169a. Heesters met fijngezaagde ruwe bladeren; bloemdek 5-, zelden
4-deelig, met 5 (of 4) meeldraden voor de bloemdekbladeren staand
63. Ulmaceae.
169b. Meeldraden niet duidelijk voor de bloemdekbladeren staand,
vaak in een ander aantal. Bladeren niet ruw en gezaagd. Melksap of
steunbladeren of beide aanwezig 147. Euphorbiaceae.
169c. Bladeren zonder steunbladeren; melksap ontbrekend;
bloemdekbladeren (kelk) 2 tot 5; meeldraden 8-12; heester met naar
den voet sterk versmalde, bijna zittende bladeren 165. Sapindaceae.
170a. Bloemdekbladeren bijna geheel vrij, 3 of 5, hard en vliezig,
scherp toegespitst. Meeldraden evenveel, in den knop niet naar
binnen gebogen 79. Amarantaceae.
170b. Bloemdekbladeren aan de basis vergroeid, niet vliezig en spits
171
171a. Bladeren en stengel met zeer ruwe borstelige haren
bezet, en dan de bladeren verspreid, of kaal en dan de bladeren
tegenoverstaand. Meeldraden in den knop naar binnen gebogen bij het
opengaan van den knop elastisch naar buiten ombuigend 65. Urticaceae.
171b. Bladeren niet tegenoverstaand en niet borstelig
behaard. Meeldraden bij het openen van de bloem niet elastisch naar
buiten ombuigend 172
172a. Bladeren met steunbladeren en planten vaak met melksap
147. Euphorbiaceae.
172b. Geen steunbladeren en geen melksap aanwezig; planten vaak
sterk riekend 78. Chenopodiaceae.
173a. Bloemkroon losbladig, uit één of meer afzonderlijke bladeren
bestaande 174