A. verwijst naar de aanteekeningen.
A
ader, 260: slagaar, pols? zie slagh-ader.
ader-slagh, 1691.
aen-doen, 679: aannemen.
aengaen, overkomen, 613.
-- op, 1726.
aengevochten met droefheyt, 10 A.
aen-leggen, overleggen, inrichten, 81 A. 130. 182.
aen-nemen, tot zich nemen, ontvangen, accipere, 854
--aannemen, 1411 A.
aen-schouwen, 941.
aen-steken met, ontsteken in, 1265.
aen-vangen, aanvaarden, 717.
aen-veerden, 682: den spinrock, gaan spinnen.
aen-voeden, kweken, 1022 A.
aerdigh, bevallig, lief, fraai, 138, 150, 337, 1052, 1178.
aerdsche dal, 766, 819.
aert, natuur, geaardheid, inborst, soort, 823, 928, 1271, 1296,
wijze, 562.
aes, voedsel, 511.
af-breken, doen ophouden, 1350.
afgesondert, 1850: afgescheiden.
af-leyden, 1312: weg voeren.
af-nemen, opmaken, uitlezen, 1668.
achter, door langs, 579, 618.
achtinge, (in -- komen), aanmerking, 1911.
al, geheel, alle, 80, 354, 1190.
al, wel, nu, al, 123, 147, 351, 594, 826, 1127 A., 1141, 1170,
1319, 1397, 1610: nog al, 1930.
algelijck, evenzeer, 1070.
-- evenwel, 1363.
schoon ... al, ofschoon, 268, 605.
al te mael, alles (te zamen), 135, 645.
als, alles, 724.
ampt, taak, 21.
anders, voor 't overige, 1800.
B
baey, 312.
banen, doorploegen, 250.
bedencken, overwegen, 596.
in -- brengen, 833.
een in -- houden, 216.
in -- komen, 1847.
bedrijf, 126: doen en laten.
-- 755: gerei.
bedroufd, droevig, 1123, 1176, 1290.
bedroufd syn in, 172.
beducht, bekommerd, 775.
began, praes.?, 721 A.
begerigh des, 1646.
begeven, hem -- tot, zich inlaten met, 870.
begrijp, 346.
behulp, hulp, 206, 254, 1172, 1335.
bejagh, handelingen, bedrijf, nering, voordeel, 11, 62, 536, 848,
1036, 1044, 1058, 1224, 1800.
bekeyd, verkeerd, 170 A.
bekend, noyt --, ongehoord, 700.
bekennen, herkennen, 860, 1575.
beklappen, verraden, 1219. Kil. deferre; vgl. Mned.
bequaem, geschikt, 543, 636.
beleeft, fatsoenlik, innemend, 290, 303, 485, 1142.
belenden, terechtkomen, 296.
belet, beletsel, 308.
bemercken, opmerken, 1648, 1799.
bemoeyen, hem -- des, 1065.
benaeuwen, knellen, 1417.
benevens, naast, met, 332, 579.
beprouven, ondervinden, 763.
bericht, lering en oefening, 1714.
beroeren, ontroeren, 504.
790: raken; 885.
beschadigen, kwaad doen, 1958.
bescheet, bescheid, 1533.
bescheyden, duidelik te onderscheiden, 1763.
bescheydentheit, oordeel, 1741.
bescheyt, met --, 256, klaar en duidelik.
beschrijven, schriftelik uitnodigen, 1421.
beseten, in bezit genomen, 230.
beset, wel overlegd, bedachtzaam, 572, 1381.
besien, opmerken, 401, 403, 405, 409.
besigh in, druk met, 351.
ontrent, 373.
besmetten haer bedde, 742.
besluyten, opmaken, 88, 1796.
besorgen, zorgen voor, 1209.
besorght syn, zorg hebben, 769.
bespreck, overeenkomst, 854.
bestaen, gaan staan, 1278;
(iem.) -- (als), verwant zijn, 1387.
besteden in, aanwenden, gebruiken tot, 46, 918, 1798.
beste-moeder, grootmoeder, 329.
beswaerd, 1395: bitter.
bevallick, 893.
bevallen, c. dat. pers., goed zijn, 498, 638 A.
bevangen (van), overheerst, 1385, 1649, 1750.
bevestigen, handhaven, volhouden, 1787, 1796.
bevragen, ondervragen, 279.
bevrijt met ... van, 334.
bewegen, aandoening, 1301.
