voor meer dan een morgen lands. Vooraf had ik ten minste eene week werk
om mij eene spade te maken, die nog slecht en zwaar genoeg was, en mij
den arbeid verdubbelde. Ik deed het echter er mede, en zaaide mijn zaad
op twee groote vlakke stukken gronds, zoo digt bij mijn huis als ik die
vinden kon. Ik maakte er eene goede heining om, van stekken gelijk ik er
te voren om gezet had, en die ik wist dat goed groeiden, zoodat ik
rekenen kon binnen het jaar eene goede heining te hebben, die slechts
weinig herstelling zou behoeven. Hoezeer dit werk niet zwaar was, gingen
er echter drie maanden mede heen, omdat het meerendeels in het
regensaizoen was, waarin ik weinig kon uitgaan. Binnen 's huis vond ik,
als het regende en ik niet kon uitgaan, altijd bezigheid genoeg, en
onder het werk vermaakte ik mij met tot mijn papegaai te praten en hem
te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken:
_Koo_, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen
mond dan den mijnen uitgesproken werd. Dit was dus geen arbeid, maar
eene uitspanning voor mij, gedurende het zware werk dat ik voor mij
had.
Ik had namelijk lang gepeinsd hoe ik op de eene of andere wijze aarden
potten zou kunnen maken, die ik hoog noodig had. De hitte van het
klimaat echter deed mij denken, dat als ik slechts goede klei vond, ik
wel eene pot daarvan zou kunnen vormen, die in de zon gedroogd, hard en
sterk genoeg zou zijn om gehanteerd te worden en drooge goederen in te
bewaren. Ik had die noodig voor koorn, vleesch, enz. Ik besloot dus
potten te maken, zoo groot als ik kon, en alleen geschikt om iets in te
bewaren.
De lezer zou mij beklagen of liever uitlagchen, als ik hem verhaalde,
welke zonderlinge middelen ik bedacht om hierin te slagen; welke
leelijke en wanvormige dingen uit mijne handen kwamen, en hoe dikwijls
mijne potten invielen, omdat de klei niet sterk genoeg was om haar eigen
gewigt te dragen; hoe velen er barstten door de zware zonnehitte,
waaraan ik ze te haastig blootstelde; en hoe velen aan stukken vielen,
als ik ze wilde optillen, zoo wel voor als nadat zij gedroogd waren; en
om kort te gaan, hoe, nadat ik met veel moeite klei gevonden,
uitgedolven, naar huis gebragt, aangemengd en bewerkt had, ik slechts
twee groote leelijke aarden dingen, die men geen potten noemen mogt, na
een arbeid van twee maanden, tot stand had gebragt.
Toen de zon deze twee echter zeer goed droog en hard had gemaakt, tilde
ik ze voorzigtig op, en plaatste ze in twee groote manden, die ik
daarvoor gevlochten had, ten einde zij niet zouden breken, en daar zij
niet juist er inpasten, vulde ik de tusschenruimten aan met het stroo
van mijne rijst en graan. Deze twee potten, die altoos droog stonden,
begreep ik dat mijn koorn en misschien mijn meel zouden kunnen bevatten.
