Denzelfden dag, dat ik aan boord kwam, gingen wij onder zeil, en hielden

het noordwaarts langs onze eigene kust, met oogmerk naar de Afrikaansche

kust over te steken, als wij op de hoogte van 10° of 12° N. breedte

zouden gekomen zijn, een koers dien men toen gewoonlijk hield, naar ik

geloof. Wij hadden goed weder, maar uiterst warm, tot wij op de hoogte

van kaap St. Augustijn kwamen, waar wij zeewaarts hielden en koers

stelden, alsof wij naar het eiland Fernand de Norouba bestemd waren,

koers stellende N.O. ten N. In ongeveer twaalf dagen passeerden wij de

linie, en waren naar ons laatste bestek op 7°, 22' N. breedte, toen een

geweldige tornado of orkaan ons geheel buiten ons bestek bragt. Deze

begon in het Z.O., liep toen naar het N.W. en zette zich eindelijk in

het N.O., waaruit hij zoo verschrikkelijk blies, dat wij twaalf dagen

lang voor top en takel dreven, waar het lot en de wind ons heen voerde;

en gedurende deze twaalf dagen behoef ik niet te zeggen, dat ik alle

dagen verwachtte te vergaan, en niemand aan boord dacht er het leven af

te brengen.

Behalve dezen woedenden storm, hadden wij ook nog het ongeluk, een man

aan de heete koorts te verliezen, en een man en een jongen werden over

boord geslagen. Toen het weder op den twaalfden dag wat bedaarde, maakte

de kapitein zijn bestek op, zoo goed als hij kon, en bevond, dat hij op

ongeveer 11° N. breedte was, maar dat hij op 22° lengte bewesten kaap

St. Augustijn was; zoodat hij berekende op de kust van Guiana of het

noordergedeelte van Brazilië te zijn, tusschen de Amazonerivier en de

Orenoko, gewoonlijk de Groote Rivier genaamd. Thans was de vraag welken

koers te houden, want het schip was lek en zeer ontzet; en de kapitein

was er voor regt naar de Brazilische kust terug te keeren.

Hier was ik stellig tegen; en toen wij bij het nazien der kaarten van de

Amerikaansche kusten zagen, dat er geen ander bewoond eiland was, waar

wij hulp konden verwachten, voor dat wij de Caraïben bereikten, besloten

wij naar Barbados koers te stellen, hetwelk wij gemakkelijk in vijftien

dagen zeilens hoopten te kunnen doen, als wij hooger in zee opwerkten,

om den Mexikaanschen Golfstroom te vermijden. Het was ons onmogelijk

zonder hulp onze reis naar de kust van Afrika voort te zetten.

Ten dien einde veranderden wij van koers en stuurden N.W. ten W., ten

einde een der Engelsche eilanden te bereiken. Maar onze reis was anders

bepaald, want op 12°, 15' breedte gekomen, sloeg een tweede storm ons

even geweldig westwaarts, en voerde ons buiten alle handelswegen van

beschaafde volkeren. Zoo dus al ons leven op zee gespaard werd, hadden

wij meer kans van door wilden vermoord te worden, dan ooit ons vaderland

weder te zien. In dezen nood, en terwijl de wind nog zeer hevig was,

riep een van ons volk op een morgen: "Land!" en naauwelijks waren wij

uit de kajuit gekomen, in de hoop van te kunnen zien in wat hoek van de

wereld wij waren, of het schip stiet op eene zandbank, en in een

oogenblik sloeg de zee er zoo geweldig over heen, dat wij alle

oogenblikken dachten te vergaan, en wij naar omlaag moesten gaan, om ons

voor de golven te beschutten.

