952. zelfs van daag nog getrouwd. _Versegelt in de trou_, vgl. de
aanhaling by 1252.--en: "Des Heeren goeden segen
Verkondight in de kerck, en opentlick gekregen
Versegelt echte trou; soo dat men even dan
Bekoomt een vollen naem van wijf en echte man."
968. Hij is een zonderling, een ruwe klant, die noch om schoonheid,
noch om rijkdom geeft.
973. eigenaardige herhaling, vgl. 1175. En vooral Reynaert, Inleiding
(Zw. Herdr. 1909) blz. LVIII, n. en blz. XXII.
981. _syn hert is niet aen haer_. "syn aen" kan, evenals het Lat. _esse
alicui_, betekenen: bezitten; vgl. het Mndl. Doch ook kan _aen_ hier
de betekenis van _bij_ hebben. De eerste opvatting heeft voor, dat
"esse alicui" gebruikt wordt, wanneer de nadruk op de zaak valt, gelijk
hier "hert", vgl. de volgende tegenstelling; _haer_, pron. reflex.,
waarvan het vrouwelik hert antecedent is.--Zijn hart is niet vrij.
1004. Er is climax in de tekst: verrader, spoken, boose
geesten. Verrader is een booswicht vol duivelse list, die niets
menseliks meer heeft en tot alles in staat is; er is niet alleen aan
eigenlik verraad te denken.
1007. _suysebolt_, vgl. "drink datje suizebolt", Rabelais, Vertaalde
Werken.
1022. Andreas, wel wetende hoe de vrouwen razen, wanneer men haar
lusten weigert te bevredigen.
1032. De schout zendt op het vreemd verdacht gerucht de strenge
rechters af.
De editie van 1700 (zie 't Voorbericht) heeft _troep_.
1034. _in de broecken_. Zelfs in de onderbroeken verstopte men de
beurs, of kostbaarheden: vgl. Holl. Trouwgevallen, blz. 186. Koopman,
blz. 146. Kind van Weelde II, 108.
De studie van Jonkvr. Dr. de Jonge over De kleederdracht in de
Nederlanden in de XVIe eeuw, in Oud-Holland 1919, geeft voor deze
materie niets.
1044. Relat. zin; het verbum wegens 't rythme verplaatst.
1048. _niet en let_ = niets mankeert; vgl. "een peert dat schurrift
is, en wil den roskam niet."
1066. Hij dient naar de galeien veroordeeld.
1070. _geesten_, vgl. het laatste gedeelte der aanhaling bij 151.
Ook _dierlijke geesten_, animal spirits, esprits animaux,
vgl. Ned. Woordenb.: "de fijne vluchtige vloeistoffen, die, naar men
onderstelde, in het bloed aanwezig zijn en het eigenlijke beginsel
uitmaken van gevoel en beweging. Door sommigen onderscheiden van de
_levensgeesten_, die als de oorzaak van het leven golden."--"Vele
malen bij C. deze geesten in betrekking tot de werking van die fijne
zenuwvloeistoffen op het gevoel, de begeerten, hartstochten," enz.
1072. Alleen zijn edele afkomst trekt hem voor de geest.--_spelen
ontrent_ = zich bewegen om. Vgl.: "maer alle mijne sinnen spelen noch
ontrent uwe laetste redenen."
1119. _vast sit op haer en sagh_, zit op haar te zien; vgl.:
"Sy leyt er op en maelt als met de gantsche kracht
Oock midden in den droom, en in den middernacht."--
"Hy sit op haer en loer bijnaest den ganschen dagh."
Vgl. nog Noord en Zuid II, 138/9.
1124. _landdrost_, waardigheid hoger dan schout; landdrost oefende
in naam van de heer de lijfstraffelike rechtspleging uit.
1127. _Al is de krijghsman doot_, Is de krijgsman gedood, dood.--_Al_,
versterkend partikel = wel??--_doot_, oud part. tot adj. geworden,
vgl. van Helten, Tijdschr. Ned. Lett. III, 109.--Verdam,
Middelned. Woordenboek, 297.--Alexander, ed. Franck, p. 421.
1131. Ooit van zijn leven, een adverbiale accus. Vgl. "heb ik mijn
leven!"--Vgl. Warenar 1053, var.