Hoe weinig het vervaardigen van groote potten mij nu gelukt was, slaagde
ik echter beter met het maken van kleine ronde potten, schotels en
dergelijke, die door de zonnewarmte zeer hard droogden. Dit alles
voldeed echter niet aan mijn wensch, van eene aarden pot te hebben om
vloeistoffen in te bewaren, en die het vuur verdragen kon, hetgeen bij
deze het geval niet was. Toen ik eenigen tijd daarna een groot vuur
aangemaakt had, om mijn vleesch te braden, en het later wilde uitdooven,
vond ik in het vuur een stuk van een mijner gebroken potten, dat zoo
hard als een steen, en zoo rood als een tegel gebakken was. Dit gezigt
verraste mij en dadelijk begreep ik, dat de geheele pot zoo goed hard
worden zou op het vuur, als een stuk daarvan. Ik dacht na hoe ik het
best vuur zou aanleggen, om eenige potten te bakken. Van een oven,
gelijk de pottenbakkers gebruiken, had ik geen begrip, evenmin van de
wijze om die te verglazen, maar ik plaatste drie groote kruiken, en twee
of drie potten boven op elkander, en het brandhout er om heen, met een
grooten hoop asch er onder. Ik stookte het vuur steeds aan, totdat ik
zag dat de potten van binnen gloeijend waren, en dat zij geen van allen
barstten. Toen zij helder gloeiden, hield ik het vuur op dezelfde
hoogte, gedurende vijf of zes uren; toen ik zag dat eene daarvan,
ofschoon niet barstende, begon te smelten, of vloeibaar te worden, want
het zand, dat onder de klei zat begon te smelten en zou tot glas
geworden zijn, als ik voortgegaan had. Ik liet dus het vuur
langzamerhand uitgaan, tot de potten niet meer gloeiden, en bleef er den
geheelen nacht bij om het vuur niet te snel te laten uitdooven. In den
morgen had ik drie goede, ik zal niet zeggen fraaije kruiken, en twee
potten, zoo hard als ik wenschen kon, en een daarvan was door het
gesmolten zand volkomen verglaasd.
Ik behoef niet te zeggen, dat ik na deze proefneming geen gebrek aan
aardewerk meer had, maar ik moet bekennen, dat de vorm er van soms vrij
zonderling was, want ik maakte ze gelijk kinderen soms voorwerpen van
klei of stopverw maken.
Nimmer echter verheugde iemand zich over eene geringe zaak meer dan ik,
toen ik gewaar werd, dat ik een aarden pot gemaakt had, die tegen het
vuur bestand was; en ik had naauwelijks geduld genoeg om te wachten tot
zij koud waren geworden, om een er van met wat water weder op het vuur
te zetten, om er eenig vleesch in te koken, hetgeen zeer goed ging, en
ik verkreeg eene zeer goede soep, schoon het mij aan meel en
verscheidene andere dingen ontbrak, om die zoo goed te maken als ik
wenschte.
Thans was mijne eerste zorg een steenen vijzel mij te verschaffen, om
mijn koorn in te stampen, want om met mijne twee handen een molen te
maken, daaraan was niet te denken. Hoe ik dit echter zou aanvangen was
mij langen tijd een raadsel, want van alle handwerken ter wereld, was ik
voor dat van steenzager nog minder bekwaam dan voor eenig ander. Menigen
dag besteedde ik met naar een steen te zoeken, die groot genoeg was om
uitgehold te worden en voor een vijzel geschikt te maken, maar ik kon er
geen vinden, behalve een stuk van de rots, dat ik niet er af kon hakken.
Geen der rotsen op het eiland waren ook hard genoeg; allen waren van
eene soort van zandsteen, die de zwaarte van een grooten stamper niet
zoude kunnen verduren, en het koorn met zand zoude vermengen bij het
kneuzen. Na dus veel tijd met het zoeken naar een steen verloren te
hebben, gaf ik het op, en besloot liever een groot blok van hard hout te
zoeken, dat ik veel gemakkelijker vond, en toen ik er een gevonden had,
zoo groot als ik slechts bewegen kon, maakte ik het rond met mijn bijl,
en holde het toen uit met behulp van vuur en met oneindige moeite, op de
wijze als de Indianen in Brazilië hunne kanoe's maken. Daarna maakte ik
een grooten zwaren stamper van ijzerhout, en bewaarde dit toen, tegen
dat ik mijn eerstvolgenden oogst zou te huis hebben gehaald, wanneer ik
voornemens was mijn koorn tot meel te stampen, om daarvan brood te
maken.
Thans moest ik zorgen om eene zeef te maken, om mijn meel van de zemelen
te scheiden, zonder hetwelk ik begreep geen goed brood te zullen
verkrijgen. Dit was allermoeijelijkst, want van hetgeen ik er toe noodig
had, had ik niets, ik bedoel, fijn dun linnen of gaas. Maanden lang wist
ik niet wat hieraan te doen; ik had geen ander linnen dan eenige lappen.