Iemand, die zoo iets nimmer bijgewoond heeft, kan moeijelijk de

heerschende ontsteltenis begrijpen. Wij wisten niet waar wij waren, noch

op welk land wij geworpen waren; of het een eiland of vast land, bewoond

of onbewoond was. Daar de wind nog hevig was, schoon het niet meer zoo

geweldig stormde, konden wij niet hopen, dat het schip het langer dan

eenige minuten kon houden, zonder verbrijzeld te worden, ten ware de

wind, door een wonder, onmiddellijk omliep. Kortom, wij zagen elkander

aan, en verwachtten elk oogenblik den dood; ons voorbereidende op den

overgang in eene andere wereld, want in deze hadden wij weinig meer te

verrigten. Onze eenigste hoop was, dat het schip nog heel bleef, en de

kapitein opmerkte, dat de wind begon te gaan liggen.

Maar al bedaarde de wind ook, dan bleef onze toestand toch vreesselijk.

Ons schip zat zoo vast, dat wij niet hopen konden het weder vlot te

krijgen, en wij moesten slechts denken, het lijf er af te brengen. Wij

hadden de boot aan den spiegel hangen toen de storm begon, maar zij was

eerst tegen het roer beschadigd en vervolgens door de zeeën verbrijzeld

of weggeslagen; in een woord deze was voor ons verloren. Wij hadden nog

wel eene boot op het dek, maar of wij die in zee konden brengen was

twijfelachtig. Er was echter geen tijd tot beraad, want alle

oogenblikken wachtten wij, dat het schip in stukken zou breken, en

sommigen riepen, dat het al verbrijzeld was.

In dezen nood sloeg de stuurman het eerst handen aan het werk, en bragt

met hulp van het volk, de boot uit, en wij gingen allen er in, lieten de

vanglijn los, en ons op Gods genade drijven, want de zee ging nog

geweldig hoog op het strand.

Wij zagen allen duidelijk in, dat de zee zoo hoog stond, dat de boot het

niet houden kon en wij ontwijfelbaar moesten verdrinken. Zeil hadden wij

niet, en hadden het toch ook niet kunnen gebruiken; dus roeiden wij naar

het land, schoon met bezwaarde harten, als mannen, die hun doodvonnis te

gemoet gingen, want wij allen wisten zeer goed, dat als wij digt bij het

strand kwamen, de branding alsdan de boot in duizend stukken zou

verbrijzelen. Wij bevalen Gode onze ziel, en terwijl de wind ons naar de

kust dreef, verhaastten wij de beslissing van ons lot, door zoo hard wij

konden naar den wal te roeijen.

Hoe het strand was, klippen of zand, steil of effen wisten wij niet; de

eenigste zweem van hoop die wij nog konden koesteren, was, dat wij bij

geluk in eene baai of golf, of in den mond van eene of andere rivier

komen mogten, waar wij door bijzonder toeval onze boot inbragten, of dat

wij aan lager wal van het land en daardoor in stil water geraakten. Er

was echter niets dat daarnaar geleek, maar toen wij digter bij het

strand kwamen, zag het land er nog veel verschrikkelijker uit dan de

zee.

Na, naar gissing, ongeveer anderhalve mijl roeijens of liever drijvens,

kwam eene geweldige zee achter ons aan rollen, en gaf ons duidelijk te

kennen, dat dit onze genadeslag was. Zij sloeg met zoo veel geweld over

ons heen, dat de boot dadelijk omsloeg, en ons zoo wel van de boot als

van elkander scheidde, zoo dat wij naauwelijks konden uitroepen: "o,

God!" want wij waren in een oogenblik allen door de zee verzwolgen.

Ik kan niet beschrijven welke verwarring van denkbeelden ik gevoelde,

toen ik in het water zonk; want schoon ik zeer goed zwem, kon ik mij

niet zoo uit de golven opheffen, dat ik adem kon halen, totdat de golf

mij een groot eind naar den wal gedragen of liever geworpen hebbende,

daar brak en terug liep, en mij op het land bijkans droog, maar half

dood van het ingezwolgen water, achterliet. Ik had zoo veel

tegenwoordigheid van geest, en kracht nog dat ik, ziende, dat ik digter

bij het vaste land was dan ik verwachtte, op de been sprong en zoo snel

ik kon, naar het land trachtte te loopen, voor eene andere golf mij

inhaalde en weder wegrukte. Spoedig vond ik echter, dat dit onmogelijk

was, want ik zag de zee achter mij aan komen opzetten, zoo hoog als een

hooge heuvel, en verwoed als een vijand, waartegen ik niet opgewassen

was. Mij schoot niet anders over dan mijn adem in te houden, en als ik

kon mij boven water te houden, en zoo, door te zwemmen, mij zoo mogelijk

naar de kust te laten brengen. Mijne grootste vrees was dat de zee, die

mij op het strand sloeg, mij, als zij terug liep, weder in zee mogt

slepen.

