afgesneden als een kluizenaar, en verga niet op eene
als een balling uit onvruchtbare plaats, die geen
de maatschappij. voedsel oplevert.
Ik heb geene kleederen, Maar ik ben in een warm
om mij te bedekken. klimaat, waar ik naauwelijks
kleederen zou kunnen
verdragen; als ik ze had.
Ik ben genoegzaam weerloos, Maar ik ben op een eiland
zonder de middelen, geworpen, waar ik geene wilde
om mij tegen menschen of dieren zie, gelijk op de
beesten te verdedigen. Afrikaansche kust. Wat
zou het zijn, zoo ik daar
schipbreuk geleden had?
Ik heb niemand tegen Maar God heeft wonderdadig
wien ik spreken, of die het schip digt genoeg
mij opbeuren kan. bij den wal gezonden, opdat
ik daar zoo velerlei
noodwendigheden uit kon
bekomen, als mijne behoeften
vereischen of althans mij
in staat zullen stellen, zelf
zoo lang ik leef, daarin te
voorzien._
Over het geheel blijkt het uit deze balans duidelijk, dat er naauwelijks
eenige toestand in de wereld zoo rampzalig is, dat men niet, hetzij, om
het gemis van eenig kwaad, hetzij, om het bezit van eenig goed, dankbaar
moet zijn. Volgens mijne ervaring van een der bedroevendste toestanden
in de wereld, vinden wij er altoos iets in, om ons mede te troosten, en
bij onze overweging van denzelven, op de creditzijde te plaatsen.
Na op deze wijze mij eenigzins in mijn toestand getroost te hebben,
staarde ik niet meer zoo onophoudelijk zeewaarts, of ik een schip kon
zien; maar begon mij het leven zoo aangenaam als mogelijk te maken.
Reeds heb ik mijne woning beschreven, die eene tent was, tegen eene rots
aan, omringd met sterke palissaden, die men wel een muur mogt heeten,
want ik maakte er eenen wal tegen van zoden, van twee voet breed, aan de
buitenzijde, en na eenigen tijd (ongeveer anderhalf jaar denk ik),
bragt ik staken er van tegen de rots, en bedekte die met boomtakken, en
al wat ik dienstig achtte, om den regen af te weren, die sommige tijden
van het jaar allerhevigst viel.
Ik heb reeds aangemerkt, hoe ik al mijne goederen binnen deze schans
bragt en in den kelder, dien ik gemaakt had, maar ik moet er bij
vermelden, dat dit in den beginne een verwarde hoop goederen was, die,
daar zij ordeloos door elkander lagen, de geheele plaats vulden. Ik kon
mij keeren noch wenden, dus begon ik mijn kelder te vergrooten, en
dieper in den grond te werken, want de rots bestond uit lossen
zandsteen, die gemakkelijk te bewerken was; en toen ik vond, dat ik voor
verscheurende dieren veilig was, werkte ik zijwaarts in de rots, en toen
weder regtsaf werkende, groef ik tot naar buiten, en maakte eene deur,
waardoor ik buiten mijne palen of schans kwam.
Dat verschafte mij niet alleen een uitgang van achteren, maar gaf mij
ook ruimte, om veel goed te bergen.
