kon zijn, dus besloot ik hem te villen. Xury en ik gingen aan het werk,
maar Xury verstond zich veel beter op dit werk dan ik. Wij waren er den
geheelen dag mede bezig; maar eindelijk waren wij er mede gereed en
spanden de huid over de tent van onze boot; de zon droogde haar in twee
dagen, en naderhand diende zij mij om op te liggen.
Vervolgens liepen wij tien of twaalf dagen zuidwaarts, en hielden zeer
zuinig met onze levensmiddelen huis, die echter sterk verminderden, en
gingen alleen aan land als wij water moesten innemen. Ik wilde de rivier
Gambia of Senegal, dat wil zeggen, de hoogte van Kaap Verd bereiken,
omdat ik daar Europesche schepen hoopte te ontmoeten. Zoo dit niet het
geval was, wist ik niet wat te doen, dan de eilanden op te zoeken of
onder de Negers om te komen. Ik wist, dat al de schepen van Europa, naar
de kust van Guinea of Brazilië bestemd, de Kaap Verdische eilanden
naderen. In één woord, ik had geen ander uitzigt, dan de kans van door
een schip gezien te worden of den dood.
Gelijk gezegd is, had ik tien dagen lang dit plan gevolgd, toen ik begon
te bespeuren, dat het land bewoond was; op twee of drie plaatsen zagen
wij, toen wij voorbij zeilden, volk op het strand staan; zij waren zwart
en geheel naakt. Eens was ik voornemens aan land en naar hen toe te
gaan, maar Xury ried mij ten beste, en zeide: "Niet gaan, niet gaan."
Echter hield ik het digt langs de kust, om tot hen te kunnen spreken, en
zag, dat zij een groot eind weegs mede liepen. Zij waren zonder wapenen,
behalve een man, die een langen dunnen stok in de hand had, welke Xury
mij zeide, dat een werpspies was, en dat zij daar op verren afstand
zeer juist mede weten te treffen; ik hield mij dus op een voegzamen
afstand, maar gaf hun door teekens te kennen, dat ik voornamelijk wat
eten wenschte. Zij wezen mij, dat ik de boot stil zou doen liggen, en
dat zij mij wat spijs zouden bezorgen. Ik streek mijn zeil gedeeltelijk
en draaide bij, en twee hunner liepen landwaarts in, en kwamen een
halfuur daarna terug, met twee stukken gedroogd vleesch, en eenig koorn,
gelijk het land daar oplevert. Hoewel wij niet wisten wat een van beide
was, wilden wij het gaarne aannemen. Maar de vraag was hoe er aan te
komen, want ik wilde mij niet op het strand tusschen hen wagen, en zij
schenen even bevreesd voor ons. Zij wisten echter raad, want zij bragten
en legden het aan het strand, gingen een groot eind weegs terug tot wij
het aan boord genomen hadden, en kwamen toen weder digter bij ons.
Wij maakten hun teekens van dankzegging, want anders hadden wij niet;
doch op datzelfde oogenblik had ik gelegenheid hun eene goede dienst te
doen. Toen wij vlak bij het strand lagen, kwamen er twee verschrikkelijk
groote wilde dieren, de een den ander vervolgende (naar het ons
toescheen) van het gebergte zeewaarts loopen. Wij wisten niet of het
mannetje het wijfje achtervolgde, en evenmin of hunne verschijning iets
gewoons of ongewoons was. Ik geloof echter het laatste, want vooreerst
komen de verscheurende dieren zelden anders dan des nachts te
voorschijn; ten tweede waren de Negers, vooral de vrouwen, doodelijk
verschrikt. De man die de lans droeg hield stand, maar al de overigen
sloegen op de vlugt. Echter liepen de dieren regt op de zee aan, zonder
er aan te denken de Negers aan te vallen, en sprongen in het water, naar
het scheen, om zich te verfrisschen. Ten laatste kwam een hunner digter
bij de boot dan ik verwachtte, maar ik was gereed hem te ontvangen, want
ik had zoo spoedig mogelijk mijn geweer geladen, en zeide Xury, dat hij
de beide anderen zou laden. Zoodra hij binnen schot kwam, gaf ik vuur en
trof hem vlak in den kop. Oogenblikkelijk dook hij, doch kwam spoedig
weder boven, hetgeen hij verscheidene malen herhaalde, naar het scheen
met den dood worstelende. Hij trachtte het strand te bereiken, maar vóór
dien tijd was hij reeds dood.