Ik had wel geitenhaar, maar wist niet hoe dit gesponnen of geweven moest
worden, en al had ik het geweten, dan had ik er geen gereedschap toe.
Eindelijk echter bedacht ik, dat ik onder de matrozenkleederen, die ik
uit het schip gered had, eenige neteldoeksche halsdoeken had. Van deze
maakte ik drie kleine zeven, die echter voor het gebruik tamelijk
geschikt waren, en waarmede ik mij eenige jaren behielp. Hoe ik later
deed zal ik op zijne plaats vermelden.
Nu moest ik om het bakken denken, en hoe ik deeg zou maken als ik meel
had, want ik had geen gest. Daar hieraan niets te doen viel, dacht ik er
ook niet lang over, maar ik had meer zorg over een oven. Eindelijk
bedacht ik een middel om mij hierin te helpen; ik maakte namelijk eenige
aarden potten zeer breed maar niet diep, dat is zeggen van ongeveer twee
voet in doorsnede, en negen duim hoog; deze bakte ik in het vuur gelijk
de vorigen en bewaarde ze, en als ik brood wilde bakken legde ik een
groot vuur op mijn haard aan, dien ik met eenige tegels, ook al van mijn
eigen baksel, belegd had, maar die alles behalve volkomen vierkant
waren.
Als het hout goed tot kolen gebrand was, plaatste ik deze op den haard,
zoodat hij er geheel mede bedekt was en liet ze daar liggen tot de haard
gloeijend heet was, dan schoof ik ze ter zijde en plaatste er mijn
potten of vormen op, en hoopte de kolen op zijde daartegen aan, om de
hitte te vermeerderen. Aldus bakte ik mijn deeg, zoo goed als in den
besten oven van de wereld, en werd weldra een heele pastijbakker, want
ik maakte al aardige rijstkoekjes en poddings, maar geen pastijtjes,
want daar had ik alleen geitenvleesch of dat van gevogelte in kunnen
doen.
Men moet zich niet verwonderen, dat ik hiermede bijkans geheel het derde
jaar van mijn verblijf bezig was, want men moet bedenken, dat ik onder
de hand tevens mijn nieuwen oogsten akkerbouw moest bestieren. Ik maaide
mijn koorn op zijn tijd, en bragt het naar huis zoo goed ik kon, in
mijne groote manden, waarin ik het in de airen liggen liet, tot ik tijd
had het er uit te wrijven; want ik had geen dorschvloer, en geen vlegel
om het mede te dorschen.
En daar nu mijn voorraad van koorn vermeerderde, had ik ook een grooter
bergplaats noodig. Ik had nu ongeveer twintig schepels graan en schier
even veel rijst, zoodat ik het nu vrij durfde gebruiken, want mijn brood
was reeds lang op. Ik besloot nu ook te zien hoe veel ik voor een geheel
jaar noodig had, en dan slechts eenmaal 's jaars te zaaijen.
Ik bevond ten laatste dat ik aan de veertig schepels rijst en graan voor
een jaar meer dan genoeg had, dus nam ik voor alle jaren even veel als
de laatste maal te zaaijen, in de hoop, dat ik aan den oogst hiervan ten
volle genoeg zou hebben, voor brood voor een geheel jaar.
Terwijl ik mij met deze dingen onledig hield, waren mijne gedachten
dikwijls gevestigd op het land, dat ik van den anderen kant van het
eiland had gezien, en wenschte ik heimelijk, dat ik daar aan wal zijn
mogt, in de verbeelding, dat ik het vaste land en een bewoonde plaats
zien, en eenig middel ontdekken zou, om verder te komen. Ik dacht echter
weinig aan de gevaren van zulk een toestand, en hoe ik in de handen der
wilden zou kunnen vallen, welke welligt meer te vreezen waren dan de
leeuwen en tijgers van Afrika, en dat zoo ik in hunne handen viel, het
duizend tegen een was, dat ik gedood en welligt opgegeten zou worden;
want ik had gehoord, dat de bewoners van de Caraïbische kust kannibalen
of menscheneters waren; en naar de breedte te oordeelen, kon ik niet ver
van hen verwijderd zijn. En al waren zij geene menscheneters, dan konden
zij mij ligtelijk dooden, gelijk zoo vele Europeanen gebeurd was, die in
hunne handen waren gevallen, zelfs bij tien en twintig te gelijk, hoe
veel meer dan mij, die alleen was en mij weinig of niet verdedigen kon.
