"Welnu! Ik ben begonnen met aan hem en aan Heynsz het bevel voor te

lezen, om den Heer Van Lintz te libereeren:--vervolgens heb ik mij naar

Lodewijk begeven, en hem, met permissie van dienzelfden Doedes, die mij

zoowel een zotte Dokter als een zotte Drost toeschijnt, na behoorlijke

preparatie, het overlijden van zijn Heer Papa gecommuniceerd. Hij was,

't is zonde dat ik het zeg, meer verbaasd dan bedroefd--enfin! hij

scandaliseerde mij en ik ben maar spoedig van hem afgeloopen, na hem den

brief te hebben gelaten, die, hoop ik, meer _impressie_ op hem zal

maken. Toen heb ik aan dien Doedes gezegd, dat ik u moest zien en

spreken, en de vent heeft, met al zijn wijsheid en waan, het niet durven

weigeren aan iemand, die zulk een mooien rok aan had, die hem een bevel

van H.H.M.M. bracht en die op zulk een hoogen toon tegen hem sprak.--En

nu ben ik hier--en recht verdrietig, van u in zulk een gek parquet te

zien; want ik hoor, dat het hier geen quaestie van een duel is, maar dat

Lodewijk u van moord beschuldigt."

"Hij liegt, Reynhove! bij al wat heilig is, hij liegt."

"In dat geval is het een heel gemeene leugen, en hoop ik, dat hij tot

inkeer zal komen.--Maar...."

Op dit oogenblik werd ons gesprek gestoord door een groote drukte aan de

deur, die met gedruisch openging; terwijl Reynszen, Pulver, Helding,

Heynsz en de Stokbewaarder bijna allen gelijktijdig binnendrongen, en

allen dooreen schreeuwden.

* * * * *

NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

HETWELK BEKENTENISSEN EN STERFBEDDEN AFSCHETST: ZEER MELANCHOLIEK OM TE

LEZEN.

"De Heer Blaek verlangt u te spreken," riep Reynszen mij toe.

"Hij zal bakzeil inhalen!" schreeuwde Pulver.

"Hij wil met geen leugen de eeuwigheid ingaan," zeide Helding.

"De Heer Van Lintz is al gewaarschuwd," riep Heynsz.

"Mijne Heeren!" zeide ik, opstaande: "wij kunnen wel allen te gelijk

zingen, maar niet te gelijk spreken; mag ik vragen, wat er is

voorgevallen, of welke tijding gij brengt?"

"Stil! stil!" zeide Reynszen, tegen de overigen, die opnieuw vooraan

drongen: "ziehier het geval. De Heer Blaek heeft een brief van zijn

vader ontvangen, die, God vergeve het hem, zichzelven verdaan heeft. Wat

het geval recht is, weet ik niet; maar hij heeft verlangd, den

geïnculpeerde, benevens den Heer Van Lintz en dien Heer" (op Reynhove

wijzende) "te spreken. Ik wensch van harte, Mijnheer Huyck! dat het tot

uw voordeel zij: doch ik mag u nog met niets vleien. Wees zoo goed mij

te volgen."

Er was geen bevel, waaraan ik met meer bereidwilligheid voldoen kon: ik

kleedde mij, en eenige oogenblikken later waren wij allen aan het huis

van Doedes, die ons aan de voordeur ontving.

"Hoe is het met den lijder?" vroeg hem Reynszen.

"Hm!" antwoordde hij: "slechte _symptomata_--brief gelezen--flauwten

gehad--gisteren nog druk en woelig--met alles ontevreden--harde

bedden--slechte bediening--rijkeluisklachten,--en nu--stil--gedwee--mak

als een lam--geen koorts--erger--zwakte--vriendelijkheid--mis--slecht

afloopen."

