Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig;
bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen
één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2
zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën
aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide
andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging
(zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in
groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht
met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende
habitus, meest epiphyten.
N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.
1a. Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste
vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren
vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend,
schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren
en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen
vlekken Selenipedilum.