stond ik op; en schoon de angst en schrik van mijn droom nog zeer groot
waren, bedacht ik toch, dat ik zeker morgen weder een aanval van de
koorts zou hebben, en het nu de tijd was mij eenige verkwikking tegen
dien tijd te bezorgen. Het eerste wat ik deed was eene groote
kelderflesch vol met water te vullen en op de tafel te zetten, zoo dat
ik die uit mijn bed bereiken kon, en om de koude van het water weg te
nemen, goot ik er ongeveer een kwart pint rum bij; daarop nam ik een
stuk geitenvleesch en braadde dit, maar ik kon er slechts weinig van
eten. Ik ging naar buiten, maar was zeer zwak en neêrslagtig en kon
naauwelijks mijn geweer dragen, zonder hetwelk ik nimmer uitging. Ik
liep dus niet ver, maar ging op eene hoogte zitten, en zag naar de zee,
die kalm en effen voor mij lag. Terwijl ik hier zat kwamen de volgende
denkbeelden bij mij op. Wat is deze aarde en zee waarvan ik zoo veel
gezien heb? Vanwaar is zij ontstaan? En wat ben ik en alle schepselen,
menschen en beesten? Vanwaar zijn zij gekomen? Ongetwijfeld zijn zij het
werk van die Magt, die de aarde en het water, de lucht en den hemel
heeft gemaakt, en wie is dat? Natuurlijk was het antwoord: het is God,
die dit alles gemaakt heeft. Maar dan is het ook zeker, dat als God dit
alles gemaakt heeft, Hij het ook bestiert en leidt, want wie alles kan
maken, kan het ook regelen en bestieren. En dan gebeurt er ook niets in
den geheelen omkring zijner werken, zonder dat hij het weet of gebiedt.
En dan weet Hij ook dat ik hier, in dezen akeligen toestand ben, en zoo
niets buiten zijn wil geschiedt, dan was het zijn wil, dat mij dit
gebeuren zou.
Niets bood zich aan mijn geest aan, dat een dezer gevolgtrekkingen
logenstrafte, en dus bleef ik overtuigd, dat het Gods wil was, dat mij
dit alles zou overkomen; dat ik door zijne leiding in dezen ellendigen
toestand was gebragt; daar Hij alleen alles in de wereld beschikt.
Nu volgde dadelijk de vraag: Waarom heeft God mij aldus behandeld? Wat
heb ik gedaan, dat mij dit treft?
Mijn geweten kwam dadelijk op tegen deze vraag, als ware zij eene
lastering, en ik meende eene inwendige stem te hooren, die mij zeide:
"Rampzalige, vraagt gij wat gij gedaan hebt, Zie terug op uw vorig
leven, en vraag u zelven wat gij niet gedaan hebt. Vraag waarom gij niet
reeds voor lang vernietigd zijt? Waarom zijt gij niet op de reede van
Yarmouth verdronken? gedood in het gevecht met den kaper van Salé? door
de wilde dieren op de Afrikaansche kust verscheurd? of hier verdronken,
toen al het scheepsvolk, buiten u, verging? Vraagt gij nog, wat gij
gedaan hebt?"
Deze overwegingen verbijsterden mij geheel en al, en ik kon mij zelven
geen woord antwoorden, maar ging treurig en peinzende naar huis, en over
den muur, met oogmerk te bed te gaan; maar mijn hoofd was vol, ik had
geen lust tot slapen; dus ging ik op mijn stoel zitten en stak mijne
lamp op, want het begon donker te worden. Daar ik nu zeer bevreesd was
voor de terugkomst van de koorts, schoot het mij in de gedachten, dat
men in Brazilië schier geene andere geneesmiddelen dan tabak gebruikt,
en ik had eene rol tabak in een der kisten, die goed droog en rijp was,
en eene die groen en niet geheel rijp was.
