16a. Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een
met een tweeslachtige, de andere met een vrl. bloem, in ieder geval
beide vruchtdragend 17
16b. Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem,
de andere alleen een mnl. bloem of bloemen 18
17a. Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend;
in het zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige
bloem ook nog een mnl. bloem; een van de kafjes langgenaald Ischaemum.
17b. Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte
pluim vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig,
het gesteelde eraan gelijk of alleen vrl.; kafjes spits doch ongenaald
Saccharum.
18a. Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige
en een onderste mnl. bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde
aartje van het paar met 1 of 2 mnl. bloemen Ischaemum.
18b. Tenminste het aartje met de tweeslachtige of vrl. bloem éénbloemig
19
19a. Het aartje met de mnl. bloem zittend of kortgesteeld, dat met
de tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de
tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren
groepsgewijs aan het eind van den halm staande Trachypogon.
19b. Het aartje met de mnl. bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige
of vrl. bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem
genaald of ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm
in een groep bij elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigd
Andropogon, Vétivert.
20a. Aartjes steeds eenbloemig, de beide onderste kelkkafjes met
lange, witte, zijdeachtige haren bezet; de beide bovenste kelkkafjes
kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad; bloeiwijze een pluim met
opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar gelijkt Imperata.
20b. Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2)
per bloem 21
21a. Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels;
geheele bloeiwijze aarvormig 22
21b. Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of
indien er haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne
haren bezet 23
22a. Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren of
stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt;
aar vrij ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes;
elk aartje met een tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en
daaronder een mnl. bloem Cenchrus.
22b. Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel vergroeid;
daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het aartje
afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen
als de vorige Setaria.
23a. Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings
zittend, dus het asje afsluitend 24
23b. Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend,
zoodat het asje zich nog verder boven de bloem voortzet 31
24a. Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen,
die ieder zijdelings 1-5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen
de hoofdas aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een
enkelvoudige aar; planten min of meer kruipend Stenotaphrum.
24b. Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de
assen bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze
een wijde pluim 25
25a. Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts
één bloem per aartje 26
25b. Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde
kelkkafje soms met een mnl. bloem in den oksel, het vierde steeds
met een tweeslachtige bloem 30
26a. Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste
met een lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het
aartje geleed boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het
uitvallen der bloem blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnaren
Aristida.
26b. Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding
van het asje, indien aanwezig, onder de kafjes 27
27a. Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding,
zit een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig
langs de as staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd;
onderste kelkkafjes spits, behaard, het derde hard, met een korte
naald, die niet buiten het aartje uitsteekt. Kroonkafje zonder naald,
doch overigens gelijkend op het bovenste kelkkafje Eriochloa.
27b. Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding
28
28a. Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten
en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de
beide onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms
alleenstaand aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een
pluim vormend Paspalum.
28b. Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan de as
zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend;
de aren op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm
zittend opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste
kelkkafjes smal en gekield, het bovenste vliezig Spartina.
28c. Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een
onregelmatig vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend 29
29a. Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafje
tijdens den bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend;
aartje duidelijk geleed met de as Leptocoryphium.
29b. Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard;
aartje niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van
de kafjes Sporobolus.
30a. Bovenste kelkkafje aan den voet met een aanhangsel; aartjes
kortgesteeld aan de takken van een pluim Ichnanthus.
30b. Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet; onderste
kelkkafje zeer klein, 2de en 3de grooter, stomp of genaald, het derde
soms met een mnl. bloem, het 4de kelkkafje steeds ongenaald en hard,
het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes
soms gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een
pluim vormend, soms ook minder samengesteld Panicum Paardengras.
31a. Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het
bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste
kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3de met een lange rechte naald;
asje van het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald
kafje of alleen een naald dragend Gymnopogon.
31b. Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch
deze handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand 32
32a. De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald;
de bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de
bloem voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjes
Cynodon.
32b. De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat,
gekield, ongenaald; het 3de langbehaard, genaald (of soms ongenaald);
kroonkafje groot met 2 kielen Chloris.