Bloemen met een bloemdek, meest 3-tallig, twee- of éénslachtig,
regelmatig; bloemas beker- of schotelvormig; bloemdekbladeren
klein, in twee kransen; meeldraden in 3-4 kransen, daarvan
sommige soms staminodiaal; de helmknoppen met klepjes zich openend;
vruchtbeginsel 1, éénhokkig met 1 zaadknop; vrucht later omgeven door
de vleezig-wordende bloeias; boomen of heesters met meest leerachtige
en afwisselende bladeren zonder steunbladeren.
1a. Parasieten zonder groene bladeren, met dunne klimmende stengels,
kruidachtig Cassytha.