ondervinding van het eerste geleerd, maakte ik dit niet zoo
onhandelbaar, en belaadde het zoo zwaar niet. Thans bragt ik
verscheidene allernuttigste dingen voor mij mede; eerstelijk vond ik
twee of drie zakken spijkers, een groote boor, een vijfentwintig bijlen,
en bovenal, een zoo allernuttigst werktuig, een slijpsteen. Dit alles
borg ik, met verscheidene dingen van den konstapel, twee of drie
koevoeten, twee vaatjes met geweerkogels, zeven geweren en een jagtroer,
met nog eenig buskruid, een grooten zak met hagel en een groote rol
lood; maar deze laatste was te zwaar, en kon ik niet over boord
hijschen.
Behalve dit nam ik al de kleederen mede, die ik vinden kon, en een
waarloos voormarszeil, eene hangmat en eenig beddegoed, en hiermede
belaadde ik mijn tweede vlot, en bragt alles, tot mijn groot genoegen,
behouden aan land.
Ik was gedurende mijne afwezigheid van het land eenigzins bevreesd, dat
althans mijne mondbehoeften zouden weggeroofd zijn, maar toen ik
terugkwam, vond ik geen spoor van eenig bezoek, behalve eene soort van
wilde kat, die op eene der kisten zat, en bij mijne aankomst een eind
weegs wegliep, en toen stilstond. Zij zat zeer bedaard en gerust, en zag
mij stijf aan, alsof zij wel lust had, nader kennis met mij te maken. Ik
legde een geweer op haar aan, maar daar zij hiervan niets begreep, bleef
zij zeer bedaard zitten; daarop wierp ik haar een stuk beschuit toe,
waarmede ik echter niet zeer mild was, want mijn voorraad was niet
groot. Echter gaf ik haar een stukje, gelijk ik zeide, en zij ging er
naar toe, berook het, en at het op, en scheen naar meer te verlangen;
maar ik bedankte er voor en kon niet meer missen, dus ging zij heen.
Na mijne tweede lading aan land gebragt te hebben, schoon ik verpligt
was de kruidvaatjes open te slaan, en bij gedeelten te ledigen, want zij
waren in hun geheel te zwaar, ging ik aan het werk, om van de zeilen, en
eenige staken, die ik daarvoor gekapt had, eene kleine tent te maken, en
in deze tent bragt ik alles wat ik wist, dat door regen of zon bederven
kon, en al de ledige kisten en vaten stapelde ik in een kring rondom de
tent, om die te versterken tegen eenigen onverhoedschen aanval van
menschen of beesten.
Toen ik dit gedaan had, sloot ik den ingang der tent met eenige planken
van binnen, en eene overeind staande ledige kist van buiten, legde een
bed op den grond, mijne twee pistolen aan het hoofdeinde, en mijn geweer
aan mijne zijde. Hierop ging ik voor de eerste maal naar bed en sliep
zeer gerust den geheelen nacht, daar ik zeer vermoeid en uitgeput was,
want ik had den vorigen nacht zeer weinig geslapen, en den geheelen dag
hard gewerkt, om al die zaken van het schip te halen, en aan land te
brengen.
Ik had nu het grootste magazijn van allerlei voorraad, dat ooit geloof
ik, voor één mensch was neergelegd; maar ik was nog niet voldaan, want
zoo lang het schip in dier voege bleef zitten, achtte ik het raadzaam er
alles uit te halen wat ik kon; dus ging ik elken dag met laag water naar
boord, en bragt telkens het een of ander mede. Vooral de derde maal toen
ik ging, nam ik zooveel touwwerk mede als ik kon, en zooveel dun touw en
garen als ik vinden kon, benevens een waarloos stuk zeildoek, dat
medegenomen was, om de zeilen te herstellen, en het vat vochtig
buskruid. Kortom ik bragt al de zeilen er af, hoewel ik genoodzaakt was
ze in stukken te snijden, en zooveel te gelijk mede te nemen als ik kon;
want ik kon ze niet als zeilen, maar alleen het doek gebruiken.
