167a. Boomen met zeer groote steunbladeren, die in den knop vergroeid
zijn en het bovendeel van den spruit inhullen; na het afvallen een
ringvormig lidteeken om den stam achterlaten. Bloemen meest zeer klein,
in dichte aar- of bolvormige bloeiwijzen. Planten meest met melksap
64. Moraceae.
167b. Geen opvallend groote steunbladeren aanwezig; bloeiwijzen niet
zeer dicht 168
168a. Bloemdek buisvormig, 5-tandig; meeldraden 6-8, aan de binnenzijde
met de buis vergroeid 80. Nyctaginaceae.