Het is onmogelijk de verbazing van die arme schepsels te beschrijven,
bij het zien en hooren van mijn schot. Velen schenen half dood van vrees
en vielen van schrik neder. Doch toen zij het dier dood zagen, en ik hun
wees, dat zij naar het water zouden komen, vatten zij moed en begonnen
het dier op te zoeken. Aan het bloed, dat op het water opkwam, bespeurde
ik waar hij lag, en met een touw, dat ik om hem sloeg en de Negers liet
inhalen, sleepten zij het op strand. Het was een bijzonder gevlekte en
schoone luipaard, en de Negers hieven van verbazing, dat ik hem gedood
had, de handen omhoog.
Het andere beest, door den slag en het vuur van mijn geweer verschrikt,
zwom naar den wal en vloog naar het gebergte, vanwaar het gekomen was.
De verte belette mij te zien welk dier het was. Ik bemerkte spoedig dat
de Negers het luipaardenvleesch eten, en wilde het dus als eene gunst
van mij geven. Toen ik hun door teekens te kennen gaf, dat zij hem nemen
zouden, waren zij er zeer dankbaar voor. Ofschoon zij geen messen
hadden, vilden zij hem met een scherp hout zoo vlug, ja veel vlugger dan
wij het met messen hadden kunnen doen. Zij boden mij een deel van het
vleesch aan, dat ik weigerde en hun door teekens te kennen gaf, dat ik
hun alles schonk, doch ik wees hun dat ik de huid hebben wilde, die zij
mij dadelijk gaven, met eene menigte van hunnen voorraad, dien ik
aannam, zonder te weten wat ik er mede doen zou. Vervolgens gaf ik door
teekens mijn verlangen naar water te kennen, en hield hun ten dien einde
eene onzer ledige kruiken omgekeerd voor, om hun te doen zien, dat die
ledig was, en gevuld moest worden. Zij riepen dadelijk eenigen hunner,
en twee vrouwen kwamen met eene groote pot, van klei gemaakt en in de
zon gedroogd, naar ik denk; deze plaatsten zij voor mij, en ik zond Xury
met mijne kruiken aan het strand, die ze daaruit vulde. De vrouwen waren
zoo wel naakt als de mannen.
Ik was thans voorzien van wortelen en koorn, zoo als het was, en van
water. Ik verliet dan mijne vriendelijke Negers, en stevende nog elf
dagen in dezelfde rigting, zonder te beproeven de kust te naderen; tot
dat ik het land een groot eind in zee zag loopen, op ongeveer vier of
vijf mijlen voor mij uit. Daar de zee zeer kalm was, hield ik zeewaarts,
om deze landtong om te zeilen. Eindelijk dezelve op ongeveer twee mijlen
van het land omgezeild zijnde, zag ik duidelijk land aan de andere zijde
zeewaarts. Ik besloot dus, gelijk zeker wel het geval zal geweest zijn,
dat dit Kaap Verd was, en dat gindsche eilanden, die waren, welke naar
dezelve Kaap Verdische eilanden heeten. Zij lagen echter op een grooten
afstand; en ik wist niet wat mij best te doen stond, want zoo ik door
eene windvlaag overvallen werd, zou ik nimmer de eene noch de andere
bereiken.
