HET LEVEN
EN
DE LOTGEVALLEN
VAN
ROBINSON CRUSOE,
DOOR
DANIËL DE FOE.
EERSTE DEEL.
OP NIEUW UIT HET ENGELSCH VERTAALD.
TE AMSTERDAM, BIJ
J.F. SCHLEIJER.
1843
HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN
van
ROBINSON CRUSOE
Ik ben geboren in de stad York, in 1632, van eene deftige familie, die
daar echter niet inheemsch was. Mijn vader was van Bremen afkomstig en
had zich eerst te Hull gevestigd. Na in den koophandel eene tamelijke
fortuin verworven te hebben, liet hij dien varen en ging te York wonen,
waar hij met mijne moeder trouwde, die tot eene deftige oude familie,
Robinson genaamd, aldaar behoorde. Naar deze ontving ik den naam van
Robinson Kreutznaer; maar door eene in Engeland niet ongewone
verbastering van naam, noemde men ons, en noemen en schrijven wij zelven
ons Crusoe; en mijne vrienden hebben mij nimmer anders dan onder dien
naam gekend.
Ik had twee broeders, die ouder waren dan ik; de oudste diende als
luitenant-kolonel bij een regement voetvolk in Vlaanderen, toen hij in
den slag tegen de Spanjaarden bij Duinkerken sneuvelde. Ik heb nimmer
vernomen wat er van mijn tweeden broeder geworden is, even als mijne
ouders nimmer wisten waar ik gebleven was.
Ik was de derde zoon en tot geenerlei bedrijf opgeleid, terwijl mijn
hoofd reeds vroeg met allerlei luchtkasteelen opgevuld was. Mijn vader,
die reeds hoog bejaard was, had mij zooveel onderrigt verschaft als hij
kon, zoowel door zijne lessen te huis als door mij op eene school te
laten gaan. Hij had mij tot een regtsgeleerde bestemd, maar ik dacht
alleen aan ter zee te varen; en deze neiging maakte mij zoo doof voor de
wenschen, zelfs voor de bevelen mijns vaders, en al het smeeken en
afraden mijner moeder en mijner bloedverwanten, dat het scheen alsof
hierin een zeker noodlot lag, dat mij aandreef tot het rampzalige leven,
dat ik sedert geleid heb.
Mijn vader, een bezadigd en verstandig man, deed mij de ernstigste en
uitmuntendste vertoogen, om mij van mijne voornemens af te brengen. Op
een morgen riep hij mij tot zich in zijne kamer, die de jicht hem
belette te verlaten, en onderhield mij dienaangaande op het
nadrukkelijkst. "Welke redenen," vroeg hij, "behalve de dwaze zucht om
de wereld rond te zwerven, drijven u aan uw vaders huis en uw vaderland,
waar gij voortgeholpen kunt worden, door uwe vlijt aangenaam leven, en
een ruim bestaan kunt erlangen. Alleen menschen, die niets te verliezen
hebben of die groote rijkdommen bezitten, mogen zich door gevaarlijke
middelen rijkdom of beroemdheid verwerven; zulke middelen zijn ver boven
u of ver beneden u." Hij voegde er bij, dat ik tot den middelstand
behoorde, dat is tot dien, welke den hoogsten trap onder de mindere
klassen beslaat; een staat, die de ervaring hem geleerd had, dat de
gelukkigste voor den mensch is; dewijl men er niet blootgesteld is aan
den zwaren arbeid en de ontberingen, waaraan zij, die van hunnen
handenarbeid leven, zich moeten onderwerpen, en te gelijker tijd bevrijd
blijft van de weelde, en den hoogmoed, en de afgunst van iedereen,
waaraan de grooten blootstaan. "Alleen hieruit," zeide hij, "kunt gij
over het geluk van dezen staat oordeelen, dat dikwijls koningen de
treurige gevolgen van hunnen verheven stand hebben betreurd, en
gewenscht, dat zij in het midden tusschen grootheid en geringheid waren
geboren. Het beste boek getuigt ook van het geluk van dezen staat, als
de wijze den Hemel smeekt hem noch armoede noch rijkdom te geven."
Hij deed mij wijders opmerken, dat de zwaarste rampen gewoonlijk de
hoogste en laagste standen der maatschappij troffen; maar dat de
middelklasse de minste lotwisselingen onderging, en veel minder bloot
stond aan een aantal ziekten en kwalen van ligchaam en geest, die bij de
grooten door ondeugden, verwenning en onmatigheid, en aan den anderen
kant bij de geringen door slecht voedsel, gebrek en zwaren arbeid,
worden voortgebragt. "De middelstand," zeide hij, "is volkomen geschikt
om alle deugden te ontwikkelen, en alle soort van genoegens op te
leveren; rust en overvloed zijn de natuurlijke gevolgen van een
middelmatig fortuin; bezadigdheid, matigheid, gemoedsrust, alle
maatschappelijke genoegens gaan daarmede gepaard. Langs dezen weg gaat
men onopgemerkt en zonder moeite de wereld door, bevrijd van zwaren
hand- en hoofdarbeid, niet gedoemd tot eene dagelijksche slavernij om
zijn brood te verdienen, noch tot zulke ingewikkelde zaken, die de ziel
van haren vrede, het ligchaam van zijne rust berooven; verwijderd van de
knagingen der afgunst, niet verteerd door bedekte eerzucht; aldus
wandelt men welgemoed het leven door, smaakt de zuiverste geneugten des
levens, gevoelt zijn geluk en leert dagelijks zijn lot meer naar waarde
schatten."
Hierop drong hij ernstig en op de liefderijkste wijze er bij mij op aan,
dat ik niet als een loszinnige jongen zou handelen, en mij niet in
ellenden zou storten, voor welke de natuur, en de staat waarin ik
geboren was, mij behoedden. Hij zeide, dat ik niet noodig had mijn brood
te zoeken, dat ik op zijne ondersteuning rekenen kon, en hij zijn best
zou doen mij in den staat, dien hij mij zoo aangeprezen had, te stellen.
"Zoo gij niet in een onbezorgden toestand geraakt," zeide hij, "zal het
alleen uw eigen schuld en ik er niet verantwoordelijk voor zijn. Ik heb
mijn pligt gedaan door u te waarschuwen tegen stappen, die ik weet dat
tot uw ongeluk leiden. In een woord, ik wil veel voor u doen, als gij u
hier naar mijn wensen wilt nederzetten; maar ik wil niets tot uw ongeluk
bijdragen, door u de uitvoering uwer voorgenomen zwerftogten gemakkelijk
te maken." Eindelijk hield hij mij het voorbeeld van mijn oudsten
broeder voor oogen, bij wien hij dezelfde drangredenen had aangevoerd,
om hem van zijn vertrek naar het leger in de Nederlanden terug te
houden, waar hij zijn dood had gevonden. Hij verzekerde mij, dat hij
nimmer zou ophouden voor mijn welzijn te bidden, maar dat hij mij durfde
voorspellen, dat, zoo ik den onzinnigen stap, waartoe ik voornemens
scheen, uitvoerde, ik niet op 's Hemels zegen hopen mogt, en dat het
naderhand mij eenmaal zou berouwen, dat ik zijn raad niet gevolgd had,
als ik in het ongeluk geraakte en niemand mij te hulp kwam.