En nu ging ik aan het werk, om zoodanige goederen te maken, als ik vond
het meest benoodigd te zijn, vooral een stoel en tafel, want zonder deze
kon ik de weinige geneugten, die ik in de wereld had, niet smaken; ik
kon niet met genoegen eten of schrijven, of verschillende andere zaken
verrigten, als ik niet aan eene tafel zat. Ik moet hier aanmerken, dat
de rede de grondslag der wiskunde is, en dat iedereen, die gezond over
berekeningen en evenredigheden kan oordeelen, alle werktuigelijke
kunsten begrijpen en leeren kan. Ik had nimmer gereedschap gehanteerd,
maar ten laatste vond ik, dat mij niets ontbrak of ik had het kunnen
maken, vooral, als ik gereedschap had gehad. Zonder gereedschap
vervaardigde ik echter ook nog veel, en sommige dingen met geen ander
gereedschap dan een dissel en een bijl, die welligt nimmer op die wijze
vroeger zijn vervaardigd geworden. Dit ging echter niet zonder
ontzettende moeite. Als ik bij voorbeeld eene plank noodig had, zat er
niet anders voor mij op, dan een boom te vellen, dien op een helling
voor mij te leggen, en aan weerszijden met mijn bijl af te hakken, tot
ik hem zoo dun als eene plank had gemaakt, die ik dan met mijn dissel
vlak maakte. Wel is waar, ik kon op die wijze van een geheelen boom
slechts eene plank maken; maar hier zat niets op dan geduld te hebben,
dat hoog noodig was, voor den ontzettenden tijd en arbeid, dien het
maken van eene plank mij kostte; maar mijn tijd of arbeid was weinig
waard, en dus kon ik die even goed op de eene als op de andere wijze
besteden.
Ik maakte mij echter in de eerste plaats een stoel en tafel, zoo als ik
zeide; en dit deed ik van de korte planken, die ik op mijn vlot van
boord had gebragt; maar toen ik op de bovengemelde wijze eenige planken
gemaakt had, maakte ik groote vakken van anderhalf voet breed, boven
elkander, langs de eene zijde van mijn kelder, om er al mijn
gereedschap, spijkers en ijzerwerk in te leggen, en ieder ding zijne
afzonderlijke plaats te geven, om het gemakkelijk te kunnen vinden; ook
sloeg ik krammen in den muur van de rots, om mijne geweren, en wat
verder hangen kon, aan op te hangen; zoodat, als men mijn kelder gezien
had, men dien als een magazijn van allerlei noodwendigheden zou
beschouwd hebben. Ik had alles zoo bij de hand, dat het mij tot een
groot genoegen strekte, al mijne goederen in zoo goede orde te zien, en
vooral, dat mijn voorraad zoo groot was.
Thans begon ik een dagboek van mijne verrigtingen van elken dag te
houden. In den beginne was ik hiertoe te veel bezig geweest, niet alleen
met werk, maar ook overladen met neêrslagtigheid, en mijn journaal ware
met allerhande buitensporigheden gevuld geworden. Ik had bij voorbeeld
moeten zeggen: den 30sten September. Na aan wal gekomen en voor
verdrinken bewaard te zijn, in stede van toen God voor mijne bevrijding
te danken, ontlastte ik eerst mijne maag van al het zeewater, dat ik in
menigte binnen gekregen had, en eenigzins hersteld zijnde, liep ik langs
het strand, mijne handen wringende, mij tegen het voorhoofd slaande,
over mijne ellende jammerende, en uitroepende: "Ik ben verloren! ik ben
verloren!" totdat de afgematheid mij dwong op den grond te gaan liggen,
om te rusten, want ik durfde niet slapen, uit vrees van aan wilde dieren
ten prooi te vallen.
Eenige dagen daarna, en nadat ik aan boord van het schip was geweest, en
al wat ik kon er uit gehaald had, kon ik toch niet nalaten een heuvel te
beklimmen en in zee te zien, op hoop van een schip te bespeuren, totdat
mijne verhitte verbeelding mij een zeil deed zien, dat, nadat mijne
oogen schier blind gestaard waren, weder verdween, waarna ik ging zitten
weenen als een kind, en op deze wijze door mijne dwaasheid mijn ongeluk
vermeerderde.
Toen ik dit echter eenigzins te boven was, en mijne huishouding en
woning in orde bragt, mij een tafel en stoel maakte, en alles rondom mij
zoo goed opknapte als ik kon, begon ik een journaal te houden, hetgeen
ik hier laat volgen (schoon al de bijzonderheden reeds vermeld zijn) zoo
lang het duurde, want, toen ik op het laatst geen inkt meer had, moest
ik het staken.
HET JOURNAAL.