Dit alles, zeg ik, hetgeen ik toen had moeten bedenken, en dat mij later
inviel, boezemde mij toen geen de minste vrees in, en steeds peinsde ik
op middelen om naar die kust over te steken. Hoe verlangde ik thans naar
den Moorschen jongen en de boot, met welke ik wel duizend mijlen langs
de Afrikaansche kust had afgelegd; maar deze had ik thans niet. Toen
bedacht ik de boot van ons schip te gaan opzoeken, die, gelijk ik zeide,
een groot eind weegs op het strand was geslagen, bij het begin van den
storm. Deze lag nog bijkans op dezelfde plaats en was door het geweld
van wind en golven bijkans onderst boven gekeerd, tegen eenen hoogen
zandheuvel aan, waar zij hoog en droog lag. Zoo ik volk bij mij gehad
had, om deze boot te herstellen en te water te brengen, had dit wel
kunnen geschieden, en ik er mede naar Brazilië teruggekeerd zijn; maar
ik kon ligt beseffen, dat ik haar evenmin kon opheffen en omkeeren als
het eiland zelf. Ik ging echter naar het bosch, en kapte hefboomen en
rollen, en bragt die naar de boot, om te zien wat ik er mede zou kunnen
doen, daar ik dacht, dat als ik haar maar eerst omgekeerd had, ik
gemakkelijk de schade zou kunnen herstellen, en daar het eene zeer goede
sloep was, er mede in zee steken.
Ik spaarde geene moeite aan dezen vruchteloozen arbeid, en bragt er,
geloof ik, drie of vier weken mede zoek. Toen ik eindelijk vond, dat het
mij onmogelijk was haar om te keeren, bedacht ik, het zand er onder uit
te delven, en haar zoo te doen vallen, nadat ik er verscheidene stukken
hout onder geplaatst had, om den val te breken en te regelen.
Maar toen ik dit gedaan had, kon ik haar evenmin verwrikken, of er onder
komen, laat staan haar te water brengen; dus moest ik dit opgeven;
schoon ik echter alle hoop op de boot varen liet, groeide mijne
begeerte, om naar het vaste land over te steken, steeds aan, naar gelang
de middelen daartoe onmogelijker schenen.
Dit bragt mij op de gedachten, of het mij niet mogelijk zou zijn eene
kanoe of praauw te maken, gelijk de inboorlingen onder deze hemelstreek
gebruiken, zelfs zonder gereedschappen, namelijk uit een grooten
boomstam. Ik achtte dit niet alleen mogelijk, maar zelfs gemakkelijk, en
verheugde mij zeer in het vooruitzigt, die te maken, en dat ik daartoe
meer hulpmiddelen zelfs had dan de Negers en Indianen. Maar ik dacht
niet aan hetgeen, waarin ik bij de Indianen te kort schoot, namelijk
gebrek aan volk om te roeijen, als zij klaar was, eene zwarigheid, die
voor mij veel moeijelijker te overwinnen was dan al het gebrek aan
gereedschappen voor hen; want wat baatte het mij als ik een grooten boom
uit het bosch had uitgekipt, dien met veel moeite gekapt, en ik daarna
met behulp van mijne werktuigen in staat was, dien van buiten den vorm
van een boot te geven, en van binnen met vuur of ijzer uit te hollen,
zoo dat het eene boot werd; als ik na dat alles die moest laten waar zij
lag, en niet in staat was haar te water te brengen?
Men zal niet kunnen begrijpen, dat ik niet de minste nagedachten over
mijn toestand had, terwijl ik de boot maakte, anders had ik dadelijk
moeten denken hoe ik haar in zee zou brengen; maar mijne gedachten waren
zoo geheel vervuld met mijne reis over zee met haar, dat ik er zelfs
nimmer aan dacht, hoe ik van het land zou komen, en toch was het
inderdaad voor mij veel gemakkelijker de boot vijftien mijlen over zee
te brengen, dan vijfenveertig over land, van de plaats waar zij lag tot
in het water.
