158. Celastraceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 4-5-tallig, meest tweeslachtig,

regelmatig; bloembladeren vrij, met de randen op elkaar liggend;

meeldraden 4-5 (zelden 2 of 10) aan den rand van een schijf

ingeplant; vruchtbeginsel 2-5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen

in ieder hokje; vrucht een bes of een doosvrucht; houtige planten

met steeds enkelvoudige, tegenoverstaande of verspreide bladeren;

steunbladeren soms aanwezig maar afvallend.

1a. Bloemen tweeslachtig of éénslachtig. Kelk 5- of 4-spletig, klein;

Bloembladeren 5 of 4, afstaand. Schijf dik. Meeldraden 5 of 4, onder

den rand van de schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 2- of 3-hokkig. Stijl

soms zeer kort met een 2- of 3-lobbige stempel. Doosvrucht eirond 2-

of 3-kleppig openspringend. Kleine boomen of heesters Maytenus.

1b. Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-lobbig. Bloembladeren 5, smal, veel

langer dan de kelk, iets boven het midden gebogen en het bovendeel naar

binnen geslagen. Schijf dun. Meeldraden 5 met zeer korte helmdraden

op den rand van de schijf ingehecht. Helmknoppen aan den top

behaard. Stijlen 5, klein. Vrucht een 2- tot meerhokkige bes. Boomen

Goupia. Kopie.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 539 / 793 题