1659. 30 September. Ik, arme, ongelukkige Robinson Crusoe, kwam, na
schipbreuk geleden te hebben, op dit rampzalig, woest eiland, dat ik het
_Wanhoops-eiland_ noemde, al mijne scheepsmakkers zijn verdronken, en ik
zelf half dood.
Den geheelen verderen dag bragt ik door met mijn ongelukkig lot te
bejammeren. Ik had geen voedsel, woning, kleederen, wapenen noch
toevlugtsoord, en aan alle uitkomst wanhopende, niets dan den dood voor
oogen, hetzij, dat ik door wilde dieren verslonden, door wilden
vermoord, of uit gebrek aan voedsel verhongeren moest. Bij het aanbreken
van den nacht, ging ik, uit vrees voor wilde dieren, in een boom slapen,
maar sliep gerust, schoon het den geheelen nacht regende.
* * * * *
1 October. In den morgen zag ik met verwondering, dat het schip met den
vloed vlot was geraakt en op het strand veel digter bij het eiland was
gedreven; hetwelk aan den eenen kant eene vertroosting was, want daar
het overeind was en niet in stukken gebroken, hoopte ik, als de wind
bedaarde, er aan boord te komen en eenig voedsel en noodwendigheden voor
mij uit te halen. Aan den anderen kant hernieuwde het mijn jammer over
het verlies mijner makkers, die, als wij allen aan boord gebleven waren,
welligt het schip behouden hadden; althans zouden zij niet allen
verdronken zijn, gelijk thans. En zoo zij gered waren, hadden wij
misschien uit de overblijfselen van het schip eene boot kunnen bouwen,
om ons naar een ander deel der wereld te brengen. Ik bragt den geheelen
dag door met hierover te peinzen, maar, toen ik eindelijk zag, dat het
schip bijkans droog zat, ging ik op het zand er zoo digt bij als ik kon,
en zwom toen aan boord. Het regende ook heden den geheelen dag, schoon
zonder eenigen wind.
* * * * *
Van 1 tot 24 October. Al deze dagen doorgebragt in het doen van
verschillende togten, om al wat ik kon uit het schip te halen, hetgeen
ik telkens, als de vloed doorkwam, op vlotten aan wal bragt. Veel regen
in deze dagen, doch tusschenbeide mooi weder; het schijnt, dat dit het
regenachtige jaargetijde is.
* * * * *
24 October. Mijn vlot viel om en al wat er op lag, maar, daar het in
ondiep water was, en er veel zware goederen bij waren, bekwam ik er bij
laag water veel van terug.
* * * * *
25 October. Het regende den geheelen nacht en dag, met eenige
windvlagen, gedurende welken tijd het schip verbrijzeld werd, en er
niets meer van te zien bleef, dan alleen bij laag water het wrak. Ik
bragt den dag door met de goederen, die ik gered had, te bergen en te
bedekken, opdat de regen ze niet zou bederven.
* * * * *
26 October. Bijkans den geheelen dag liep ik het strand langs, om eene
plaats te zoeken, waar ik mijn verblijf zou kiezen, vooral bezorgd, om
mij voor eenigen nachtelijken overval van menschen of beesten te
beveiligen. Tegen den avond koos ik eene geschikte plaats uit, tegen
eene rots aan, en maakte een halven cirkel voor mijn verblijf, dat ik
besloot te versterken met een wal of schans, uit twee rijen palen, van
binnen met kabeltouw belegd, en van buiten met zoden.
* * * * *
Van den 26sten tot 30sten werkte ik zeer hard, om al mijn goed naar
mijne nieuwe woning te vervoeren, schoon het somtijds zeer hard regende.
* * * * *
Den 31sten. In den morgen ging ik uit met mijn geweer, om eenig voedsel
te zoeken en het land te ontdekken. Ik doodde eene geit en haar jong
volgde mij naar huis, dat ik naderhand ook doodde, omdat het niet eten
wilde.
* * * * *
1 November. Ik sloeg mijne tent op onder eene rots, en bragt daarin den
eersten nacht door; ik heb die zoo wijd gemaakt als ik kon, en er palen
in geslagen, om mijne hangmat aan te hangen.