In deze verlegenheid stapte ik geheel verslagen in de tent en ging daar
zitten, terwijl ik Xury aan het roer had gelaten. Eensklaps riep de
jongen: "Meester, meester, een schip, een zeil!" De arme jongen bestierf
het schier van angst, denkende, dat het niet anders zijn kon dan een van
zijn meesters schepen, uitgezonden om ons te vervolgen. Ik echter wist
wel, dat wij ver genoeg buiten zijn bereik waren. Ik sprong uit de
kajuit, en zag niet alleen dadelijk het schip, maar ook wat het was;
namelijk een Portugeesch schip, en, zoo als ik dacht, naar de kust van
Guinea bestemd, om slaven te halen. Toen ik echter zag welken koers het
hield, werd ik spoedig overtuigd dat het eene andere bestemming had, en
niet voornemens was digter bij de kust te komen. Ik hield het dus
zeewaarts, zoo veel ik kon, met oogmerk, zoo mogelijk, het te praaijen.
Ik bemerkte dat ik met al het zeil, dat ik voeren kon, bijgezet, nog
niet in hunnen koers kon komen, maar dat zij mij voorbij zijn zouden,
voor ik hun eenig sein had kunnen doen, doch na zoo veel ik kon
opgeloefd te hebben, en toen ik reeds begon te wanhopen, zagen zij, naar
het scheen, mij door hunne kijkers, en dat het eene boot van Europeesch
maaksel was, die zij onderstelden dat een schip moest behooren, dat
vergaan was; dus minderden zij zeil, om mij op zijde te laten komen. Dit
moedigde mij aan, en daar ik een vlag van mijn ouden meester aan boord
had, heesch ik die in sjouw, tot een noodsein, en vuurde een geweer af.
Zij zagen beide, want naderhand werd mij verhaald, dat zij den rook
gezien, maar den slag niet gehoord hadden. Op deze seinen brasten zij
tegen, en in ongeveer drie uren tijds was ik hen op zijde.
Men vroeg mij in het Portugeesch, in het Spaansch en in het Fransch wie
ik was; van al hetwelk ik niets verstond; maar eindelijk sprak een
Schotsche zeeman, die aan boord was, mij aan, en ik antwoordde hem,
zeggende, dat ik een Engelschman was, die de slavernij der Mooren van
Salé ontvlugt was. Daarop verzocht men mij aan boord te komen, en nam
mij en al mijne goederen zeer goedhartig op.
Het was eene onuitsprekelijke vreugde voor mij, gelijk iedereen wel zal
willen gelooven, dat ik mij uit een zoo jammerlijken en schier
hopeloozen toestand, waarin ik mij bevonden had, gelijk ik begreep,
gered zag. Oogenblikkelijk bood ik den kapitein van het schip alles aan
wat ik bezat, tot vergelding van mijne bevrijding; maar hij gaf mij
edelmoediglijk te kennen, dat hij niets van mij aannemen, maar dat mij
alles wat ik had zou ter hand gesteld worden, als wij behouden in
Brazilië aankwamen. "Want," zeide hij, "ik heb u het leven gered, even
zoo als ik in uwen toestand gaarne zou gered willen worden; en het kan
te een of anderen tijd gebeuren, dat dit ook mijn lot wordt. Bovendien,"
vervolgde hij, "als ik u naar Brazilië medeneem, zoo ver van uw
vaderland, en ik zou u het weinige ontnemen wat gij hebt, zoudt gij daar
van honger sterven, en ik zou dan u slechts gered hebben, om u weder in
doodsgevaar te brengen. Neen, neen, Senhor Inglese (mijnheer de
Engelschman), ik zal u uit Christelijke liefde daarheen brengen, en wat
gij hebt zal u daar wel te pas komen, om er van te leven, en uwe
tehuisreis te bekostigen."
Even menschlievend als dit voorstel was, even strikt was hij in de
uitvoering daarvan, want hij gelastte den matrozen volstrekt niets aan
te raken van hetgeen ik had; daarna nam hij zelf alles in ontvangst, en
gaf er mij eene juiste inventaris van, ten einde mij bij onze aankomst
alles te kunnen terug geven, zelfs tot mijne drie aarden kruiken toe.