1152. Aen (de ontroerde) vrou Giomaer schijnt het zelfs een stage
vloet; aldus op te vatten?
1160. (verwondert) _dat_, vgl. Mned. Woordenb. II, 86/7.
1169. _opgetogen_, gespannen, ingespannen. Vgl.: opgespanne, Vondels
Lucifer 145; ook: "die (geleerde) zijn dickwijls te veel opgetogen
om een jonge vrouwe wat goets te doen"?--
1170. Maiombe wikte ernstig haar droevige toestand.
1194. Vgl. 739, 751.
1226. _die_, relat. zin bij "slimme gangen" (vergif, coll. = slimme
ganghen): constructio ad intellectum.
1236. was (_het_) inderdaed; vgl.:
"Maer d'eerste is die my best behaeght."--
"Hy is die ware liefde plant:
Als vader van den echten bant."
Vgl. van Helten, Vondels Taal II, § 212. Voor het duitsch:
E. Bernhardt, Zs. f. D. Phil., 1903, 145.
1252. _op de zaal_, zaal meestal het grote ontvangvertrek, hier echter
vertrek in 't algemeen, vgl. vs. 1266.--Vgl. o. m.
"Soo haest als dit besluyt is by de wet (rechtbank) genomen,
Soo siet men op de zael terstond een priester komen,
Die heeft het jonge paer versegelt in de trou."
En Trouringh, 4º., Ongel. Houwel., 197.--Antonius-Cleopatra, 595
m.; etc.
1285. _grijpt haer in den arm_, omarmen, vgl.:
"'t Sa grijpt my in den arm en neemt den lesten soen
Ick wil ook even soo myn laetste plichten doen.
Na spraeck en wederspraeck de jonge luyden grepen
Malkander in den arm, en vast aen een genepen
Gaen rollen van den rots....."
1299, 1328. _ons_, vgl. van Helten, Vondels Taal I, § 99;
Mndl. Spraakl., blz. 444.
1300. _in dese venster_.
Vensters in de oude kastelen waren diepe nissen, met banken aan de
zijden. Vgl. vooral Schulz, Höfisches Leben in MA.
1304. _nam_ = zou nemen; vgl. 628.
1312. Vgl. 1327.
1322. _doot_ = ongeluk, vgl. Verdam, Mned. Woordenb. II, 296: "Bi aldus
ghedaenre dinc so brinct hi sinen here ter doot", zie ook aldaar 297 g.
1326. _op een nieu_, vgl. van Helten, Vondels Taal I, 154.
1331. werkelik, innerlik, en voor de mensen, _schijn_, uiterlik
voorkomen.
1351. _vertrout syn aen_, vgl. verloven; Mnederl. sekeren, versekeren,
Taal- en Letterbode, II, 18.
1356. Daarvan kon ik behoorlik van avond niet alles mededelen.
1366. Vgl. 842, vv.--_tergen_, vgl.:
"De juffers van het hof die met geçierde rocken,
Die met een dertel oogh ons kriele sinnen locken,
Verdienen 't ongeluck dat ons haer wesen verght,
Maer dit onnoosel dier en heeft my noyt geterght."
Vgl. ons: mondterging; en Gloss. Granida.
1382. Op alle vragen geeft zij..... zo vriendelik en zo ten volle
antwoord, dat.....
_in volle leden_, volledig, ten volle, vgl.: (het onderzoek) "is by
my niet overal in volle leden ghedaen konnen werden."
1384. _strecken over_, vgl.: (zijn gedachten) laten gaan over,
maar hier sterker: zo had hij op haar zijn hart gezet.--_Sinnen_,
vgl. gemoet, 702: hart, "'t beginsel van zijn neigingen, hartstochten",
tegenover verstand, rede, vgl. 703.
1388. _hertsen_, dubbelvormig uit hert_s_, en
hert_en_. Vgl. o.a. Kolthoff, Het Subst. in 't Nederl. der 16e
eeuw, 27.
1393/4. _noemen: afgekomen_, rijm van _oe: o._ dat vaak voorkomt, zie
Reynaert, (Zw. Herdr.) Inleiding blz. XLIV, vv., XLVI, en XXXIX. Met
de daar aangehaalde litteratuur.