Bij dit laatste deel van zijne rede, die inderdaad door de uitkomst
volkomen bevestigd werd, schoon mijn vader dit zelf niet vermoeden kon,
zag ik dat de tranen hem over het gelaat stroomden, vooral toen hij van
mijn gesneuvelden broeder sprak; en toen hij van mijn berouw in later
tijd gewaagde, en dat mij alsdan niemand zou te hulp komen, was hij zoo
aangedaan, dat hij het gesprek afbrak, en mij verklaarde, dat zijn hart
te vol was en hij niet meer spreken kon.
Ik was ernstig getroffen door dit gesprek, en wie zou dit niet geweest
zijn? Ik besloot er niet meer aan te denken het land te verlaten, maar
mij er, zoo als mijn vader verlangde, te vestigen. Maar helaas, in
weinige dagen was deze indruk geheel uitgewischt, en om mijns vaders
verwijtingen te ontgaan, vormde ik het besluit stilletjes de vlugt te
nemen. Ik handelde echter niet zoo overijld, als mijne eigene drift mij
wel aandreef. Ik maakte mij een oogenblik ten nutte, waarin mijne moeder
mij beter geluimd dan gewoonlijk toescheen, om haar te bekennen, dat het
verlangen, de wereld te zien, mijne ziel zoo geheel had ingenomen, dat
het mij onmogelijk zou zijn mij op iets toe te leggen met die
standvastigheid, die tot het welslagen vereischt wordt; dat mijn vader
beter zou doen mij zijne toestemming te geven, dan mij te dwingen zonder
dezelve te vertrekken; dat ik thans achttien jaren oud en het dus te
laat was om als leerling bij een koopman, of klerk bij een regtsgeleerde
te gaan, en dat, zoo ik mij tot het een of ander vak begaf, ik gewis dit
vóór het einde van mijn leertijd zou vaarwel zeggen; en dat, zoo zij
mijn vader wilde overhalen mij eene enkele reis buiten 's lands te laten
doen, ik bij mijne terugkomst, zoo deze levenswijs mij niet beviel,
haar zou vaarwel zeggen, en door verdubbelde vlijt den verloren tijd
inhalen.
Bij deze mededeeling werd mijne moeder zeer boos. Zij zeide mij, dat het
niet baten zou mijn vader hierover te spreken, want dat deze te wel mijn
waar belang kende, om zulke schadelijke ontwerpen te bevorderen; zij
begreep niet hoe ik er nog aan durfde denken, na hetgeen mijn vader mij
had voorgehouden, en na de woorden van genegenheid, waarvan hij zich
alstoen bediend had. "Wilt gij u overigens volstrekt ongelukkig maken,"
zeide zij, "niemand kan het u beletten, maar gij kunt verzekerd zijn,
dat wij daarin nimmer zullen toestemmen; wat mij betreft, ik zal nimmer
tot uw verderf de hand leenen, en gij zult nimmer kunnen zeggen, dat uwe
moeder goedvond wat uw vader afgekeurd heeft."
Hoewel nu mijne moeder weigerde mijn voornemen aan mijn vader mede te
deelen, heb ik naderhand vernomen, dat zij hem ons geheele gesprek had
verhaald, en dat hij, na vele blijken van droefheid, gezegd had: "Dit
kind kon zeer gelukkig leven als hij hier bleef; maar als hij ons
verlaat, kan hij de ongelukkigste mensch der wereld worden; ik kan er
niet in toestemmen."
Ik bleef nog bijkans een jaar in huis, zonder te trachten mijne boeijen
te verbreken, maar altijd halsstarrig het oor sluitende voor elk
voorstel, om mij op het een of ander toe te leggen. Dikwijls stelde ik
mijnen ouders voor, dat zij verkeerd deden met zich zoo te verzetten
tegen mijne besliste neiging. Eindelijk was ik eens te Hull, waar ik
toevallig, en zonder oogmerk om weg te loopen, was heengegaan; en vond
daar een mijner schoolmakkers, die over zee naar Londen ging in een
schip, dat zijn vader toekwam. Hij noodigde mij uit hem te vergezellen,
met de gewone drangreden van een zeeman, namelijk, dat de overtogt mij
niets zou kosten. Zonder alstoen mijne ouders te raadplegen, zonder hen
kennis te geven van mijn vertrek, liet ik het aan het toeval over,
wanneer en op welke wijze zij hiervan berigt zouden bekomen; zonder te
denken om mijns vaders zegen of dien van God te vragen, zonder op de
omstandigheden of gevolgen van mijn stap te letten, en God weet het, te
kwader ure, den 1en September 1651, begaf ik mij scheep op het naar
Londen bestemde vaartuig.
Nimmer begonnen de ongelukken van een jongen avonturier spoediger, noch
duurden langer dan de mijne. Naauwelijks waren wij de haven uit, of de
wind begon op te steken en de zee geweldig hoog te gaan; en daar ik voor
de eerste maal op zee was, werd ik allerijsselijkst ziek en benaauwd. Ik
begon thans ernstig te bedenken wat ik gedaan had, en ik gevoelde hoe
welverdiend de straf was, die de Hemel mij toeschikte, omdat ik op eene
zoo laakbare wijs mijn vaders huis en mijn pligt verlaten had. Al de
goede raadgevingen mijner ouders, de tranen mijns vaders, de gebeden
mijner moeder kwamen mij voor den geest, en mijn geweten, dat nog niet
zoo verhard was als naderhand, verweet mij, dat ik wijzen raad
veronachtzaamd, het vaderlijk gezag miskend en Gods wetten overtreden
had.
Middelerwijl werd de storm steeds heviger, en de zee begon zeer hoog te
gaan, hoewel op verre na zoo niet, als ik het later meermalen heb
gezien, en het weinige dagen daarna reeds bijwoonde, maar toch genoeg om
iemand als ik, die nimmer op zee geweest was, angst aan te jagen. Bij
elke golf verwachtte ik, dat zij ons zou inzwelgen, en als het schip van
voren tot op den bodem der zee zonk, zoo als ik mij verbeeldde, dacht
ik, dat het zich nimmer zou opheffen. In deze oogenblikken van angst
deed ik menigmaal de gelofte, dat als het God behaagde mij op deze reis
te sparen, ik, zoodra ik voet aan wal zette, dadelijk naar mijn vaders
huis gaan en nimmer weder een schip betreden zou, maar mij naar zijn
raad gedragen en mij nimmer weder in zulk gevaar begeven. Thans zag ik
duidelijk hoe waar mijn vader gesproken had over den middelstand, hoe
gerust hij zijne dagen gesleten had, evenzeer behoed voor de stormen des
oceaans, als voor de zorg en onrust van het land. Ik besloot dus, met
een opregt berouw, als de verloren zoon, naar mijn ouders huis terug te
keeren.