Ongetwijfeld gaf de Hemel mij dit in, want in deze kist vond ik een
geneesmiddel voor de ziel zoo wel als voor het ligchaam. Ik opende de
kist en vond wat ik zocht, namelijk den tabak, en daar de weinige
boeken, die ik gered had, daar ook bij lagen, nam ik een van de bijbels,
waarvan ik vroeger gesproken heb, en die ik tot hiertoe tijd noch lust
gehad had, in te zien, en legde dezen met den tabak op de tafel.
Hoe ik den tabak gebruiken zou tegen mijne ziekte, wist ik niet, en
evenmin of hij goed voor mij was of niet; maar ik besloot dien op
verschillende wijzen te gebruiken, ten einde het een of het ander mij
helpen zou. Eerst nam ik een stuk en kaauwde dit, hetgeen mij eenigzins
bedwelmde, daar de tabak zwaar en ik er niet zeer aan gewoon was; daarop
nam ik eenigen en weekte dien een paar uren in rum, en besloot daar wat
van te nemen als ik slapen ging, eindelijk brandde ik wat op kolen en
hield mijn neus daarover, zoo lang ik het uithouden kon.
Middelerwijl sloeg ik den bijbel open en trachtte te lezen, maar mijn
hoofd was hiervoor thans te veel bedwelmd door den tabak, echter toen ik
het boek liet openvallen, waren de eerste woorden daar mijn oog op viel,
deze: "Roep mij aan in den dag der benaauwing, en ik zal u redden en gij
zult mijn naam prijzen." Deze woorden waren zeer gepast op mijnen
toestand, en maakten toen indruk op mij, schoon zoo sterk niet als
naderhand; want het woord bevrijding had voor mij geen zin als het ware;
dit scheen mij zoo onwaarschijnlijk, zoo onmogelijk, dat ik begon te
zeggen even als de kinderen Israëls, toen hun vleesch beloofd was:
vanwaar zou dit komen? En daar vele jaren geenerlei hoop zich opdeed,
kwam mij dit dikwijls in de gedachten.
Het werd nu laat, en de tabak had, gelijk ik zeide, mijn hoofd zoo
bedwelmd, dat ik slaperig werd, ik liet dan mijne lamp branden, om te
kunnen zien als ik des nachts wat noodig mogt hebben, en ging naar bed.
Maar voor ik mij nederlegde, deed ik wat ik nog nimmer had gedaan, ik
viel op mijne knieën, en bad God zijne belofte gestand te doen, en mij
te bevrijden als ik Hem aanriep in den dag der benaauwing. Na dit
afgebroken en onvolkomen gebed dronk ik den rum, waarin ik den tabak had
geweekt, die zoo scherp en sterk van den tabak was, dat ik hem
naauwelijks kon inzwelgen. Onmiddellijk daarop ging ik naar bed, en vond
dat de rum mij geweldig naar het hoofd steeg, maar ik viel in een diepen
slaap en werd niet weder wakker voor het, naar de zon te zien, drie uren
in den namiddag van den volgenden dag was; ja, ik geloof zelfs, dat ik
nog een dag en een nacht langer sliep, want anders weet ik niet hoe ik
uit mijne rekening een dag had kunnen verliezen, gelijk het eenige
jaren later bleek, dat ik gedaan had, want had ik een verkeerd merk op
mijn almanak gezet, dan zou ik meer dagen verloren hebben.
Dit zij zoo het wil, toen ik wakker werd was ik uiterst verkwikt, en
mijn geest vlug en opgeruimd. Toen ik opstond was ik veel beter dan den
vorigen dag en mijne maag ook, want ik had honger en om kort te gaan ik
had den volgenden dag geene koorts, maar bleef aan de beterhand. Dit was
den 29en.