Ik toog te werk aan deze boot, meer als een gek, dan als iemand, die
zijn gezond verstand heeft. De voorgenomen reis streelde mij, zonder dat
ik ooit overwoog of ik wel in staat zou zijn die te beginnen. Wel dacht
ik dikwijls, dat het mij moeijelijk zou zijn mijne boot te water
brengen, maar dan stopte ik mij zelven den mond met het dwaze antwoord:
"Laat mij maar eerst de kanoe gereed hebben, dan zal ik wel middel
vinden haar te gebruiken."
Dit was eene alleronverstandigste handelwijze, maar mijne verbeelding
bragt mij het hoofd op hol, en dus ging ik aan het werk, en deed een
cederboom vallen. Ik weet niet of Salomo ooit een grooter had bij de
bouwing van den tempel te Jeruzalem, want hij was van onderen bij den
wortel vijf voet en tien duim in doorsnede, en vier voet elf duim aan
het andere einde, tweeëntwintig voet hooger, daarna werd hij dunner en
liep in takken uit. Met eindelooze moeite velde ik dezen boom. Twintig
dagen hakte ik aan den stam, toen had ik nog veertien dagen noodig om
er de takken en armen, en de wijd uitgespreide kruin af te kappen,
hetgeen met mijne bijlen een ontzettende arbeid voor mij was. Daarna
ging er nog eene maand heen met den stam te vormen, en er eenigermate
den vorm van eene sloep aan te geven, zoodat hij, gelijk het behoorde,
regt op in het water kon drijven. Het uithollen, zoo dat hij den juisten
vorm van eene sloep verkreeg, deed ik zonder behulp van vuur, maar door
zwaren arbeid met een hamer en beitel, tot ik eindelijk eene vrij knappe
praauw voor den dag bragt, groot genoeg om zesentwintig man te voeren,
en dus althans groot genoeg voor mij en mijne lading.
Toen mijn werk zoo ver gedaan was, had ik er regt genoegen in. De boot
was vrij wat grooter dan ik ooit in mijn leven eene kanoe of praauw, uit
één stam gemaakt, had gezien. Menig droppel zweet had zij mij gekost,
dat kan ik verzekeren. Nu bleef er slechts over haar te water te laten
loopen. Zoo ik dit had kunnen doen, twijfel ik niet of ik zou de
dolzinnigste en gewaagdste reis ondernomen hebben, die ooit bij iemand
opgekomen was.
Maar al mijne uitvindingen, om haar te water te brengen, mislukten,
schoon zij mij ontzettenden arbeid kostten. De boot lag wel niet verder
dan ongeveer honderd ellen van het water, maar in de eerste plaats liep
de grond hoog op bij de kreek. Ik besloot deze hoogte weg te graven, zoo
dat de grond daar laag afliep. Hieraan begon ik weder met ontzettende
moeite; maar wie vraagt naar moeite bij het vooruitzigt op zijne
bevrijding? Maar toen deze moeijelijkheid uit den weg geruimd was, was
er slechts één bezwaar overwonnen, want ik kon de kanoe even min bewegen
als vroeger de andere boot.
Ik mat daarop den afstand, en daar ik de kanoe niet naar het water kon
brengen, besloot ik het water naar de kanoe te brengen, door een kanaal
te graven tot aan de plaats, waar zij lag. Ik begon ook hieraan, maar
toen ik nu eens narekende hoe diep en breed ik dit moest graven, hoe ik
de aarde er uit moest werken, vond ik, dat bij het aantal handen,
waarover ik beschikken kon, te weten mijne eigene twee, er tien of
twaalf jaren zouden verloopen voor ik dit kon volbrengen, want de kust
lag hoog, zoo dat ik aan het einde twintig voet diep had moeten graven.