Deze goede en verstandige voornemens duurden zoo lang de storm aanhield
en zelfs nog eenigen tijd daarna, maar den volgenden dag werd de wind
bedaard, de zee werd kalm, en ik begon er mij aan te gewennen; echter
was ik dien geheelen dag zeer ernstig, want ik was nog een weinig
zeeziek. Tegen den avond klaarde de lucht op, de wind ging geheel
liggen, en het werd een verrukkelijk schoone avond. De zon ging
onbewolkt onder en even zoo den volgenden dag op. Hare stralen vielen op
eene effene en kalme zee, een zacht windje dreef ons voort, en dit
schouwspel scheen mij het heerlijkste wat ik immer zag.
Ik had goed geslapen; ik was niet ziek meer, en zag met eene vrolijke
verbazing die zee, die gisteren zoo onstuimig en verschrikkelijk, en
heden zoo schoon en rustig was. Mijn vriend, die mij werkelijk weggelokt
had, en zeker vreesde, dat mijne goede voornemens zouden stand houden,
kwam thans bij mij, en zeide: "Wel, Robinson, hoe gaat het u thans? Ik
wed dat gij gisteren, toen wij die bui hadden, bang waart?"--"Noemt gij
dat eene bui?" vroeg ik; "het was waarachtig een verschrikkelijke
storm."--"Een storm, domoor die gij zijt!" hervatte hij, "het geleek er
niet naar. Met een goed schip, en als wij in het ruime sop zijn,
bekommeren wij ons weinig om zulke vlagen. Maar gij zijt een
zoet-waterschipper, Robinson; eene kom punsch zal u dat alles doen
vergeten. Zie eens welk verrukkelijk weder wij thans hebben."
Om bij dit droevig gedeelte van mijne geschiedenis niet langer stil te
staan, zal ik alleen maar zeggen, dat wij deden als zoo vele zeelieden.
De punsch werd gereed gemaakt, en mijn berouw over het verledene en al
mijne wijze voornemens voor het toekomende, daarin verdronken. In een
woord, gelijk de zee, na het ophouden van den storm, tot hare gewone
kalmte terugkeerde, zoo hervatte ik, na bevrijd te zijn van de vrees, om
door de zee verzwolgen te worden, mijne gewone wijze van denken, en
vergat al de geloften, die ik gedurende mijn angst had afgelegd. Er
waren echter nog oogenblikken, waarin de rede hare heerschappij trachtte
te hernemen, maar ik verzette mij daartegen als tegen eene zwakheid, en
terwijl ik mij aan den sterken drank en het gezelschap mijner makkers
overgaf, geraakte ik weldra van deze vlagen, gelijk ik ze noemde,
ontslagen. Na verloop van vijf of zes dagen had ik over mijn geweten
eene zoo volkomene overwinning behaald, als een jongeling, die van
deszelfs vermaningen ontslagen wenscht te zijn, slechts kon verlangen.
Evenwel moest ik van dien kant nog een anderen aanval doorstaan, en
gelijk gewoonlijk in zulke gevallen geschiedt, wilde de Voorzienigheid
mij alle verontschuldigingen benemen; want zoo ik de genade des Hemels
niet wilde erkennen in den afloop van de voorgaande gebeurtenis, was de
volgende van dien aard, dat de verdorvenste en meest verharde onder ons,
niet weigeren kon, er de kastijdende en reddende hand des Hemels in te
zien.
Den zesden dag onzer reis kwamen wij op de reede van Yarmouth, daar de
tegenwinden en windstilten ons niet veel hadden doen vorderen, sedert
den storm. Wij waren verpligt op deze reede te ankeren, omdat de wind
voor ons ongunstig was, dat wil zeggen, dat hij Z.W. bleef, gedurende
zeven of acht dagen. Verscheidene groote schepen van New-Castle bleven
daar om dezelfde reden als wij liggen. De wind, die eerst stevig, en
vervolgens allerhevigst was, verhinderde ons den Teems op te varen;
maar de ankergrond was goed (deze reede wordt zoo veilig geacht als eene
haven) en ons ankertouw was stevig; zoodat ons volk niet het minste
gevaar duchtte en volgens de gewoonte der matrozen, den tijd sleet met
allerlei vrolijkheid. Eindelijk werd den achtsten dag, des morgens, de
wind zoo hevig, dat alle man aan het werk moest om de stengen te
strijken, ten einde den wind zoo weinig vat als mogelijk te laten. Tegen
den middag ging de zee vreesselijk hoog, ons schip kreeg verscheidene
stortzeeën over, en eens of twee malen dachten wij dat het anker te huis
kwam, zoodat de schipper besloot het plegtanker te laten vallen, waarop
wij met twee ankers vooruit lagen en met de touwen tot aan het einde
uitgestoken.
Weldra stak er een allervreesselijkste orkaan op, en thans zag ik op de
gezigten der matrozen zelve schrik en neêrslagtigheid. De kapitein hield
zich ijverig met de zorg voor zijn vaartuig bezig, maar ik hoorde hem
binnen 's monds zeggen, terwijl hij digt langs mij heen, in de kajuit
ging: "Heere, heb medelijden met ons! het is met ons gedaan! alles is
verloren!" en dergelijke uitdrukkingen meer. In de eerste oogenblikken
van verwarring, was ik als verplet op de kooi in mijne hut
nedergevallen. Wat ik gevoelde, zou ik onmogelijk kunnen beschrijven.
Het kostte mij moeite mijn vorig berouw te herdenken, en ik trachtte mij
daartegen te verharden. Ik zeide tot mijzelven, dat de eerste bitterheid
van den angst voorbij was, en dat deze onrust niets zou zijn in
vergelijking van de eerste. Maar toen ik den kapitein zelf hoorde
zeggen, dat wij allen in gevaar waren van te vergaan, gevoelde ik een
ontzettenden angst. Ik vloog uit de kajuit, sloeg de oogen rondom mij en
zag een allerverschrikkelijkst schouwspel. De golven gingen berghoog, en
braken om de drie of vier minuten over ons schip. Waar ik de oogen
wendde zag ik niets dan nood. Twee zwaar geladen schepen, digt bij ons,
hadden hunne masten tot op het dek gekapt, en de matrozen riepen dat een
ander vaartuig, dat op eene mijl ongeveer voor ons lag, aan het zinken
was. Twee anderen, die van hunne ankers geslagen waren, waren in zee
gedreven, ten speelbal van wind en golven, daar geen hunner een mast
had opstaan. De ligtste vaartuigen hadden het minst te lijden, doch van
deze sloegen eenigen los en kwamen digt langs ons heen, terwijl zij met
de fok alleen bijgezet, voor den wind afliepen.
Tegen den avond verzochten de stuurman en de bootsman den kapitein, dat
zij den fokkemast mogten kappen; waartoe hij weinig lust had; doch de
bootsman beweerde, dat, zoo het niet gebeurde, het schip zinken moest.