* * * * *
Den 30en was het mijn vrije dag, en ik ging met mijn geweer uit, maar
had geen lust om ver te loopen. Ik schoot een paar zeevogels, naar
ganzen gelijkende, maar had weinig lust er van te proeven, dus at ik
eenige schildpadeijeren, die zeer goed waren. Dezen avond nam ik weder
dat geneesmiddel in, dat naar ik meende mij den vorigen keer goed gedaan
had, namelijk tabak in rum gelegd, maar minder sterk dan de vorige reis,
ook kaauwde of rookte ik ze niet. Echter was ik den volgenden dag, den
1 Julij, zoo goed niet als ik gehoopt had, want ik had eene koortsige
huivering, schoon niet veel.
* * * * *
2 Julij. Ik gebruikte het geneesmiddel weder op alle drie de wijzen, en
bedwelmde mij gelijk de eerste reis, en verdubbelde de hoeveelheid
drank.
* * * * *
3 Julij. Ik was de koorts voor goed kwijt, schoon ik eerst verscheidene
weken later mijne vorige krachten terug ontving. Gedurende mijne
herstelling vestigden mijne gedachten zich dikwijls op de woorden der H.
Schrift: _Ik zal u bevrijden_, en de onmogelijkheid mijner bevrijding
drukte mij te zeer ter neder, om die te durven verwachten. Maar, terwijl
ik mij met deze gedachten pijnigde, schoot het mij te binnen, dat ik mij
zoo zeer kwelde met het denkbeeld mijner bevrijding van dit eiland, dat
ik geheel vergat, dat ik als door een wonder van mijne ziekte bevrijd
was geworden, uit den jammerlijksten toestand, en die mij zoo veel
schrik had ingeboezemd. Welke aandacht had ik daarop geslagen? Hoe had
ik mij hierin gedragen? God had mij bevrijd, maar ik had Hem niet
verheerlijkt, dat is te zeggen, ik had mijne bevrijding niet aan Hem
alleen toegeschreven, en Hem daarvoor gedankt. Dit trof mij tot in de
ziel, en dadelijk knielde ik neder, en dankte God met luider stem voor
mijne herstelling uit mijne ziekte.
* * * * *
4 Julij. In den ochtend nam ik den bijbel op, en met het Nieuwe
Testament beginnende, zette ik mij ernstig aan het lezen, en stelde mij
ten taak er elken morgen en avond eene poos in te lezen, zonder mij aan
een vast getal hoofdstukken te binden, maar zoo lang als mij gepast
scheen. Niet lang nadat ik hieraan begonnen was, vond ik mijn hart diep
ter nedergeslagen over de ongeregtigheden van mijn vroeger leven. De
indruk van mijn droom werd weder levendig, en de woorden: "Al deze
dingen hebben u niet tot berouw kunnen brengen," stonden mij ernstig
voor den geest. Ik smeekte God vurig mij tot berouw te stemmen, toen ik
op denzelfden dag op de woorden stiet: "Hij is tot een Vorst en
Middellaar verheven, om berouw en verzoening aan te brengen." Ik legde
het boek neder, en verhief zoo wel mijn hart als mijne handen ten Hemel,
terwijl ik in vervoering uitriep: "o, Jezus, zoon van David; verheven
Vorst en Middellaar, wil mij berouw schenken."
Dit was, naar ik zeggen kan, de eerste maal in mijn geheele leven dat
ik, in den waren zin des woords, bad, want thans bad ik met een waar
besef van mijn toestand, en met eene ware Christelijke hoop, en van dien
tijd af, mag ik zeggen, begon ik te hopen dat God mij verhooren zou.
