Ik heb reeds gezegd, dat ik de weinige airen graan en rijst, die zoo

verrassend, en naar ik eerst dacht, uit zichzelven opgeschoten waren,

had bewaard, en ik geloof dat er ongeveer dertig rijst- en twintig

graanhalmen waren, en nu achtte ik het, na het regenachtig jaargetij, de

geschikte tijd dit te zaaijen. Ik spitte dus eene plek grond om, zoo

goed ik kon, met mijne houten spade, en deelde die in twee deelen af om

mijn graan te zaaijen; maar terwijl ik dit deed bedacht ik toevallig,

dat ik beter zou doen het niet alles te gelijk te zaaijen, omdat ik niet

wist of het de geschikte tijd er toe was; dus zaaide ik ongeveer twee

derde gedeelten, en hield van ieder eene hand vol over. Het bleek

naderhand, dat het zeer gelukkig was dat ik dit gedaan had, want van al

wat ik gezaaid had, schoot thans niets op, zoo lang de thans volgende

drooge maanden duurden; doch toen het natte jaargetijde weder gekomen

was, schoot het op, alsof het pas gezaaid was geworden. Toen ik vond

dat mijn eerste zaaisel niet opschoot, schreef ik dit natuurlijk aan de

droogte toe, en zocht eene vochtiger plek grond om het te beproeven; en

spitte eene plek om nabij mijn nieuw lustverblijf. Hier zaaide ik het

overige van mijn zaad in Februarij, kort voor de herfstevening, en daar

dit de regenachtige maanden Maart en April had, om het te bewateren,

schoot het welig op en leverde een goeden oogst, doch daar ik niet alles

had durven zaaijen wat ik had, was dit toch nog slechts weinig. Deze

proefneming had mij thans echter geleerd hoe te handelen; ik wist thans

wanneer ik zaaijen moest, en dat ik jaarlijks tweemaal in plaats van

eens zou kunnen oogsten.

Terwijl dit koorn groeide deed ik eene kleine ontdekking, die mij

naderhand van nut was. Zoodra de regens over waren en het weder

bestendig begon te worden, hetgeen tegen November was, ging ik

landwaarts in, mijn buitenplaats een bezoek geven, en vond, ofschoon ik

er in verscheidene maanden niet geweest was, alles juist zoo als ik het

verlaten had. De dubbele heining was niet alleen stevig en gaaf, maar de

staken, die ik van eenige boomen daar in den omtrek afgesneden had,

waren allen met lange takken uitgeschoten, even als de wilgen, het

eerste jaar nadat zij geknot zijn. Ik kon niet zeggen welke boom het

was, waarvan deze staken gekapt waren; maar het was mij zeer aangenaam

ze zoo te zien uitwassen. Ik leidde ze en gaf ze eene zoo gelijke

rigting in het groeijen als mogelijk was, en het is naauwelijks te

gelooven hoe schoon zij in drie jaren tijds opgroeiden, zoodat, ofschoon

de heining een cirkel van ongeveer vijfentwintig ellen in doorsnede

maakte, deze boomen zoo veel schaduw gaven, dat ik er in het drooge

jaargetij volkomen door beschut werd.

Dit deed mij besluiten nog eenige staken te kappen, en van deze in een

halven cirkel een heining te maken rondom mijn oud verblijf, gelijk ik

deed, en ik plaatste de takken in eene dubbele rij op ongeveer acht

ellen afstands van mijn eerste heining; zij groeiden welig op, en waren

eerst eene fraaije beschutting en naderhand zelfs eene verdediging voor

mijne woning, gelijk ik later verhalen zal.

Ik vond thans dat de jaargetijden hier niet, als in Europa, in zomer en

winter, maar in het regenachtige en drooge jaargetij verdeeld moesten

worden; als volgt: van half Februarij tot half April regen; daar de zon

alsdan in of bij de evennachtslijn was; van half April tot half Augustus

droogte, zijnde de zon dan benoorden de linie; van half Augustus tot

half October regen; keerende de zon alsdan terug, en van half October

tot half Februarij regen, zijnde de zon dan bezuiden de linie.