Toen het geschied was stond de groote mast zoo los, en gaf het schip
zulke geweldige rukken, dat wij verpligt waren dien ook te kappen, en
niets op het dek te laten.
Men kan zich ligt voorstellen in welken toestand ik was, terwijl dit
alles voorviel; ik, pas op zee gekomen, en die zoo kort geleden zoo veel
angst had uitgestaan. Doch, bijaldien ik na een zoo lang tijdverloop, de
denkbeelden, die mij toen bezig hielden, mij nog kan te binnen brengen,
dunkt mij, dat mijn vorig berouw en de verstoktheid, waarmede ik dit had
laten varen, mij tienmaal meer kwelling veroorzaakten, dan het naderen
van den dood; deze denkbeelden, gevoegd bij het woeden van den storm,
bragten mij in een toestand, die niet door woorden kan beschreven
worden. Doch het ergste was nog niet gekomen.
De storm bleef met zooveel woede aanhouden, dat de zeelieden zelf
erkenden nimmer een heviger te hebben bijgewoond. Ons schip was goed,
maar het was zwaar geladen, en het zonk zoo diep, dat de matrozen elk
oogenblik riepen, dat het naar den bodem zou gaan. De storm was
zoodanig, dat ik zag, wat men niet dikwijls ziet, den kapitein, den
stuurman, den bootsman, en eenigen der verstandigsten van het volk,
geknield hunne gebeden opzeggen en zich voorbereiden op een graf in den
oceaan.
Midden in den nacht, en bij al onzen nood, riep een van het volk, die
hierom naar omlaag was gezonden, dat wij een lek hadden; een ander
zeide, dat er vier voet water in het ruim stond. Daarop werd iedereen
aan de pompen geroepen. Bij dit woord ontzonk mij het hart, en ik viel
achterover, van den rand der kooi, waarop ik zat, in de hut. De matrozen
echter riepen mij en zeiden, dat schoon ik tot hiertoe tot niets nut was
geweest, ik thans even zeer in staat was te pompen als een ander. Ik
stond dadelijk op, strompelde naar de pomp en ging ijverig aan het werk.
Terwijl dit gebeurde, zag de kapitein eenige ligte kolenschepen, die
niet in staat zijnde den storm uit te rijden, hunne ankers hadden laten
glippen en naar zee gingen, terwijl zij digt langs ons heen liepen. Hij
gaf last een noodschot te doen. Ik, die niet wist wat dit beteekende,
dacht dat het schip in tweeën scheurde, of iets dergelijks; kortom ik
ontstelde zoo, dat ik in flaauwte viel. Iedereen had thans genoeg aan
zijn eigen leven te denken, niemand zag naar mij om, of dacht er aan wat
er van mij geworden was; een ander kwam mij aan de pomp vervangen en
stiet mij met zijn voet ter zijde, denkende, dat ik dood was, en het
duurde lang voor ik weder tot mij zelve kwam.
Wij werkten voort, maar het water klom. Het was blijkbaar, dat wij
moesten zinken, en hoewel de storm een weinig bedaard was, was het niet
mogelijk dat het schip drijvende kon blijven, totdat wij eene haven
konden bereiken. De kapitein bleef derhalve noodseinen doen, en een
klein schip, dat voor ons had gelegen, waagde het ons eene boot toe te
zenden. Met het grootste gevaar naderde deze ons, maar het was ons
onmogelijk er in te gaan, en voor de boot, bij ons op zijde te komen
liggen; tot eindelijk het volk zoo hard roeide, dat zij met levensgevaar
ons zoo nabij kwamen, dat wij een touw, met een boei er op gestoken,
hun konden toewerpen; na veel moeite en gevaar maakten zij het vast, en
wij haalden hen digt achter ons en gingen er allen in. Wij konden er
niet aan denken het vaartuig, waarvan men ons te hulp was gekomen, te
bereiken, en besloten dus de boot te laten drijven en zoo veel mogelijk
haar naar den wal te roeijen, en onze kapitein beloofde, dat als de boot
verbrijzelde, hij die aan hunnen kapitein zou betalen. Aldus kwamen wij
deels roeijende, deels drijvende, bij Wintertonness aan wal.
Wij hadden geen kwartier ons schip verlaten of wij zagen het zinken.
Toen de matrozen zeiden, dat het schip zinkende was, was de moed mij
geheel ontzonken, en van het oogenblik af, dat ik meer in de boot
gedragen dan geleid werd, bleef ik half dood, deels van schrik, deels
van ontzetting, deels van vrees, voor hetgeen nog volgen zou.
Toen het volk aldus hard aan het roeijen was, om de boot strandwaarts te
brengen, zagen wij, als eene golf onze sloep ophief, eene menigte volks
langs het strand loopen, om ons te hulp te schieten, als wij digter bij
zouden komen. Wij naderden echter slechts langzaam het strand, en
bereikten het eerst voorbij de vuurtoren van Winterton, waar het strand
westwaarts inloopt, en hierdoor een weinig het geweld van den wind
breekt. Niet zonder veel moeite kwamen wij eindelijk behouden aan wal,
en begaven ons te voet naar Yarmouth. Wij werden daar met veel
menschlievendheid behandeld; zoowel door de overheid als door de
kooplieden en reeders van schepen, die geld bijeen bragten, dat voor ons
voldoende was, om naar Londen of terug naar Hull te gaan.
Was ik nu zoo verstandig geweest, naar Hull terug en vandaar naar huis
te gaan, ik ware gelukkig geweest, en mijn vader zou, even als die in de
gelijkenis van den verloren zoon, zelfs het gemeste kalf geslagt hebben;
want na gehoord te hebben dat het schip, waarop ik gegaan was, op de
reede van Yarmouth was verbrijzeld, duurde het lang, alvorens hij vernam
dat ik niet verdronken was.
Doch mijn ongelukkig noodlot dreef mij met onweerstaanbaar geweld voort;
en schoon in bezadigde oogenblikken mijne rede en mijn gezond oordeel
mij aanrieden, naar het ouderlijk huis te gaan, kon ik er niet toe
besluiten. Ik weet niet hoe ik dit noemen zal; ik wil ook niet beweren,
dat eene geheime magt ons aandrijft ons in ons verderf te storten, al is
het dat het bloot voor ons ligt en wij er met open oogen ons in begeven.
Zeker kon niets dan eene allerkrachtigste magt mij op de betredene baan
voortdrijven, in weerwil van de grondigste bewijzen, de blijkbaarste
redenen daartegen, en de onloochenbare waarschuwingen, die ik bij mijne
eerste onderneming had ondervonden.
Mijn vriend, de zoon van den kapitein, die mij vroeger geholpen had de
vermaningen van mijn geweten te smoren, was thans schroomvalliger dan
ik. Daar wij ieder aan het ander einde der stad onder dak gekomen waren,
was ik reeds twee of drie dagen te Yarmouth, alvorens ik hem ontmoette.