Wij volgden den Drost naar het vertrek van den zieke, alwaar zich de

Heer Van Lintz en zijn dochter reeds bevonden, die bij onze komst

oprezen en mij zwijgend de hand kwamen drukken. Na een stillen

wedergroet, wendde ik de oogen naar de bedstede des gewonden, en ik kon

niet nalaten, ondanks de redenen van wrevel, die ik tegen hem voedde,

een diep medelijden te gevoelen met den toestand, waarin ik hem

terugvond. Dat kort te voren nog zoo forsch en moedig gelaat was geheel

ingevallen. Door het strakke vel schenen de beenderen heen, een akelige

bleekheid was over het geheele wezen verspreid en de in hun kassen

weggezonken oogen van allen glans beroofd. Hij lag achterover, en zoo

onbeweeglijk, dat ik hem in het eerste oogenblik voor dood hield: hij

scheen echter mijn nadering te bespeuren, draaide het hoofd even naar

mij toe en herkende mij: een licht rood bedekte even zijn gelaat: hij

wendde het hoofd nog verder om, totdat hij Doedes in 't oog kreeg, en

vroeg, met een flauwe stem, of de Notaris nog niet gekomen was.

"Notaris naar Midland"--antwoordde Doedes: "boodschap gestuurd--komen

als hij terug is."

Dit verwijl scheen den lijder te hinderen: hij deed eenige moeite om

zich in 't bed op te richten: zijn bedoeling bemerkende, trad de

oppasster, die hem verzorgde, toe, en met behulp van deze gelukte het

hem een zittende houding aan te nemen. Wij stonden intusschen allen met

pijnlijk ongeduld te verbeiden, wat de uitslag zijner mededeeling zoude

wezen.

"Mijne Heeren!" zeide hij, met een flauwe en bevende stem, die

langzamerhand in kracht en vastheid toenam: "ik heb u verzocht, hier te

komen. Ik voel, dat het spoedig ... met mij gedaan zal wezen ... en ik

wil ... zooveel in mij is, herstellen, wat ik bedorven heb."

Hier hield hij een oogenblik stil, als om nieuwe kracht tot spreken te

vergaderen. Allen bleven wij hem zwijgend aanstaren, in gespannen

verwachting.

"Het eerste wat ik doen moet," vervolgde hij, "is, hier in

tegenwoordigheid van den Voorzitter van Schepenen en van den Drost, te

verklaren, dat ik den Heer Huyck valschelijk heb beticht ... en dat hij

geheel onschuldig is aan de wond, die mij het leven kost."

"God zij gedankt!" hoorde ik Amelia, met een flauwe stem achter mij

uitroepen, en mijn hart zeide haar dien uitroep na.

"Hm!" zeide Doedes: "_confessio in articulo mortis_: eerst zóó

spreken--nu weer anders--moord toch gepleegd--dader op 't kerkhof?"

"Dat zou je wel kunnen raden," mompelde Heynsz, "want Zwarte Piet is

begraven, en zoo die het niet gedaan heeft, weet ik niet wie er aan

zoude zijn coupabel."

"Och ja!" zuchtte Helding: "op het kerkhof ligt hij naast mijn arm

kind!--verleden Maandag heb ik hen beiden ter aarde besteld. Zij zijn in

den dood vereenigd, die levend van elkaar gescheiden waren."

"Indien het den zieke niet te veel vermoeide," zeide Reynszen: "zou hij

wel eenige nadere inlichtingen aan de Justitie dienen op te geven, dan

konnen wij daar acte van opmaken."

Lodewijk knikte met het hoofd ten teeken van goedkeuring, en Reynszen,

zich aan een tafel zettende, maakte zich gereed zijn verklaring op te

teekenen.