Nu begon ik de woorden: "Roep mij aan en ik zal u verlossen, in een
geheel anderen zin dan vroeger op te vatten, want ik had geenerlei
denkbeeld van eenige andere bevrijding, dan die uit mijne gevangenschap;
want schoon ik hier werkelijk ruimte genoeg had, was dit eiland toch
voor mij eene gevangenis, in den ongunstigsten zin des woords; maar
thans begon ik dit op eene andere wijze op te vatten. Nu zag ik met zulk
een afschuw op mijn vorig leven terug, en kwamen mijne zonden mij zoo
vreesselijk voor, dat mijne ziel van God alleen bevrijding smeekte van
den last der schuld, die mij geheel ter neder drukte. Mijn eenzaam leven
was niets, hierbij vergeleken, ik dacht er zelfs niet aan, om bevrijding
daarvan te smeeken." Ik zeg dit hier, om mijnen lezers te bewijzen, dat
zoo zij ooit een regt inzigt van de waarheid verkrijgen, zij de
bevrijding der zonde een veel grooter zegen zullen bevinden, dan de
bevrijding van ellenden. Doch ik keer terug tot mijn journaal.
Mijn toestand, ofschoon nog altijd mijne levenswijze rampzalig was,
begon mij thans dragelijker te worden; en mijne gedachten werden door
het bestendig lezen der H. Schrift en aanhoudend gebed, tot zaken van
hoogeren aard geleid. Ik bezat thans eene groote mate van vertroosting,
die ik voorheen niet kende. Bovendien trachtte ik, toen mijne gezondheid
en krachten terugkeerden, mij allerlei noodwendigheden te verschaffen,
en zoo geregeld te leven als ik kon. Van den 4 tot 14 Julij was ik
hoofdzakelijk aan het doen van korte wandelingen, met mijn geweer in de
hand, geëvenredigd naar mijn zwakken toestand. Het geneesmiddel, dat ik
gebruikt had, was nieuw, en nimmer misschien te voren had het iemand van
de koorts verlost, ook zou ik het niet gaarne iemand aanbevelen, want
schoon het mij van de koorts bevrijdde, bleef ik nog lang zwak, en had
dikwijls zenuwachtige trekkingen in mijne leden gedurende eene poos. Ik
leerde hierbij tevens, dat niets mij nadeeliger was dan in het
regenachtig saizoen uit te gaan, vooral bij die regens, die met zware
stormen gepaard gingen; als er regen in het drooge jaargetij viel, was
er altijd zware storm bij.
Ik was nu meer dan tien maanden op dit ongelukkig eiland geweest; alle
vooruitzigt op bevrijding uit mijn toestand scheen geheel verdwenen; en
ik geloofde vast, dat nimmer dit land vroeger door eens menschen voet
betreden was geworden. Mijne woning was thans geheel naar mijn zin in
orde, en ik verlangde zeer het eiland geheel en al te doorzoeken, en te
zien wat het opleverde, buiten hetgeen ik reeds kende.
* * * * *
Den 15 Julij begon ik mijne ontdekkingsreis. Ik ging eerst langs de
kreek, waarin ik, gelijk ik gezegd heb, mijne vlotten aan wal had
gebragt. Na omtrent een half uur gegaan te zijn, vond ik dat het getij
niet hooger liep, en dat het slechts een beekje van loopend water, zeer
frisch en goed, was; doch daar het thans het drooge saizoen was, was er
hier en daar naauwelijks water in, althans niet genoeg om het te doen
vloeijen. Aan de banken van deze beek vond ik verscheidene zeer fraaije,
effene vlakten en met gras bedekt, en waar de grond opliep, en die door
het water waarschijnlijk nimmer overstroomd werd, vond ik veel tabak,
die tot een zwaren, sterken stengel opschoot. Ook verscheidene andere
heesters die ik niet kende, en misschien zeer goede eigenschappen
hadden, doch dit was mij onbekend. Ik zocht naar de cassave, waarvan de
Indianen overal hun brood bereiden, maar vond deze niet. Ik zag groote
aloë's, doch die waren mij toen onbekend; ook veel suikerriet, doch
wild, bij gebrek aan kweeking. Ik stelde mij hiermede voor 's hands
tevreden, en keerde terug, peinzende over de middelen, om de deugd of
het schadelijke van vruchten of planten, die ik vinden mogt, te
ontdekken; maar kon hierop niets vinden, want ik had in Brazilië hierop
zoo weinig acht geslagen, dat ik weinig kennis van de planten had,
althans geene die mij thans te stade kwam.
