50. Orchidaceae.

Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig;

bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen

één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2

zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën

aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide

andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging

(zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in

groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht

met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende

habitus, meest epiphyten.

N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.

1a. Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste

vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren

vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend,

schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren

en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen

vlekken Selenipedilum.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 334 / 793 题