99. Myristicaceae.

Bloemen met een bloemdek, meest 3-tallig, éénslachtig, regelmatig;

bloemdek 3-lobbig; meeldraden 3-18 met vergroeide helmdraden;

vruchtbeginsel met 1 zaadknop; vrucht vleezig, met 2 kleppen

openspringend; zaad omgeven door een gedeelde of ongedeelde zaadrok;

bloemen in trossen in de bladoksels; bladeren verspreid; boomen.

1a. Onder de bloemen zijn geen bloemsteelblaadjes

voorhanden. Helmknoppen 2-7, meest het einde van de zuil boven de

helmknoppen uitstekend. Vruchten bolrond of elliptisch en dan langer

dan breed; zaadrok (foelie) ingesneden. Zijnerven der bladeren niet

bij den rand door een verbindende nerf boogvormig verbonden

Virola. Baboenhoedoe.

1b. Onder de bloem 1 of 2 bloemsteelblaadjes, die lang

blijven zitten. Helmknoppen 6; zuil niet boven de helmknoppen

uitstekend. Vrucht dwars elliptisch (dus breeder dan lang). Zaadrok

niet ingesneden. Zijnerven der bladeren bij den rand door een

boogvormige nerf verbonden Iryanthera. Srebébé.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 411 / 793 题