Bloemen met kelk en bloemkroon; 4- tot meertallig; éénslachtig,
tweehuizig; regelmatig; bloembladeren vaak aan de basis met elkaar
en met de meeldraden, waarvan er evenveel zijn als bloembladeren,
vergroeid; vruchtbeginsel 4-6-hokkig met 1-2 zaadknoppen in ieder
hokje; steenvrucht met 4-6 pitten; houtige planten met meest
verspreide, leerachtige bladeren met zeer kleine steunbladeren of
zonder steunbladeren.
Bloemen polygaam of tweehuizig; 4-tallig. Kelk klein, blijvend; kroon
4-deelig. Meeldraden 4, met de kroonslippen afwisselend en ermee aan
de basis vergroeid. Schijf niet aanwezig. Vruchtbeginsel met een zeer
korte stijl of zittende stempel. Kleine boomen met leerachtige bladeren
Ilex.