Hoezeer met grooten weerzin, moest ik dus eindelijk mijn plan opgeven.
Dit griefde mij bitter, en nu zag ik te laat in hoe dwaas het is een
werk te beginnen, zonder eerst te bedenken, of wij in staat zijn het te
volvoeren.
Midden in dit werk was ik, toen het vierde jaar van mijn verblijf alhier
eindigde, en ik bragt dien dag evenzeer in gebeden door als de vorige,
en met gelijke vertroosting, want door eene gestadige beoefening van
Gods Woord, en ondersteund door Gods genade, had ik thans geheel andere
begrippen dan te voren. Ik beschouwde nu de wereld als een afgelegen
oord, als iets, waarmede ik niets te maken, waarvan ik niets te
verwachten had, en waarnaar ik waarlijk niet verlangde. Kortom, daar ik
er waarschijnlijk nimmer weder iets mede te maken zou hebben, beschouwde
ik de wereld gelijk ik dacht, dat wij die welligt hier namaals zullen
beschouwen, namelijk als een plaats, waarin ik geleefd, doch die ik
thans verlaten had. Ik mogt er wel van zeggen gelijk Abraham tot den
rijken man in het Evangelie: "Tusschen mij en ulieden is eene groote
kloof gevestigd."
Ik was inderdaad buiten het bereik van de verzoekingen der wereld. Noch
den lust des vleesches, noch den lust der oogen, noch de hoogmoed des
levens had ik hier te duchten. Ik had niets te benijden, want al wat mij
hier eenig genot kon verschaffen was in mijn bezit. Ik was heer van het
geheele land, en kon mij keizer of koning van hetzelve noemen als ik het
goed vond. Ik had geene mededingers, niemand die mij de heerschappij of
het oppergezag betwistte. Ik had scheepsladingen koorn kunnen teelen,
maar kon ze niet gebruiken, dus liet ik niet meer groeijen dan ik voor
mij noodig achtte. Ik had overvloed van schildpadvleesch, nu en dan een
was voor mij genoeg. Ik had hout genoeg om eene geheele vloot te bouwen,
en genoeg druiven om die vloot met wijn of rozijnen te laden, als zij
gebouwd was.
Maar voor mij was datgene alleen van waarde, wat ik gebruiken kon. Ik
had genoeg om in mijne behoeften te voorzien, en wat zou mij meer gebaat
hebben? Had ik meer wild geschoten dan ik nuttigen kon, mijn hond of de
roofvogels hadden het moeten eten; had ik meer koorn gezaaid dan ik
noodig had, het had moeten bederven. De boomen, die ik geveld had, lagen
op den grond te verrotten. Ik kon ze alleen als brandhout gebruiken, en
dit had ik alleen noodig om mijn eten op te koken.
In één woord, de natuur en mijne ondervinding leerden mij, na rijp
nadenken, dat alle goederen der wereld voor ons niet verder goed zijn
dan zij voor ons gebruik geschikt zijn, en dat van al wat wij
bijeenschrapen, om anderen te geven, wij zoo veel genieten als wij
gebruiken kunnen en meer niet. De schraapzuchtigste vrek der wereld zou
van zijne gierigheid genezen zijn geworden, als hij in mijn toestand
ware geweest, want ik bezat oneindig meer dan ik wist te gebruiken. Ik
had niets te verlangen, dan eenige beuzelingen, die ik niet bezat, maar
die mij van groot nut zouden geweest zijn. Ik had, gelijk ik vroeger
gezegd had, eenig geld in goud en zilver, ter waarde van ruim
zesendertig pond sterling. Helaas, daar lag dat ellendig, nietswaardig
goed! Ik kon er niets mede aanvangen, en dacht dikwijls bij mij zelven,
dat ik er handen vol van had willen geven voor een gros tabakspijpen of
een molen om mijn koorn te malen; ik had het altemaal willen geven voor
de waarde van een paar dubbeltjes aan zaad van peenen en knollen, of
voor eene hand vol erwten en boonen en eene flesch inkt. Thans had ik er
niet het minste voordeel van, het lag in eene lade te beschimmelen door
de vochtigheid in het regensaizoen; en al was die lade vol diamanten
geweest, het zou hetzelfde geweest zijn, en daar zij mij van geen nut
waren, hadden zij geene waarde voor mij.
