hoofd schuddende en op een toon van weemoedig verwijt: "ga tot haar, en
vrees niet, haar de geheele, onbewimpelde waarheid te verhalen; zij zal
u geloven;--wees daar overtuigd van: en wanneer gij haar ziet, stel haar
dan uit naam van haar nicht dit aandenken ter hand, en verzoek haar, het
uit liefde voor mij te willen dragen."
Dit zeggende, reikte zij mij een halsband toe, dien zij gedurende haar
verblijf op Ter-Schelling van haar eigen schoone haren gevlochten had,
en aan welks uiteinde zij uiteinde zij een effen gouden kruisje had
vastgemaakt.
"En zult gij mij geen aandenken laten?" vroeg ik, terwijl ik haar met
hartelijkheid de hand drukte.
"Thans niet: ik zal u wellicht er een zenden, wanneer wij op de plaats
onzer bestemming zullen zijn:--en dan wacht ik er een van u--en van uwe
vrouw."
Met deze woorden beantwoordde zij mijn handdruk, sloeg zich den sluier
over 't gelaat en stapte haastig in den wagen, die haar wachtte. Haar
vader nam plaats nevens haar: de zweep des voermans klapte en het
rijtuig voerde beiden uit mijn gezicht. Ik heb hen nimmer teruggezien.
Achttien uren later was ik te huis, in de armen mijner moeder. Ik zal
niet beproeven de gewaarwordingen te beschrijven, welke ons allen bij
dit wederzien bezielden.
Den volgenden dag kwam Reynhove mij afhalen, om naar Mejuffrouw Blaek te
gaan, die naar zijn zeggen, verlangd had, ons beiden te spreken. Wij
vonden haar alleen, in een voegzaam rouwgewaad, bevallig als altijd,
maar bleek, afgemat en diep bedroefd. Zij bloosde even, toen zij mij
wederzag, maar herstelde zich terstond, bood ons stoelen aan en zette
zich over ons.
"Gij beiden, mijne Heeren!" ving zij aan, "zijt getuigen geweest van het
overlijden van mijn rampzaligen Neef...?
"Ja Mejuffrouw!" antwoordde ik, naar eenige papieren tastende, die ik in
mijn rokzak had: "en ik ben belast...."
"Een oogenblik!" hernam zij: "aleer wij over iets anders spreken,
wenschte ik te weten, of iemand buiten u en den Heer Van Lintz kennis
draagt van zekeren brief, door mijn oom aan Lodewijk geschreven?"
"Niemand," antwoordde ik: "ik heb dien brief en zal u dien, zoo UEd.
verlangt, ter hand stellen, benevens...."
"Ik zal dien afwachten," zeide zij: "maar vooraf moet ik u nog zeggen,
dat ik een brief heb van mijn oom Van Lintz, waarin hij mij de
aanleiding mededeelt, welke mijn ongelukkigen oom Blaek tot den stap,
dien hij deed, bewogen heeft, en mij tevens een stuk zendt, volgens
hetwelk ik recht op een aanzienlijk vermogen zou hebben. Ik heb geweend
bij het zien van mijns vaders naamteekening, en bij de gedachte aan al
de moeite, die de brave man zich gegeven heeft, om voor mij een vermogen
te vergaderen;--ik heb die naamteekening er uitgesneden en het stuk zelf
verbrand."
"Hoe!" riep Reynhove verbaasd uit:, een zoo _précieux_ document!..."
"Ik ben te veel aan mijn oom verschuldigd, ik heb te veel bewijzen van
zijn liefde ontvangen, om tot loon daarvan, nu hij dood is, zijn goeden
naam aan te randen. Niemand dan ons is het geheim bewust. Lodewijk heeft
het in het graf medegenomen: mijn oom Van Lintz zal zwijgen, indien ik
het hem verzoek: ook van u, mijne Heeren! wacht ik hetzelfde: men
schrijft den dood mijns ooms aan een beroerte toe:--de ware toedracht
der zaak kan dus voor elk verborgen blijven."
"Maar weet UEd. wel, Mejuffer!" zeide Reynhove, "dat gij een _important_
kapitaal hebt opgeofferd, ten gerieve van een paar dozijn collateralen,
die er u geen dank voor zullen weten?"
"Mejuffrouw offert niets op," zeide ik: "en, hoewel de verdiensten van
haar handelwijze even groot blijven, de nadeelen daarvan worden geheel
weggenomen door het stuk, dat ik de eer heb haar te overhandigen. Het is
het testament van den Heer Lodewijk Blaek, natuurlijken erfgenaam zijns
vaders, waarbij hij, op eenige legaten na, zijn nicht, Mejuffrouw
Henriëtte Blaek, aanstelt tot zijn universeele erfgename."
Henriëtte nam bevende het papier aan, dat ik haar ter hand stelde. Haar
ontroering belette haar te spreken en zij antwoordde niets op de
gelukwenschingen van Reynhove.
