en dat er nog meer aldaar was, ging ik alle deelen van het eiland door,
waar ik vroeger geweest was, zocht in iederen hoek en onder iedere rots,
om nog meer te zien, maar kon niets meer vinden. Eindelijk kwam het mij
in de gedachten, dat ik den zak, waarin het voedsel voor de kiekens
geweest was, daar uitgeschud had, en toen was het wonder opgehelderd, en
daarmede, ik moet het bekennen, mijne erkentelijkheid voor Gods
goedertierenheid, ten einde. Ik had echter dezelfde reden tot
dankbaarheid, alsof het daar door een wonder gekomen was, want het was
waarlijk eene bestiering der Voorzienigheid, dat tien of twaalf korrels
graan onbedorven waren gebleven, terwijl de ratten al het overige
vernield hadden; vervolgens, dat ik het juist op die plek had moeten
werpen, waar het, doordien het onder de schaduw van eene hooge rots
stond, onmiddellijk kon opschieten, terwijl, zoo het te dier tijd ergens
anders gevallen ware, het verzengd en vernield zou geworden zijn.
Ik gaarde zorgvuldig de aren op, gelijk men wel denken kan, toen zij
rijp waren, hetgeen in het laatst van Junij was, en ieder korrel
bewarende, besloot ik die op nieuw te zaaijen, in de hoop van met der
tijd genoeg te bekomen, om mij brood te verschaffen. Het was echter
eerst in het vierde jaar, dat ik mij veroorloofde iets van het graan te
eten, en dit nog zeer spaarzaam, gelijk men later vernemen zal.
Behalve dit graan waren er twintig of dertig rijsthalmen opgeschoten,
die ik even zorgvuldig en met hetzelfde oogmerk bewaarde, namelijk, om
later mij tot brood, of liever tot spijs te verstrekken; want ik vond
middel om het te koken, zonder het te bakken, schoon ik dit naderhand
ook deed. Doch ik keer tot mijn journaal terug.
Ik werkte deze drie of vier maanden uiterst hard, om mijn muur gereed te
krijgen, en den 14 April sloot ik dien geheel, en ging naar buiten, niet
door eene deur, maar over eene ladder, ten einde er aan de buitenzijde
geen spoor van mogt overblijven.
* * * * *
16 April. Ik maakte de ladder af; klom met dezelve naar boven, haalde
die achter mij op, en liet die van binnen zakken. Ik had thans een
volkomen omheining voor mij; en van buiten kon men mij niet dan over den
muur genaken.
Den dag nadat ik dezen muur voltooid had, was bijkans al mijn arbeid
vruchteloos geweest, en ik zelf verongelukt. Dit was het geval. Toen ik
van binnen bezig was achter mijne tent, vlak in den ingang van mijn
kelder, schrikte ik allerhevigst door iets, dat waarlijk ook
allerverbazendst was. De aarde kwam van den zolder, van mijn kelder en
van de zijde van den heuvel over mijn hoofd rollen, en twee van de
stijlen, die ik in den kelder overeinde had gezet, kraakten
allerhevigst. Ik was ernstig geschrikt, maar dacht volstrekt niet aan de
ware oorzaak; alleenlijk begreep ik, dat de zolder van mijn kelder
instortte, gelijk vroeger nog eens gebeurd was. Uit vrees dus van
daaronder bedolven te worden, ijlde ik weg, en achtte mij niet veilig
voor ik over den muur was, uit vrees, dat de stukken rots op mijn hoofd
mogten vallen. Naauwelijks was ik op vasten grond, of ik zag duidelijk,
dat het eene verschrikkelijke aardbeving was, want de grond, waarop ik
stond, schudde driemaal, ongeveer acht minuten na elkander, zoo hevig,
dat de sterkste gebouwen er door hadden moeten instorten, en een top van
eene rots, die een halfuur van mij af, digt aan zee stond, viel met zulk
een verschrikkelijk geraas naar beneden, als ik nimmer hoorde. Ik
bemerkte ook dat de zee in hevige beweging was, en ik geloof, dat de
schokken onder het water sterker dan op het eiland waren.