"De Heer Van Lintz," zeide Lodewijk, "zal zich herinneren, mij eenige

woorden te hebben toegevoegd, nopens papieren, onder hem berustende, en

welke invloed op mijn fortuin konden maken. Ik weet thans, dat die

bedreiging niet ijdel was:--maar hierover nader. Genoeg, zij

verontrustte mij--en dit was de oorzaak, dat ik hier bleef, ten einde te

zien, wat het gevolg daarvan zoude kunnen zijn.--Ik was ongerust,

ongedurig, als gejaagd--ik begreep, dat ik in de bewuste zaak een weinig

voordeelige rol gespeeld had:--ik had uit blinde wraakzucht tegen den

Heer Van Lintz, uit haat en liefde (want ik weet niet hoe het gevoel te

bestempelen, dat zijn dochter mij inboezemde) mij verlaagd om een

handlanger der Justitie te worden--en zag te laat in, hoe verachtelijk

mij zulks in aller oogen maken zoude: kortom! ik was wrevelig en vol

spijt; maar, gelijk het gaat, ik beschuldigde iedereen behalve

mijzelven, en vloekte op den Heer Van Lintz, op mijn dwazen hartstocht,

op Heynsz--maar bovenal op den Heer Huyck, wien ik als mijn doodvijand

beschouwde. Ik was naar mijn jacht gekeerd! maar bracht den nacht

slapeloos door, en keerde, zoodra het dag werd, naar wal, met een koppel

pistolen voorzien, en van zins den Heer Huyck tot een tweegevecht uit te

dagen. Hem niet aan de herberg vindende, liep ik het duin in, met het

oogmerk van hem op te zoeken, toen ik den persoon van Sander Gerritsz op

zijde kwam. Nauwelijks had deze mij aangeblikt, of hij kwam in drift op

mij af, en schold mij in hevige bewoordingen voor den moordenaar zijner

liefste uit. Weinig lijdzaam van natuur, en wrevelig bovendien wegens al

wat er gebeurd was, gaf ik hem een slag in 't aangezicht; waarop hij mij

in de borst greep en er een worsteling tusschen ons beiden ontstond, aan

welke ik een einde maakte door een pistool uit mijn zak te halen en hem

door 't hoofd te schieten. Hij wankelde, maar zijn laatste krachten

bijeenzamelende, trok hij zijn mes, stootte het, eer ik het verhinderen

kon, mij in den strot, en viel toen stijf achterover, terwijl ik te

gelijker tijd bedwelmd nederstortte en niet weer bijkwam, dan toen ik,

in 't leven teruggeroepen, den Heer Huyck nevens mij herkende. Toen was

het, of mij een helsche geest influisterde, dat ik hem van den moord

betichten moest. Ik voldeed aan die inblazing; later deden wraakzucht,

haat, valsche schaamte, mij bij mijn verklaring volharden. Maar de

ontzettende tijding, die ik heden bekomen heb, en de mededeelingen, mij

door mijn ongelukkigen vader gezonden, hebben mij de oogen geopend. Ik

heb de hand van God herkend, die het kwaad niet ongewroken laat.--Ik heb

van mijzelven geijsd:--en van al de ongerechtigheden, die ik bedreven

heb. Gave de Heer, dat ik die alle kon herstellen, gelijk ik deze doe

... en gij, Mijnheer Huyck!... Mejuffrouw!... mijn goede Helding!...

vergeeft mij ... opdat God mij vergeve."

Bij het uiten dezer laatste woorden verzwakte zijn stem merkbaar en hij

zakte in elkander, als iemand die een poging boven zijn krachten gedaan

heeft. Wij traden dichter aan zijn legerstede om hem die geruststelling

te schenken welke hij verlangde.--"Ik vergeef u," zeide Van Lintz: "want

ik weet bij eigen ondervinding te wel, tot welke uitersten gekrenkte

eigenliefde en toomelooze zucht ter inwilliging onzer neigingen ons

kunnen voeren. Gij hebt u willen wreken ... ik ken dat gevoel ... ik heb

het ook eenmaal ... en te vreeselijk ... ingewilligd." Dit gezegd

hebbende, trad hij terug en bleef in sombere gepeinzen staan.

Helding drukte den lijder zwijgend de hand; maar was buiten staat zijn

vol gemoed uit te storten. "Ik betuig oprecht Mijnheer Blaek!" zeide ik,

op mijne beurt naderende, dat bij mij geen greintje wrok tegen u

overblijft; en moge de Algoede u niet alleen zoo volkomen vergeven als

ik u vergeef;--maar u behouden om door een oprechten wandel zijn naam te

verheerlijken."

"Hm!" zeide Doedes, naderende, en zijn patiënt den pols voelende:

"zwak--_lassitudo_--niet allen hier blijven--heengaan--hm!"

"Wel ja!" zeide Reynszen: "mij dunkt, het is nu alles beklonken: ik heb

de verklaring opgemaakt, die de gewonde heeft afgelegd, zoo hij die nog

verkiest te hooren en in staat is, die te teekenen, dan zie ik geen

zwarigheid, den Heer Huyck onder handtasting te ontslaan; want de

depositie van Andries Matthijssen is bij mij ook geen oortje waard en

naar hetgeen onze vriend Heynsz vertelt, loopt hij meer kans zelf de

galg te kussen, dan er anderen aan te helpen."