1411. A. was haar voorspraak, pleitte verzachtende omstandigheden;
de lant-vooght nam dit (wat hij bijbracht) aan; vgl. ons: iemand
voorspreken. Kiliaen veur-spreken, fide iubere, stipulari et defendere
verbis. Diefenbach: prolocutor vorspreke, vorsprecke. advocare
vorsprechen, fideirbere, vorheyssen, borghe werden.
1415. In ouden tijd kon manslag en moord met geld afgekocht.
1450. Beeldspraak aan 't klein schippersbedrijf ontleend. Zeilt men
met volle zeil, dan is de boegspriet vooruitgestoken; deze wordt
echter opgetrokken of ingehaald, nadat de kluiver gestreken is,
zodra men de haven en wal nadert, en vaart mindert.
1457. _de_ man, naast _den_ man: passim; vgl. _die_ 407 _a_.
1473. Ghy siet, Imperatief vgl. 298.
_Pasquier_, vgl. 1792; beroemd Frans jurist en overheidspersoon van
Parijs, 1529-1615. Onder meer: Les Recherches de la France (1560).
1497. _mogen_ = moeten, vgl. Van Helten, Mndl. Spr. § 232; Verdam,
Mndl. Wdbk., i.v. Nog in Zeeland.
1500. _kruys-dragende_. Het kruis, dat gewoonlik aan een ketting om
de hals werd gedragen, is het gewone onderscheidingsteken van alle
bischoppen, en van die abten, aan wie de bischoppelike insignia
zijn toegestaan. Men zal een, moeten inlassen na _kruys-dragende_,
waarbij als appositie dan B. ofte A. staat. Eigenlik hier een min
juiste vertaling van: "le Pape.... ordonna, comme on disait: que
tout Evesque, et Abbé portant crosse, leur donneroit pour une fois
dix livres tournois."
1502. _Tournois_. In de ME. had bijna elke stad het muntrecht:
daardoor ontstond allerlei muntwaarde, vandaar de bijvoeging (een pond)
doorniksch, e.a. Vgl. nog pond sterling.
1521. de mans wijs makende dat hun vrouwen verkeerde zaken bij de hand
hadden, hun ontrouw waren.--Vgl.: "een vrouwe heeft ons een spinrocken
gerockt daermen nu nacht en dach met besich is om quaet garen af
te spinnen twelck wel int afhaspelen vuyl quaet wergaren mochte
worden." Sermoenen-Broer Cornelis.--Vgl. Harrebomée, Spreekwoorden, I,
202_b_: "Zoo 't wijf met de oogen gluurt, en met haar gangen draait,
Is 't wonder dat ze niet met andrer garen naait."--ook: Stijntje
en Trijntje, laat varen: Zij spinnen quaet garen (ald. L. S. I,
XXXVIII) daar aangehaald: Gheurtz, 10, 76--_grof garen spinnen_,
vgl. ook Zw. Herdr. 12/13 (Asselijn's Jan Klaaz) Aant. bij 152.
1522. _uyt de lieden beurse_, vgl. ook Van Helten, Vondels Taal,
Synt. blz. 141; mndl. de weeskinderen goeden;--die arme luden lijken,
etc. in Mndl. Spr. blz. 450.--Ook?... "naar rijkelui gewoonte",
Potgieter, Proza 394.
1531. _Sebastiaen Munsterus_, Duits mathematicus en Hebraïcus, 1489
(Ingelheim)--1552 (Basel). Zijn hoofdwerk: Cosmographia universa,
een van de oudste aardrijkskundige werken.
1535. _Philippe Camerarius_, 1537 (Tubingen)--1624, zoon van
de beroemde Joachim (I) C, broeder van Joachim (II) C, schreef
o. a. Orationes.
1536. _Konrad von Gesner_, 1516-1565, polyhistor, gaf een nieuwe
richting in de Litteratuurgeschiedenis door zijn Bibliotheca
universalis sive Catalogus omnium scriptorum locupletissimus in 3
linguis Gracca, Latina et Hebraica extantium, (Zurich, 1545-55); gaf
verscheidene oude auteurs uit met commentaren, o. a.: Mithridates,
sive de differentiis linguarum etc, Zürich, 1555. Vgl. Hanhart,
K. v. G. 1824.
1548. Volgens de wetenschap van medici en natuurvorsers.
_Naturen_, subst. zw. genitief; vgl. zelfs _naturens_. Vondels Taal,
I, § 68 i.f.