* * * * *
Den volgenden dag, den 16den, ging ik denzelfden weg, doch iets verder
dan den vorigen dag. Ik vond dat de beek en de weiden hier eindigden, en
het land boschachtiger werd dan vroeger. Hier vond ik verschillende
vruchten, in het bijzonder meloenen, in menigte op den grond liggen, en
druiven aan de takken. De wijngaarden hadden zich over de takken
geslingerd en de trossen waren thans in volle rijpheid. Dit was eene
aangename ontdekking, die mij zeer verheugde, doch de ondervinding had
mij geleerd er matig van te eten, want ik herinnerde mij, dat ik tijdens
mijn verblijf in Barbarije, er vele Engelsche slaven had zien sterven
aan buikloop en koortsen, door te veel druiven te eten. Ik bedacht
echter een uitmuntend gebruik van deze druiven, namelijk ze te droogen,
en als rozijnen te gebruiken, welke ik meende, gelijk ook inderdaad het
geval was, dat even heilzaam en aangenaam zouden zijn, als er geene
druiven waren.
Ik bragt den geheelen avond daar door, en ging niet naar mijne woning
terug om te slapen, en dit was, mag ik zeggen, de eerste maal dat ik
buiten 's huis sliep. Ik ging des avonds weder als de eerste maal op een
boom, waar ik zeer goed sliep, en den volgenden morgen ging ik weder op
ontdekking uit, en legde bijkans vier (Eng.) mijlen af, gelijk ik naar
de lengte van het dal rekenen mag. Ik hield regt noordwaarts aan, met
eene reeks van heuvelen ten zuiden en noorden van mij.
Aan het einde van dezen togt kwam ik aan eene opene vlakte, waar het
land naar het westen scheen af te dalen; terwijl een beekje van zoet
water, dat uit de zijde van een heuvel naast mij ontsproot, den anderen
weg, dat is vlak oostwaarts liep, en het land scheen zoo frisch, zoo
bloeijend, zoo groen, daar alles in het lentegroen stond, dat het naar
een beplanten lusttuin geleek.
Ik daalde een weinig naar de zijde van die bekoorlijke vallei af, en
overzag het met een heimelijk genoegen (schoon er ook treurige
denkbeelden bij mij opwelden) als ik bedacht, dat dit alles mijn
eigendom was; dat ik buiten alle tegenspraak koning en heer van dit
geheele land was, en regt op deszelfs bezit had, en zoo ik het slechts
kon overbrengen, het even goed erfelijk zou bezitten, als eenig edelman
zijne heerlijkheid. Ik zag hier eene menigte kokos-, oranje-, limoen- en
citroenboomen, doch allen wild, en althans tegenwoordig, weinig vrucht
dragende. De groene limmetjes, die ik bijeenzamelde, waren echter niet
alleen lekker maar ook zeer gezond, en naderhand mengde ik hun sap met
water, waardoor het zeer gezond, koel en verfrisschend was. Ik vond hier
werk genoeg en besloot een voorraad aan te leggen van druiven, zoo wel
als van limmetjes en limoenen, om mij te voorzien voor het regenachtig
jaargetij, hetwelk ik wist dat naderde.
Te dien tijd legde ik hier een grooten hoop druiven, en op eene andere
plaats een kleineren, en een grooten voorraad limmetjes op eene derde,
en trok met eenigen van elk naar huis, en besloot met een mand of zak
terug te keeren, om het overige naar huis te brengen. Ik kwam dus te
huis, na drie dagen uit geweest te zijn, maar voor dien tijd waren de
druiven, die overrijp waren, gebroken, en dus nergens goed voor; doch de
limmetjes waren zeer goed, hoewel er weinig waren.