Lodewijk, eenigszins bijgekomen zijnde, toonde zich bereid, de

verklaring te hooren lezen, en te teekenen, een daad, welke hij, schoon

met moeite, ten einde bracht. Toen wilden wij afscheid van hem nemen en

ons verwijderen, maar hij gaf te kennen, dat zijn gemoed nog niet geheel

ontlucht was en dat hij nog iets met den Heer Van Lintz had af te

handelen, waarbij echter alleen Reynhove en ik getuigen mochten zijn,

weshalve hij verzocht, dat al de overigen het vertrek zouden verlaten.

Toen men aan zijn verlangen voldaan had, bleef hij nog een wijl op de

deur staren, als vreezende, dat iemand het in zijn hoofd mocht krijgen,

terug te keeren, en zich tot Reynhove wendende: "schuif den grendel

dicht!" zeide hij met een ongeduldige beweging: "en gij, Huyck! schenk

mij dat glas nog eens vol ... mijn lippen branden."

Ik bood hem het gevulde glas aan: hij dronk het met langzame teugen

ledig, terwijl wij elkander aanzagen, niet zonder nieuwsgierigheid, waar

dit alles op zoude uitdraaien. Eindelijk zette hij het glas neder,

haalde van onder zijn dek een papier voor den dag, hetwelk hij tusschen

de vingers frommelde en, Van Lintz aanziende, begon hij in dezer voege:

"Gij hebt mijn vader vroeger gekend, Mijnheer?"

Van Lintz beantwoordde deze vraag met een koele buiging.

"Gij hebt waarschijnlijk vernomen, hoe zijn uiteinde is geweest,"

vervolgde Lodewijk: "maar wat gij noch iemand weet, hetgeen ik zelf

eerst op dit oogenblik vernomen heb, is het zielelijden, waarmede hij

zoovele jaren geworsteld heeft, en dat hem thans het leven gekost heeft.

Het is echter nuttig, dat gij drieën hiermede bekend zijt, opdat gij ten

minste bij anderen, die geneigd mochten zijn, over hem een onbarmhartig

vonnis te vellen, de getuigenis zoudt kunnen afleggen, dat hij meer te

beklagen dan te veroordeelen was. Lees dezen brief overluid, Huyck!--en

gij zult beseffen, welke uitwerking hij op mij maken moest."

Ik nam het papier van hem aan en las. Het was de brief, dien Reynhove

had medegebracht, en de inhoud luidde als volgt:

"Wanneer gij dezen brief ontvangt, mijn zoon! zal uw vader voor den

rechterstoel des Allerhoogsten verschenen zijn:--en, zoo de wroeging van

een sedert vijftien jaren gefolterd geweten mij dringt, dit leren te

verlaten, gij, ongelukkige! gij, die alleen in staat zoudt geweest zijn,

mij de rust terug te geven, en mij met het leven te verzoenen, gij

verhaast den stap, die mij de eeuwigheid invoert.

"O! dat ik vroeger gesproken had! Wellicht zoudt gij aan mijn raad, aan

mijn wensch hebben gehoor gegeven en het hart pogen te winnen van haar,

die ik voor u bestemde. Een huwelijk tusschen u en uwe nicht had alles

vereffend!--maar wat zeg ik?--Het heeft zoo moeten zijn. Gij waart een

zoo beminnelijke, zoo deugdzame gade niet waardig; en ik was bestemd, de

straf voor mijn misdrijf te ontvangen en de schande, die mij wacht, in

het graf te ontvlieden.

"Dan, de tijd is te kort:--en ik moet mij haasten, de laatste

levenskrachten, die mij nog overblijven, te besteden. Luister

dan:--beklaag mij: vloek mij niet: en laat mijn voorbeeld u tot leering

strekken.