Ik was hiervan zoo verbaasd, daar ik nooit in mijn leven zoo iets had
gevoeld, of van gehoord had, dat ik als geheel verplet was; en de
beweging van de aarde maakte mij ziek, als iemand, die zeeziek is. Het
geraas van de neêrstortende rots bragt mij weder tot bezinning, en ik
vreesde ieder oogenblik, dat de rots op mijne tent en al mijne goederen
zou vallen en alles in eens bedelven; en dit denkbeeld deed mij schier
bezwijken.
Toen de derde schok voorbij was, en ik eenigen tijd niets meer voelde,
begon ik moed te scheppen, maar had toch nog het hart niet, weder over
den muur te gaan, uit vrees van levende begraven te worden. Ik bleef
neêrslagtig en mistroostig op den grond zitten, niet wetende wat te
doen. Al dien tijd had ik niet het minste godsdienstige denkbeeld,
behalve, dat ik werktuigelijk uitriep: "Heer, wees mij genadig!" en toen
het gevaar over was waren alle gedachten aan den Hemel daarbij
verdwenen.
Terwijl ik aldus zat, betrok de lucht alsof het zou gaan regenen, en in
minder dan een half uur blies er een allergeweldigste orkaan. De zee was
plotseling met schuim bedekt, de golven sloegen over het strand, de
boomen werden ontworteld; en deze verschrikkelijke storm duurde omtrent
drie uren, toen begon hij te bedaren, en twee uren later was het weder
kalm, en begon het geweldig te regenen.
Al dien tijd zat ik op den grond, zeer beducht en neêrslagtig, toen het
mij plotseling inviel, dat, daar deze wind en regen het gevolg van de
aardbeving waren, deze zelve voorbij was, en ik het wagen kon in mijn
kelder te gaan. Deze gedachte herlevendigde mijn moed, en de regen deed
er het zijne toe, om mij over te halen, dus ging ik naar binnen, en in
mijne tent; doch de regen was zoo geweldig, dat mijne tent bijkans er
door neergeslagen werd, dus was ik gedwongen in mijn kelder te gaan,
hetgeen ik met veel zorg en onrust deed. Deze stortbui dwong mij tot
nieuwen arbeid, want ik moest onder den muur een greppel graven, om het
water een afloop te geven, anders zou mijn kelder ondergeloopen hebben.
Nadat ik eenigen tijd in mijn kelder doorgebragt, en geene schokken meer
gevoeld had, schepte ik wat moed, en om dien te versterken, ging ik naar
mijn magazijn, en nam een slok rum; hetgeen ik echter toen en naderhand
altijd zeer spaarzaam deed, wetende dat ik, als deze op was, geen meer
kon bekomen. Den geheelen dag en een groot deel van den nacht bleef het
doorregenen, zoodat ik niet kon uitgaan; maar van mijne ontsteltenis
bekomen, dacht ik na over hetgeen mij thans te doen stond. Als dit
eiland aan aardbevingen onderhevig was, kon ik niet in den kelder
blijven wonen; maar moest ik een hutje voor mij bouwen, dat ik ook met
een muur omringen kon, en mij daardoor voor menschen en beesten
beveiligen; want zoo ik bleef waar ik was, liep ik gevaar van te eeniger
tijd levend begraven te worden.
Ik besloot mijne tent, die vlak tegen de rots aan stond, te verplaatsen,
daar deze bij eene nieuwe aardbeving er ligtelijk op kon storten. De
twee volgende dagen (19 en 20 April) besteedde ik met te overleggen
werwaarts en hoe ik mijne woning verleggen zou. De vrees van levend
bedolven te worden belette mij allen gerusten slaap, en toch was ik even
bevreesd, in het open veld, zonder eenige beschutting, te slapen; en
wanneer ik rond zag, en alles zoo goed in orde vond, en hoe veilig ik
gehuisvest en verborgen was, gevoelde ik grooten weerzin in deze plaats
te verlaten.