* * * * *
Den volgenden dag den 19den, ging ik terug met twee zakken, die ik
gemaakt had, om mijn oogst te huis te halen; maar ik stond geheel
verbaasd, toen ik bij mijne druiven komende, die geheel verstrooid,
vertrapt, en ginds en herwaarts gesleept, en grootendeels opgegeten
vond. Ik besloot hieruit, dat daar ergens wilde dieren waren, die dezen
roof gepleegd hadden, schoon ik niet wist welke.
Daar ik vond dat ik ze niet op hoopen leggen kon, en niet in een zak
wegdragen, daar ze hierbij vertrapt worden of aan stukken gaan zouden,
sloeg ik een anderen weg in; want ik verzamelde eene menigte druiven, en
hing die aan de uiteinden der takken, om ze in de zon te laten droogen;
en van de limmetjes en limoenen nam ik zoo veel mede als ik dragen kon.
Toen ik van deze reis te huis kwam, herdacht ik met veel genoegen, de
vruchtbaarheid van dit dal en deszelfs aangename ligging, de veiligheid
voor stormen aan die zijde van het water en van het bosch; en ik begreep
thans dat ik eene plek tot mijn verblijf had uitgekozen, die verreweg de
slechtste van het geheele eiland was. Over het geheel begon ik aan eene
verplaatsing van mijne woning te denken, en naar eene plek te zoeken,
even veilig als waar ik thans was, zoo mogelijk in dat aangename,
vruchtbare gedeelte des eilands.
Dit was langen tijd een geliefkoosd denkbeeld van mij, uithoofde van de
aangenaamheid dezer streek; maar toen ik het nader overwoog, bedacht ik
dat ik thans aan de zeekust was, waar het althans mogelijk was, dat iets
tot mijn voordeel zou kunnen gebeuren, en hetzelfde onheil dat mij
hierheen had gebragt, eenige andere ongelukkigen daar zou kunnen
brengen. En schoon het naauwelijks mogelijk was dat het ooit zou
gebeuren, zou ik echter door mij tusschen de heuvels en boschaadjen in
het midden des eilands op te sluiten, mijne gevangenschap verlengen, en
eene zoodanige gebeurtenis niet alleen onwaarschijnlijk, maar zelfs
onmogelijk maken. Ik begreep dus in geen geval te moeten verhuizen. Om
echter een middelweg te kiezen, begreep ik hier eene soort van lusthuis
aan te leggen, en dit te omringen met eene dubbele heining, zoo sterk en
hoog als ik die maken kon, met palen versterkt en met takken en loof
opgevuld. Hier sliep ik veilig, soms twee of drie nachten achtereen,
terwijl ik er altoos met eene ladder overklom, zoodat ik thans begreep
mijne buitenplaats en mijn woonhuis aan de zeekust te hebben. Dit werk
hield mij tot in het begin van Augustus bezig.
Ik had pas mijne heining voltooid, toen het regensaizoen inviel, en mij
in mijn eerste woning deed blijven, want schoon ik elders ook eene tent
van een zeil gemaakt, en dit zeer goed uitgespannen had, was ik hier
toch niet door een heuvel voor de stormen beschut, en had geen kelder
achter mij, waarin ik bij zware slagregens de vlugt kon nemen.
Tegen het begin van Augustus had ik, gelijk ik zeide, mijn lusthuis
voltooid, en had het genoegen het te bewonen. Den 3 Augustus vond ik dat
de druiven, die ik opgehangen had, volkomen gedroogd door de zon en zeer
goede rozijnen geworden waren. Ik begon ze dus af te nemen en te goeder
ure, want de regen zou ze anders spoedig bedorven en mij van het beste
deel van mijn wintervoorraad beroofd hebben; want ik had meer dan
tweehonderd trossen, die ik naauwelijks had afgenomen of het begon te
regenen, en van den 14 Augustus tot het midden van October, had ik elken
dag meer of minder regen; somtijds zoo zwaar, dat ik verscheidene dagen
mijn kelder niet verlaten kon.