Hij zag dat mijne boot zeer goed was, en stelde mij voor die aan hem ten
gebruike van het schip te verkoopen, en vroeg mij wat ik er voor hebben
wilde. Ik zeide, dat hij in alles zoo edelmoedig jegens mij gehandeld
had, dat ik geenerlei prijs op de boot kon stellen, maar alles aan hem
overliet. Hij zeide mij daarop, dat hij mij een briefje van zijne hand
zou geven, om er mij 80 stukken van achten te Brazilië voor te geven; en
als iemand er mij daar meer voor wilde geven, zou hij mij haar terug
geven. Hij bood mij ook nog 60 stukken van achten voor den knaap, Xury.
Ik had hier veel tegen, niet dat ik hem niet aan den kapitein wilde
afstaan, maar ik had een weêrzin om de vrijheid van den armen knaap te
verkoopen, die mij zoo trouw geholpen had, de mijne te herkrijgen. Toen
ik den kapitein mijne redenen zeide, billijkte hij die volkomen, en bood
mij, als een middel om alles te vereffenen, aan, den knaap eene
verbindtenis te geven, dat hij hem, zoo hij Christen werd, binnen tien
jaren zou vrijlaten. Daar Xury zeide, dat hij hiermede tevreden was,
stond ik hem aan den kapitein af.
Wij hadden eene zeer goede reis naar Brazilië, en kwamen tweeëntwintig
dagen daarna in de baai de Todos los Santos of Allerheiligenbaai aan. En
nu was ik weder gered uit den allerrampzaligsten toestand. Thans moest
ik overleggen wat mij nu te doen stond. Het edelmoedige gedrag van den
kapitein jegens mij, kan ik nimmer genoeg prijzen. Hij wilde niets van
geld voor den overtogt hooren, gaf mij 20 dukaten voor de huid van den
luipaard, 40 voor die van den leeuw, welke ik in de boot had gehad, en
zorgde, dat al wat ik aan boord gebragt had, mij stipt werd
teruggegeven. Wat ik verkoopen wilde, kocht hij; zoo als den
flesschenkelder; twee van mijne geweren, en een gedeelte van den klomp
was, want van het overige had ik kaarsen gemaakt. In een woord, ik
maakte ongeveer 220 stukken van achten van mijne geheele lading, en met
dit geld ging ik in Brazilië aan wal.
Ik begaf mij kort daarop, op aanbeveling van den kapitein naar het huis
van een zoo goed, braaf man als hij zelf was, die een ingenio, gelijk
men het noemt, dat is, eene plantaadje en suikerfabrijk had. Ik bleef
daar eenigen tijd, en leerde de wijze, waarop de suiker geteeld en
gefabriceerd wordt. Ziende hoe goed de planters leefden, en hoe spoedig
rijk zij werden, besloot ik, als ik er verlof toe bekomen kon, mij daar
te vestigen, en even als zij, een planter te worden; terwijl ik tevens
op middelen zon, om mijn geld, dat ik te Londen had, aan mij overgemaakt
te krijgen. Te dien einde verschafte ik mij eene soort van brieven van
naturalisatie, kocht zoo veel onbebouwd land als ik betalen kon, en
maakte een plan tot eene plantaadje, geëvenredigd naar het kapitaal, dat
ik uit Engeland verwachtte.
Ik had een buurman, Wells genaamd, die te Lissabon, doch van Engelsche
ouders geboren was, en zich nagenoeg in gelijke omstandigheden als ik
bevond. Ik noem hem mijn buurman, om dat zijne plantaadje naast de mijne
lag, en wij zeer vriendschappelijk omgingen. Mijn kapitaal was even
gering als het zijne, en gedurende twee jaren plantten wij slechts, om
onze dagelijksche nooddruft te winnen. Wij begonnen echter vooruit te
gaan, en onze landerijen in orde te komen, zoodat wij in het derde jaar
eenigen tabak plantten, en ieder eene groote plek gronds gereed maakten,
om het volgend jaar suikerrietstekken op te zetten. Het ontbrak ons
echter aan hulp, en nu gevoelde ik meer dan te voren, dat ik verkeerd
gedaan had, mijn jongen, Xury, niet te houden.