Mijn levenswijze was thans voor mij veel aangenamer en geruster naar
ligchaam en ziel, dan in den beginne. Dikwijls zette ik mij met een
dankbaar hart aan tafel, en bewonderde de bestiering der Goddelijke
Voorzienigheid, die aldus in de wildernis mij spijs had bereid. Ik
leerde meer op de gunstige en minder op de ongunstige zijde van mijn
toestand zien, en meer te denken aan hetgeen ik bezat dan aan hetgeen
mij ontbrak, en dit verschafte mij somwijlen meer opbeuring dan ik hier
kan zeggen, en waarvan ik hier melding maak, om dit te doen bedenken aan
hen, die onvergenoegd zijn en niet rustig kunnen genieten wat God hun
geschonken heeft, omdat zij datgene zien en benijden, wat Hij hun heeft
onthouden. Al ons verdriet over hetgeen ons ontbreekt, schijnt mij toe
te ontstaan uit gebrek aan dankbaarheid voor hetgeen wij bezitten.
Eene andere bedenking was mij zeer nuttig, en zal dit ongetwijfeld zijn
voor ieder, die zich in een tegenspoed als de mijne bevindt; deze
bestond daarin, dat ik mijn tegenwoordigen toestand vergeleek met dien,
welken ik in den beginne te gemoet zag, en die zeker mijn lot zou
geweest zijn, als Gods genadige Voorzienigheid niet het schip nader bij
het strand had geworpen, zoodat ik er niet alleen kon bijkomen, maar er
alles uit naar den wal brengen, wat ik noodig had; zonder hetwelk ik
noch gereedschap om te werken, noch wapens tot mijne verdediging, noch
kruid en lood om mijn voedsel te verkrijgen, zou gehad hebben.
Geheele uren, ja geheele dagen bragt ik aldus door met mij op het
levendigst voor te stellen hoe ik had moeten handelen, als ik niets uit
het schip had kunnen halen; hoe ik geen ander voedsel dan visch en
schildpadden had bekomen, of liever, daar het lang duurde eer ik dezen
vond, hoe ik voor dien tijd van honger had moeten sterven, of zoo niet,
hoe ik dan als een wilde had moeten leven, en zoo ik bij toeval mij van
een geit of een visch meester had gemaakt, hoe ik die niet had kunnen
afhalen, maar met mijne tanden het vleesch van de beenen afknagen en als
een beest vaneen scheuren.
Deze gedachten deden mij de goedheid der Voorzienigheid jegens mij
beseffen, en mij dankbaar zijn voor mijn tegenwoordigen toestand, met al
zijne gevaren en ongemakken; en ik moet dus ook dit ernstig ter
overweging aanbevelen aan hen, die in hunne ellende zeggen: "Is er
eenige droefenis als de mijne?" Laat hen bedenken hoe veel erger sommige
lieden er aan toe zijn, en zij zelven zouden zijn, als de Voorzienigheid
dit gewild had.
Nog eene bedenking vertroostte mijn geest, en deze was, als ik mijn
tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, welken ik verdiende, en dus
billijk van de Voorzienigheid had mogen verwachten. Ik had geleefd
buiten alle kennis en vreeze Gods. Wel hadden mijne ouders mij
onderwezen en vroegtijdig getracht mij de vreeze Gods in te boezemen,
met een besef van mijne pligten en van de bestemming en het doel mijns
levens. Maar, helaas, vroegtijdig was ik tot een zwervend leven
vervallen, en in een gezelschap, waarin het weinige van de godsdienst
werd uitgeroeid, dat ik nog bezat, door den spot mijner makkers, door
eene hardvochtige verachting van gevaren en het zien van den dood,
waaraan ik gewoon raakte; door mijn langdurig verstoken zijn van alle
gelegenheid om met iemand van andere beginselen dan ik omtegaan, of iets
te hooren, dat goed was, of eene goede strekking had.