1568. _Avicenna_, de beroemdste Arabiese Filosoof en arts, 980-1037;
zijn beroemd werk "Kanun" grondt zich op Galenus. _Franciscus
Valesius_, Spaans geneesheer XVIe eeuw, lijfarts van Philips II.
1569. _Jacques Ferrand_, Frans medicus, te Agen geboren in het einde
der XVIe eeuw. Traité de la maladie de l'Amour ou mélancholie érotique,
Paris, 1623.
1572. _geleerste_, _plur_. zonder _n_;, vgl. eenige, ervarenste 1566,
voorlede 1592, geleerde 1606, groote 1628, e. a. Zie Vondels Taal I,
§ 100, 105, p. 110. Mned. Spraakl. § 308, 309, 311.
1582. _slagh-ader die uyt het herte haer beweginge heeft_: hier is
Cats zeer "up to date" (in 1633 was hij al met het Sp. H. bezig);
evenals van Beverwijck (deze in 1638?) nam C. de circulatie-theorie
van Hervey aan (1628 gepubliceerd). Vgl. vooral _E. D. Baumann_, Van
Beverwijck in leven en werken geschetst (1910) blz. 134 vv. De meeste
gezaghebbende medici bleven tegenspartelen; en zelfs heftig bestrijden.
1594. Ovidius, Heroïdes XI, 33, 34:
Prima malum nutrix animo praesentit anili:
Prima mihi nutrix, Aeoli, dixit, amas.
1616. Vgl. Antwerper Lietboeck No. 215, p. 334:
Sotten, wat mach v gebreken?
Sottinnen, hebt goeden moet,
Als v die wespen steken,
Loopt inden haselaer metter spoet;
Die gaeren metten lenden wercken,
Compt doch metten hoop,
Papen ende clercken,
Die nooten zijn goeden coop.
(Vgl. voor haselaer en noten, Kalff, Lied in de ME. 349, en Verwijs
St. Nicolaas, 41/42, en Wolf s Zeitschr. f. D. Myth. III, 68.)
1617. _Soranus van Ephese_. Sommigen spreken van twee, waarschijnlik is
er maar éen geweest, die leefde tot 138 na Chr.? Aan deze toegeschreven
een Leven van Hippocrates. Zijn hoofdwerk: Per'i gunaike'iwn paj=wn.
Vgl. Ilberg, in de Abhandl. Sachs. Acad. XXVIII (1910).
1623. _Valerius Maximus_, ± 30 na Chr., schreef De dictis factisque
memorabilibus libri IX; met vele historiese anecdotes.
1625. _den sieckaert maken_; Kil. Den sieckaert maecken, Aegrotum
simulare, simulare morbem. Vgl. als of hij (God) den vrijer quame
maken aen de menschen (Osea 3. 1) en daer na.... stelt sigh eerst als
bruydegom, en daerna als echte man; ook: den duvel maken, I Martijn
(ed. Verwijs), 149.
1629. _Galenus_, naast Hippocrates de beroemdste Griekse geneesheer,
in Pergamum, Alexandrië en in 164 na Chr. te Rome. Tal van werken.
1665. _Paulus Aegineta_, beroemd Grieks chirurg, in Aegina geboren,
volgens sommigen in de IVe, Ve, VIe, volgens anderen zelfs in de VIIe
eeuw na Chr. Schreef een beroemd Compendium van de Medicijnen. Pauli
Aeginetae de re medica libri septem, (gedrukt Venetië 1528, verbeterd
Bazel 1538.)
1671. Bij een ander verhaal zal daar over wel, is gesproken
worden. Over de compositie van de Trouringh, zie Inleiding blz. VIII,
vv.
1689. _Erasistratus_, beroemde arts in Ceos, ± 300, lijfarts van
Seleucus Nicator. Vgl. vs. 1621. Stichter van een eigen mediese school.