Niet minder aangenaam was het mij, dat ik het laatst van alles, nadat ik
vijf of zes reizen gedaan had, en dacht niets meer van het schip te
kunnen bekomen, wat der moeite waardig was, nog vond een groot vat met
beschuit, drie vaatjes rum of sterken drank, een kistje met suiker en
een vat met best meel. Dit was eene aangename verrassing voor mij, omdat
ik niet verwachtte andere mondbehoeften aan te treffen, dan die door het
water bedorven waren. Ik maakte spoedig de ton met beschuit ledig, en
wikkelde die in stukken van de zeilen, en, om kort te gaan, ik bragt dit
alles, hoewel op verschillende tijden, behouden aan land.
Den volgenden dag deed ik weder eene reis, en nu ik al wat draagbaar was
uit het schip geplunderd had, begon ik met de kabels, die ik aan stukken
kapte, die ik verwerken kon, en bragt twee kabels en een tros aan wal,
met al het ijzerwerk, dat ik bekomen kon, en na de sprietzeilra en de
bezaansra gekapt te hebben, en al wat ik kon, om een groot vlot te
maken, belaadde ik het met al deze zware goederen en zette af. Maar
mijn goed geluk begon mij te verlaten, want dit vlot was zoo
onhandelbaar en zoo overladen, dat, nadat ik den kleinen inham
binnengevaren was, waar ik de overige goederen aan land had gebragt,
daar ik dit niet zoo goed besturen kon als de andere, het omsloeg, en ik
met al de lading in het water viel. Voor mij was dit van weinig belang,
want ik was digt bij land; maar van mijne lading ging het grootste
gedeelte verloren, vooral het ijzer, dat ik gehoopt had mij van veel nut
te zullen zijn. Toen het echter laag water was, bragt ik nog
verscheidene stukken touw aan wal, en eenig ijzerwerk, schoon met
ontzettend veel moeite, want ik moest er naar duiken, hetgeen voor mij
een allerafmattendst werk was. Ik ging daarop ieder dag naar boord, en
bragt mede wat ik kon.
Ik was nu dertien dagen aan wal geweest, en elf malen naar boord van het
schip gegaan, in welken tijd ik alles aan wal gebragt had, wat een
mensch met twee handen redelijkerwijs kon doen; hoewel ik waarlijk
geloof, dat, als het stil weder gebleven was, ik het geheele schip, stuk
voor stuk, zou gesloopt hebben. Toen ik de twaalfde maal aan boord wilde
gaan, bemerkte ik, dat de wind begon op te steken; ik ging echter met
laag water aan boord, en schoon ik gedacht had, dat ik de kajuit zoo
goed doorgesnuffeld had, dat ik er niets meer in vinden kon, ontdekte ik
toch een kistje met laden. In eene daarvan vond ik twee of drie
scheermessen en eene groote schaar, met een dozijn goede lepels en
vorken; in eene andere vond ik de waarde van ongeveer 36 [£] in geld;
eenige Europesche en eenige Brazilische munten, eenige stukken van
achten, eenig goud, eenig zilver.
Ik glimlachte toen ik dat geld zag: "O slijk," zeide ik, "waar zijt gij
goed voor? Gij zijt mij niet waardig, dat ik u van den grond opneem. Een
van deze messen is meer waard dan die geheele hoop. Ik kan u niet
gebruiken, blijf waar gij zijt, en verzink naar den bodem, als iets, dat
niet waardig is gered te worden." Bij nadere overweging nam ik het
echter mede, en wikkelde alles in een stuk zeildoek, en begon te denken
om nog een vlot te maken. Toen ik echter hiermede bezig was, betrok de
lucht en de wind begon op te steken, en in een kwartier blies het eene
stijve koelte van het land. Thans begreep ik, dat het vruchteloos was
een vlot te maken, met den wind van het land af, en dat het zaak was te
vertrekken, voordat de vloed doorkwam; anders had ik het strand in het
geheel niet kunnen bereiken; dus liet ik mij in het water afzakken en
zwom het kanaal over, dat tusschen het schip en het strand lag, en dit
ging moeijelijk genoeg, gedeeltelijk om de zwaarte van hetgeen ik bij
mij had, en gedeeltelijk om de deining in het water, want de wind
wakkerde gestadig aan, en voordat het hoog water was, woei er een felle
storm.