Maar helaas, was het wonder dat ik, die nimmer iets goed deed, zulk een
misslag beging! Er zat thans niet anders op dan vol te houden. Ik had
thans een beroep, dat geheel strijdig was met mijn karakter, en met de
levenswijze waarnaar ik haakte, waarvoor ik mijn vaders huis verlaten,
en al zijn goeden raad in den wind had geslagen. Ja, ik was thans
inderdaad in dien levenstoestand geraakt, waarvoor mijn vader mij
gewaarschuwd had, en welken ik even goed had kunnen bereiken als ik te
huis was gebleven, zonder mij ooit zoo in de wereld af te slooven, als
ik gedaan had. Dikwijls zeide ik tot mijzelven: "Zoo had ik even goed in
Engeland, onder mijne bloedverwanten, kunnen werken, en daarvoor
behoefde ik geen 5000 (Eng.) mijlen ver van huis te gaan, om dit onder
vreemdelingen in eene wildernis te doen, zoo ver weg, dat ik nimmer iets
van mijn vaderland, of iemand, die mij kent, hoor."
Aldus beschouwde ik mijn toestand met bittere spijt. Ik had niemand met
wien ik omging, dan nu en dan met mijn buurman, waarvan ik gesproken
heb; geen anderen, dan handenarbeid te verrigten, en ik leefde, gelijk
ik dikwijls zeide, als iemand, die alleen op een woest eiland geworpen
is. Maar o, hoe behoorden alle menschen te bedenken, dat, zoo zij den
toestand, waarin zij zich bevinden, met een veel rampzaliger gelijk
stellen, de Hemel hen noodzaken kan hunnen tegenwoordigen daarvoor te
verwisselen, en hun vroeger geluk, door de ondervinding te leeren
erkennen! En hoe regtvaardig was het, dat juist dat eenzame leven op een
woest eiland mij te beurt viel, mij, die het zoo dikwijls vergeleken had
bij het leven dat ik toen leidde, en in hetwelk ik, naar alle
waarschijnlijkheid, met der tijd, rijkdom en schatten zou verworven
hebben.
Ik had reeds eenige maatregelen genomen om mij te vestigen, voor mijn
goede vriend, de kapitein, die mij op zee opgenomen had, weder afzeilde,
want hij had drie maanden in lading gelegen. Ik sprak hem over het geld,
dat ik in Londen achtergelaten had, en hij gaf mij dezen welgezinden en
opregten raad: "Senhor Inglese (want zoo noemde hij mij altijd) als gij
mij brieven en een volmagt geven wilt, met last aan den persoon, die in
Londen uw geld heeft, van dit naar Lissabon te zenden, aan zoodanige
lieden als ik u zal opgeven, en in goederen, die in dit land aftrek
hebben, dan zal ik u, als het God behaagt, deze bij mijne terugkomst
medebrengen; maar daar alle zaken aan tegenspoeden onderhevig zijn, zou
ik u raden slechts 100 [£] Sterl., dat, gelijk gij zegt, de helft van uw
kapitaal is, op te vragen, en deze eerst wagen. Zoo die goed overkomen,
kunt gij het overige op gelijke wijze ontbieden, en zoo het verloren
gaat, hebt gij de andere helft nog."
Dit was zulk een verstandige en vriendelijke raad, dat ik niet twijfelen
kon, of hij was de beste dien ik volgen kon; ik maakte dus brieven aan
de weduwe, wie ik mijn geld achtergelaten had, en eene volmagt voor den
Portugeschen kapitein, volgens zijn verlangen, gereed. Ik schreef aan de
weduwe al mijne avonturen, mijne vlugt; hoe ik den Portugeschen kapitein
op zee ontmoet had; hoe menschlievend hij zich gedragen had, en wijders
alle aanwijzingen omtrent de overzending mijner gelden. Toen de brave
kapitein te Lissabon kwam, vond hij gelegenheid dit door eenige
Engelsche kooplieden aldaar, te doen toekomen aan een koopman te Londen;
waarop zij niet alleen het geld gaf, maar bovendien den Portugeschen
kapitein een fraai geschenk overzond, voor zijne menschlievende
handelwijze jegens mij.