Middelerwijl kwam het mij in de gedachten, dat met dit te maken veel
tijd zou verloopen, en dat ik mij er in moest schikken het gevaar te
blijven loopen waar ik was, totdat ik een kamp voor mij gemaakt had en
dat zoo versterkt, dat ik daarheen kon verhuizen. Ik besloot dus zoo
spoedig mogelijk aan het werk te gaan, en mij een wal te maken met palen
en kabeltouw, gelijk de vorige, omringd, en in het midden daarvan mijne
tent op te slaan, als die voltooid was, maar tot dien tijd zou ik het
wagen te blijven waar ik was. Dit was den 21sten.
* * * * *
22 April. Den volgenden morgen begon ik de middelen, om dit besluit uit
te voeren, te overwegen, maar ik was in groote verlegenheid om
gereedschappen. Ik had drie groote bijlen en eene menigte kleine, want
deze hadden wij medegenomen, om met de negers te handelen; maar door het
kappen en behakken van hard hout, waren zij allen bot en vol scharen
geworden. Ik had wel een slijpsteen, maar kon dien niet draaijen, en
tegelijk mijn gereedschap er op slijpen. Dit kostte mij meer tijd, dan
een staatsman noodig heeft om over landen en volken, of een regter om
over leven en dood uitspraak te doen. Eindelijk maakte ik een wiel met
een strop, dat ik met mijn voet kon draaijen, zoodat ik mijne beide
handen vrij had.--Ik had zoo iets in Engeland nimmer gezien, of er
althans nooit geen acht op geslagen; hoewel ik naderhand vond, dat zij
daar zeer algemeen waren; ook was mijn slijpsteen groot en zeer zwaar.
Het gereed maken van dit werktuig kostte mij eene geheele week tijd.
* * * * *
28, 29 April. Deze twee dagen bragt ik door met mijne gereedschappen te
slijpen; mijn werktuig om den steen te draaijen ging zeer goed.
* * * * *
30 April. Daar ik bespeurde, dat mijn voorraad van brood sterk minderde,
nam ik eens op wat er nog was, en stelde mij op rantsoen van een
beschuit per dag, hetgeen mij zeer neêrslagtig maakte.
* * * * *
1 Mei. Toen ik dezen morgen naar zee ging, zag ik, terwijl het zeer laag
water was, iets op het strand liggen. Toen ik er bij kwam vond ik een
vaatje en twee of drie stukken van het wrak, die door den laatsten storm
op het strand waren geslagen; en naar het wrak ziende, meende ik, dat
het hooger uit het water uitstak dan anders. Ik onderzocht het vaatje,
dat op strand lag, en vond dat het een kruidvaatje was, doch dat nat
geworden was; het kruid was als een koek ineen gebakken, en zoo hard als
steen. Ik rolde het hooger op het strand vooreerst, en ging verder op
zoo digt bij het wrak als ik kon.
Toen ik bij het schip kwam vond ik het geheel verplaatst; het voorschip,
dat vroeger in het zand begraven lag, was ten minste zes voet opgebeurd,
en het achterschip, dat door de woede der golven aan stukken geslagen en
van het overige als het ware afgerukt was geworden, kort na mijne
laatste reis derwaarts, was opgeheven en op zijde geworpen, en het zand
was aan dien kant bij den spiegel zoo hoog opgeworpen, dat ik er thans
bij laag water naar toe kon wandelen. In het eerst stond ik hierover
verbaasd, maar weldra begreep ik, dat het door de aardbeving moest
geschied zijn, en daar thans het schip meer dan te voren opengeslagen
was, kwamen er dagelijks vele dingen aan strand spoelen, die de zee
lossloeg en door de wind en golven op het strand geworpen werden.
Dit bragt mij weder alle denkbeeld aan verhuizen uit het hoofd, en ik
hield mij ijverig, vooral dien dag, bezig, met te zien of ik ook op
eenigerlei wijze in het schip kon komen; doch ik vond dat dit niet ging,
daar het vol zand was. Daar ik echter geleerd had niets op te geven,
besloot ik van het schip te slopen wat ik kon, overtuigd, dat alles mij
op eene of andere wijze van nut kon zijn.