Met eene geheel andere stem dan vroeger, vroeg hij mij, op een treurigen
toon, hoe ik voer. Hij zeide daarop aan zijn vader wie ik was, en dat
dit mijne eerste reis was tot een proef, om naderhand buiten 's lands te
gaan. Zijn vader keerde zich tot mij, en zeide op een ernstigen en
treffenden toon: "Jongeling, gij moest nimmer weder naar zee gaan; gij
behoort dit als een zigtbaar teeken te beschouwen, dat gij niet tot een
zeeman bestemd zijt."--"Hoe zoo, mijnheer," zeide ik, "zult gij dan niet
weder naar zee gaan?"--"Dat is iets anders," hernam hij, "het is mijn
beroep, en dus mijn pligt; maar als dit een proefreisje van u was, hebt
gij een voorsmaak van hetgeen de Hemel u bestemd heeft, als gij in uw
voornemen volhardt. Misschien zijn al deze ongelukken ons om uwentwil
overkomen, even als Jona het vergaan van het schip van Tarsis verwekte.
Zeg mij, bid ik u, wie zijt gij, en waarom gingt gij op zee?"--Ik
verhaalde hem het een en ander van mij, en toen ik geëindigd had, riep
hij driftig: "Wat heb ik gedaan, dat zulk een rampzalige bij mij aan
boord moest komen? Voor geen duizend pond zou ik weder een voet met u op
hetzelfde schip willen zetten!" Deze uitbarsting was zekerlijk een
gevolg van zijn geleden verlies, en meer dan hij zeggen mogt. Echter
sprak hij vervolgens zeer bezadigd tot mij, en vermaande mij naar mijn
vader terug te keeren en de Voorzienigheid niet te verzoeken, die zich
zigtbaar tegen mijn voornemen verklaard had. "Wees verzekerd,
jongeling," zeide hij, "dat, zoo gij niet terugkeert, gij overal
teleurstellingen en tegenspoed zult ondervinden, en de voorspellingen
uws vaders nopens u vervuld zullen worden."--Ik antwoordde hem weinig,
en spoedig daarna scheidden wij; ik weet niet waar hij heengegaan is.
Ik, die een weinig geld in den zak had, ging over land naar Londen, en
zoowel onder weg als toen ik daar was, had ik een harden tweestrijd,
welke levenswijze ik thans zou aanvangen, of ik naar mijns vaders huis
of naar zee zou gaan.
Wat betreft het naar huis gaan: de schaamte weerstond de beste redenen
daartoe; ik stelde mij voor hoe onze bekenden mij zouden uitlagchen, en
hoe beschaamd ik zijn zou, niet alleen om mijne ouders, maar ieder ander
onder de oogen te treden. Later heb ik dikwijls opgemerkt, hoe eenzijdig
en onverstandig de mensch, bijzonder de jeugd, is, namelijk, dat zij
meer schaamte over het berouw dan over hare misstappen gevoelt, en dat
zij niet over hare dwaasheden bloost, maar wel zoo zij die varen laat.
Ik bleef eenigen tijd weifelend welken weg ik zou inslaan. Ik gevoelde
grooten weerzin in naar huis terug te keeren, en naar gelang het
geheugen mijner tegenspoeden verflaauwde, vermeerderde deze, tot ik
eindelijk alle denkbeeld daaraan varen liet, en ik aan boord ging van
een schip, dat naar de Afrikaansche, of gelijk men gewoonlijk zegt, naar
de Goudkust, bestemd was.
Mijn grootste ongeluk bij al deze avonturen, was, dat ik niet als
matroos scheep ging; ik had dan wel wat zwaarder moeten werken, maar zou
te gelijker tijd het scheepswerk geleerd, en mij voor onder- of
opperstuurman, of zelfs voor kapitein bekwaam gemaakt hebben. Maar
steeds was het mijn lot den verkeerden weg in te slaan, zoo als ook hier
geschiedde. Ik had nu geld op zak en goede kleederen aan, en wilde dus
altijd als een heer scheep gaan; hier had ik niets te doen en leerde dus
ook niets.
Bij mijne komst te Londen was ik zoo gelukkig in goed gezelschap te
geraken, hetgeen een loszinnig jongeling zonder opzigt, gelijk ik, niet
altoos te beurt valt. Mijne eerste kennismaking was met den kapitein van
een schip, die van de kust van Guinea teruggekomen was, en eene goede
reis gemaakt en dus besloten had derwaarts terug te keeren. Mijn
voorkomen geviel dezen man, en daar hij van mij hoorde, dat ik verlangde
de wereld te zien, zeide hij, dat, zoo ik met hem wilde gaan, het mij
niets kosten zou; ik kon aan zijne tafel eten, en zoo ik eenige
koopwaren wilde medenemen, die zoo voordeelig mogelijk trachten te
verkoopen; misschien met zoo veel winst, dat dit mij voor liet vervolg
aanmoediging gaf.
Ik nam dit aan, en hechtte mij naauw aan den kapitein, die een eerlijk
en rondborstig man was. Ik deed de reis met hem, en nam eenige goederen
op avontuur mede; want ik besteedde ongeveer 40 [£] Sterl. aan zoodanige
snuisterijen als hij mij opgaf. Deze 40 [£] Sterl. had ik bijeengebragt
door behulp van eenige mijner bloedverwanten, waarmede ik briefwisseling
hield en die, geloof ik, mijn vader, of althans mijne moeder,
overgehaald hadden mij die som af te staan.
Dit was, mag ik zeggen, van al mijne avonturen, de eenigste gelukkige
reis, hetgeen ik aan mijn vriend, den kapitein te danken had, van wien
ik eene tamelijke kennis der wiskunde en van de stuurmanskunst leerde.
Ook leerde hij mij het journaal houden, het bestek opmaken, kortom al
wat een zeeman noodig heeft; want hij had even veel vermaak in mij te
onderrigten, als ik in het leeren. In een woord, deze reis maakte van
mij een zeeman en een koopman; want ik bragt vijf pond negen oncen
goudstof voor mijne goederen mede, die mij te Londen 300 guinjes
opbragten. Dit boezemde mij die begeerlijke denkbeelden in, die mij
later in het verderf hebben gestort.
Echter bleef ik op deze reis zelfs niet van tegenspoed bevrijd,
bijzonder was ik op de kust schier aanhoudend ziek door de geweldige
hitte, die mij eene heete koorts op het lijf joeg.
Ik was dus thans koopman op de kust van Guinea, en daar mijn vriend
ongelukkig, kort na zijne aankomst, overleden was, besloot ik op zijn
schip, waar de stuurman thans kapitein op geworden was, eene tweede reis
te doen. Nimmer deed iemand ongelukkiger reis. Ik nam slechts voor 100
[£] Sterl. mede en liet de overige 200 bij mijn vriends weduwe achter,
doch ik onderging vreesselijke tegenspoeden. Eerst toen wij op de hoogte
der Kanarische eilanden, of liever, tusschen deze en de Afrikaansche
kust waren, werden wij in den vroegen morgen een Moorschen roover van
Salé gewaar. Hij maakte jagt op ons, met alle zeilen bijgezet. Wij
zetten ook zoo veel zeilen bij als wij konden voeren; doch bespeurende,
dat de roover op ons won en ons zeker binnen weinige uren bereiken zou,
maakten wij ons gereed om te slaan. Wij hadden twaalf stukken en de
roover achttien.