* * * * *
2 November. Ik zette al mijne kisten en planken en de rondhouten van
mijne vlotten op, en maakte daarvan eene verschansing, een weinig binnen
de plaats, die ik gekozen had, om mij te vestigen.
* * * * *
3 November. Ik ging uit met mijn geweer, en schoot twee vogels, naar
eendvogels gelijkende, die zeer goed waren om te eten. Des namiddags
ging ik aan het werk, om eene tafel te maken.
* * * * *
4 November. Dezen morgen begon ik mijn tijd te verdeelen, in werkuren,
een tijd, om met mijn geweer uit te gaan, een tijd, om te slapen en een
tijd tot uitspanning. Elken morgen ging ik, als het niet regende, twee
of drie uren met mijn geweer uit; dan ging ik aan het werk tot tegen elf
uren; dan at ik wat ik had, en van twaalf tot twee uren deed ik een
slaapje, daar het alsdan drukkend heet was, en ging dan weder tot den
avond aan het werk. Dezen en den volgenden dag besteedde ik al mijne
werkuren aan het maken van eene tafel; maar ik was een bedroefde
timmerman, hoewel de tijd en de noodzakelijkheid mij spoedig een goed
handwerksman maakten, gelijk zij, geloof ik, iedereen zouden doen.
* * * * *
5 November. Dezen dag ging ik met mijn geweer en mijn hond uit, en
schoot eene wilde kat; hare huid was zeer zacht, maar haar vleesch
deugde niets. Ieder dier, dat ik doodde, stroopte ik de huid af en
bewaarde die. Toen ik langs het strand terugkeerde, zag ik verscheidene
zeevogels, die ik niet kende, maar ik was verrast en bijkans verschrikt
door het zien van twee robben, die, terwijl ik er op staarde, en
alvorens ik zag wat dit waren, in zee doken en mij voor dat oogenblik
ontsnapten.
* * * * *
6 November. Na mijne ochtendwandeling ging ik weder aan mijne tafel aan
het werk, en maakte die af, schoon zij mij niet beviel; het duurde
echter niet lang of ik kon haar verbeteren.
* * * * *
7 November. Het werd thans bestendig weder. Den 7den, 8sten, 9den, 10den
en een gedeelte van den 12den (want naar mijne rekening was het den
11den, zondag) besteedde ik geheel in het maken van een stoel, en gaf
daar met veel moeite een redelijk fatsoen aan, schoon hij mij nimmer
beviel, en ik onder het maken hem verscheidene malen weder aan stukken
brak. Ik moet hierbij aanmerken, dat ik spoedig vergat de zondagen te
rekenen, omdat ik hun merk op den stijl vergeten had.
* * * * *
13 November. Dezen dag regende het, hetgeen mij zeer verfrischte, en de
aarde verkoelde; maar de regen ging met een verschrikkelijk onweder
gepaard, hetgeen mij voor mijn kruid veel angst deed uitstaan. Zoodra
dat voorbij was, besloot ik al mijn kruid in kleine gedeelten te bergen,
opdat het geen gevaar zou loopen.
* * * * *
14, 15 en 16 November. Deze drie dagen sleet ik geheel met het maken van
vierkante kistjes of doozen, die een of op zijn hoogst twee pond kruid
konden bevatten, en na het kruid er in geborgen te hebben, zette ik die
in zoo veilige en afgelegen plaatsen als ik kon. Op een van deze drie
dagen schoot ik een grooten vogel, die goed om te eten was, maar wiens
naam ik niet kende.
* * * * *
17 November. Dezen dag begon ik achter mijne tent in de rots te graven,
om meerder ruimte voor mij te verkrijgen. Drie dingen had ik hiertoe
vooral noodig; te weten een houweel, een schop en een kruiwagen. Ik liet
dus het werk staan, en begon te overwegen, hoe ik in dit gebrek voorzien
en mij eenige werktuigen vervaardigen zou. In plaats van het houweel,
kon ik een der ijzeren koevoeten gebruiken, hoewel die zwaar genoeg
waren; maar thans had ik eene spade noodig; deze was zoo noodig, dat ik
zonder haar niet veel uitrigten kon; maar hoe ik er eene maken zou wist
ik niet.