Maar ik had mijne kleine tent bereikt, waar ik met al mijn goed zeer
veilig lag. Het stormde den geheelen nacht door, en toen ik den
volgenden morgen uitzag, was er geen schip meer te zien! Ik stond
eenigzins verrast, maar troostte mij met de gedachte, dat ik geen tijd
noch vlijt verloren had, om alles er uit te halen wat mij van nut kon
zijn; en dat er inderdaad weinig in overgebleven was, wat ik nog aan wal
had kunnen brengen, als ik er den tijd toe gehad had. Ik liet nu alle
gedachten varen aan het schip en wat er in was, behalve aan hetgeen nog
van het wrak op de kust mogt aanspoelen, gelijk inderdaad met
verscheidene stukken het geval was, die echter voor mij van weinig nut
waren.
Thans waren mijne gedachten geheel gevestigd op mij tegen de wilden, als
die zich mogten vertoonen, of tegen wilde dieren, als die op het eiland
mogten zijn, te beschermen, en ik overwoog lang, hoe ik dit doen, en
welke soort van woning ik maken zou; of ik een hol in den grond of eene
tent op denzelven zou opslaan. Eindelijk besloot ik tot beide, en het
zal niet ongepast zijn hier eene beschrijving van dezelve te geven.
Spoedig bemerkte ik, dat de plaats waar ik was, niet tot mijne vestiging
geschikt was, vooral omdat het een lage, moerassige grond, digt bij de
zee was, die ik geloofde dat niet gezond zou zijn, en vooral, omdat er
geen zoet water in de nabijheid was; dus besloot ik eene gezonder en
meer geschikte plek op te zoeken.
Ik nam verscheidene zaken in aanmerking: eerstelijk, gezondheid en zoet
water, gelijk ik zeide; vervolgens beschutting voor de zon, benevens
veiligheid voor vijanden, hetzij menschen of dieren, en eindelijk het
gezigt op de zee; opdat, als het God behaagde, eenig schip in het gezigt
te zenden, ik geene gelegenheid mogt verzuimen tot mijne bevrijding,
waarop ik nog niet alle hoop opgegeven had.
Terwijl ik eene geschikte plaats hiertoe zocht, vond ik eene kleine
vlakte aan de zijde van een heuvel, die aldaar regtstandig als een muur
omhoog rees, zoodat ik van de hoogte niet kon overvallen worden. Aan den
kant van deze rots was eene holte, die naar den ingang van eene spelonk
geleek, schoon er geenerlei opening of spelonk in de rots was.
Op de grazige vlakte, regt voor deze uitholling, besloot ik mijne tent
op te slaan. De vlakte was niet meer dan honderd ellen lang en tweemaal
zoo breed, en lag als eene weide voor mijne deur, en liep aan het einde
onregelmatig af naar het lager land aan het strand. Zij lag op de N.N.W.
zijde van den heuvel, hetgeen mij voor de zonnehitte den geheelen dag
beschermde, tot de zon in het W.t.Z. stond, hetgeen in deze hemelstreken
bij het ondergaan plaats heeft.
Alvorens ik mijne tent opsloeg, trok ik voor de uitholling een halven
cirkel, die van de rots tot aan het einde, tien ellen wijd, en van het
eene einde tot het andere twintig ellen in doorsnede had. In dezen
halven cirkel sloeg ik twee rijen zware staken, en sloeg die in den
grond tot zij zoo vast stonden als pilaren, terwijl het zwaarste einde,
dat ik van boven puntig maakte, ongeveer vijf en een half voet uit den
grond zat; de twee rijen stonden geen zes duim van elkander.