Het regensaizoen duurde wat langer of korter naar gelang van den wind,

doch over het algemeen was het gelijk ik hierboven gemeld heb. Nadat de

ondervinding mij geleerd had hoe schadelijk het was mij aan den regen

bloot te stellen, zorgde ik mij vooraf van levensmiddelen te voorzien,

ten einde niet te behoeven uit te gaan, en ik bleef zoo veel mogelijk

binnen in de regenmaanden. Ik had alsdan veel en gepast werk; want ik

had dan de beste gelegenheid mij dingen aan te schaffen, die niet dan

door handenarbeid en aanhoudende vlijt konden gelukken; ik beproefde bij

voorbeeld dikwijls eene mand te vlechten; maar al de takken, die ik

hiertoe vinden kon, waren zoo broos, dat zij mij niet dienen konden.

Thans was het mij een groot voordeel, dat ik als een jongen dikwijls bij

een mandemaker, die digt bij mijn vader woonde, had staan te zien naar

zijn werk, en gelijk jongens zijn, had ik dan dikwijls gedienstig

geweest om den man te helpen; en hierdoor wist ik zooveel van het

mandemaken, dat mij slechts de grondstoffen ontbraken. Toen ik nu

bedacht dat de takken van de boomen, waarvan ik mijne staken, die

uitgeschoten waren, had gekapt, misschien buigzaam waren, als het

wilgenrijs, besloot ik dit te beproeven. Den volgenden dag ging ik dus

naar mijne buitenplaats, en na eenig rijs afgesneden te hebben, vond ik

het zoo lenig als ik wenschen kon; dus ging ik er den volgenden dag met

eene bijl naar toe en kapte eene groote menigte. Deze zette ik binnen

mijne heining overeind om te droogen, en bragt ze toen ze goed waren in

mijn kelder. In de eerstvolgende regenmaanden hield ik mij nu bezig met

een groote menigte manden te vlechten, om aarde in weg te dragen, of om

het een en ander in te bewaren; en hoewel ik ze niet zeer fraai maakte,

waren zij mij echter bij uitstek van dienst, en ik zorgde dus er altijd

van voorzien te zijn, en toen zij oud werden, maakte ik nieuwe; vooral

sterke diepe manden, om mijn koorn in te bewaren, in plaats van in

zakken, als ik er meer van zou verkrijgen.

Na deze moeijelijkheid overwonnen te hebben, schoon ik er een

ontzettenden tijd aan besteedde, trachtte ik zoo mogelijk in nog twee

behoeften te voorzien. Ik had niets om vloeistoffen in te bewaren, dan

een paar vaatjes, die bijkans vol rum waren, en eenige flesschen,

sommigen gewone, anderen vierkante kelderflesschen. Ik had zelfs geen

pot om iets in te koken, behalve een grooten ketel, dien ik uit het

schip gered had, maar die te zwaar was voor het gebruik, dat ik er van

maken wilde, namelijk om vleesch en soep in te koken. Het tweede, dat ik

gaarne wenschte, was eene tabakspijp; maar het was mij onmogelijk die te

maken; eindelijk echter vond ik iets uit om die te vervangen. Den

geheelen zomer hield ik mij voorts bezig met dit mandenmaken en met het

planten van mijne tweede rij staken, toen eene andere bezigheid mij meer

tijd wegnam, dan ik dacht.

Ik heb reeds gezegd, dat ik zeer verlangde het geheele eiland te zien,

en dat ik langs de beek getrokken was en zoo verder tot waar ik mijn

buitenverblijf aanlegde; en vanwaar ik de zee had kunnen zien, aan de

andere zijde van het eiland. Ik besloot nu aan dien kant dwars door te

steken tot aan den zeekant; dus nam ik mijn geweer, eene bijl en mijn

hond mede, en een grooter hoeveelheid kruid en kogels dan gewoonlijk,

met een paar beschuiten en een tros rozijnen in mijn zak, en begon mijne

reis. Toen ik het dal doorkwam, waar mijn lusthuis stond, zag ik de zee

westwaarts, en daar het een zeer heldere dag was, ontdekte ik duidelijk

land, hetzij een eiland of vast land, dat zich van het W. ten W. Z. W.

tot op grooten afstand uitstrekte; naar mijne gissing kon het niet

verder dan vijftien of twintig mijlen verwijderd zijn.

