101. Monimiaceae.

Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; tweeslachtig of

vaak éénslachtig; regelmatig tot zygomorf; bloeias zeer verschillend,

vaak schijf- of bekervormig; bloemdekbladeren klein, de binnenste vaak

een weinig gekleurd; meeldraden vele, soms weinige; vruchtbeginsels

talrijk, vrij, ieder met 1 zaadknop; boomen met meest tegenoverstaande

bladeren zonder steunbladeren.

1a. Mannelijke bloemen eivormig, bolrond of half bolvormig met 4, in

2 rijen staande bloemdekbladeren, waarvan de binnenste vaak grooter

zijn. Helmknoppen bijna zittend. Vrouwelijke bloemen zonder staminodiën

en talrijke vruchtbeginsels. Bladeren vaak getand Mollinedia.

1b. Asbekertje ± bolvormig, met een korte, dikke zoom. Mnl. bloemen

met een verschillend aantal meeldraden, die naar binnen met klepjes

openspringen. Vrl. bloemen met een woekering van de as tusschen de

vruchtbeginsels, waardoor deze geheel ingesloten zijn, en alleen de

stempels en stijlen er boven uitsteken. Bladeren evenals het vorige

geslacht tegenoverstaand. De bloemen in losse bijschermen, telkens

2 in de oksel van elk blad Siparuna.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 412 / 793 题