De eerste zee, die weder opkwam, ging omtrent twintig of dertig voet

over mij heen, en ik gevoelde, dat ik met ontzettend geweld en

snelheid naar het strand werd gedreven. Ik hield den adem in, en

trachtte zoo veel ik kon vooruit te komen. Ik kon eindelijk niet langer

den adem inhouden, toen ik gevoelde dat ik oprees, en mijn hoofd en

handen boven het water uitkwamen. Dit duurde geen twee sekonden, maar

gaf mij den tijd adem te halen. Wederom werd ik door het water

overstelpt, maar niet zoo lang of ik kon het uithouden, en bemerkende,

dat het water terugliep, zwom ik daar tegen in, en gevoelde weder grond.

Nog een oogenblik stond ik stil om adem te halen, en tot ik van het

water vrij was; toen zette ik het op een loopen, zoo snel ik kon naar

het land. Maar ik kon de woede van eene volgende zee niet ontgaan, die

weder achter mij aankwam, en nog twee malen werd ik door de golven

opgeligt en als de vorige reizen voortgestuwd, want het strand was zeer

vlak.

De laatste maal dat dit gebeurde was het bijkans noodlottig met mij

afgeloopen; want nadat de zee mij, gelijk te voren, naar land had

gesleept, wierp zij mij tegen eene klip, en dat met zoo veel geweld, dat

ik bewusteloos nederzeeg. De stoot, dien ik op mijne zijde en borst

ontving, benam mij den adem, en zoo de zee onmiddellijk terug gekomen

ware, zou ik verstikt zijn in het water; maar voor dat dit gebeurde, was

ik een weinig tot mij zelven gekomen, en ziende, dat de zee weder over

mij heen zou slaan, besloot ik mij aan een stuk van de rots vast te

houden, zoo mogelijk, tot de golf terug liep. Daar nu de golven zoo hoog

niet meer liepen, omdat ik digt bij het land was, hield ik het staande

tot de golf terug liep, en nam toen weder een loopje, dat mij zoo digt

bij het strand bragt, dat de volgende golf, schoon die over mij heen

sloeg, mij niet medesleepte, en toen bereikte ik, met nog een loopje,

den vasten wal, waar ik, zeer tot mijne vreugde, de klippen van het

strand overklom en op het gras ging zitten, gered uit het gevaar, en

buiten bereik der golven.

Ik was nu aan land en begon rond te zien en God voor mijn behoud te

danken, in een geval waarin, eenige oogenblikken te voren, schier geene

hoop op redding was. Ik geloof, dat het onmogelijk is de verrukking te

schilderen, die men gevoelt als men zoo, als het ware uit het graf zelf

gered wordt, en het verwondert mij thans niet meer, dat men gewoon is,

als een ter dood veroordeelde genade ontvangt, tevens een heelmeester te

zenden, om hem ader te laten zoodra hij het verneemt, ten einde de

verrassing hem niet zou dooden.

Ik liep het strand langs, met opgeheven handen, en geheel verloren in

het denkbeeld van mijne redding, terwijl ik duizend gebaren en

bewegingen maakte, als ik bedacht, dat al mijne makkers verdronken

waren, en niemand gered was dan ik alleen; want ik zag van hen niets

weder dan naderhand twee of drie hoeden, eene muts en twee schoenen, die

niet bij elkander behoorden.

Toen ik naar het gestrande schip zag, hetwelk zoo ver lag, dat ik het

door het schuim en spatten der zee naauwelijks zien kon, stond ik op

nieuw verbaasd hoe het mogelijk was, dat ik gered had kunnen worden!