Ik wist niet welk deel van de wereld dit anders zijn kon, dan een

gedeelte van Amerika, en naar mijne berekeningen moest het nabij de

Spaansche bezittingen zijn, en was welligt geheel bewoond door wilden,

waarbij, zoo ik daar geland was, ik in een erger toestand zou geweest

zijn dan in mijn tegenwoordigen, waarin ik nu de beschikking der

Voorzienigheid erkende; welke ik thans begon te erkennen en te gelooven,

dat alles ten beste schikte. Hiermede stelde ik mij tevreden, en het

alle vruchtelooze wenschen, dat ik daar wezen mogt, varen.

Bovendien besloot ik, dat als dit land de Spaansche kust was, ik zeker

den een of anderen tijd, eenig vaartuig her- of derwaarts zou zien

trekken; maar zoo niet, dan was het de woeste kust tusschen de Spaansche

landen en Brazilië; waar de ergste wilden wonen; want het zijn

kannibalen of menscheneters, die alle menschen, welke hun in handen

vallen, vermoorden en verslinden. Onder deze gedachten wandelde ik

langzaam verder. Ik vond, dat deze zijde van het eiland veel

bekoorlijker was dan die waar mijne woning stond. De opene vlakten waren

met bloemen en gras bedekt, en vol fraai houtgewas. Ik zag eene

menigte papegaaijen en had er gaarne een willen vangen, om dien tam te

maken en te leeren spreken. Na eenige moeite ving ik een jongen

papegaai, dien ik met een stokslag nedervelde. Toen hij weder bijkwam,

nam ik hem mede naar huis, maar het duurde eenige jaren alvorens hij

leerde spreken. Eindelijk echter leerde ik hem mij zeer gemeenzaam bij

mijn naam te noemen, en het gevolg hiervan, schoon eene beuzeling, zal

later den lezer genoegen geven.

Deze reis was mij zeer aangenaam. In de lage gronden vond ik hazen,

althans ik hield ze daarvoor, en vossen; doch zij verschilden veel van

de soorten, die ik gezien had; ook kon ik niet van mij verkrijgen er van

te eten, schoon ik verscheidene schoot. Doch dit behoefde ook niet; want

ik had geen gebrek aan zeer goed voedsel. Geiten, duiven en

schildpadden, leverden met mijne rozijnen mij een maaltijd, dien ik in

Engeland niet beter had kunnen verlangen, behalve wat het gezelschap

betreft. En schoon mijn lot ongelukkig genoeg was, had ik groote reden

tot dankbaarheid, dat mijn voedsel zoo overvloedig was.

Ik kwam op deze reis nimmer meer dan twee mijlen per dag in eene regte

lijn vooruit; maar ik deed zoo vele uitstapjes ter zijde af, om iets te

ontdekken, dat ik doodmoede was toen ik de plaats bereikte, waar ik den

nacht wilde doorbrengen, en dan ging ik of in een boom zitten, of ik

omringde mij met eene rij van staken, die ik op den grond of van den

eenen boom tot den anderen plaatste, zoodat geen wild dier mij kon

bereiken, zonder mij wakker te maken.

Toen ik aan de zeekust kwam, werd ik gewaar, dat het lot mij op de

ongunstigste zijde van het eiland geworpen had; want hier was het strand

met eene menigte schildpadden bedekt, terwijl ik aan de andere zijde er

slechts drie in anderhalf jaar gevonden had. Ook was hier eene

onnoembare menigte vogels van allerlei aard, van welke ik sommigen

vroeger en sommigen nimmer gezien had, en waarvan vele zeer goed om te

eten waren, maar van welke ik alleen de pinguïns kende. Ik had er zoo

veel kunnen schieten als ik wilde, maar ik was zeer zuinig met mijn

kruid en lood, en derhalve wenschte ik liever eene geit te schieten

daar meer aan te eten was. Schoon hier meer geiten waren dan aan mijne

zijde van het eiland, kon ik haar echter moeijelijker genaken, omdat het

land zoo vlak en effen was, en zij mij veel spoediger zagen dan als ik

op de heuvels was.