1705. _uytmuntende_, vgl.: "dat de selve geen uytmuntende gebreken
aen haer lichaem was hebbende" (bedoeld zijn "verlemtheyt, bultigheyt
of diergelijcke")--"Of yemant, hebbende een uytmuntende lichamelick
gebreck dient getrout."--"Yemant soude willen aanraden tot sodanige
uyt-muntende gebreken (d. i. een openbaer sienlijck of tastelick
gebreck), immers niet om des rijckdoms wille."
1724. _meloenen_. Vgl.: "Het en beurt niet selden dat de menschen
haer met Meloenen een sieckte op het lijf eten. Want sy bederven
lichtelijck, en in den buyck bedorven sijnde, nemenze byna de nature
van vergif aen, ende veroorsaken een sieckte, die wy Boorts noemen,
ofte eenighe quaedtaerdighe koortsen..." I. van Beverwyck, Schat der
Gesontheyt, (enz. 1651) blz. 104.
1740. Verschillende leuke voorbeelden van handige "Doctoren" bij I
van Beverwyck, Schat der Ongesontheyt, (1651), blz. 5.
1762. _dat jae_, meermalen bij Cats, ook: "ick meyne dat neen", naast:
"ick meyne ja".--zie 1830; vgl. Frans: que oui, que non.
1772. _het vogeltjen onder de steert sien_. Harrebomée, Spreekw. "dat
beteekent: ik moet eerst de zaak navorschen, 'zoo als de vogelaars',
zegt van Eijk, 'om te onderzoeken, of het dier geen gebrek heeft'". Zie
ook van Eijk, Nederlandsche Spreekwoorden (1838), 92; Bogaert,
Toegepaste Spreekwoorden (1852), 91.
_dagh en raet_, komt er tijd, komt er raad. Ook
Harrebomée. Spreekwoordenboek 3 dln., 1858-1870, die verwijst naar
Servilius, Adagiorum epitome (enz.), Antwerpen 1545, blz. 253; Gemeene
Duytsche Spreekw. gedrukt tot Campen, bij Peter Warnersen, in den
Witten Valck, _s. a._, blz. 12; Sartorius Adagiorum (enz.) 1556,
blz. 128; Tuinman, Oorsprong en uitlegging (enz.) 1726/7, I, 331.
1773. Vgl. 105 vv.
1781. _Martin-Antoine Delrio_, geleerde Nederl. Jezuiet, 1551
(Antwerpen)--1608 (Leuven). Van hem: Disquitionum magicorum libri
sex. Leuven, 1599.
1790. Oversettinge van Hieronymus; in de Vulgata: door verschillende
synoden (laatstelijk Trente) geauthoriseerde Lat. Bijbelvertaling.
1791. _dient daerom na-gesien_: "te worden" door vele grammatici
geëist, ontbreekt hier. Vgl. Van Helten, Vondels Taal, Synt. § 248
en Tijdschr. XI, 180.
1839. Het gemene recht, het recht dat algemeen geldt in een landstreek,
Ned. Woordenb.--De Gemene rechten zullen doelen op het Rom. Recht;
naast de landrechten, elk in hun biezondere streek.
1841. _gaende maecken_, vgl.:
"Waer gelt en schoonheyt is, daer zijn gewenschte zaken,
Die met een stille kracht de menschen gaende maken."
"die hem de sinnen gaende maken."--"de jeught, de min, de nacht,
die als een stille wint de lusten gaende maken."
1844. _Justus Lipsius_, de beroemde humanist. 18 Oct. 1547-24 Maart
1606, prof. in Leiden en Leuven; o.a.: Monita & Exempla politica,
Leiden, 1601. Vgl. verder het Leven en Werken in Bibliographie
Liptienne (Gand 1886).
1851. De Joden, het uitverkoren bondsvolk, vgl. Genesis XVII. Daarna
onder de Nieuwe Bedeling: het Genadeverbond, ook over andere volken
zich uitstrekkend; vgl. Hebr. VII, 22; VIII, 6, 13; I Kor. XI, 25;
II Kor. III, 6, 14, ook Matth. XXVI, 28. Teken: de doop, vgl. 624;
vgl. het Belijdenisformulier, Art. XXXIV.
Calvinisties betoog.