"Gij zult wel gehoord hebben, dat mijn broeder en ik, in vroegere jaren,

veel moeite hadden om behoorlijk rond te komen, en dienvolgens onze

fortuin buitenslands gingen beproeven. Men heeft er u bij verteld, dat

ik gelukkig slaagde, terwijl het hem tegenliep. Hoor thans voor 't eerst

de zuivere waarheid:

"Van mijn jeugd af had een onverzadelijke dorst naar schatten mij de

ziel beheerscht. Ik zag zooveel rijkdom en weelde om mij heen, dat ik

het denkbeeld niet verdragen kon, voor anderen, die mij in stand en

geboorte gelijk waren, te moeten onderdoen. En echter scheen ik daartoe

bestemd; want mijn vader bezat weinig buiten hetgeen zijn ambt hem

schonk, en zijn levenswijze was niet van dien aard, dat hij veel kon

sparen. Ik besloot dus, toen ik tot jongelingsjaren gekomen was, dat een

goed huwelijk het eerste middel zoude zijn, om mijn doel te bereiken. Ik

slaagde naar wensch;--immers ik dacht zoo:--ik zag niet naar schoonheid

of zielsgaven: ik zocht slechts een rijke vrouw en trouwde haar

schatten. Mijn eerste straf was het noodlottige leven, dat ik met uw

moeder leidde;--ik wil daarover niet uitweiden. Zij stierf en toonde mij

den haat, dien zij mij toedroeg, door bij uitersten wil te bepalen, dat

haar vermogen op u zou komen, zonder dat ik daarvan eenige vruchten zou

mogen trekken. Ik was nu even ver als ik te voren was: ik besloot naar

de West te gaan en daar mijn fortuin te beproeven, terwijl ik u bij de

meervermogende familie uwer moeder achterliet.

"De uitkomst beantwoordde wederom niet aan mijn verwachtingen. Na jaren

vol tegenspoeds keerde ik terug en kwam te Lissabon aan. Daar ontmoette

ik den Graaf van Talavera, die er voor de belangen van het Spaansche hof

aanwezig was; en ik hernieuwde met hem de kennis, die ik vroeger met hem

als Baron Van Lintz had gemaakt. Van hem bekwam ik tijding van mijn

Broeder, die tevens zijn zwager was (zij hadden elk eene Juffrouw

Reefzeil getrouwd) en vernam, hoe deze, die insgelijks zijn fortuin

buitenslands was gaan beproeven, en zaken in de Levant had verricht, te

Lissabon werd verwacht. Ik nam voor, zijn komst te verbeiden: en

werkelijk, hij kwam weldra opdagen; maar zijn uiterlijk verried geen

rijkdom. Nauwelijks was hij een paar dagen met ons geweest, of hij werd

door een hevige ziekte overvallen, die hem, na een korte ongesteldheid,

aan den rand des grafs bracht. De Graaf van Talavera deelde met mij de

zorgen zijner verpleging en was de eerste, die hem waarschuwde, dat hij,

naar het oordeel des geneesheers, weinige dagen levens meer overig had,

en orde op zijn zaken stellen moest. Mijn broeder glimlachte op een

droevige wijze. "Dit laatste zal mij weinig moeite kosten," zeide hij:

"Ik had gehoopt mijn dochter, mijn eenigst pand, te zullen terugzien en

haar de welvaart, die ik voor haar vergaarde, zelf te brengen: nu zal

mijn broeder zich met die taak dienen te belasten."--Wij zagen elkander

verwonderd aan, de Graaf en ik; want wij begrepen niet, waar die

welvaart schuilen kon. Toen haalde mijn broeder een dikken rotting voor

den dag, die aan zijn voeteneinde lag, en waarmede wij, wegens haar lomp

fatsoen, meermalen den spot hadden gedreven. Hij verzocht mij den knop

er af te draaien en hetgeen zich daarin bevond op de tafel uit te

schudden. Ik deed zulks, en nu ontdekten wij met verbazing, dat de stok

hol en geheel gevuld was met edelgesteenten van een onschatbaren prijs.

Mijn broeder nam er eenige van af, en mij die ter hand stellende, zeide

hij: "deze zijn voor u, en zullen u, zoo gij die met overleg verkoopt,

in staat stellen uw fortuin weder op te bouwen. De overige zult gij aan

mijn dochter brengen, als haars vaders erfdeel...."--Toen gelastte hij,

dat men een juwelier zou roepen: er werd een inventaris opgemaakt,

waarop de prijzen volgens taxatie genoteerd werden: en daarvan een

afschrift aan mij en een aan den Graaf ter hand gesteld; terwijl wij

beide stukken teekenden en de bestemming der juweelen daarop vermeldden.