Vervolgens nam ik de stukken kabeltouw, die ik op het schip gekapt had,
en legde die op elkander in den kring tusschen deze twee rijen van
staken, tot boven aan toe, terwijl ik andere staken van binnen plaatste,
ongeveer twee en een half voet hoog, om de voorsten te versterken, en
deze palissaden waren zoo sterk, dat mensch noch beest er over noch door
kon. Dit kostte mij veel tijd en arbeid, vooral het kappen van de staken
in het bosch, hen huiswaarts te slepen en in den grond te slaan.
De ingang tot deze plaats was geene deur, maar eene korte ladder,
waarmede ik over de omheining klom en die ik, als ik er in was, naar
binnen haalde. Aldus was ik, naar ik dacht, volkomen ingesloten en
verschanst voor iedereen, en sliep dus des nachts gerust, hetgeen ik
anders niet had kunnen doen; schoon, gelijk naderhand bleek, al deze
voorzorgen voor de vijanden die ik vreesde, noodeloos waren.
In deze omheining of verschansing, bragt ik met eindeloos veel moeite al
mijn rijkdom, al mijne mondbehoeften, mijn kruid en lood en al mijne
goederen, die ik vroeger opgenoemd heb. Ik maakte ook eene groote tent,
en om mij voor de regens, die hier een gedeelte van het jaar zeer hevig
zijn, te beveiligen, maakte ik eene dubbele, namelijk eene kleinere tent
van binnen en eene grootere er over heen, en de bovenste bedekte ik met
eene presenning, die ik onder de zeilen gered had.
En nu lag ik niet meer in het bed, dat ik aan wal had gebragt, maar in
eene hangmat, die zeer goed was, en aan den stuurman behoord had.
In deze tent bragt ik al mijne mondbehoeften, en al wat door den regen
bederven kon, en maakte vervolgens den ingang toe, dien ik tot hiertoe
opengelaten had, en ging na dien tijd altijd met eene korte ladder,
gelijk ik zeide, in en uit.
Toen dit gedaan was, ging ik aan het uitdelven van de rots, en bragt al
de aarde en steenen, die ik uitgroef, door mijne tent, en legde die
tusschen deze en de palissaden. Ik verhoogde den grond aldus anderhalf
voet, en maakte hierdoor een kelder vlak achter mijne tent. Dit kostte
mij veel tijd en arbeid, voor dat alles gereed was, en ik moet dus
terugkeeren tot eenige andere zaken, die mijne gedachten bezig hielden.
Toen ik het ontwerp gevormd had, een tent op te slaan en den kelder te
maken, viel er een allerhevigste stortregen uit eene dikke, zwarte wolk,
en een bliksemstraal werd door een allerontzettendsten donderslag
gevolgd, gelijk natuurlijk is. Ik was niet zoo zeer ontsteld van den
bliksem, als van het denkbeeld, dat even snel als de bliksem mij voor
den geest kwam: "mijn buskruid!" Mijn hart kromp ineen, als ik bedacht,
dat een bliksemstraal al mijn kruid kon vernielen, waarvan naar ik
dacht, niet alleen mijne veiligheid, maar ook mijn onderhoud geheel
afhing. Ik was volstrekt niet bekommerd over mijn eigen gevaar, schoon,
als het kruid vlam gevat had, ik zeer ligt doodelijk getroffen had
kunnen worden.
Dit maakte zulk een indruk op mij, dat, nadat de storm over was, ik al
mijn werk, mijn bouwen en verschansen liggen liet, en aan het maken van
dozen en kisten ging, om mijn kruid bij kleine gedeelten te bergen, in
de hoop, dat, wat er ook gebeuren mogt, het niet alles te gelijk vlam
zou vatten, en ik het zoo afgescheiden kon houden, dat het eene het
andere niet kon aansteken. Ik bragt hiermede veertien dagen door; en
mijn kruid, dat ongeveer 140 [lb = gewicht] zal bedragen hebben, had ik
toen in wel honderd partijen verdeeld. Van het vaatje, dat nat geweest
was, vreesde ik geenerlei gevaar, dus plaatste ik het in mijn nieuwen
kelder, dien ik goedvond mijn keuken te noemen, en het overige verborg
ik hier en daar in holten tusschen de klippen, in dier voege, dat er
geen nat bij komen kon, terwijl ik zorgvuldig de plaatsen merkte, waar
ik het legde.