Tegen drie uren des middags was hij bij ons; maar daar hij door een
misslag ons op zijde kwam, in plaats van achter onzen spiegel, bragten
wij acht stukken aan die zijde en gaven hem daarmede de volle laag, die
hem deed afhouden, na ons de laag en het klein geweervuur van
tweehonderd man gegeven te hebben. Niemand was echter bij ons getroffen,
daar al ons volk zich omlaag hield. Hij maakte zich tot een nieuwen
aanval, en wij tot verdediging gereed; doch toen hij ons op de andere
zijde aan boord kwam, enterde hij met negentig man, die dadelijk het
tuig kapten en het dek. Twee maal dreven wij hen met klein geweervuur,
halve pieken, handgranaten, enz., van ons dek af. Eindelijk echter, om
deze treurige geschiedenis te bekorten, was ons schip reddeloos, twee of
drie van ons volk gedood en acht gewond; en wij, genoodzaakt ons over te
geven, werden allen als gevangenen in Salé, eene Moorsche haven op de
Barbarijsche kust, binnengebragt.
De Mooren behandelden mij niet zoo verschrikkelijk als ik gevreesd had,
en ik werd niet, zoo als al de overigen, naar den keizer gebragt; maar
door den kapitein van den kaper tot zijn slaaf genomen, daar ik jong en
vlug was en hij begreep dienst van mij te zullen hebben. Bij deze
droevige lotwisseling, van een koopman in een armen slaaf, was ik als
verplet; en thans herinnerde ik mij mijns vaders voorzegging dat ik
ongelukkig worden, en niemand mij troosten zou. Ik dacht, dat dit
oogenblik thans gekomen en de straffende hand des Hemels op mij lag.
Helaas, het was slechts eene voorproef van de ellende die mij in 't
vervolg te wachten stond.
Daar mijn meester mij met zich naar zijn huis genomen had, hoopte ik dat
hij mij mede naar zee zou nemen; en dat hij dan te eeniger tijd door een
Spaansch of Portugeesch schip genomen worden en ik mijne vrijheid
hierdoor verkrijgen zou. Doch deze hoop verdween spoedig, want toen hij
in zee stak, liet hij mij aan den wal om zijn tuintje in orde te houden
en het gewone huiswerk der slaven te verrigten; en toen hij van zijn
kruistogt terug kwam, liet hij mij aan boord slapen om op het schip te
passen.
Ik dacht aan niets dan aan de vlugt, maar hoe ik zon, ik kon geen
uitvoerlijk middel uitdenken, en ik had niemand met wien ik overleggen
of die met mij gaan kon, want buiten mij was er geen enkele Engelschman,
Ier of Schot. Twee jaren lang bleef ik dan ook het denkbeeld, van te
ontvlugten, koesteren, zonder dat zich immer eene gunstige gelegenheid
voordeed, het uit te voeren.
Na twee jaren verlevendigde eene gebeurtenis weder al mijne gedachten
van ontvlugting. Mijn meester bleef langer tijd dan gewoonlijk aan wal,
zonder zijn schip uit te rusten, uit gebrek aan geld, naar ik hoorde, en
in dien tijd ging hij een paar malen 's weeks en meer, als het goed
weder was, met de scheepspinas op de reede visschen. Hij nam dan altijd
mij en een jongen Moor mede om te roeijen; wij trachtten dan hem te
vermaken, en daar ik behendig en gelukkig in het visschen was, zond hij
mij somtijds, als hij visch verlangde, met een zijner bloedverwanten en
den knaap op de vischvangst uit.
Op een morgen waren wij bij stil weder met hem uit visschen, toen er
plotseling zulk een dikke mist opkwam, dat wij de kust uit het oog
verloren, schoon wij er geene halve mijl van af waren. Wij roeiden dus
den geheelen dag en nacht, zonder te weten waarheen, en toen de zon
opkwam zagen wij, dat wij zeewaarts, in plaats van naar den wal, geroeid
hadden, en er wel twee mijlen van af waren. Wij kwamen behouden weder
binnen, schoon niet zonder gevaar en met zwaar werken; en bovenal
duchtig uitgehongerd.
Hierdoor geleerd, besloot de kapitein in het vervolg voorzigtiger te
zijn, en daar hij de groote boot van ons schip medegenomen had, besloot
hij niet meer zonder een kompas en eenige mondbehoeften uit visschen te
gaan. Hij gelastte hierom zijn scheepstimmerman (een Engelsche slaaf
even als ik), midden in de boot eene hut of roef te bouwen, even als van
een tentjagtje, van achteren met een stuurstoel en van voren plaats voor
een paar man, om de zeilen te hanteren. Deze boot voerde een latijn- of
driehoekig zeil, en de giek liep over de tent, waarin hij met een paar
slaven zitten en slapen kon, en een tafel had om aan te eten en eenige
kastjes, om eenige flesschen drank, benevens rijst, brood en koffij te
bewaren.
Met deze boot gingen wij dikwijls uit visschen, en daar ik zeer bedreven
er in was, nam hij mij altijd mede. Op zekeren dag zou ik er mede
uitgaan, hetzij om te visschen of alleen tot vermaak, met twee of drie
Mooren van eenigen rang. Hij had derhalve den vorigen avond veel meer
mondbehoeften dan gewoonlijk aan boord gezonden, en mij gelast drie
geweren met kruid en lood, die aan boord van het schip waren, gereed te
leggen, om tevens eenig gevogelte te kunnen schieten.
Ik maakte alles gereed en den volgenden morgen lag de boot schoon
gemaakt, en met vlag en wimpel, mijn meester en zijne gasten af te
wachten, toen de eerste alleen kwam en mij zeide, dat zijne gasten door
bezigheden verhinderd werden; ik moest dus maar met den matroos en den
jongen, volgens gewoonte, uit visschen gaan, want zijne vrienden zouden
het avondmaal bij hem komen gebruiken. Zoodra ik eenigen visch had,
moest ik naar huis keeren en hem dien brengen.
Thans kwam het oude denkbeeld van te ontvlugten bij mij weder boven. Nu
ik een vaartuig had en mijn meester weg was, maakte ik alles gereed,
niet om te visschen, maar voor eene reis. Ik wist wel niet waarheen ik
den steven zou wenden, maar hieraan bekreunde ik mij niet, zoo ik
slechts vandaar weg kwam.
