Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een
enkelvoudig bloemdek; meeldraden meest 3-1, zelden meer; vruchtbeginsel
eenhokkig met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige
stempels; zaad niet met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest
scherp driekantige, zelden gelede en van knoopen voorziene stengels
en smalle bladeren met gesloten scheeden; bloemen in aartjes-achtige
trosjes, die tot aar- of pluimvormige bloeiwijzen vereenigd zijn.
1a. De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók
meeldraden; daarnaast komen ook alléén mnl. bloemen voor. (Zie ook
18a en 24 van deze lijst) 2