* * * * *
3 Mei. Ik ging aan het visschen, maar vong geen een visch, dien ik eten
dorst, tot juist toen ik er wilde uitscheiden, daar het mij verdroot, ik
een jongen dolfijn ving. Ik had eene lange lijn van dun touw gemaakt,
maar had geen hoeken; ik ving echter dikwijls veel visch; althans zoo
veel als ik lustte; die ik allen in de zon droogde, en gedroogd at.
* * * * *
4 Mei. Ik begon met mijne zaag een balk door te zagen, die ik mij
verbeeldde, dat een deel van het halfdek bijeenhield; en toen hij
doorgezaagd was, ruimde ik zoo veel ik kon het zand weg van den kant,
die het hoogst lag, maar toen de vloed doorkwam, was ik verpligt dit
werk voor 's hands te staken.
* * * * *
5 Mei. Op het wrak gewerkt, een anderen balk doorgezaagd, en drie groote
planken van het dek gesloopt, die ik vastbond en met den vloed naar wal
liet drijven.
* * * * *
6 Mei. Op het wrak gewerkt, verscheidene ijzeren bouten en ander
ijzerwerk er af gebragt; zeer hard gewerkt en doodmoede te huis gekomen,
met veel lust het werk te staken.
* * * * *
7 Mei. Weder naar het wrak gegaan, maar met oogmerk er niet te werken.
Ik vond dat het schip door zijne eigene zwaarte zich begeven had, de
balken waren gebroken en verscheidene stukken van het schip schenen los
te liggen; en de binnenzijde van het ruim lag zoo open, dat ik er in
zien kon; het was schier geheel vol met water en zand.
* * * * *
8 Mei. Ik ging weder naar het wrak en nam een ijzeren koevoet mede, om
het dek op te breken, dat nu geheel vrij van water en zand lag. Ik
werkte twee planken er af en bragt die met den vloed naar den wal. Ik
liet den koevoet op het wrak achter tot den volgenden dag.
* * * * *
9 Mei. Ik maakte met den koevoet eene opening naar het ruim, en vond
verscheidene vaten, die ik los werkte, maar kon ze niet openbreken. Ook
vond ik eene rol Engelsen lood, maar dit was te zwaar voor mij, om het
op te heffen.
* * * * *
10, 11, 12, 13, 14 Mei. Ik ging alle dagen naar het wrak, en haalde er
vele stukken hout en planken af, en wel twee- of driehonderd [lb =
gewicht] ijzer.
* * * * *
15 Mei. Ik ging met twee kleine bijlen naar het wrak en beproefde of ik
geen stuk van het lood kon afkappen, door de eene bijl als eene wig te
gebruiken, maar daar het lood anderhalf voet onder water lag, kon ik er
niet genoeg bijkomen.
* * * * *
16 Mei. Het had 's nachts hard gewaaid, en het wrak scheen door de
golven meer gebroken te zijn; maar ik was zoo lang in het bosch geweest
om duiven te schieten, dat het getij mij dien dag belette aan boord te
gaan.
* * * * *
17 Mei. Ik zag eenige stukken van het wrak, die op een half uur
afstands, door den wind op het strand waren gedreven; ik ging er heen,
maar vond dat het een stuk van den kop was, maar te zwaar voor mij om
het te huis te brengen.
* * * * *
24 Mei. Alle dagen tot heden op het wrak gewerkt, en met zwaren arbeid
eenige dingen zoo verre losgewerkt met den koevoet, dat met hoog water
eenige vaten en twee matrozenkisten er uit spoelden, maar daar de wind
van het land blies, kwam er dien dag niets aan strand spoelen dan eenig
brandhout, en een okshoofd met eenig spek, doch het zeewater en het zand
hadden het onbruikbaar gemaakt. Ik hield met dit werk aan tot den 15
Junij, uitgezonderd den tijd dien ik dagelijks er af nam, om mijn
voedsel op te sporen, bij hoog water, ten einde altijd gereed te zijn
als het afgeloopen was. Ik had thans rondhouten, planken en ijzerwerk
genoeg bijeen, om eene goede boot te bouwen, als ik maar geweten had,
hoe; ook had ik op verschillende tijden bijkans honderd pond van de rol
lood afgehaald.