Eerst zocht ik een voorwendsel, om den Moor over te halen, dat hij wat
eten aan boord bragt; ik zeide hem, dat het ons niet paste het eten van
onzen meester aan te spreken. Dat is waar, zeide hij, en bragt een
grooten zak roesk, of Moorsche beschuit, en drie groote kruiken met
water in de boot. Ik wist waar mijn meesters likeurkist stond, die, naar
het maaksel te zien, uit een Engelschen prijs afkomstig was, en bragt
die aan boord terwijl de Moor aan den wal was. Ook nam ik nog een klomp
was van wel vijftig pond aan boord, om kaarsen van te maken, met een pak
garen, eene bijl, een zaag, en een hamer, 't geen ons alles naderhand
voortreffelijk te pas kwam, vooral het was. Ik spande mijn makker nog
een strik, naar hij argeloos in liep. "Muley," zeide ik, "de geweren van
onzen meester zijn aan boord; zoo gij wat kruid en lood verschaffen
kondt, zouden wij misschien voor ons eenige alkamis (eene soort van
wulpen) kunnen schieten, want ik weet dat er kruid en lood aan boord van
het schip is."--"Ja," zeide hij, "ik zal het gaan halen." Hij bragt ook
een lederen zak, die ongeveer anderhalf pond kruid bevatte, en een
anderen met hagel en eenige kogels. Middelerwijl had ik ook nog eenig
kruid in de tent gevonden en daarmede eene flesch gevuld, na hetgeen er
in was, in eene andere overgegoten te hebben.
Aldus van het noodige voorzien, zeilden wij de haven uit. Aan het
kasteel, dat aan den ingang van de haven ligt, kende men ons, en liet
ons ongehinderd doorgaan, en toen wij een vierde mijl in zee waren,
haalden wij het zeil in en gingen aan het visschen. De wind was N.N.O.,
hetgeen ik zeer ongelukkig trof. Zoo hij zuidelijk geweest was, had ik
ligtelijk de Spaansche kust, ten minste de baai van Cadix kunnen
bereiken. Ik besloot echter deze akelige plaats te ontvlugten, hoe ook
de wind zijn mogt, en het verdere aan het lot over te laten.
Na eenigen tijd gevischt en niets gevangen te hebben, want als ik beet
had, haalde ik niet op, zeide ik tot den Moor: "zoo gaat het niet; dit
zal onzen meester weinig baten, wij moeten dieper in zee gaan." Hij
vermoedde niets kwaads, maar stemde er in toe, en daar hij voor in de
boot was, stelde hij de zeilen. Daar ik aan het roer zat, liet ik het
eene mijl in zee loopen, en draaide toen bij als om te visschen. Ik gaf
daarop den jongen het roer, liep naar voren, bukte als om iets op te
rapen, greep den Moor onverhoeds bij den gordel, en wierp hem over
boord. Hij kwam bijkans op hetzelfde oogenblik boven, want hij zwom als
een visch, en smeekte mij hem op te nemen, terwijl hij zwoer mij overal
ter wereld te willen volgen. Hij zwom zoo vlug, dat hij, daar er weinig
wind was, de boot spoedig ingehaald zou hebben. Ik ging dus naar de
kajuit, haalde er een geweer uit en legde op hem aan. "Zoo gij mij
ongemoeid laat, zal ik u geen kwaad doen," zeide ik, "maar zoo gij de
boot nadert, zal ik u een kogel door het hoofd jagen. De zee is stil, en
gij kunt gemakkelijk naar den wal zwemmen. Ik wil mijne vrijheid weder
hebben." Hij keerde zich om en zwom naar het strand, dat hij zeker zal
bereikt hebben, want hij zwom uitmuntend.
Ik zou dezen Moor wel hebben kunnen medenemen en den jongen over boord
werpen, maar het was niet raadzaam geweest hem te vertrouwen. Toen hij
weg was zeide ik tot den knaap, die Xury heette: "Zoo gij mij getrouw
wilt blijven, Xury, zal ik een man van u maken, maar zoo gij niet bij
Mahomed en zijn vaders baard mij trouw wilt zweren, zal ik u ook over
boord werpen." De knaap zag mij zoo onschuldig aan, dat ik hem niet kon
wantrouwen, en zwoer mij getrouw te zijn, en tot aan het einde der
wereld te zullen vergezellen.
Zoo lang ik in het gezigt van den Moor bleef, hield ik het bij den wind,
opdat hij denken zou, dat ik naar den mond van de Straat van Gibraltar
stevende (gelijk ieder verstandig mensch verwachten moest); want wie kon
onderstellen, dat ik zuidwaarts naar de Barbarijsche kust zoude gaan,
waar geheele negerstammen ons met hunne kanoes konden omringen en
dooden; waar wij nimmer aan wal konden gaan, om niet door wilde dieren
of nog woester menschen verslonden te worden?
Zoodra het echter duister werd, veranderde ik van koers, en stuurde
Z.Z.O., om niet te ver van de kust af te raken. De wind was stevig, de
zee kalm, zoo dat ik geloof, dat ik den volgenden middag te drie uren,
toen ik het eerst land zag, ten minste vijftig mijlen van Salé, buiten
het gebied van den Marokkaanschen keizer of eenig ander vorst was, want
wij zagen niemand.
De angst en vrees van weder in de handen der Mooren te vallen, weerhield
mij aan land te gaan of te ankeren, ik bleef vijf dagen lang met
denzelfden wind voortzeilen; daar toen de wind zuidelijk liep, besloot
ik, dat, zoo men mij nagejaagd had, de Mooren nu ook de jagt moesten
opgeven. Dus ankerde ik in den mond van een riviertje, ik weet niet op
wat hoogte, noch in welk land of bij wat volk. Ik zag niemand, waar ik
ook niet naar verlangde; zoet water was het voornaamste wat ik noodig
had. Met den avond liepen wij de kreek binnen, en besloten, zoodra het
duister zou zijn, naar den wal te zwemmen, en het land te verkennen;
maar weldra hoorden wij zulk een verschrikkelijk gebrul, gehuil en
geblaf van wilde dieren, welke, was ons onbekend, dat de arme knaap
schier van vrees bezweek en mij bezwoer niet vóór den dag aan land te
gaan. "Ik zal wachten tot het dag is, Xury," zeide ik, "maar dan kunnen
wij menschen ontmoeten, die even kwaad jegens ons gezind zijn als deze
leeuwen."--"Dan zullen wij schieten en ze wegjagen," zeide Xury
lagchende. Hij had van Engelsche slaven wat gebroken Engelsch geleerd.
Ik was blijde, dat hij zoo welgemoed was, en gaf hem een slokje uit mijn
meesters likeurkistje.--Ook scheen zijn raad het verstandigst; dus
lieten wij ons anker vallen en rustten dien nacht; hoewel wij niet
slapen konden, want twee of drie uren later zagen wij groote wilde
beesten, wier naam ons onbekend was, naar het strand komen, en zich in
het water storten als om zich af te koelen, onder een gehuil en gebrul
zoo hevig als ik nimmer gehoord had.