Hoezeer nu deze kant van het land veel aangenamer dan de mijne was, had

ik toch niet den minsten lust daarheen te verhuizen; want ik was thans

in mijne woning te huis, en het scheen mij toe alsof ik thans op reis

was en van mijn huis af. Ik trok echter langs de zeekust, naar gissing

twaalf (Eng.) mijlen, en zette daar een grooten staak op het strand tot

eene baak; waarna ik besloot naar huis te keeren, en de volgende maal

een togt te doen, oostwaarts van mijn woning, en zoo het eiland rond,

tot ik weder op deze plaats kwam waar ik den staak gezet had.

Ik sloeg een anderen weg in om huiswaarts te keeren, denkende dat ik

gemakkelijk het geheele eiland zou kunnen overzien, en mijn weg niet

missen; maar hierin vergiste ik mij, want toen ik een half uur afgelegd

had, bevond ik mij in een diep dal, dat door heuvels met geboomte bezet,

omringd was, zoodat ik mijn weg alleen houden kon door mij naar de zon

te rigten, en dit was nog moeijelijk, tenzij ik den juisten stand der

zon op dat uur van den dag kende. Tot mijn ongeluk werd het weder

bovendien mistig, gedurende de drie of vier dagen die ik in dit dal

doorbragt, en daar ik de zon niet zien kon, bragt ik dezelve zeer

onaangenaam door, en was eindelijk verpligt naar het strand terug te

keeren, mijne baak op te zoeken, en langs denzelfden weg dien ik gegaan

had, terug te keeren. Ik deed dit met kleine dagreizen, daar het zeer

heet was, en mijn geweer, ammunitie, bijl en andere dingen een zware

last waren.

Op deze reis verraste mijn hond eene jonge geit; ik schoot toe, en het

gelukte mij het dier nog levend te redden. Ik wilde het gaarne naar huis

brengen, want ik had lang gewenscht een paar geiten op te kweeken en zoo

mogelijk eene kudde te bekomen, om mij tot voedsel te dienen als al mijn

kruid en lood op was. Ik maakte een halsband voor het beestje, en met

een touw, dat ik altijd bij mij droeg, voerde ik het, schoon niet

zonder moeite mede, tot aan mijn buitenverblijf, waar ik het in de

heining achterliet, want ik verlangde zeer naar mijn huis, waarvan ik

thans eene maand afwezig was geweest.

Ik kan niet zeggen met welk genoegen ik dit weder bereikte en in mijne

hangmat liggen ging. Deze kleine zwerftogt, zonder eenig vast verblijf,

was mij zoo onaangenaam geweest, dat mijn huis, zoo als ik het noemde,

mij daarbij vergeleken, eene volmaakte woning toescheen. Ik had zoo veel

genoegen daar, dat ik besloot er nimmer weder zulk een tijd, zoo lang ik

op het eiland was, mij van te verwijderen.

Ik bragt eene week door met van mijne vermoeijenissen uit te rusten, en

besteedde gedurende dezelve mijn tijd aan het gewigtig werk om een kooi

voor mijne papegaai te maken, die nu meer tam en reeds zeer aan mij

gewoon werd. Daarna begon ik aan het geitje te denken, dat ik in mijne

kleine heining had achtergelaten; ik besloot het te huis te halen of

eenig voedsel te brengen; ik ging er dus heen en vond het waar ik het

gelaten had. Het kon er ook moeijelijk uit, want het was schier dood van

honger. Ik sneed eenige takjes en heesters af en wierp haar die toe, en

nadat zij gegeten had, wilde ik haar met een touw wegleiden; maar de

honger had haar zoo tam gemaakt, dat zij mij volgde als een hond; en

daar ik het altijd voederde, werd het zoo mak en vrolijk en aan mij

gehecht, dat het ook tot mijne huisdieren behoorde, en mij naderhand

nimmer verliet.

De regentijd van de herfstevening was thans gekomen, en ik bragt den 30

September, den tweeden verjaardag dat ik hier aan land kwam, op dezelfde

wijze als den eersten door. Ik was hier nu twee jaren geweest, en had

geen meer vooruitzigt van bevrijd te worden dan den eersten dag toen ik

hier kwam. Den geheelen dag bragt ik door in dankzeggingen over de vele

genadebewijzen, mij in mijn eenzamen toestand te beurt gevallen. Ik

dankte God dat Hij mij ontdekt had, dat ik zelfs in dezen toestand

gelukkiger kon zijn dan in het midden der maatschappij en van al de

genoegens der wereld, en mij het gebrek aan menschelijken omgang

vergoedde door zijne tegenwoordigheid, en de uitstorting zijner genade

op mijne ziel, mij steunende, troostende en bemoedigende door op zijne

Voorzienigheid hier, en op zijn eeuwig bijzijn hier namaals te hopen.