De koopman te Londen besteedde deze 100 [£] aan Engelsche goederen,
gelijk de kapitein opgegeven had, en zond die naar Lissabon, vanwaar hij
ze allen behouden in Brazilië bragt. Hieronder had hij buiten mijn
weten, (want ik was te onervaren in mijne zaken om er aan te denken)
gezorgd voor alle soorten van ijzerwerk en gereedschappen, die mij op
mijne plantaadje noodig waren, en waar ik groot nut van trok.
Toen deze lading aankwam, achtte ik mijne fortuin gemaakt. Ik was
verrukt van vreugde er over; en mijn goede vriend de kapitein had de 5
[£] Sterl., die de weduwe hem tot een geschenk had gezonden, besteed, om
voor mij een dienstknecht, die zich voor zes jaren verbonden had, aan te
schaffen; en hij wilde niets van mij aannemen dan een weinig tabak,
omdat ik dien zelf geteeld had.
Dit was echter nog niet alles; daar al mijne goederen Engelsche
manufacturen waren, zoo als lakens, wollen stoffen, baai, enz., en
alles dingen, die hier te lande bijzonder geacht en van waarde waren,
kon ik dezelve zeer voordeelig verkoopen, zoodat ik zeggen kan, dat ik
meer dan vier malen de waarde van mijne eerste lading had. Nu was ik
mijn armen buurman oneindig ver vooruit, in den staat mijner plantaadje
bedoel ik, want ik kocht een negerslaaf, en schafte mij ook een
Europeschen knecht aan, behalve dien, welken de kapitein mij van
Lissabon had medegebragt.
Gelijk echter misbruikte voorspoed dikwijls de oorzaak van onzen
tegenspoed is, zoo ging het ook met mij. Het volgende jaar ging het met
mijne plantaadje zeer goed; ik trok van mijn eigen grond vijftig groote
rollen tabak, ieder van meer dan 100 [lb = gewicht], en deze vijftig
rollen werden gepakt en bleven liggen, in afwachting, dat de vloot van
Lissabon zou terugkomen. En daar nu mijne bezigheden en goederen
vermeerderden, begon ik over allerlei ontwerpen, en ondernemingen boven
mijn bereik, te broeden, gelijk inderdaad dikwijls de verstandigste
kooplieden het hoofd op hol brengen.
Zoo ik in den stand gebleven was, waarin ik mij nu bevond, had ik
ruimschoots al dat geluk kunnen genieten, waarvoor mijn vader mij een
stil, rustig leven aanried; en waarvan, gelijk hij zeide, de middelbare
stand overvloeide. Doch andere gebeurtenissen wachtten mij, en ik moest
op nieuw de bewerker van mijn eigen ongeluk zijn. Wat mijn misslag
vermeerderde, en in het vervolg mijn berouw verdubbelde: al mijne
ongevallen waren het gevolg van mijn halsstarrig aanhoudend verlangen,
om de wereld rond te zwerven, en van het opvolgen dezer begeerte, in
weerwil van de duidelijkste vooruitzigten van welvaart en geluk, die de
Voorzienigheid mij schonk.
Om dit wel te verstaan, moet men onderstellen, dat ik thans vier jaren
in Brazilië gewoond had, dat ik thans het plantaadjewerk vrij wel begon
te verstaan, en vooruit te gaan in welvaart. Ik had niet alleen de taal
geleerd, maar ook met mijne medeplanters bekendschap gemaakt, zoo wel
als met de kooplieden van San Salvador, dat onze haven was. In mijne
gesprekken had ik hun dikwijls verhaald van mijne twee reizen naar de
kust van Guinea; van de wijze, waarop daar de slavenhandel gedreven
werd, en hoe gemakkelijk het daar op de kust viel, voor beuzelingen, zoo
als kralen, snuisterijen, messen, scharen, bijlen, spiegeltjes, niet
alleen goudstof en olifantstanden, maar ook Negers in te ruilen, ten
dienste van dit land.