Middelerwijl ik hieraan bezig was, ging ik dagelijks ten minste eens met
mijn geweer uit, zoowel tot mijne uitspanning, als om te zien of ik iets
schieten kon, dat eetbaar was, en, zooveel ik kon, mij bekend te maken
met wat het eiland opleverde. De eerste maal dat ik thans uitging,
ontdekte ik, dat er geiten op het eiland waren, hetgeen mij veel
genoegen deed; er was echter een ongeluk bij, dat zij namelijk zoo
schuw, zoo scherp van gezigt en reuk, en zoo snel ter been waren, dat
het allermoeijelijkst was, haar te bereiken.
Ik werd hierdoor echter geenszins ontmoedigd, niet twijfelende of ik zou
er weldra een onder schot krijgen, gelijk ook spoedig het geval was.
Want, nadat ik eenigzins hare gewone verblijfplaatsen op het spoor was
gekomen, ging ik op haar loeren. Ik had bemerkt, dat, als zij mij in het
dal zagen, al waren zij op de klippen, zij dan altijd verschrikt
wegliepen, en dat, als ik op de klippen was, zij geen acht op mij
sloegen. Ik besloot hieruit, dat haar oog zoodanig gevormd was, dat zij
met gemakkelijk voorwerpen zagen, die boven haar verheven waren. Ik
begon derhalve altijd eerst op de rotsen te klimmen, om boven haar
gezigt te zijn, en had dan gewoonlijk een goed schot op haar.
De eerste maal, dat ik op haar schoot, doodde ik eene geit, die een
zuigend jong bij zich had, hetgeen mij van harte speet. Toen de moeder
viel, bleef het jong stokstijf bij haar staan, tot ik kwam en haar
opnam. Toen ik de oude geit op mijne schouders laadde en haar wegdroeg,
volgde het jong mij tot aan mijne heining. Ik legde daar de oude neder,
nam het jong in mijne armen en droeg het over de palissaden, in de hoop
van het tam te maken; maar het wilde niet eten, dus was ik gedwongen het
te dooden en het zelf te eten. Deze twee geiten voorzagen mij voor
langen tijd van vleesch; want ik at matig, en spaarde mijne eetwaren
(vooral mijn brood), zooveel ik bij mogelijkheid kon.
Na thans mijne woning bepaald te hebben, achtte ik het volstrekt
noodzakelijk eene plaats te hebben waar, en brandhout waarmede ik stoken
kon. Ik zal op zijne plaats verhalen, hoe ik dit alles deed, en hoe ik
mijn kelder vergrootte, maar ik moet eenig verslag van mijzelven en van
mijne denkbeelden over mijne verdere levenswijze, die inderdaad niet
weinig waren, geven.
Mijn toestand leverde een treurig vooruitzigt op. De storm, die mij op
dit eiland geworpen had, had mij tevens geheel buiten den koers van onze
voorgenomen reis geslagen, en wel honderd mijlen buiten het gewone
vaarwater der koopvaarders. Ik had dus groote reden, het als een besluit
des Hemels te beschouwen, dat ik in deze eenzame plaats en op deze
verlatene wijze mijn leven zou eindigen. Mijne tranen stroomden bij
deze gedachten, en somwijlen vroeg ik mij zelven af, waarom de
Voorzienigheid sommige harer schepselen zoo diep rampzalig maakte, zoo
hulpeloos en verlaten, dat het leven naauwelijks een reden tot
dankbaarheid was.
Maar altijd kwam er iets in mij op, dat deze gedachten stuitte, en mij
er over berispte. Op zekeren dag in het bijzonder, toen ik met mijn
geweer in de hand langs het strand wandelde, peinsde ik ernstig over
mijn tegenwoordigen toestand, toen mijne rede als het ware toetrad, en
mij de zaak van eene andere zijde deed beschouwen. Het is waar, zeide
zij, gij zijt in een rampzaligen toestand, maar ei lieve, waar zijn uwe
kameraden? Waart gij niet elf personen in de boot? waar zijn de tien
overigen? Waarom zijn zij niet gered, en zijt gij niet vergaan? Waarom
zijt gij uitgezonderd? Is het beter hier of daar te zijn? Hierbij wees
ik op de zee. Het kwaad moet men beschouwen met het goede, dat er mede
gepaard gaat, en het kwade, waarvan het bevrijd is gebleven.