Ik begon thans levendig te gevoelen hoe veel gelukkiger het leven was,

dat ik thans leidde, met al de ongemakken daaraan verknocht, dan het

slechte en ruwe gedrag, dat ik tot hiertoe geleid had. Mijne begeerten,

genoegens en wenschen veranderden geheel bij hetgeen zij te voren

geweest waren.

Vroeger, als ik uitging om te jagen of het land te onderzoeken, kon mijn

jammer over mijn toestand eensklaps losbarsten, en mijn hart bezweek

schier als ik dacht aan de bosschen, bergen en woestijnen, waarin ik mij

bevond, en hoe ik door den Oceaan voor altijd in eene onbewoonde

wildernis was geketend. Dan barstte ik soms in tranen uit als een kind,

en wrong mij de handen. Somtijds te midden van mijn werk ging ik zitten,

en staarde zuchtend een paar uren op den grond. Dit was het ergste,

want als ik mijne borst in tranen en jammerklagten kon lucht geven,

verminderde mijne neêrslagtigheid van lieverlede.

Thans echter begon ik mij met andere denkbeelden bezig te houden. Ik las

dagelijks het Woord van God, en paste al de vertroostingen daarin op

mijn toestand toe. Op zekeren morgen toen ik zoo neêrslagtig was, opende

ik den bijbel bij deze woorden: "Ik zal u nimmer verlaten!"

Dadelijk viel het mij in, dat deze woorden voor mij geschreven waren;

waarom anders zou ik ze juist aangetroffen hebben, toen ik treurde over

mijn toestand, als van God en menschen verlaten. Welaan, zeide ik, zoo

God mij niet verlaat, wat scheelt het of de geheele wereld mij verlaat.

Zoo ik aan den anderen kant de geheele wereld had, en Gods gunst en

zegen verloor, zou het verlies oneindig grooter zijn.

Van dit oogenblik af begreep ik, dat ik in mijn eenzamen, verlaten

toestand gelukkiger kon zijn, dan ik waarschijnlijk in eenigen anderen

staat in de wereld ooit zou geweest zijn; en deze gedachte deed mij op

het punt staan van God te danken, dat Hij mij op dit eiland gevoerd had.

Er was echter iets in mij, dat zich hiertegen verzette, en mij de

woorden belette uit te spreken. Hoe kunt gij zulk een huichelaar zijn,

zeide ik tot mij zelven, dat gij God dankt voor een toestand, waarmede

gij wel moogt trachten tevreden te zijn, maar waarbij gij gaarne zoudt

willen bidden, dat God u er uit bevrijdde?--Schoon ik dus God niet

dankte, dat ik mij hier bevond, dankte ik hem toch opregt, dat Hij door

mijne tegenspoeden mij mijn vorig leven had doen inzien en tot berouw

over hetzelve gebragt. Nimmer vatte ik den Bijbel op, of ik dankte God,

dat Hij mijn vriend in Engeland dien zonder mijn orders onder mijne

goederen had doen pakken, en mij dien naderhand uit het wrak laten

redden.

In deze gemoedsgesteldheid trad ik het derde jaar in, en hoewel ik den

lezer niet met zulk een uitvoerig verslag van mijn arbeid als in het

eerste jaar lastig gevallen heb, kan ik over het algemeen aanmerken, dat

ik zelden ledig was, daar ik regelmatig mijn tijd verdeelde. Eerstelijk

bad ik God en las eenigen tijd in den Bijbel, een gezetten tijd

driemalen daags; vervolgens ging ik met mijn geweer uit om voedsel te

zoeken, hetwelk mij gewoonlijk drie uren elken morgen bezig hield, als

het niet regende. Eindelijk het afhalen en braden van hetgeen ik

geschoten of gevangen had, waarmede een groot deel van den dag verliep.