Na door deze overwegingen mij met het troostrijke gedeelte van mijn

toestand bekend gemaakt te hebben, begon ik rond te zien, op welke soort

van plaats ik was, en wat mij thans te doen stond. Spoedig ontdekte ik,

dat ik eene vreesselijke bevrijding had gedaan, want ik was nat, had

geene andere drooge kleederen, noch iets te eten of te drinken. Ik zag

ook geen ander vooruitzigt dan om van honger te sterven, of door wilde

beesten verscheurd te worden. Wat mij tevens niet weinig neêrslagtig

maakte, was, dat ik geen wapen had om eenig beest tot mijn voedsel, te

dooden, of om mij te verdedigen tegen hen, die mij welligt tot voedsel

zouden begeeren. Ik had niets bij mij dan een mes, eene pijp en eenigen

tabak in eene doos; dit was al mijn voorraad, hetgeen mij zoo beangst

maakte, dat ik eene poos als buiten mijne zinnen was. Toen de avond

viel, begon ik met een bezwaard hart te bedenken wat mijn lot zou zijn,

als er in dit land verscheurende dieren waren; omdat deze altijd des

nachts op roof uitgaan.

Het eenigste middel wat mij te binnen schoot, was op een digtbegroeiden

boom te gaan zitten, eene soort van den, maar doornachtig, die digt bij

mij stond en waarop ik besloot den geheelen nacht te blijven zitten, en

den volgenden dag te overdenken welken dood ik zou sterven, want ik zag

geene andere uitkomst voor mij. Ik liep een eind weegs van het strand

af, om drinkbaar water te zoeken, dat ik gelukkig vond. Na gedronken, en

voor den honger wat tabak in den mond genomen te hebben, klom ik in den

boom, en na een korten stok tot mijne verdediging, daar af te hebben

gesneden, viel ik, daar ik zeer vermoeid was, in slaap. Ik sliep zoo

gerust, als weinigen in mijn toestand zouden gedaan hebben, en ik

geloof, dat nimmer een slaap mij zoo verkwikt heeft.

Toen ik ontwaakte was het helder dag, fraai weder en de storm bedaard,

zoodat de zee kalm was. Tot mijne verbazing zag ik, dat het schip des

nachts, van de zandbank, waarop het lag, door den vloed vlot geraakt, en

tot bij de klip gedreven was, waar ik, gelijk ik zeide, zoo tegen aan

was geworpen. Daar het dus nu slechts eene (Eng.) mijl van den wal

aflag, wenschte ik, dat ik aan boord was, om ten minste eenige

noodwendigheden voor mij te redden.

Toen ik mijne slaapplaats in den boom verliet, zag ik nogmaals in het

rond, en het eerst wat ik bespeurde was de sloep, die ongeveer een half

uur regts van mij, op het strand lag, waar de wind en de golven haar

geworpen hadden. Ik ging in die rigting de kust langs, om bij haar te

komen, maar trof een inham of kreek aan, die mij dit belette. Ik keerde

dus terug, daar ik voor het oogenblik voornamelijk verlangde het schip

te bereiken, waar ik eenig voedsel voor mij hoopte te vinden.

Kort na den middag werd de zee zeer kalm, en het getij liep zoo laag,

dat ik het schip tot op een vierde mijl kon bereiken. Hier vond ik

nieuwe reden tot droefheid; want ik zag duidelijk, dat, zoo wij allen

aan boord gebleven waren, wij gered zouden geweest zijn; althans hadden

wij allen behouden aan den wal kunnen komen; en mij had het ongeluk niet

getroffen van allen troost en alle gezelschap beroofd te zijn, gelijk

thans het geval was. Deze gedachte perste mij de tranen uit de oogen,

maar deze baatten mij weinig, en ik besloot zoo mogelijk het schip te

bereiken. Ik ontkleedde mij, want het was smoor heet, en ging te water;

