Het hulpwerkw. hoort bij de volgende infinitief, een transitivum,
dat met "hebben" vervoegd wordt.
Schijnt een Noordhollands eigenaardigheid.
Vgl. Kern, De met het Participium Praeteriti omschreven
Werkwoordsvormen in 't Nederlands (Verhand. Kon. Acad. 1912) § 226,
blz. 200/1 en § 77, blz. 64/65.
939. _uithangen_, c. dat. pers. "Hoe is mijn uiterlik voorkomen? Zoo
zeggen wij nog van iemand, die zich uiterlik als vroom voordoet,
dat hij _den vrome uithangt_, en van een leelijk, wanstaltig mensch,
dat hij _een slecht uithangbord heeft_", Cats, ed. de Vries de Jager,
Deventer, V, 68 noot.--Vgl.:
"Maer segh hoe wort doch Faes van u soo gansch versteken?
Wat hanght de Jonghman uyt? Wat heeft hy voor gebreken?"
947. Wat beduiden deze regels? Men zou kunnen denken aan: volle
maagdelike rijpheid; toen zij op haar middaghoogte was. Daartegen
strijdt echter "terstont" (945).--Of maakt de juffer tweemaal 's
daags toilet? Met den noen (voor zij tafelt) en 's middags (voor zij
uitgaat)?--Of zijn eenvoudig "noen" en "midden op den dagh" synoniem,
op de middag, in 't volle licht?
950. _vougen tot_ = vereenigen met; vgl. vervoegen = vereenigen,
bij Huyghens (Panth. 79, 9) en Pastor Fido van Bloemaert, 1650, p. 130:
En wilt met d'uwe toch vervoegen ons' gebeden.
_syn leden_ = zich; vgl. ick schenck u dese leden, 714; als ick
... myn leden overslough, 948. Vgl. nog het passieve in:
"Gij dan, van eersten aen dat _uwe_ teere _leden_
Syn tot den man gedaen, soe voeg u naer den reden."