Ook moet men bedenken, dat het op het midden van den dag te warm was om

uit te gaan, zoodat ik slechts tegen vier ure na den middag kon werken;

somtijds ook werkte ik des morgens, en ging tegen den avond met mijn

geweer uit.

Bij deze korte werkuren moet men voegen de groote moeijelijkheid van

mijn werk, en de vele uren die ieder ding, dat ik maakte, mij kostte,

uit gebrek aan werktuigen, aan hulp en aan bekwaamheid. Ik was bij

voorbeeld tweeënveertig dagen bezig met eene plank te maken tot eene

lange tafel, die ik noodig had, terwijl twee timmerlieden met eene zaag

uit denzelfden boom zes planken in een halven dag zouden vervaardigd

hebben.

Ik moest in de eerste plaats een grooten boom vellen, omdat ik eene

breede plank wilde hebben. Hiermede bragt ik drie dagen door en nog twee

dagen met het afkappen van de takken. Ik hakte toen met ontzettende

moeite zoo veel van den stam af tot hij bewogen kon worden; toen keerde

ik hem op zijde, en maakte een kant, van het begin tot het einde, zoo

vlak en effen als eene plank, en keerde toen hem om, en bewerkte de

andere zijde even zoo, tot ik een plank van drie duim dik had, die aan

beide zijden vlak was. Men oordeele welk een arbeid dit was; maar geduld

en vlijt hielpen mij dit en vele andere dingen verrigten. Ik voer dit

aan ten bewijze, waarom een zoo gering werk mij zoo veel tijd kostte.

Hetgeen met hulp van anderen en geschikte werktuigen eene kleinigheid

was, werd voor een mensch alleen een allerzwaarste en langzaamste

arbeid. Desniettemin deden vlijt en volharding mij vele, ja alle zaken

tot stand brengen, die ik in mijne omstandigheden behoefde.

Ik was nu in November en December, en wachtte den oogst van mijne rijst

en graan. De grond, dien ik er voor omgespit had was niet groot, omdat

ik, gelijk ik zeide, slechts weinig had. Het graan stond echter zeer

goed, toen ik plotseling weder in gevaar kwam alles te verliezen, door

verschillende vijanden, die ik moeijelijk kon afweren, als eerstelijk de

geiten, en de beesten, die ik hazen noemde, kregen smaak in de

graanhalmen, en aten het op zoodra het uitschoot, zoodat het geen airen

kon schieten.

Ik zag geen middel hiertegen, dan om eene heining om mijn akker te

maken, hetgeen mij zwaren arbeid kostte, vooral omdat het spoed eischte.

Daar de omtrek echter klein was, had ik er in drie weken eene heining

om, en over dag schoot ik sommige beesten, en bij nacht liet ik mijn

hond de wacht houden, dien ik aan een paal bij den ingang vast bond,

waar hij den geheelen nacht door blafte; dus ruimden de vijanden

spoedig het veld, en het graan begon welig op te schieten.

Maar hadden de beesten mijn graan vernield toen het opschoot, de vogels

zouden mij waarschijnlijk alles ontrooven nu het airen schoot. Toen ik

er langs ging om te zien hoe het stond, zag ik eene menigte vogels van

allerlei soort er nabij, die slechts schenen te wachten tot ik zou

vertrokken zijn. Dadelijk schoot ik onder hen, (want ik had altijd mijn

geweer bij mij) maar terstond daarop verhief zich eene wolk van vogels

uit het graan, die ik nog niet gezien had.

Dat was mij eene groote teleurstelling; ik voorzag, dat zij in weinige

dagen mij van alles zouden berooven, dat ik eindelijk verhongeren en

geen enkelen graankorrel ooit oogsten zou. Wat ik doen zou, wist ik

niet. Ik besloot echter zoo mogelijk mijn koorn te bewaren, al zou ik er

nacht en dag de wacht bij houden. In de eerste plaats ging ik zien welke

schade zij alreeds aangerigt hadden, en vond, dat hoewel zij reeds veel

gegeten hadden, de schade nog niet zoo groot was, en het overige nog een

goeden oogst zou geven als het behouden kon worden.

