49. Burmanniaceae.

Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel

met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner

dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen

de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed

helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of

hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden

of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige

bloeiwijzen.

1a. Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het

bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel

van onderen met een roset van kleine smalle blaadjes Burmannia.

1b. Bloemen in ijle trossen of in een vertakte

bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig 2

2a. Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak

de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig

opgezwollen, de mond nauwer Dictyostegia.

2b. Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van

binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijd

Apteria.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 333 / 793 题