* * * * *
16 Junij. Naar den zeekant gaande vond ik eene groote schildpad; dit was
de eerste dien ik gezien had, hetgeen echter niet uit hare schaarschheid
voortsproot, want ware ik aan de andere zijde van het eiland geweest,
dan had ik ze bij honderden kunnen vinden, gelijk naderhand bleek, doch
ze dan misschien duur genoeg moeten betalen.
* * * * *
17 Junij. Bragt ik door in het koken van de schildpad. Ik vond er zestig
eijeren in, en haar vleesch scheen mij het geurigste en lekkerste dat ik
ooit geproefd had; en geen wonder, daar ik sedert mijne komst op dit
akelig eiland slechts geitenvleesch en vogels geproefd had.
* * * * *
18 Junij. Het regende den geheelen dag en ik bleef binnen 's huis. Mij
dacht, dat de regen koud nederviel, en ik was eenigzins huiverig,
hetgeen ik wist dat op deze breedte ongewoon is.
* * * * *
19 Junij. Ik was zeer ongesteld en huiverig, alsof het koud weder was.
* * * * *
20 Junij. Den geheelen nacht niet geslapen, zware pijn in het hoofd en
koortsig.
* * * * *
21 Junij. Zeer ziek, en doodsangst uitstaande over mijn jammerlijken
toestand, ziek te zijn zonder hulp. Ik bad tot God de eerste maal sedert
den storm voor Hull; maar wist naauwelijks wat ik zeide, daar mijne
denkbeelden geheel verward waren.
* * * * *
22 Junij. Een weinig beter, maar vreesselijk beangst.
* * * * *
23 Junij. Weder erger, koud en huiverig met geweldige hoofdpijn.
* * * * *
24 Junij. Veel beter.
* * * * *
25 Junij. Zeer zware koorts, heet en koud, die zeven uren achtereen
duurde, en van eenig zweet gevolgd werd.
* * * * *
26 Junij. Ik gevoelde mij beter, en daar ik niets te eten had, nam ik
mijn geweer, maar vond dat ik zeer zwak was. Ik schoot echter eene geit
en bragt die met veel moeite te huis, braadde er een stukje van en at
dat op. Ik had er gaarne wat vleeschnat van willen koken, maar ik had
geen pot.
* * * * *
27 Junij. De koorts was weder zoo hevig, dat ik den geheelen dag liggen
bleef, zonder te eten of te drinken. Ik stierf schier van dorst, maar
was te zwak om op te staan en water te halen. Ik bad weder tot God, maar
was bedwelmd van hoofd, en als dit niet het geval was, was ik toch zoo
onwetend, dat ik niet wist wat ik zeggen zou, en niet anders riep dan:
"Heere, wees mij genadig, Heere, heb medelijden met mij!" Ik geloof dat
ik twee of drie uren lang niets anders deed, tot ik bij het afgaan der
koorts in slaap viel, en eerst laat in den nacht wakker werd. Toen ik
ontwaakte bevond ik mij veel verkwikt, maar zwak en zeer dorstig; daar
ik echter geen water in mijn verblijf had, was ik verpligt tot den
morgenstond te wachten, en viel weder in slaap. In dezen slaap had ik
den volgenden verschrikkelijken droom.
Ik verbeeldde mij dat ik op den grond zat, buiten mijn wal, waar ik na
de aardbeving, gedurende den storm gezeten had, en dat ik een man, uit
eene groote zwarte wolk, in eene heldere vuurvlam zag nederdalen. Hij
was geheel en al zoo schitterend als eene vlam, zoo dat ik naauwelijks
op hem zien kon; zijn gelaat was ontzaggelijker, dan woorden kunnen
uitdrukken; toen hij met zijnen voet op den grond trad, dreunde deze,
even als bij de aardbeving, en de geheele lucht scheen als met
vuurvlammen bezet.