-- drijven, 893.
--, ontroeren, 1069; vgl. gewach, Gloss. Gran.
bewijzen, tonen, 336.
bewust, wetende, kennis hebbende, 177, 1021.
by, door, 357, 731, passim.
bidden des, 191, 1721.
bieden (geluck), wensen, 734.
billick, rechtgeaard, 294.
binden, samenvoegen, verbinden, 1125, 1282.
binnen-komen, te binnen komen, 1688.
bysonder, merkwaardig, 1814
bly van, 547.
blussen, 1118: doen ophouden.
bocht, kromming, perk, 71, 367.
bosch, coll., 354.
bossen, 903.
bont-genoot, bondslid, 827.
bot, op een--, in eens, 1679.
bouve-jacht, boevetroep, 1064; vgl. Hd. Jagd.
boven al, voornamelik, 81.
brant, 711: vlam?
breet, uitvoerig, 103.
--, algemeen, 1741.
breyn, 151 A. 1006.
breken, den kop --, inslaan, 748.
aen stucken -- 850.
broeck, 1034 A.
bruyt-stuck, 323 A.
bucht, beurs, 830.
buyten, zonder, 120.
buyten gewoonte, ongewoon, 1703.
buyten spoor, 169, 658.
buyten-hof, uitspanning, 333.
D
daet, in --, werkelik, 1331 A: innerlik.
inder --, juist, 1236.
metter --, dadelik, 499, 1258, 1279, 1422.
in volle --, ten volle, 1352, 1410; 583: in werkelikheid.
dan, 1435.
danck, tegen --, zijns ondanks, 1166.
dapper, snel, krachtig, 1068.
dat, omdat, 24, 794.
dat jae, 1762 A.
dat neen, 1830.
de lieden beurse, 1522 A.
deerlick, betrokken, 269.
deerne, 1552, 1636, 1757.
deftigh, soliede, degelik, ernstig, 659 A, 683, 1525.
des, derhalve, 57.
die, pron., 183, 1007.
-- ... -- 1954.
diefte, diefstal, 749, 1305.
dienen, c. dat., dienstig zijn, passen, 587, 592.
dier, meisje, passim.
dicht, gedicht, 187.
dickmael, 109.
doen, bystant --, 1306.
doen, 705.
als --, 1506.
doen, remplacerend werkw., 442, 1043, 1791.
dom, onervaren, onnozel, 1345.
doorsien, doordringen in, 1205.
doot, 1127 A.
doot, de bleecke --, 1312, 1322 A.: diep ongeluk.
draet, op een -- weten, 93.
dragen, voeren, 1114.
-- (tot), koesteren, toedragen aan, 1619, 1635, 1642.
hem --, zich gedragen, 126.
-- dulden, lijden, 1214.
dralen, gedraal, 1197.
dreyghen, 99: voorspellen.
dril, 1663: trilling, beweging.
drillen, sidderen, 1218.
drouf, 1213, 1264, 1328.
druck, verdriet, 1118, 1335.
duyden, strekken, 684 A.
dutten, mijmeren, soezen, 379.
dwingen, noodzaken, 1137.
E
echter, 1344.
edel, voortreffelik, ridderlik, 230, 1130; 1425: -- geest, bel
esprit. -- helt, 821. -- man, van voorname afkomst, 720.
eenigh, enkel, 920.
eens, eenmaal, 1201.
-- 805, 1327, 1399.
eensaem, alleen, 18, 267, 355, 891.
