidelijk, en liet de klippen in het
noord-oosten; de tweede, op de klippen stuitende, keerde met eene zware
strooming weder naar het N. W. terug.
Hij, die aan den voet van het schavot pardon erlangt, of die onverwachts
uit de opgeheven dolken van moordenaars gered wordt, kan zich mijne
tegenwoordige vreugde voorstellen, en hoe gretig ik mijne boot in deze
tegenstrooming bragt, hoe vrolijk ik, daar de wind ook aanwakkerde, mijn
zeil bijzette, en aldus door wind en stroom naar het land aanhield. De
stroom voerde mij omtrent eene mijl naar het land, maar ongeveer twee
mijlen noordelijker dan de andere strooming, die mij naar zee had
gebragt. Toen ik dus digt bij het eiland was bevond ik mij aan de
noordkust, of vlak de tegenovergestelde zijde van die welke ik verlaten
had.
Toen de stroom mij aldus meer dan eene mijl ver had gebragt, vond ik dat
hij ophield en mij niet verder hielp. Ik vond echter, dat tusschen de
twee groote stroomingen, namelijk, die aan de zuidzijde, die mij naar
zee gedreven had, en die aan de noordzijde, het water ten westen van het
eiland stil en zonder stroom was, en daar de wind nog gunstig was, hield
ik regt op het eiland aan, schoon niet met zoo veel spoed als vroeger.
Tegen vier uren des namiddags, toen ik nog ongeveer eene mijl van het
land af was, trof ik het einde van het rif aan, dat de oorzaak van mijn
gevaar was, en zich zuidwaarts uitstrekte, en door de strooming ook dien
kant heen te brengen, eene tegenstrooming noordwaarts veroorzaakte, die
zeer sterk, doch niet regt in mijn koers liep, daar ik W. N. W. moest
aanleggen. Met een goeden wind kwam ik echter door deze strooming, en na
verloop van een uur was ik op een kwartier uurs afstand van het land,
hetwelk ik, daar het effen water was, spoedig bereikte.
Toen ik aan wal was viel ik op mijne knieën, en dankte God voor mijne
redding, en besloot alle denkbeeld van bevrijding door mijne boot op te
geven. Na mijn maaltijd gedaan te hebben met hetgeen ik had, legde ik
mijne boot vast in een kleinen inham, dien ik onder eenige boomen
ontdekt had, en begaf mij daarop ter rust, daar ik uitgeput was door de
vermoeijenissen der reis.
Ik was thans zeer in het onzekere, op welke wijze ik met mijne boot naar
huis zou keeren. Ik had zoo veel gevaar geloopen, en te veel kennis van
den toestand, om er aan te denken van den weg te kiezen dien ik gekomen
was. Wat er aan de andere zijde (de westzijde) van het eiland was, wist
ik niet, en ik verlangde niet om nieuwe gevaren te loopen; dus besloot
ik in den morgen, mijn weg westwaarts langs het strand voort te zetten,
en te zien of er geen kreek was, waarin ik mijn vaartuig veilig liggen
kon, zoo dat ik het weder vinden kon, als ik het begreep noodig te
achten. Na een uur bijkans langs het strand te hebben gevaren, kwam ik
aan eene zeer goede baai of inham, van ongeveer een vierde uur diep, die
steeds naauwer uitliep tot in een kleine beek, waarin ik eene zeer
goede ligplaats voor mijne boot vond; alsof zij daar lag in een dok, dat
daar opzettelijk voor gemaakt was. Hier legde ik ze vast en ging
vervolgens aan wal, om te zien waar ik mij bevond.
Spoedig vond ik, dat ik slechts weinig voorbij de plaats was, waar ik
vroeger was geweest, toen ik te voet het eiland was doorgetrokken. Ik
nam dus niets uit mijne boot dan mijn geweer en mijn zonnescherm, want
het was bijzonder heet, en ging op marsch. De weg was gemakkelijk
genoeg, na eene reis als ik gedaan had, en tegen den avond bereikte ik
mijne oude buitenplaats, waar ik alles vond zoo als ik het gelaten had,
want ik hield mijn landhuis altijd in goede orde.
Ik klom over de heining, en ging in de schaduw uitrusten, waar ik, want
ik was zeer vermoeid, weldra in slaap viel. Maar oordeel, zoo gij kunt,
lezer, over mijne verrassing, toen ik uit mijnen slaap wakker gemaakt
werd, door eene stem, die mij verscheidene malen bij mijn naam riep:
"Robinson, Robin, Robinson Crusoe! Arme Robinson Crusoe! Waar zijt gij,
Robinson Crusoe? Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest?"
Ik was eerst zoo vast in slaap, omdat ik zeer vermoeid was van het
roeijen of liever pagaaijen, dat ik in het begin van den dag gedaan had,
en van het wandelen naderhand, dat ik maar half wakker werd, en tusschen
slapen en waken in, dacht dat ik droomde, dat iemand mij riep. Maar toen
de stem herhaaldelijk bleef roepen: "Robin, Robinson Crusoe!" begon ik
eindelijk volkomen wakker te worden, en was in het allerhevigst
verschrikt en sprong op in de uiterste ontsteltenis. Maar naauwelijks
waren mijne oogen open of ik zag mijn papegaai op den top van de heining
zitten; en nu wist ik dadelijk dat hij tegen mij gesproken had, want ik
had hem geleerd zulke beklagende woorden tegen mij te spreken, en hij
had dit zoo volkomen aangeleerd, dat hij dikwijls een uur lang op mijne
hand zat, met zijn bek vlak tegen mijn gelaat aan, roepende: "arme
Robinson Crusoe! Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest? Hoe komt gij
hier?"
Maar, ofschoon ik wist dat het de papegaai was, en niemand anders wezen
kon, duurde het eene geruime poos eer ik weder bedaard was van mijne
ontroering. Eerst stond ik verwonderd hoe de vogel daar gekomen was, en
dan hoe hij juist daar en nergens anders was gaan zitten. Maar daar ik
wel overtuigd was dat het mijn papegaai en niemand anders was, hield ik
mijne hand op en riep hem bij zijn naam. Oogenblikkelijk kwam de
gezellige vogel op mijn vinger zitten, gelijk hij gewoon was, en bleef
voortsnappen: "arme Robinson! en: Hoe zijt gij hier gekomen? Waar zijt
gij geweest?" alsof hij blijde was dat hij mij weder zag, en zoo bragt
ik hem naar huis terug.
Ik was nu voor eenigen tijd verzadigd van togtjes op zee, en had
verscheidene dagen genoeg te doen met te bedenken in welk gevaar ik
geweest was. Het zou mij zeer aangenaam geweest zijn als ik mijne boot
weder aan de andere zijde van het eiland had gehad, waar ik woonde; maar
ik wist niet hoe ik haar daar zou brengen. Ik kende de oostzijde van het
eiland, langs welke ik gekomen was, thans te goed, om niet te weten dat
ik niet wagen kon, dien weg te nemen; mijn bloed verstijfde in mijne
aderen als ik er slechts aan dacht. Hoe het aan den anderen kant van het
eiland was, wist ik niet, maar onderstellende, dat daar de stroom even
hevig oostelijk tegen de kust aanliep, zou ik hetzelfde gevaar loopen
van door den stroom medegesleept en tegen het eiland geworpen te worden,
als ik vroeger geloopen had van er afgesleept te worden. Deze gedachten
deden mij tevreden zijn zonder boot, schoon ik zooveel maanden had
gewerkt om er eene te maken, en nog zoovele maanden om die te water te
brengen.