Toen hij op den grond stond trad hij naar mij toe, met een speer of
dergelijk wapen in de hand, als om mij te dooden, en toen hij op eenigen
afstand van mij op eene hoogte stond, sprak hij tot mij, of hoorde ik
eene zoo ontzaggelijke stem, welks vreesselijkheid niet te beschrijven
is, tot mij zeggen: "Dewijl al deze dingen u niet tot berouw verwekt
hebben, zult gij sterven!" Bij deze woorden meende ik, dat hij de speer,
die hij in de hand hield, ophief, als om mij te dooden.
Ik zal niet trachten den schrik te beschrijven, dien dit verschrikkelijk
gezigt in mijne ziel verwekte. Zelfs toen ik droomde, verwonderde ik mij
over mijn eigen angst; en evenmin kon ik den indruk beschrijven, dien
mij bijbleef, toen ik wakker geworden zijnde, ontdekte dat het slechts
een droom was.
Ik had, helaas, geenerlei godsdienstige kennis; die welke ik uit het
onderrigt mijns vaders verkregen had, was door een omgang van acht jaren
met ruwe en losbandige zeelieden geheel uitgewischt geworden. Ik
herinner mij niet, dat ik in al dien tijd eenige gedachte tot God
gerigt, of over het gepaste mijner handelingen nagedacht had. Eene
zekere dofheid van geest, zonder verlangen naar het goede, zonder
bewustheid van het kwade, had mij geheel overmeesterd, en ik was een van
de verhardste, meest gedachtenlooze en bedorvene wezens die men onder de
matrozen kan ontmoeten, die niet het minste gevoel der vreeze Gods had,
in gevaren, of van dankbaarheid jegens hem, bij hunne redding uit
dezelve.
Dit zal men te ligter gelooven, als ik bij het verhaal mijner vorige
lotgevallen bijvoeg, dat ik bij al de reeks van ongelukken, die mij tot
op dezen dag getroffen hadden, nimmer een enkel oogenblik gedacht had,
dat hierin Gods hand was, of dat zij eene regtmatige straf waren voor
mijn ongehoorzaam gedrag jegens mijn vader, of mijne latere
overtredingen, die zeer groot waren. Toen ik dien wanhopigen togt deed
langs de Afrikaansche kust, had ik nimmer een oogenblik gedacht wat er
van mij worden zou, of eenmaal van God gebeden mij te geleiden, of mij
voor het gevaar te behoeden, dat mij zoo blijkbaar omringde van
verscheurende dieren en onbeschaafde volken; ik dacht volstrekt niet aan
Gods voorzienigheid, maar handelde als een dier, dat alleen door zucht
tot zelfbehoud gedreven wordt.
Toen ik op zee door den Portugeschen kapitein gered en opgenomen, goed
verzorgd, billijk en liefderijk behandeld werd; gevoelde ik niet de
minste dankbaarheid jegens God; en toen ik op nieuw schipbreuk leed, en
uit de kaken des doods gered, op dit eiland werd geworpen, was ik ver af
van eenige wroeging, of van dit als eene straf des Hemels te beschouwen;
alleen zeide ik dikwijls tot mijzelven, dat ik een rampspoedig mensch en
tot het ongeluk geboren was.
Wel is waar, toen ik hier het eerst aan land kwam, al mijne
scheepsmakkers verdronken en mij alleen gered vond, geraakte ik in eene
soort van verrukking, die onder Gods genade, tot ware dankbaarheid had
kunnen aangroeijen; maar het bleef bij eene gewone opwelling van
vreugde. Ik was blijde dat ik gered was, zonder acht te geven op de
goedheid van de hand Gods, die mij bewaard en uitverkoren had om gered
te worden, terwijl al de overigen vergaan waren, noch na te denken
waarom de Voorzienigheid zoo barmhartig jegens mij geweest was. Het
bleef bij die vreugde, die zeelieden dikwijls hebben als zij behouden
van eene schipbreuk aan land komen; die zij verdrinken in een kom
punsch, en die gelijk met dezelve eindigt.