* * * * *
18 November. Den volgenden dag vond ik in het bosch een boom van het
hout, dat men in Brazilië ijzerhout noemt, omdat het zoo hard is. Ik
kapte hiervan een gedeelte, schoon met veel moeite, en hoewel het mij
bijkans mijne bijl gekost had, en bragt het moeijelijk genoeg naar huis,
want het was zeer zwaar.
De ontzettende hardheid van dit hout, hield mij lang op, hoewel ik er
echter van lieverlede het fatsoen van een spade aan gaf, van boven met
een handvatsel gelijk de onze; maar daar het ondereinde niet van ijzer
was, kon zij zoo lang niet duren. Zij was echter voldoende voor hetgeen
ik ermede doen wilde. Ik geloof niet, dat men ooit eene spade op die
manier, of die zooveel tijd kostte, gemaakt heeft.
Ik had nog niet al wat ik noodig had; ik moest nog eene mand of een
kruiwagen hebben. Eene mand kon ik niet maken, omdat ik geen buigzame
teenen bezat, ik vond ze althans niet; en wat den kruiwagen betreft, ik
verbeeldde mij, dat ik die zeer goed zou kunnen maken, behalve het wiel;
daar had ik geen begrip van, en wist niet, hoe ik het aan zou vangen;
bovendien had ik geen ijzeren banden, waarin de as van het wiel kon
loopen; dus gaf ik dit op. Om dus de aarde, die ik uitdelfde, weg te
dragen, maakte ik eene soort van bak, gelijk die, waarin de metselaars
hunne kalk dragen. Dit maken ging gemakkelijker dan de spade, en toch
had ik aan het een en ander, en aan mijne vergeefsche pogingen, om een
kruiwagen zamen te stellen, vier dagen noodig; altijd daar afgerekend
mijne morgenwandelingen, die ik zelden verzuimde, en waarvan ik ook
meestal iets eetbaars te huis bragt.
* * * * *
23 November. Daar mijn ander werk stil gestaan had, terwijl ik mijne
gereedschappen maakte, hervatte ik dit thans, en werkte er zooveel aan
als mijne krachten mij toelieten, achttien dagen achtereen aan het
verwijden en uitdiepen van mijn kelder, ten einde al mijne goederen er
gemakkelijk in zouden kunnen staan.
Al dien tijd werkte ik, om eene kamer of kelder te maken, groot genoeg
om mij tot magazijn, tot keuken, tot eetkamer en tot kelder te
verstrekken. De tent was mijne eigenlijke woning; maar in het
regensaisoen regende het somtijds zoo hard, dat ik er mij niet droog kon
houden, daarom bedekte ik naderhand mijn geheele verblijf binnen de
palissaden, met lange staken in den vorm van latten, tegen de rots aan
liggende, en bedekte die met takken en bladeren.
* * * * *
10 December. Ik had thans gedacht, dat mijn kelder zoo goed als gereed
was; toen plotseling (naar het schijnt, had ik te wijd uitgegraven) een
zoo groote menigte aarde, van boven en van een der zijden, viel, dat ik
er hevig van ontroerde, en geen wonder, want ware ik er onder geweest,
men had nimmer een graf voor mij behoeven te graven. Deze tegenspoed
verschafte mij op nieuw een groot deel werk, want ik moest de losse
aarde naar buiten brengen, en, wat van meer belang was, het gewelf
stutten, opdat ik voor geene herhaling van dit ongeval behoefde te
vreezen.
* * * * *
11 December. Ik ging hieraan werken, en stutte den zolder met twee
stijlen met twee planken dwars er over; den volgenden dag was dit
afgewerkt, en door nog meer stutten te plaatsen, had ik in eene week het
dak in orde, en de op rijen staande palen, dienden thans om de
verdeelingen van mijn huis te maken.