-- 524: verlaten.
eer, 723: na.
eer, met --, 1368.
eerbaer, fatsoenlik, 955.
eerlick, 949: deftig.
eerst, 35: in de eerste plaats.
eerste, voornaamste, 1336.
eertzvaders, 1964.
eerweerd, edel, 1171.
eygen, zelfde, 149, 173, 490, 599.
--, eigenaardig, biezonder, 1607, 1763.
eygentlyck, biezonder, 1436.
eyntelick, 1523.
ergh, boos, 999.
ernst, aandrang, verlangen, drift, 190, 1093, 1267, 1273.
ernstelick, met aandrang, 1719.
ervarentheyt, ondervinding, 1808, 1832, 1956.
even, even zeer, 644.
--, juist, 1067, 1593, 1620, 1947.
even-selfs, insgelijks, 234, 278.
even soo, even wèl, 754.
even-staegh, voortdurend, 166, 307, 331, 1118, 1215.
F
frissche, (leden), ongerept, maagdelik, 917.
G
gaen, -- boven, te boven gaan, 342.
-- in, overgaan tot, 572.
-- tot besluit, 576: een besluit nemen.
gaen, 899 A.
ront --, 262: openhartig zich uitspreken.
wel --, slagen, 991.
gaendemaken, in beweging brengen, opruien, 1841 A.
gangh, plur., 1000, 1225: streken.
gast, 9, 129, 1049.
schippers --, 319.
gau, vlug, 15.
142: slim.
gaven, begaafdheden, 1658.
gebaer, gedragingen, uiterlik, 266, 845.
--, ceremoniën, 728.
--, getier, 855.
gebieden, verzoeken, 1023.
gebonden, 485 A.
gebreck, kwaal, 272.
gebroet, schepsel, 630.
gebruick, collect., usus, gewoonten, 589, 823.
gebruick, nut, 1645, 1671.
gebruicken (syn lust), voldoen, 120.
gedans, collectief, 46.
geducht, gevreesd, die men ontziet, 813.
gedurigh, voortdurend, 2, 655, 1314.
geest, ziel, gemoed, geest, esprit, 225.
--, persoon, 230 A., 465, 486, 691, 1072 A, 1144, 1205, 1215, 1385,
1425.
geesten, 1070 A. --, vernuften, 1588.
geestigh, aardig, bevallig, lief, fraai, 36, 213.
-- 23, 185, 187, 222, 322, 377, 576, 665, 897, 946, 1094, 1387.
geestigheyt, geest, 1658.
geheym, coll., mysteria, 1560.
gehengen, toelaten, 834, 873.
geklagh, klacht, 1029.
gelaet, voorkomen, uiterlik, 42, 369, 473, 482, 568, 706, 1805.
gelach, scherts, 847.
gelagh, hart --, 963.
geleert (in), ervaren, 514.
geleert des zijn, ondervinding opgedaan hebben in, 1221.
gelegentheyt, aangelegenheid, geval, zaak, omstandigheid,
gesteldheid, 1566, 1609, 1644, 1793, 1930.
op de -- van, 1465: naar aanleiding van.
gelucken, imperson. c. dat., het geluk hebben, toe vallen,
Kil. succedere, prospere cadere, feliciter evenire.
gemael, gemalin, 1160.
gemeen, alledaags, 1963.
-- gemeenschappelik, 1899.
gemerck, teeken, 563.
gemoet, hart, gezindheid, zin, 496, 504, 530, 540, 588, 610, 631,
702: wil, begeerte; 1360.