maar toen ik het schip bereikte, wist ik niet hoe ik aan boord zou

komen. Het lag hoog en droog, en ik zag niets dat ik grijpen kon. Twee

maal zwom ik er omheen, en de derde maal ontdekte ik een dun touw, dat

over de fokkerusten hing, zoo laag, dat ik het met moeite kon bereiken,

en met behulp er van op het voorschip komen. Hier zag ik, dat het schip

gebarsten was en vrij wat water in het ruim had; maar het lag zoo op

eene bank van hard zand of liever aarde, dat het van achteren hoog op de

bank, en met den kop bijkans in het water lag; hierdoor was het geheele

achterschip heel, en al wat daar was, droog gebleven. Mijne eerste zorg

was te onderzoeken wat beschadigd en wat goed gebleven was, gelijk men

wel gelooven zal. Ik vond, dat al de provisie droog en goed gebleven

was, en daar ik uitgehongerd was, vulde ik mijne zakken met beschuit, en

at die op, terwijl ik naar andere dingen rondzag, want ik had geen tijd

te verliezen. Ik vond ook wat rum in de groote kajuit, en nam eene

goede teug, die ik wel noodig had, om mij kracht te geven tot al wat ik

nog te doen had.

Nu had ik slechts eene boot noodig, om mij van vele dingen te voorzien,

die ik voorzag, dat mij van veel nut zouden zijn. Stil te zitten en te

wenschen naar wat ik niet had, baatte mij echter weinig, en de nood

scherpte mijn vernuft. Wij hadden verscheidene waarlooze rondhouten,

twee of drie marsstengen, en een paar waarlooze marszera's aan boord. Ik

besloot deze te gebruiken, en werkte er zooveel over boord als hare

zwaarte dit toeliet, na aan ieder een touw gebonden te hebben, voor het

wegdrijven. Nadat dit gedaan was, ging ik over boord, trok ze naar mij

toe, en bond er zoo goed ik kon vier van aan beide einden vast, in den

vorm van een vlot, en na er twee of drie korte planken kruiselings over

gelegd te hebben, vond ik, dat ik er vrij wel over loopen kon, maar dat

het niet veel zwaarte dragen kon, omdat de stukken hout te ligt waren,

dus ging ik aan het werk, en zaagde met des timmermans zaag, een

waarlooze steng in drieën, en maakte deze stukken aan mijn vlot vast,

met veel arbeid en moeite, maar de hoop, mij van vele noodwendigheden te

voorzien, deed mij boven mijn vermogen werken.

Thans was mijn vlot sterk genoeg, om eene tamelijke zwaarte te dragen.

Het voornaamste was thans te weten wat ik er op laden zou, en hoe ik,

hetgeen er op lag, voor de branding zou bewaren, doch hierover bedacht

ik mij niet lang. Ik legde er eerst al de planken op, die ik bekomen

kon, en na wel overwogen te hebben, wat ik het meest noodig had, maakte

ik drie matrozenkisten ledig, en streek die op het vlot. De eerste vulde

ik met eetwaren, te weten brood, rijst, drie Hollandsche kazen, vijf

stukken gedroogd geitenvleesch, dat wij veel aten, en een klein weinig

Europeesch koorn, dat wij voor eenig gevogelte aan boord hadden genomen,

hetgeen echter reeds geslagt was. Er was eenige garst en tarwe onder

elkander aan boord geweest, maar tot mijne spijt vond ik, dat de ratten

het alles opgegeten of oneetbaar gemaakt hadden. Ik vond verscheidene

flesschenkelders van den kapitein met sterken drank, en in het geheel

ongeveer vijf of zes gallons arak; deze plaatste ik los op het vlot,

daar ik ze niet in de kist kon bergen. Toen ik hiermede bezig was,

begon de vloed door te komen, en ik had het verdriet van mijn buis, hemd

en vest, die ik aan het strand gelegd had, te zien wegdrijven. Mijn

linnen broek en kousen had ik aangehouden, toen ik naar het schip zwom.

Dit deed mij echter naar kleederen zoeken, die ik genoeg vond; maar

waarvan ik geen meer medenam, dan ik oogenblikkelijk noodig had, want ik

had andere dingen op het oog; en in de eerste plaats, gereedschap om

mede te werken. Na lang zoeken vond ik de timmermanskist, dat inderdaad

een belangrijke vond voor mij was, en toen van meer waarde voor mij dan

eene scheepslading goud. Ik bragt die geheel op mijn vlot, zonder mij

den tijd te gunnen van na te zien wat er in was, want dit wist ik over

het geheel wel.