* * * * *
17 December. Van dezen dag tot den 20sten hield ik mij bezig met planken
te leggen en spijkers te slaan in de stijlen, om alles, wat ik kon,
daaraan te hangen, en thans begon ik binnen 's huis eenigzins op orde te
komen.
* * * * *
20 December. Thans droeg ik alles in den kelder en begon mijne woning te
meubeleren, en eenige planken te plaatsen, om levensmiddelen op te
leggen; maar de planken werden schraal. Ook maakte ik eene andere tafel.
* * * * *
24 December. Het regent den geheelen nacht en dag, zoodat ik niet kan
uitgaan.
* * * * *
25 December. Den geheelen dag regen.
* * * * *
26 December. Droog weder en de grond veel koeler en aangenamer dan te
voren.
* * * * *
27 December. Ik schoot een jonge geit, en kwetste een andere, zoodat ik
haar ving en naar huis droeg. Daar gekomen bond ik het dier vast en
spalkte haar poot.
NB. Ik droeg zooveel zorg voor haar, dat zij in leven bleef, en de poot
genas en werd zoo goed als te voren. Door haar zoo lang op te passen
werd zij tam, en leefde van het weinige gras voor mijne deur, en wilde
niet weder weg. Dit deed mij voor het eerst denken eenige tamme dieren
aan te fokken, ten einde voedsel van hen te hebben als mijn kruid op zou
zijn.
* * * * *
28, 29 en 30 December. Zware hitte en geen wind, zoodat ik niet naar
buiten kon, dan tegen den avond op wild uitgaan. Dezen tijd bragt ik
door met in mijne huishouding alles in orde te brengen.
* * * * *
1 Januarij. Het was nog drukkend warm; maar ik ging 's morgens en 's
avonds met mijn geweer uit, en nam op het midden van den dag rust. Dezen
avond was ik verder de valleijen ingegaan, die naar het midden van het
eiland voerden, en vond, dat daar geiten in menigte waren, schoon
uiterst schuw en moeijelijk te bekruipen. Ik besloot echter te
beproeven, of ik mijn hond er geen jagt op kon doen maken.
* * * * *
2 Januarij. Ik ging derhalve den volgenden dag met mijn hond uit, en
hitste hem op de geiten aan; maar ik had mij misrekend, want zij hielden
stand tegen den hond, en deze besefte zijn gevaar, want hij durfde haar
niet naderen.
* * * * *
3 Januarij. Ik begon aan mijne heining of wal, dien ik zoo sterk als
mogelijk besloot te maken, om dat ik nog altijd vreesde overvallen te
zullen worden.
NB. Daar deze wal vroeger beschreven is, zal ik hier weglaten wat
deswege in mijn journaal staat; alleen zal ik vermelden, dat ik van den
3 Januarij tot den 14 April bezig was aan het maken, voltooijen en
verbeteren van dezen muur, schoon hij niet meer dan vierentwintig el
lang was, zijnde een halve cirkel, van eene plaats in de rots, tot aan
eene andere, acht el vandaar, terwijl de deur van den kelder in het
midden achter denzelven was.
Al dien tijd werkte ik hard, hoewel de regen mij vele dagen, ja weken
achtereen hinderde; maar ik achtte mij niet veilig voor de geheele muur
af was; en men kan naauwelijks gelooven, welken ontzettenden arbeid
alles vereischte, vooral het halen van de palen uit het bosch, en hen in
den grond te slaan; want ik nam veel zwaarder dan noodig was.
Toen deze muur voltooid, en van buiten met een wal van zoden beschermd
was, achtte ik het voor zeker, dat, zoo er eenig volk aan het strand
kwam, zij niets, wat naar eene woning geleek, zouden bemerken; en een
merkwaardig geval bewees naderhand, dat ik wel geoordeeld had.