Weinige dagen later stierf mijn broeder in mijn armen, en terwijl zijn

stervende mond mij zijn dochter aanbeval. Ik bleef niet langer te

Lissabon dan voor de begrafenis noodig was, en zeilde af naar Amsterdam.

"Ondertusschen was ik weinig tevreden, wanneer ik de fortuin, die mijn

broeder gemaakt had, met de mijne vergeleek; en zonder te bedenken, dat

hij geen genot van zijn moeizaam verkregen schatten had gehad, terwijl

ik de toekomst nog voor mij had, dacht ik er slechts aan, om mijn nicht

te benijden, die zoo gemakkelijk aan een erfenis kwam, waarop ik, zonder

haar, alleen aanspraak zoude gehad hebben. Nu fluisterde mij de duivel

in: waarom zoudt gij dien schat aan uw nicht brengen? behoud hem voor

u-zelf, drijf er handel mede, en maak het op een andere wijze goed met

de dochter uws broeders. Geen haan zal er naar kraaien, en de Graaf van

Talavera zal er zich in Spanje niet over bekommeren, of gij aan het

vertrouwen uws stervenden broeders beantwoord hebt. Ik was te Amsterdam,

zonder tot een besluit gekomen te zijn: men was aldaar reeds van den

dood mijns broeders onderricht, en te gelijk overtuigd (zoozeer had hij

zijn winsten bedekt gehouden), dat hij arm gestorven was. Nu had ik de

zwakheid, of noem het de laagheid, de lieden niet uit den droom te

helpen: ik verkocht mijn juweelen, of liever die mijner nicht niet op

eens, maar langzamerhand, en begon een handel, dien ik meer en meer

uitbreidde. Ik was voorspoedig. Het scheen alsof het onrechtvaardig

verkregen geld in mijne handen moest gezegend worden; dan innerlijk was

ik verre van mijn voorspoed te genieten.

"Eenige jaren waren verloopen, toen ik (nog sidder ik bij de

herinnering) een brief van den Graaf van Talavera ontving. Hij had,

schreef hij, vernomen, dat ik zeer vermogend was geworden, terwijl men

van mijn nicht niets af wist: kortom de brief gaf niet onduidelijk te

kennen, dat hij iets van de zaak vermoedde. Hij eindigde met mij te

melden, dat hij het duplicaat van den inventaris naar Amsterdam zou

overzenden en bij den Notaris Bouvelt doen deponeeren. Dit bericht

ontzette mij: om tegen den dreigenden slag gewapend te zijn, liet ik

terstond mijn nicht van de school komen, waar zij zich bevond, nam haar

bij mij en behandelde haar als mijn eigen kind, voornemens zijnde om,

zoo ik aangeklaagd werd, dadelijk rekening en verantwoording te doen.

Maar nu bekwam ik de tijding, dat de Graaf in ongenade en naar Amerika

was--en een jaar daarna verspreidde zich het gerucht van zijn dood. Ik

was thans van mijn grootste zorg ontslagen; want ik hoopte altijd, dat

hij zijn bedreiging om dat papier over te zenden, niet had ten uitvoer

gelegd. Intusschen had ik Henriëtte als een dochter liefgekregen, en hoe

meer ik haar leerde kennen en waardeeren, hoe feller verwijtingen ik mij

deed van haar een vermogen te hebben onthouden, dat haar rechtmatig

toebehoorde. Toen kwam het denkbeeld bij mij op, dat een huwelijk

tusschen u beiden alles in 't gelijk, zoude brengen: en ik behoef u mijn

streven naar dat doel niet voor den geest terug te brengen; het is u

genoeg bekend.