Vervolgens bedacht ik, hoe goed voor mijn onderhoud gezorgd was, en wat
mijn lot zou geweest zijn, als niet (hetgeen honderdduizend tegen een
was) het schip van de plaats, waar het eerst gestooten had, vlot
geraakt, en zoo digt bij den wal gedreven was, dat ik in staat was
geweest, er al die goederen uit te halen. Hoe zou mijn toestand geweest
zijn, als ik had moeten leven in den staat, waarin ik het eerst aan wal
kwam, zonder levensmiddelen en zonder eenig middel, mij die te
verschaffen. Wat vooral zoudt gij gedaan hebben, zeide ik luid tot
mijzelven, zonder geweer, zonder kruid of lood, zonder eenig gereedschap
om iets te maken of mede te werken, zonder kleederen, beddegoed of eenig
deksel?
Nu ik dit alles in genoegzame hoeveelheid had, en fraai op weg was, mij
zoodanig in te rigten, dat ik zonder mijn geweer zou kunnen leven als
mijn kruid op was, zoo dat ik een gegrond vooruitzigt op voedsel had,
zoo lang als ik leefde, want van den beginne af had ik er mijne
gedachten over laten gaan, hoe in verschillende omstandigheden te
handelen, in het toekomende, niet alleen als mijn kruid en lood op zou
zijn, maar zelfs als mijne gezondheid en krachten zouden afnemen.
Ik moet echter bekennen, dat ik toen echter volstrekt er niet aan dacht,
dat ik mijn kruid in eens, door den bliksem meen ik, kon verliezen, en
hierdoor was ik zoo ontsteld, toen dit denkbeeld voor de eerste maal bij
het onweder, bij mij op kwam.
En, daar ik nu het droevig verslag van een eenzaam leven moet beginnen,
gelijk men welligt nimmer in de wereld meer gehoord heeft, zal ik dit
van den beginne af en met orde verhalen. Het was, naar mijne rekening,
de 30ste September, toen ik op de vermelde wijze het eerst den voet op
het woest eiland zette, toen de zon, bij ons in de herfstevening,
bijkans regt boven mijn hoofd stond, want ik rekende, dat ik mij op 9°,
22' ten noorden van de linie bevond.
Na een verblijf van tien of twaalf dagen, kwam het mij in de gedachten,
dat ik, bij gebrek van boeken en schrijfgereedschap, met de tijdtelling
verward raken zou, en zelfs den zondag niet van de werkdagen
onderscheiden kunnen. Om dit te voorkomen sneed ik met mijn mes op een
grooten staak, met kapitale letters, het volgende opschrift:
IK KWAM HIER AAN WAL DEN 30 SEPTEMBER 1659.
en plaatste dit op een staak, in den vorm van een kruis, aan het strand,
waar ik het eerst aan land gekomen was. Op de zijden van dezen stijl
sneed ik elken dag een kerf met mijn mes, en elke zevende kerf eens zoo
lang als de overigen, en elken eersten dag van de maand weder eens zoo
lang, en aldus hield ik mijn almanak, en berekende de weken, maanden en
jaren.