Thans was mijne zorg voor wapens en kruid en lood. Er waren in de kajuit

twee zeer goede jagtgeweren en twee pistolen; deze nam ik eerst met

eenige kruidhorens, en een zakje met kogels. Ik wist, dat er drie

vaatjes kruid aan boord waren, maar niet waar de konstapel ze gestuwd

had. Na veel zoekens vond ik ze echter; twee waren droog en goed

gebleven, het derde was vochtig; deze twee bragt ik met de wapens op het

vlot. En nu begreep ik vrij goed geladen te zijn, en begon er aan te

denken, hoe ik mijne lading aan wal zou brengen, daar ik zeilen, riemen,

noch roer had, en het minste aanwakkeren van den wind al mijne

zeemanschap zou teleurgesteld hebben.

Drie dingen moedigden mij aan; eerstens was de zee volkomen kalm; ten

tweede dreef het getij naar het strand en eindelijk was de weinige wind

die er was, regt op de kust aan. Na dus twee of drie gebroken riemen van

de boot, en behalve mijne kist met gereedschappen, nog twee zagen, eene

bijl en een hamer gevonden te hebben, stak ik met mijne lading af. Eene

mijl ongeveer ging alles goed; alleen bespeurde ik, dat ik een weinig

zijwaarts afdreef van de plaats, waar ik eerst aan land gekomen was,

zoodat ik bemerkte, dat daar eenige strooming in het water was, wat mij

hoop gaf, daar eene kreek of rivier te zullen vinden, die mij als eene

haven kon dienen, om mijne lading aan wal te brengen.

Het was zoo als ik gedacht had; voor mij lag een kleine inham, waar eene

sterke strooming inliep; dus stuurde ik mijn vlot zoo goed ik kon, om

het midden van den stroom te houden. Hier had ik bijkans ten tweeden

male schipbreuk geleden, hetgeen mij het hart zou gebroken hebben. Daar

ik niets van de kust wist, geraakte mijn vlot aan het eene einde op eene

zandbank vast, en daar het andere einde vlot was, scheelde het weinig,

of al mijne lading was naar dien kant gerold, die vlot was, en zoo in

het water gevallen. Ik deed mijn uiterste best, door met mijn rug de

kisten tegen te houden, alles op zijne plaats te doen blijven; maar al

mijne kracht was niet voldoende om het vlot af te duwen; ook durfde ik

niet van houding veranderen, maar stond bijkans een halfuur op die wijze

tegen te houden. Gedurende dien tijd maakte de vloed het vlot allengs

meer gelijk, en kort daarop, daar het water nog rees, was ik weder vlot,

en duwde mijn vlot af met den riem, dien ik had, in het kanaal. Toen ik

daar hooger op kwam, bevond ik mij eindelijk in den mond van eene

kleine rivier, met land aan weerszijden, en waar het getij zeer sterk

liep.

Eindelijk bespeurde ik een kleinen inham aan de regterzijde, en bragt

met veel moeite en arbeid mijn vlot daarheen, en kwam er op het laatst

zoo nabij, dat ik met mijn riem den grond bereiken kon, en toen stuurde

ik erbinnen. Hier was bijkans weder al mijne lading in zee gevallen,

want het strand liep hier met zulk eene steile helling, dat ik nergens

kon naderen, of het eene einde van het vlot zou als het aan den wal

stiet, zoo hoog en het andere einde zoo laag liggen, dat de lading op

nieuw groot gevaar moest loopen. Al wat ik doen kon, was te wachten, tot

dat het getij op zijn hoogst was, terwijl ik met mijn riem mij nabij den

wal hield, en digt bij eene streek vlakken grond, die ik verwachtte, dat

het water bedekken zou, gelijk ook het geval was. Zoodra ik water genoeg

vond (want mijn vlot had bijkans een voet diepgang,) bragt ik het boven

dien vlakken grond, en zette het daar vast door mijne twee gebroken

riemen in den grond te steken, aan weerszijden een, en zoo bleef ik

liggen, tot het water begon af te loopen, en mij en mijne lading droog

op het strand liet.