Toen ik mijn geweer laadde, zag ik de dieven overal rondom mij op de

boomen zitten, alsof zij wachtten tot ik vertrokken zou zijn; ik deed

alsof ik heen ging, en naauwelijks was ik uit hun gezigt of zij vielen

weder in het graan. Ik was zoo verbitterd, dat ik niet wachten kon tot

er nog meer waren, maar schoot weder en doodde er drie van. Dit was

hetgeen ik wenschte, en ik behandelde ze gelijk men de dieven in

Engeland doet, namelijk, ik hing ze op, ten voorbeeld voor anderen. Het

is bijkans niet te begrijpen welk eene uitwerking dit had; want niet

alleen streken de vogels niet meer in het koorn, maar kort daarop

verlieten zij dat geheele gedeelte van het eiland, en ik zag geen vogel

meer, zoo lang mijne vogelverschrikkers daar hingen. Ik was hierover

verrukt, gelijk men wel denken kan, en in het laatst van December haalde

ik mijn oogst binnen.

Ik had geen sikkel om het te snijden en moest dit dus met een groot mes

doen, hetgeen echter gemakkelijk was, daar de oogst niet groot was. Ik

sneed alleen de airen af, en bragt die in eene groote mand naar huis,

waar ik met mijn handen er het graan uitwreef. Toen dit afgeloopen was,

vond ik, dat ik van mijn zaad bijkans twee schepels rijst en twee en een

half schepel graan geoogst had, dat wil zeggen naar gissing, want ik had

geen maat.

Dit was mij eene groote aanmoediging en ik hoopte, dat God mij met der

tijd brood zou beschikken. Hier deden zich echter weder zwarigheden op;

want ik wist niet hoe ik mijn koorn zou malen, om er meel van te maken,

noch hoe ik, als het tot meel was, er brood van zou maken, en al wist ik

dit, hoe ik het bakken zou. Deze zwarigheden, gevoegd bij mijn verlangen

naar eene groote hoeveelheid zaaikoorn, deden mij besluiten al het koorn

voor het volgende saizoen te bewaren, en middelerwijl mijn gedachten en

mijn tijd te besteden, om mij van meel en brood te voorzien.

Ik mag letterlijk zeggen, dat ik thans voor mijn brood werkte. Het is

zonderling en ik geloof dat er weinig menschen over nagedacht hebben,

hoe veel kleine zaken er noodig zijn tot het voortbrengen van die eene

enkele zaak, het brood. Ik, die in een blooten natuurstaat mij bevond,

ondervond dit tot mijn dagelijksch verdriet, en gevoelde dit ieder uur,

van het oogenblik af, dat ik zoo onverwachts met zaaikoorn verrast werd.

Eerstelijk had ik geen ploeg om den grond te beploegen, noch eene spade

of schop om dien om te spitten. Dit overwon ik door eene houten spade te

maken; maar schoon hare vervaardiging mij vele dagen kostte, was zij

niet alleen veel spoediger versleten dan eene ijzeren, maar het werken

er mede ook veel zwaarder en slechter. Ik deed het er echter mede, zoo

goed als ik kon. Toen het koorn gezaaid was, had ik geen eg om het land

te eggen, maar moest een zwaren boomtak achter mij aan slepen, om

hiermede de kluiten te breken. Terwijl het rijpte ontdekte ik weder

hoeveel werk ik had om het af te sluiten, te bewaren, te oogsten, naar

huis te brengen, te dorschen, van het kaf te scheiden en te bewaren.

Vervolgens ontbrak mij een molen om het te malen, een zeef om het te

builen, gest en zout om er brood van te maken, en een oven om het in te

bakken; en echter wist ik al deze dingen te maken of te doen vervangen,

gelijk men in het vervolg zien zal, en het graan werd eene onschatbare

aanwinst voor mij. Al mijn werk ging hierdoor langzaam en moeijelijk,

maar dit was niet te verhelpen; en ook had ik er tijd genoeg voor; omdat

ik er dagelijks vaste uren toe bestemd had. Daar ik besloten had niets

van mijn koorn tot brood te gebruiken, voor ik er meer van zou hebben,

had ik zes maanden voor mij om mij de gereedschappen aan te schaffen,

die noodig waren om brood van het koorn te bereiden.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 · 第 8 / 23 段