Ik moet nog zeggen, dat onder de vele goederen, die ik op verschillende
reizen, van het schip afbragt, zich verscheidene zaken van minder waarde
bevonden, die mij echter niet minder van nut waren, en welke ik vroeger
vergeten had te vermelden, zoo als vooreerst pennen, inkt en papier,
verscheidene zaken van den kapitein, stuurman, konstapel en timmerman
afkomstig, als drie of vier kompassen, eenige zeevaartkundige
instrumenten, zonnewijzers, verrekijkers, kaarten en boeken over de
stuurmanskunst, hetwelk ik alles ondereen wierp, of ik het soms noodig
mogt hebben. Ook vond ik drie goede Bijbels, die bij de lading, mij uit
Engeland gezonden, geweest waren, en die ik onder mijne bagaadje gepakt
had, ook eenige Portugesche boeken, en daar onder twee of drie Roomsche
gebedenboeken en andere werken, die ik allen zorgvuldig borg. En ik moet
niet vergeten, dat wij aan boord een hond en twee katten hadden, wier
zonderlinge geschiedenis ik in het vervolg vermelden zal. Ik nam de
beide katten mede, en de hond sprong uit zichzelve over boord en zwom
naar den wal, den dag, nadat ik voor het eerst eene lading aan land
gebragt had, en was mij vele jaren een trouw dienaar; mij ontbrak niets
wat hij mij kon verschaffen; hij was voor mij een uitmuntend gezelschap
geweest, zoo hij slechts had kunnen spreken, maar dat ging niet. Gelijk
ik zeide, ik vond pennen, inkt en papier, en was daar zoo zuinig op, als
mogelijk; en het zal den lezer blijken, dat ik, zoo lang mijne inkt
duurde, alles zeer naauwkeurig opteekende, maar toen deze op was, was
dit onmogelijk, want ik kon geene inkt maken, wat ik ook verzon.
Dit herinnert mij, dat mij nog vele dingen ontbraken, niettegenstaande
al wat ik bijeengeraapt had; hieronder behoorde de inkt, eene spade,
houweel en schop, om den grond te bewerken; naalden, spelden en garen.
Wat linnen betrof, dit leerde ik spoedig zonder moeite ontberen.
Dit gebrek aan gereedschap maakte, dat al mijn werk langzaam van de hand
ging, en het duurde bijkans een jaar, alvorens ik mijne kleine schans,
of met palissaden bezette woning, voltooid had; het kappen der palen en
staken, die zoo zwaar waren als ik ze slechts vervoeren kon, vereischte
veel tijd, en nog meer het bewerken en naar huis slepen. Ik bragt
somtijds twee dagen door met een dezer palen te kappen en naar huis te
brengen, en een derden met dien in den grond te slaan, waartoe ik eerst
een zwaar stuk hout gebruikte, maar eindelijk bedacht mijn koevoet te
gebruiken; doch ook hiermede bleef het inslaan van deze palen een zeer
moeijelijk en vervelend werk.
Maar wat behoefde ik mij te bekommeren of iets wat ik te doen had,
vervelend was, aangezien ik tijd genoeg had, om het te verrigten? Als
dit afgeloopen was, had ik toch geene andere bezigheid, ten minste niet
die ik voorzien kon, behalve het rondgaan van het eiland, om voedsel te
zoeken, wat ik elken dag meer of minder deed.
Ik begon nu ernstig over mijn toestand, en de omstandigheden waarin ik
mij bevond, na te denken, en ik maakte schriftelijk een staat van mijne
zaken, niet zoo zeer voor iemand, die na mij hier komen zou, want
waarschijnlijk zou ik weinig erfgenamen hebben, maar wel om mijne
gedachten, die daar dagelijks op gevestigd waren en mijn geest
neêrdrukten, lucht te geven, en dewijl de rede thans bij mij de overhand
begon te krijgen, begon ik mij te troosten zoo goed ik kon en plaatste
het goede tegenover het kwade, om mijn toestand van een nog ergeren te
onderscheiden. Ik stelde dan zeer onpartijdig, als debiteur en
crediteur, het goede, dat ik genoot, tegenover de rampen, die ik leed;
op deze wijze:
_het kwaad._ _het goed._
_Ik ben op een akelig Maar ik ben in leven en
onbewoond eiland geworpen, niet verdronken, zoo als al
buiten alle hoop op verlossing. mijne scheepsmakkers.
Ik ben uitgekipt en als het Maar ik ben ook uitgekipt
ware afgezonderd van de uit al het scheepsvolk,
geheele wereld, om ongelukkig om van den dood gespaard
te zijn. te worden, en Hij, die mij
wonderbaarlijk van den dood
bevrijdde, kan mij ook uit
dezen toestand redden.