1863. Oud-christelike voorstelling die berust op allegoriese
verklaring van het Hooglied bij de Joden: Sulamith, de geliefde, =
Joodse volk; de minnaar, Jehova; vgl. o. a. ook Ezech. XVI; later
pasten de kerkvaders (Origenes, Hieronymus) dit op de gemeente van
Christus toe; vgl. Chr. de Bruidegom in het N. T.; toen niet meer
allegories maar in mystiese zin verklaard. Ook aldus in de Protestantse
Kerk. Vgl. het Trouwformulier.
1887. de een met de ander: met elk-anderen. Vgl. o. m.: "gehoude
lieden met onderlinge bewilginge sigh van den anderen wel mogen
onthouden."--"twee, die geen vryheyt hebben van verkiesinge, krijgen
dickmael een af-keer van den anderen."
1889. Wel zou de man zijn vrouw niet haten, toch haat de dwaling
de waarheid.
_Hypolite Salviani_, Italiaans medicus en natuurkundige, 1514-1572,
pauselik lijfarts, o. a. van Julius III. Is hier bedoeld De crisibus
ad Galeni censuram liber (1558)?
1892. _Henniagus Arnisoeus_, Duits geneesheer (1580, Halberstadt-1626);
lijfarts van Christiaan IV van Denemarken; schreef vele mediese en
juridiese werken, o. a. De jure connubii.
1902. De brief van Paulus aan Philemon.
1906. _Molin_, Petrus Molinaeus (du Molin) 1568-1658, Frans
Hugenoten-prediker, na 1620 prof. theol. in Sedan. Ging 1615 naar
Engeland op verzoek van Jakobus I. Zie G. Gory, P. d. M., Paris
1888.--Is bedoeld "Conseil fidèle et salutaire sur les mariages des
personnes de Religion contraire"?--Zie Jöcher, Gelehrten Lexicon.
1916. _immers_ = altans, vgl.:
"Het maeckt een groot gherucht,
Het schijnt of dat 'et krijst, of immers dat 'et sucht."
Vgl. een andere plaats 1705 A.
1918. _sedigheyt_, vgl. woest; _geloove_, ongeloovigh, 1907, zie
1848, vv.
1920. Vgl. Paulus aan de Korint. I, 16, welk vers in Cats-z'n tijd op
vs. 12, 13, 14 slaat.--Vgl. Grotius, Annotationes in N. T.: "Magnam
enim vim habeat in animos sancta viri aut mulieris conversatio".
1939. _Vrij wat slots hebben_, slot hebben = zin hebben, sluiten, vgl.
"'t Is beyde sonder maet, en tegen goede zeden,
't Is beyde sonder slot, en buyten alle reden."--
"Als er iemand boecken schrijft
De leser lacht, de leser kijft
De leser prijst, de leser spot
En beyde dickmaal sonder slot."--
"Wat gaet de slimme gast alhier te voorschijn halen
Of fabels sonder slot en oude leugen-talen,
O, regter! achtet niet al wat de bouve seyt
Ten heeft geen ander slot, als slegts een loos beleyt."
1972. Dochters Laban; vele Hebr. eigennamen in de Septuagint en in
't N. T. onverbuigbaar; vgl. vooral Matth. I; Luc. III, 23, 30, 32; X,
30; XVIII, 35; Joh. XVIII, 1; vgl. Robertson (Louïsville, Ky U. S.), A
Grammar of the Greek New Testament in the light of historical research3
(1919).--Thackeray, a Grammar of the O. T. in Greek I (1909).
1979. _nachtegael_. Vgl.:
"O nachtegael die op de peluw sit
Ghy kond voorwaer te wonder krachtigh singen."--
vgl. ook? Ver nachtegael, Kalff, 360, 355.--Nachtegaal op de peluw:
vrouw, die in bed knort! Van Dale-Manhave.
Harrebomée, Spreekw. kent nog: Het is een nachtegaeltje op de peluw:
dat is: moeder zingt 's nachts haar kind in slaap.--Een kwaad wijf,
is een kwade nachtegaal.--Dat is maar om kennis te maken, zei losse
Filip, en hij lichtte zijne vrouw met een houten lantaarn naar bed,
daar de nachtegaal zeven jaren op gezongen had.
1981. Veel vermag de smeektaal van de vrouw.