Gedurende dezen tijd deed ik alle dagen, als de regen het toeliet, de
ronde in het bosch, en ontdekte dikwijls op deze togten veel, dat mij
van nut was. Zoo vond ik eene soort van wilde duiven, die niet gelijk de
houtduiven op boomen, maar als huisduiven in spleten van de rotsen
nestelden. Ik nam eenige jongen mede en trachtte die tam te maken; maar
toen zij ouder werden vlogen zij allen weg, misschien, omdat ik haar
geen eten gaf, want ik had dit niet. Ik vond echter dikwijls hare
nesten, en nam de jongen er uit, die zeer goed om te eten waren.
Ik begon thans te denken om verscheidene dingen, die mij in mijn
huishouding ontbraken, te maken, hetgeen ik eerst als geheel onmogelijk
had beschouwd, gelijk ook met sommigen het geval was; ik kon bij
voorbeeld nimmer een ton maken; ik had een paar vaatjes, gelijk ik
gezegd heb, maar ik kon er nimmer een paar maken, schoon ik er
verscheidene weken aan zoek bragt; ik kon nimmer den bodem of de duigen
zoo goed bijeenbrengen, dat het water hield; dus gaf ik het op. Ik was
zeer verlegen ook om kaarsen, want zoodra het duister was, dat is te
zeven ure gewoonlijk, moest ik naar bed gaan. Ik wenschte thans wel dien
klomp was te bezitten, dien ik op mijne reis langs de Afrikaansche kust
had; maar al wat mij thans overschoot was, als ik eene geit gedood had,
dat ik dan het vet bewaarde, in eene kom van klei, in de zon gedroogd,
en een pit van eiken schors daarin brandde. Te midden van mijn arbeid
kwam mij een zakje in de hand, waarin koorn was geweest, om het vorige
gevogelte mede te voeden, ik denk toen het schip van Lissabon kwam. Wat
er in overgebleven was, hadden de ratten opgegeten, en ik zag niets in
den zak dan stof en vuilnis, en daar ik het zakje wilde gebruiken (ik
denk om kruid in te doen, dat ik toen verdeelde, uit vrees voor den
bliksem) schudde ik den zak uit, aan de eene zijde van mijne schans
onder de rots.
Kort voor den grooten regen, waarvan ik sprak, had ik dit gedaan, zonder
er verder over te denken. Maar eene maand of zoo daarna zag ik iets
groens opschieten, hetwelk ik eene plant dacht te zijn, die ik nog niet
kende, maar ik stond geheel verbaasd, toen ik eene poos daarna tien of
twaalf aren zag opschieten, die volmaakt naar het Europesche, ja naar
het Engelsche graan geleken.
Het is mij onmogelijk de verbazing en verbijstering, waarin dit mij
bragt, uit te drukken. Ik had tot hiertoe naar geenerlei godsdienstige
gronden in het geheel gehandeld; ik had zeer weinig begrip van de
godsdienst, noch iets wat mij overkomen was anders beschouwd, dan alsof
het toeval dit zoo gewild, of gelijk men zonder nadenken zegt, zoo als
het den Hemel behaagd had; maar zonder na te denken over de redenen,
waarom de Voorzienigheid de wereldsche gebeurtenissen aldus schikt. Maar
toen ik daar rogge zag groeijen, in eene hemelstreek, die ik wist, dat
geen koorn opleverde; en terwijl ik niet wist hoe het daar kwam, trof
mij dit ten sterkste, en ik begon te vermoeden, dat God dit graan
wonderbaarlijk had laten groeijen, zonder dat het gezaaid was geworden,
en dat het alleen tot mijn onderhoud in deze woeste eenzame plaats
opgeschoten was.
Dit perste mij de tranen uit de oogen, en ik beschouwde mij als door den
Hemel bijzonder begunstigd, dat zulk een wonderlijke gebeurtenis voor
mij geschied was. Het verwonderde mij te meer, omdat ik daar digtbij,
langs de zijde van de rots, hier en daar eenige weinige halmen zag van
rijst, die ik kende, omdat ik ze in Afrika, toen ik daar was, had zien
groeijen.