Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; tweeslachtig of
vaak éénslachtig; regelmatig tot zygomorf; bloeias zeer verschillend,
vaak schijf- of bekervormig; bloemdekbladeren klein, de binnenste vaak
een weinig gekleurd; meeldraden vele, soms weinige; vruchtbeginsels
talrijk, vrij, ieder met 1 zaadknop; boomen met meest tegenoverstaande
bladeren zonder steunbladeren.
1a. Mannelijke bloemen eivormig, bolrond of half bolvormig met 4, in
2 rijen staande bloemdekbladeren, waarvan de binnenste vaak grooter
zijn. Helmknoppen bijna zittend. Vrouwelijke bloemen zonder staminodiën
en talrijke vruchtbeginsels. Bladeren vaak getand Mollinedia.
1b. Asbekertje ± bolvormig, met een korte, dikke zoom. Mnl. bloemen
met een verschillend aantal meeldraden, die naar binnen met klepjes
openspringen. Vrl. bloemen met een woekering van de as tusschen de
vruchtbeginsels, waardoor deze geheel ingesloten zijn, en alleen de
stempels en stijlen er boven uitsteken. Bladeren evenals het vorige
geslacht tegenoverstaand. De bloemen in losse bijschermen, telkens
2 in de oksel van elk blad Siparuna.