Mijn eerste werk was thans het land te bezien, en eene geschikte plaats

te zoeken, waar ik wonen kon, en mijne goederen tegen alle mogelijke

ongevallen beveiligen. Waar ik was, wist ik echter niet, of op vast land

of op een eiland, in een bewoond of onbewoond land, met of zonder wilde

dieren. Geene mijl van mij af was een heuvel, die zeer steil en hoog

opliep, en mij toescheen eene reeks van heuvelen, die noordwaarts zich

uitstrekten, te overzien. Ik nam een der jagtgeweren, eene pistool en

een kruidhoorn, en aldus gewapend ging ik naar den top des heuvels op

ontdekking uit. Toen ik dien met veel moeite en arbeid bereikt had, zag

ik dadelijk mijn lot; namelijk, dat ik op een eiland was, overal door de

zee omringd, zonder land in het gezigt, behalve zeer in de verte eenige

klippen, en twee eilanden, kleiner dan dit, die drie mijlen ongeveer

westwaarts van mij lagen.

Ik zag tevens, dat het eiland, waarop ik mij bevond, woest, en gelijk ik

met grond vermoedde, onbewoond was, ten ware van wilde dieren, waarvan

ik echter geenerlei spoor zag. Ik zag eene menigte van vogels, wier

soort ik niet kende, en waarvan ik niet wist of hun vleesch eetbaar was

of niet. Toen ik terugkeerde, schoot ik een grooten vogel, dien ik op

een boom aan den zoom van een groot bosch zag zitten. Ik geloof, dat het

het eerste schot was, dat daar, sedert de schepping, gevallen was.

Naauwelijks had ik gevuurd, of uit alle deelen van het bosch rees eene

ontzettende menigte vogels van allerlei soort op, die ieder hun

eigenaardig geschreeuw en gekrijsch aanhieven; doch geen was er onder,

die ik kende. Dien ik gedood had, hield ik voor eene soort van havik,

naar zijne vederen en bek te oordeelen, echter waren zijne klaauwen niet

buitengewoon; zijn vleesch was taai en oneetbaar.

Ik hield mij vooreerst met deze ontdekking tevreden, ging naar mijn vlot

terug, en ging aan het werk, om mijne lading aan land te brengen, dat

mij het overige van den dag bezig hield. Waar ik mijn nachtverblijf

kiezen zou, wist ik niet; ik was bevreesd, om op den grond te gaan

liggen, niet wetende, of een wild dier mij verscheuren zou. Naderhand

vond ik echter, dat ik hiervoor geene vrees behoefde te hebben.

Zoo goed ik kon maakte ik echter eene verschansing van de kisten en

planken, die ik aan wal had gebragt, en vormde daarvan eene soort van

hut, voor dien nacht. Ik zag nog niet in, hoe ik mij van voedsel zou

voorzien, behalve, dat ik twee of drie dieren, naar hazen gelijkende,

uit het bosch had zien loopen, toen ik den vogel schoot.

Ik begon nu te bedenken, dat ik nog veel uit het schip zou kunnen halen,

wat mij nuttig kon zijn; vooral eenig touwwerk en zeilen, en wat mij

maar van dienst zou kunnen zijn. Ik besloot dus, zoo mogelijk nog eene

reis naar het schip te doen, en daar ik wist, dat de eerste opkomende

storm het noodwendig verbrijzelen moest, besloot ik mij nergens mede

bezig te houden, voor ik al wat ik kon uit het schip had gehaald. Ik

belegde toen scheepsraad, dat wil zeggen in mijne gedachten, of ik zou

trachten met het vlot terug te gaan, maar dit achtte ik onuitvoerlijk;

dus besloot ik, even als te voren, bij laag water te gaan, gelijk ik

deed, alleen een gestreept hemd en een linnen broek aanhoudende.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 · 第 3 / 23 段