Xury was half dood van angst en ik ook; maar het werd nog erger, toen
wij een dier geweldige beesten naar onze boot hoorden toezwemmen; wij
konden hem niet zien, maar hoorden zijn verschrikkelijk gesnuif. Xury
zeide, dat het een leeuw was, hetgeen wel waar zijn kon, en riep, dat
wij het anker ligten en wegroeijen moesten. "Neen Xury," zeide ik, "wij
kunnen ons touw laten glippen met een boei er op; hij kan ons niet
vervolgen." Naauwelijks had ik dit gezegd, of ik zag geen twee
riemslengten van mij af het beest, hetgeen mij een weinig van mijn stuk
bragt. Ik ging echter dadelijk in de tent, nam een geweer en schoot op
het dier, dat dadelijk omkeerde en naar het strand zwom.
Maar onmogelijk is 't dat akelig gehuil en gebrul te beschrijven, dat
zoowel aan het strand als dieper in het land ontstond, na het geraas van
het schot, iets, wat deze dieren waarschijnlijk nimmer te voren gehoord
hadden. Dit bewees, dat het niet veilig was dien nacht op de kust te
gaan; en hoe het bij dag zijn zou, was eene andere vraag, want het was
even erg in de handen der wilden, als in de klaauwen der leeuwen en
tijgers te vallen; wij althans waren voor beide even bang.
Wij moesten evenwel hier of daar aan wal gaan, om water in te nemen,
want wij hadden geen pintje meer; de vraag was maar waar wij het zouden
vinden. Xury zeide dat, als ik hem met een der kruiken naar den wal liet
gaan, hij wel water vinden en mij brengen zou. Ik vroeg hem waarom hij
gaan en niet liever in de boot blijven wilde. Hij antwoordde mij met
eene genegenheid, die mij hem voor altijd deed liefhebben: "Als de
wildemans komen, zij mij eten en gij heengaan."--"Neen Xury," zeide ik,
"wij zullen beide gaan, en als de wilden komen zullen wij hen
doodschieten en zij ons geen van beiden eten." Vervolgens gaf ik Xury
een stuk beschuit en een borrel, en wij haalden de boot zoo digt naar
den wal als wij konden, en waadden daarop naar het strand, met niets dan
onze wapenen en twee kruiken om te vullen, bij ons. Naderhand vonden
wij, dat wij zoo veel moeite niet noodig gehad hadden om water, want een
weinig verder in de kreek vonden wij bij laag water het water zoet.
Ik wilde de boot niet uit het oog verliezen, uit vrees, dat de wilden
met kanoes de rivier af mogten komen, maar de knaap zag een kwartier
uurs verder eene laagte, en liep daarheen; na korten tijd zag ik hem
terug komen. Denkende, dat hij door een verscheurend dier of wilden
vervolgd werd, liep ik naar hem toe, om hem bij te staan. Toen ik echter
digt bij hem kwam, zag ik, dat hij over zijn schouder een dier had
hangen, dat hij geschoten had, naar een haas gelijkende, maar langer van
beenen en anders van haar. Wij waren er zeer mede in onzen schik, want
het leverde ons een uitmuntend middagmaal op. Xury had er vooral zijne
vreugde in, dat hij goed water en geene wilden aangetroffen had.
Wij vulden dus onze kruiken, aten den haas, dien wij gedood hadden, en
besloten te vertrekken, zonder dat wij eenig spoor van menschen
voetstappen in die landstreek gezien hadden.
Daar ik reeds eene reis op de kust gedaan had, wist ik, dat de
Kanarische en Kaap Verdische eilanden niet veraf waren; maar daar ik
geen werktuigen had, om hoogte te nemen, wist ik niet juist waar wij
waren, noch op welke hoogte zij lagen, anders had ik gemakkelijk een
kunnen bereiken. Ik hoopte echter het langs de kust te houden, tot daar,
waar de Engelschen handel drijven, en daar een hunner vaartuigen te
ontmoeten.
Voor zoo veel ik berekenen kon was ik in de landstreek, die tusschen het
gebied van den Marokkaanschen keizer en het land der Negers ligt, en
woest en alleen door wilde dieren bewoond is; daar de Negers haar
verlaten hebben, en uit vrees voor de Mooren zuidelijker getrokken zijn;
terwijl de laatsten haar om hare barheid niet willen bewonen; en er
slechts komen om er groote jagten, met twee- tot drieduizend man, te
houden. Ook zagen wij bij dag niets dan een dor onbewoond land, en
hoorden 's nachts niets dan het gehuil der wilde dieren.
Eens of twee maal meende ik den Piek van Teneriffe te zien, en had veel
lust te trachten dien te bereiken; maar twee maal werd ik door
tegenwinden teruggedreven, ook ging de zee dan te hoog voor mijne boot,
dus besloot ik mijn eerste voornemen te volgen, en het langs de kust te
houden.
Verscheidene malen moest ik aan land gaan, om zoet water in te nemen.
Eens lieten wij daarom het anker vallen bij eene hooge landtong. Het was
vroeg in den ochtend, en daar de vloed doorkwam, wilden wij wachten om
dieper landwaarts in te kunnen gaan. Xury, wiens gezigt scherper was dan
het mijne, riep mij zacht en zeide, dat het best ware zoo wij verder van
het strand gingen, terwijl hij mij een verschrikkelijk grooten leeuw
wees, die tegen de zijde van den heuvel lag te slapen. "Ga naar den wal,
Xury," zeide ik, "en schiet dien leeuw dood." Hij beefde echter van
schrik, en zeide: "Hij mij dooden! Ik een mond voor hem." Hij meende een
mond vol. Zonder hem meer te zeggen wenkte ik hem, dat hij stil zou
zijn, en nam mijn grootste geweer, en laadde het met twee kogels en eene
goede lading kruid; even zoo het tweede, en op het derde geweer deed ik
vijf kleinere kogels. Ik mikte zoo goed ik kon met het eerste, om hem in
den kop te treffen; maar daar hij op zijn buik lag, met zijne voorpooten
voor zijn muil, trof ik een van deze op de hoogte van de knie. Brullende
sprong hij op, doch viel dadelijk weder neder; spoedig echter stond hij
weder op drie pooten en liet een allerafgrijsselijkst gebrul hooren. Ik
nam dadelijk het tweede geweer en juist toen hij heen wilde gaan, trof
ik hem in den kop, en had het genoegen hem in stuiptrekkingen te zien
neerzijgen, terwijl hij weinig geluid meer gaf. Toen kreeg Xury weder
moed en wilde, dat ik hem aan wal liet gaan. "Welnu ga," zeide ik. Hij
nam in de eene hand een geweer, zwom met de andere naar het strand, en
bij het dier gekomen, hield hij den tromp van het geweer in zijn oor, en
schoot hem nogmaals door het hoofd, waarop hij dadelijk stierf.
Het was een fraaije jagt, maar slecht voedsel voor ons, en het speet mij
thans genoeg, dat ik drie ladingen kruid en lood verspild had, om een
dier te dooden, dat ons tot niets nut was. Xury wilde toch iets van hem
hebben, dus kwam hij weder aan boord en verzocht mij om de bijl. "Waarom
Xury?" vroeg ik. "Ik hem den kop afhakken," zeide hij. Dit kon hij
echter niet en dus vergenoegde hij zich met een poot, die waarlijk
monsterachtig groot was.