Bloemen met een bloemdek, meest 3-tallig, éénslachtig, regelmatig;
bloemdek 3-lobbig; meeldraden 3-18 met vergroeide helmdraden;
vruchtbeginsel met 1 zaadknop; vrucht vleezig, met 2 kleppen
openspringend; zaad omgeven door een gedeelde of ongedeelde zaadrok;
bloemen in trossen in de bladoksels; bladeren verspreid; boomen.
1a. Onder de bloemen zijn geen bloemsteelblaadjes
voorhanden. Helmknoppen 2-7, meest het einde van de zuil boven de
helmknoppen uitstekend. Vruchten bolrond of elliptisch en dan langer
dan breed; zaadrok (foelie) ingesneden. Zijnerven der bladeren niet
bij den rand door een verbindende nerf boogvormig verbonden
Virola. Baboenhoedoe.
1b. Onder de bloem 1 of 2 bloemsteelblaadjes, die lang
blijven zitten. Helmknoppen 6; zuil niet boven de helmknoppen
uitstekend. Vrucht dwars elliptisch (dus breeder dan lang). Zaadrok
niet ingesneden. Zijnerven der bladeren bij den rand door een
boogvormige nerf verbonden Iryanthera. Srebébé.