Zelfs toen ik naderhand mijn toestand ernstig overwoog, hoe ik op dit
akelig verblijf buiten allen menschelijken bijstand, buiten alle hoop op
bevrijding mij bevond; was al mijne neêrslagtigheid voorbij, zoodra ik
de waarschijnlijkheid inzag, dat ik niet van honger zou sterven; en ik
begon zeer welgemoed aan den arbeid, die tot mijn behoud en voedsel
noodig was, en dacht er niet aan mijn toestand als eene straf des Hemels
te beschouwen; deze gedachten kwamen zelden bij mij op.
Het opschieten van het graan, gelijk ik in mijn journaal gemeld heb,
maakte in het eerst eenigen indruk op mij, en bragt mij tot ernstige
nagedachten, zoo lang ik dacht, dat hierin iets wonderdadigs lag. Maar
zoodra dit denkbeeld verdwenen was, ging ook die indruk, gelijk ik
zeide, geheel verloren. Zelfs de aardbeving, dat verschrikkelijke
natuurverschijnsel, dat zoo onmiddellijk aan eene onzigtbare magt doet
denken, bragt, nadat de eerste schrik voorbij was, geen blijvenden
indruk te weeg. Ik dacht evenmin aan God en zijne oordeelen, veel
minder, dat mijn tegenwoordige toestand van zijne hand kwam, dan of ik
mij in den voorspoedigsten staat mijns levens bevonden had.
Maar nu ik ziek werd, en langzamerhand de dood met al zijne
verschrikkingen, zich voor mijne oogen vertoonde; nu mijn moed door eene
zware ongesteldheid vernietigd werd, en de natuur door de hevigheid der
koorts uitgeput was; begon mijn geweten, dat zoo lang gesluimerd had, te
ontwaken. Ik verweet mij mijn vorig leven, dat mij zoo blijkbaar de
straffende hand Gods op den hals had gehaald.
Deze overwegingen kwelden mij van den tweeden of derden dag mijner
ziekte, en zoo wel de hevigheid der koorts als de strenge berispingen
van mijn geweten persten mij eenige biddende woorden af, schoon het geen
eigenlijk gebed, maar slechts klanken waren, door droefheid en angst mij
ontwrongen. Mijne gedachten waren verward, en de angst van in zulk een
rampzaligen toestand te sterven deed mij beven; ik wist niet wat ik
zeide, doch het waren uitroepen, als: "Hemel, wat ben ik rampzalig; ik
zal gewis van gebrek aan bijstand sterven als ik ziek worde! Wat zal er
van mij worden?" De tranen stroomden uit mijne oogen, en ik bleef
eenigen tijd zonder te kunnen spreken.
Thans kwamen mij de goede raadgevingen mijns vaders in de gedachten, en
vervolgens zijne voorspelling, die ik in het begin van mijne
geschiedenis vermeld heb, namelijk, dat als ik dezen dwazen stap deed,
God mij niet zegenen zoude, en ik nog lang berouw zou hebben, dat ik
zijn raad in den wind geslagen had, als er niemand was om mij te helpen
dien te herstellen. Nu, zeide ik luid, zijn mijns vaders woorden
vervuld, Gods geregtigheid heeft mij bereikt, en niemand is er die mij
hoort of helpt. Ik weigerde naar de stem der Voorzienigheid te hooren,
die mij in een toestand geplaatst had, waarin ik een gelukkig en kalm
leven had kunnen leiden; maar ik wilde dit niet erkennen; noch deszelfs
zegeningen van mijn vader leeren. Ik liet hen mijne dwaasheden
betreuren, en thans moet ik derzelver gevolgen beweenen. Ik weigerde de
hulp mijner verwanten, die mij gemakkelijk door de wereld hadden kunnen
helpen, en nu moet ik moeijelijkheden overwinnen, waartegen menschelijke
kracht niet opgewassen is, zonder hulp, zonder bijstand, zonder raad,
zonder troost. Hier riep ik uit: "Heere, wees mij ter hulpe, want mijn
jammer is groot!" Dit was, mag ik zeggen, het eerste gebed, dat sedert
jaren over mijne lippen kwam.--Doch ik keer tot mijn journaal terug.
* * * * *