Zij luisterden altijd zeer oplettend naar mijne gesprekken hierover,
maar vooral naar datgene, wat betrekking tot het koopen van Negers had,
een handel, die toen daar weinig gedreven werd, om dat men er assientos
of verlofbrieven van de koningen van Spanje en Portugal toe moest
hebben, zoodat er weinig Negers, en deze zeer duur, gekocht werden.
Op zekeren dag was ik met eenige kooplieden en planters van mijne kennis
hierover aan het praten. Den volgenden morgen kwamen drie hunner bij
mij, en zeiden, dat zij zeer ernstig over het gesprek van den vorigen
avond hadden nagedacht, en mij thans een voorstel kwamen doen. Na mij
geheimhouding afgevraagd te hebben, zeiden zij mij, dat zij lust hadden
een schip naar de kust van Guinea uit te rusten. Alle drie hadden
plantaadjen zoo wel als ik, en zij hadden aan niets meer behoefte dan
aan werklieden. Zij konden geen slavenhandel drijven, omdat de Negers in
het openbaar moesten verkocht worden; dus wilden zij slechts ééne reis
doen, de Negers heimelijk aan wal brengen, en die onderling op hunne
plantaadjen verdeelen. Kortom, de vraag was, of ik als hun supercargo
aan boord wilde gaan, om dien handel op de kust te drijven; daarvoor
boden zij mij een gelijk aandeel in de Negers aan, zonder dat ik tot de
uitrusting iets behoefde bij te dragen.
Dit, moet men bekennen, was een verleidelijk voorstel, zoo het gedaan
ware aan iemand, die geen eigen plantaadje te besturen had, welke fraai
op weg was om van belang te worden, en die reeds van waarde was. Voor
mij echter, gevestigd als ik was, die nog slechts drie of vier jaren zoo
behoefde voort te gaan, en de andere 100 [£] Sterl. uit Engeland te
ontbieden, en alsdan zeker 3 tot 4000 [£] Sterl. waarde bezitten zou;
voor mij was zulk eene reis de onverstandigste zaak die ik bedenken kon.
Maar ik, die altijd geneigd was mij zelven te verderven, kon evenmin dit
aanbod weêrstaan, als mijn eerste verlangen om in de wereld rond te
zwerven, hetgeen mijn vader mij zoo welmeenend afgeraden had. Ik zeide
hun, dat ik gaarne vertrekken wilde, als zij mij beloofden in mijne
afwezigheid het opzigt over mijne plantaadje te houden, en ingeval mij
een ongeluk overkwam, daarmede te handelen, gelijk ik hun zou opgeven.
Dit namen zij aan, en verbonden zich hier schriftelijk toe. Ik maakte
een testament, en beschikte over mijne plantaadje en goederen, ingeval
ik mogt komen te overlijden. Ik stelde tot mijn eenigsten erfgenaam den
kapitein aan, die mij het leven gered had, onder verpligting van de
helft mijner roerende goederen voor zich te houden, doch de andere helft
naar Engeland te voeren. Kortom, ik nam alle mogelijke voorzorgen, ter
bewaring mijner bezittingen. Zoo ik half zoo veel zorg betoond had voor
mijn waar belang, zou ik zeker nimmer zulk eene voorspoedige zaak
vaarwel gezegd hebben, om eene zeereis, met al hare gevaren, te gaan
doen, zonder te rekenen hoe veel reden ik had van ongelukken voor mij te
verwachten.
Maar ik werd door mijne verbeelding weggesleept, en gehoorzaamde deze
blindelings, zonder naar mijn verstand te luisteren. Toen dus het schip
uitgerust, de lading gereed en alles met mijne medereeders geschikt was,
ging ik wederom te kwader ure, scheep, den 1sten September 1659,
denzelfden dag waarop ik acht jaren geleden, mijne ouders te Hull
verlaten had, om hun gezag te braveren en mijn eigen belang tegen te
werken.
Ons schip was van ongeveer 120 ton, en voerde veertien man, behalve den
kapitein, zijn jongen en ik. Wij hadden slechts weinig lading, behalve
de snuisterijen, die voor den handel met de Negers geschikt waren, zoo
als glazen kralen, spiegeltjes en dergelijke.