-- 1294.
tot zijn -- spreken, 610: tot zich zelf.
genegen, geneigd, passim.
genegentheyt, neiging, geneigdheid, 1578, 1622.
generen, hem --, zich levensonderhoud verschaffen, "sich
nähren." 1500.
genieten, bekomen, 243 A. 909.
genough, 1255: erg; vgl. Mned. Wb. II, 1431.
genucht, geneugte, 263.
gepast zijn met, gediend zijn van, 637.
gerief, beschikking, wil, 636, 648.
geselschap, huweliksgemeenschap, 628.
gesint, wel --, er mee in zijn schik, 1423.
gespreck, spreken, praten, 252, 345.
gespuys, lelik soort, 1514.
gestage roeden, 990.
gestalte, 1805, 1817.
--, (inwendige) gesteldheid, 1611.
gestel, aard, 883, vgl. 396.
gestelt sijn, 396: het geval zijn met.
getroost sijn, tevreden zijn, goedvinden, 1042.
geval, zaak, toedracht, 1096.
gevat zijn, 152 A.
geven, 936 A.
-- eenpraet --, 22.
reden --, 262 A.
hem --, 162: zich neergeven.
--, begeven, 471, 1268.
gevoelen, aanvoelen, 1817.
gevoelen des, -- van, van gevoelen zijn over, denken, 1380, 1472.
gevolgh, collect., volgelingen, 15, 175.
--, gevolgtrekking, 102.
-- gevolgen, 106.
gewaer, heeft hij niet -- geworden, 1973.
gewaet, kleding, 24.
gewagh doen van, 1690.
gewoel, onrust, 888.
gewrichte, sing.? 95.
-- plur., leden, 1426, vgl. 1141.
gierigh, begerig, 323.
git, een --, 43.
goed, 1123.
gortigh, schurftig, 419.
graet, trap, 429.
gras, grasveld, 363.
grilligh, dartel, 646, 671, 887.
groene, in het --, 375.
groen, kruid, 168.
groen, weelderig, dartel, 1406.
-- fris, 439 A.
groeten, 793 A.
-- als, begroeten voor, aanspreken, nemen voor, 539, 1162.
grond, grond, zin, aard, oorzaak, het juiste, het fijne, diepste,
40, 68, 83, 89, 143, 236, 244, 257, 302, 736, 1060, 1388.
--, ware, 761, 1231.
guyt, fielt, schelm, 447, 1043.
gul, weelderig, overvloedig, 90, 252.
gulde son, 600, 815.
gunst, genegenheid, gunst, genade, 183, 293, 313, 527, 914, 996,
1098, 1321, 1396, 1399.
H
haer, hun, hen, 256, 464, passim.
haest, weldra, 498.
inder --, plotseling, met spoed, 686, 1198.
hals-gerecht, hoge justitie, 1079.
handel, zaak, zaken, handelingen, 123, 285, 576, 1010, 1136, 1230.
hant-çieraet, 1391.
hant-gespel, 39 A. 341.
happigh, begerig, 1050.
harde, -- kost, 194: zwaar.
haten, 268: hekel hebben, trachten te vermijden.
haveloos, zonder have of goed, 753.
hebben te, 270 A.
-- gaen beginnen, 937 A.
heyden, veld, 522.
aen der --, buiten, op het veld, 369, 385, 905.
hel, een hellen diamant, 556.
hersens, 1069; vgl. breyn.
hertsen, gen. van hert, 1388 A.
hetselve, 1241.
heus, vriendelik, 881, 892, 1163.
--, kies, 55.
--, betamelik, 845.
hier, 998.
hitten, 1695 noot.
hoin, bedrog, 843 A.
hoofsche, van het hof, 505, 548.
--, edel, 687.
hooft-gelt, schatting, capitatio, 811.
hooft-stuk, hoofddeel, 1856.
hoogh gemoet, 631.
hooge zalen, 862.
hoogh gaen, ver gaan, 113, 844.
hoogsten, ten --, 184.
hoop, bende, 69.
houden, 216.
--, het er voor houden, 145.
houden, sigh --, zich ophouden, 804.
houden van, menen, 1468.
houdende, zijn -- van, 1808.
hulp, steun, 16.
huys, huisgezin, 172.
hups(ch), knap, sierlik, 211, 421.