In dien tijd werd ik verrast met de vermeerdering van mijn huisgezin. Ik
had veel spijt gehad van een mijner katten, die weggeloopen, en hier of
daar naar ik dacht gestorven zou zijn; maar op zekeren dag kwam zij met
drie jongen te huis. Dit bevreemdde mij te meer omdat, hoewel ik een
wilde kat geschoten had, deze eene geheel andere soort dan onze
Europesche katten was; de jonge katjes waren echter in alles aan onze
huiskatten gelijk. Van deze drie katten kwam echter naderhand zulk eene
talrijke nakomelingschap, dat deze eene ware plaag voor mij werd, en ik
genoodzaakt was ze dood te schieten, en zoo ver mogelijk van huis te
jagen.
* * * * *
Van den 14 tot den 26 Augustus regende het onophoudelijk, zoodat ik niet
kon uitgaan; want ik was thans zeer bezorgd niet nat te worden. Terwijl
ik aldus opgesloten was, werd mijn voedsel schraal; doch tweemaal waagde
ik het buiten te gaan, en den eersten dag doodde ik eene geit, en den
tweeden (den 26) vond ik een zeer groote schildpad, dat voor mij eene
ware lekkernij was. Mijne maaltijden waren thans de volgende. Ik at een
tros rozijnen voor mijn ontbijt, een stuk gebraden geiten- of
schildpadvleesch (want ik had ongelukkig geen vaatwerk om in te koken of
te stoven) voor mijn middagmaal, en twee of drie schildpadeijeren
maakten mijn avondmaal uit.
In dien tijd werkte ik alle dagen twee of drie uren aan het verwijden
van mijn kelder, en delfde die langzamerhand van eene zijde uit, tot ik
aan de buitenzijde van den heuvel kwam, en daar een uitgang maakte, die
buiten mijn heining of muur uitkwam, en waardoor ik in en uit kon gaan.
Doch zoo geheel open te leggen beviel mij maar half, want terwijl ik te
voren gezorgd had, geheel afgesloten te zijn, lag ik thans eenigzins
open, hoewel ik geen levend wezen gezien had, waarvoor ik behoefde te
vreezen, want het grootste dier dat ik op het eiland had bespeurd was
eene geit.
* * * * *
Den 30 September. Het was thans de ongelukkige verjaardag van mijne
aankomst. Ik telde de kerven op mijn staak, en vond dat ik driehonderd
vijfenzestig dagen aan land was geweest. Ik beschouwde dezen dag als een
feestdag, en bragt dien door in godsdienstige overdenkingen. Ik wierp
mij met de opregtste nederigheid neder, beleed mijne zonden aan God, en
erkende de regtvaardigheid zijner oordeelen jegens mij, en smeekte hem
om genade door Jezus Christus; en na den geheelen dag tot na den
ondergang der zon gevast te hebben, at ik eene beschuit en een tros
rozijnen, ging naar bed en besloot den dag, gelijk ik dien begonnen had,
met het gebed. Ik had al dien tijd geen zondag gehouden, want daar ik in
den beginne geenszins godsdienstig gestemd was, had ik vergeten den
zevenden dag door eene langere kerf op te teekenen, zoo dat ik niet wist
welke dag het was. Nu ik echter vond, dat ik daar een jaar geweest was,
verdeelde ik dit in weken en rekende elken zevenden dag voor een zondag;
schoon ik bij het einde mijner rekening vond, dat ik een paar dagen
verloren had.
Kort daarop begon de inkt mij te ontbreken, en ik gebruikte die dus meer
spaarzaam en alleen om het merkwaardigste wat mij gebeurde op te
teekenen, zonder een journaal te blijven houden.
Ik leerde thans den tijd van het natte en drooge saizoen kennen, en
trachtte mij voor derzelver komst van de vereischte noodwendigheden te
voorzien. De ondervinding, die ik verkreeg, kwam mij echter soms duur te
staan, vooral bij de navolgende gelegenheid, die de treurigste
ondervinding was die ik opdeed.