"Verbeeld u mijn schrik, toen ik eenige dagen geleden, den man, dien ik

dood waande, ten huize van den Notaris Bouvelt ontmoette en van hem

hoorde, dat de bewuste inventaris zich onder andere papieren bevond, die

hij indertijd, wel verzegeld, naar Amsterdam had overgezonden en nu was

komen terugeischen; terwijl hij tevens dreigde, mijn gedrag openbaar te

zullen maken. Ik had ook toen nog mijn volslagen schande kunnen

voorkomen, door aan mijn nicht haar vermogen uit te keeren en er bij te

voegen, dat ik haar om wijze redenen tot nog toe verborgen had gehouden,

hoe rijk zij: was; maar valsche schaamte belette mij, dien stap te doen,

daar ik vreesde, dat de ware toedracht der zaak bekend zoude worden. Ik

smeekte derhalve den Heer Van Lintz, mij mijn goeden naam niet te

ontrooven: ik stelde hem uw huwelijk met Henriëtte als een bepaalde zaak

voor: ik bood hem mijn invloed bij onze bewindslieden, mijn hulp ter

ontvluchting aan. Door mijn gebeden verwonnen, nam hij aan om, zoodra

hij in veiligheid zou zijn en de tijding van uw huwelijk bekomen had,

mij het noodlottig duplicaat te zenden.

"Uw onberaden daad, om den man, van wien ik alles te vreezen had, in

handen der Justitie te leveren, heeft al mijn pogingen verijdeld. Het

bewuste stuk is daardoor, met de overige bij hem gevonden papieren, in

beslag genomen, naar Amsterdam gezonden, en in handen van den Heer

Hoofdofficier. Zooeven kom ik van zijn kantoor. Hij had mij laten roepen

om te vernemen, wat het opschrift: _Inventaris der juweelen enz.,

toebehoord hebbende aan den Heer Hendrik Blaek en thans het eigendom

zijner dochter Henriëtte Blaek_, te beduiden had. Wat ik geantwoord heb,

weet ik niet, maar ik weet wat het gevolg zal zijn, indien dit stuk

geopend wordt: en de schande, die mij wacht, wil ik niet beleven. God

vergeve mij de misdadige wijze, waarop ik dit leven verlaat: Hij vergeve

mij de slechte tucht, waaronder ik u gehouden heb, en doe u tot inkeer

komen, opdat gij van den verkeerden weg terugtreedt, dien gij tot nog

toe bewandeld hebt, en u spiegelt aan het vreeselijk voorbeeld van

Uw ongelukkigen vader

JACOBUS BLAEK."

"Gij ziet het, Mijne Heeren!" zeide Lodewijk, toen ik ten einde gelezen

had, terwijl hij zijn hoofd in de handen verborg: "ik ben de oorzaak van

mijns vaders dood.--Maar thans vraag ik u om raad, u, die tot nog toe

alleen met het geheim bekend zijt, is er niets aan te doen om zijn

nagedachtenis te sparen.--Wat Henriëtte betreft, zij zal hebben wat haar

toekomt, en meer dan dat."

"Mijnheer!" antwoordde Van Lintz: "de Heer Reynhove heeft mij de mij

ontnomen papieren teruggebracht: indien het bewuste stuk zich daarbij

bevindt, zal ik het aan uw nicht zenden. Zij alleen kan beslissen, wat

daarmede gedaan moet worden."

Hier werd aan de deur getikt en de Notaris aangediend, met wien wij den

lijder alleen lieten: twee dagen later, gedurende welke ik hem vaak

bezocht had, blies hij den laatsten adem uit. Na het lijk te hebben doen

kisten, nam ik, met dat overschot, en onze Hollandsche vrienden, de

terugreis aan naar Amsterdam.

Het was te Harlingen, dat ik afscheid nam van den Heer Van Lintz en zijn

dochter, die nu voornemens waren hun reis te land voort te zetten. "Nu!

mijn vriend!" zeide de eerstgenoemde, terwijl hij mij de hand schudde:

"nu zal het toch eindelijk wel voor goed zijn, dat ik u vaarwel zeg.

Veel zegen op uw ondernemingen. Ik draag u de belangen mijner nicht

Blaek op, want ik verwijt mij half en half, dat ik er niet beter voor

gezorgd heb; doch, zoo iemand, zult gij die behartigen: gij hebt er

dubbele reden toe."

"Ik vrees maar," zeide ik, "dat zij nog te veel tegen mij zal ingenomen

zijn, om mij tot haar zaakwaarnemer te benoemen."

Ferdinand Huyck · 第 50 / 51 段