"Mejuffrouw!" vervolgde ik, toen zij weder wat bedaarder was geworden:
"de overledene heeft in de laatste uren zijns levens verlangd, dat ik de
man zou zijn, die u dit afschrift van zijn uitersten wil aanbood: hij
voegde er bij, dat het u wellicht ... aangenaam zou zijn ... dat stuk
uit mijne handen te ontvangen. Mag ik mij vleien, dat hij waarheid
gesproken heeft?"
"Mijn Heer!" antwoordde zij, terwijl een hoogrood haar gelaat overdekte:
"het is u ongetwijfeld bekend, dat ik, op den morgen van haar vertrek
uit Amsterdam, een bezoek heb gehad van mijn nicht Amelia."
Ik zag verbaasd op. Zoo had die brave ziel niet geschroomd zich aan een
wellicht onaangename ontvangst te wagen, om mijne voorspraak te zijn.
Het stellige der verzekering, die zij mij gegeven had, was mij thans
opgelost.
"En mag ik hopen," zeide ik, "dat dit bezoek u gunstiger gedachten van
mij heeft doen opvatten?"
"Amelia is een engel," zeide Henriëtte, "en ik vergeef het u nooit, dat
gij niet smoorlijk op haar verliefd zijt geraakt. Wat zij zeide ... hoe
zij ... in 't kort, ik ben verplicht u verschooning te vragen voor de
verkeerde gedachten, die ik van U had opgevat."
* * * * *
Zes maanden later kondigde de Voorzanger in de Oude Kerk met zijn
neusstem (waarvan in het derde Hoofdstuk dezer geschiedenis gesproken
is), werkelijk aan, dat er trouwbeloften bestonden tusschen Willem
Andries Reynhove, Heer van Wijdeplas, Groenewoud en Binnengeest,
Jonkman, met Mejuffrouw Susanna Aletta Huyck, Jonge Dochter; maar liet
daarop een gelijke aankondiging volgen, betreffende Meester Ferdinand
Huyck en Mejuffrouw Henriëtte Blaek.
* * * * *
Hier eindigt het verhaal van den heer Huyck. Daarachter stond, met
de hand van Mejuffrouw Stauffacher, het navolgende geschreven:
Indien het bovenstaande verhaal een roman ware, zoû men den schrijver
met recht te laste kunnen leggen, dat hij den lezer in 't onzekere laat
omtrent het lot van sommige personen, die in zijn lotgevallen een
merkwaardige rol spelen. Daar het echter zijn doel schijnt geweest te
zijn, naar waarheid te vertellen wat hem overkomen is, moet men hem
veeleer prijzen, dat hij niet meer heeft te boek gesteld, dan hij met
zekerheid wist. Vreemd intusschen komt het mij voor, dat hij niet met
een woord melding maakt van hetgeen er verder geschied is met den Baron
Van Lintz en zijne beminnelijke dochter. Wellicht was hun latere
levensloop aan zijne kinderen, voor wie hij zijn opstel vervaardigde,
genoegzaam bekend. Wat mij betreft, ik wil niet ontveinzen, dat ik mij
zeer teleurgesteld vond, toen ik, aan het slot komende, niet te weten
kwam, of hij met den zwerver en zijn lieve dochter later nog door
briefwisseling of anderszins de betrekking onderhouden bleef. Gelukkig
echter kende ik den waren naam des mans, die in het Handschrift onder
zooveel verdichte namen voorkomt, en wist ik uit de geschiedenis, hoe
hij den Russischen Tsaar belangrijke diensten bewees en tot hooge
waardigheden opklom, zonder echter ooit de bijzondere vriendschap des
Alleenheerschers te verwerven. Dezelfde onbuigzaamheid van karakter, die
hem vroeger reeds zooveel vijanden en tegenspoeden berokkend had, en die
er met de jaren niet op verbeterd was, maar veeleer in balsturige
hoofdigheid en wrevel ontaard, was niet geschikt om hem bemind te maken
bij een Vorst, die zelf een onverzettelijken wil bezat, waarnaar hij
alles wilde doen buigen. Er ontstonden vaak hoogloopende verschillen
tusschen hen beiden: en alleen het nut, dat hij begreep van den Baron
Van Lintz te kunnen trekken, om zijn Moskoviten in bedwang te houden,
weerhield Peter, hem naar Siberiën te bannen. Wat Amelia betreft,
ziehier de narichten, die ik omtrent haar bekomen heb van lieden, die
zich harer nog herinnerden. Zij leidde, in de eerste jaren van haar
verblijf in Rusland, een stil en afgetrokken leven, en wederstond al
dien tijd het verlangen haars vaders, dat zij zich ten hove zoude
vertoonen. Eindelijk echter gaf zij toe, en schonk zelfs haar hand aan
een gunsteling des Tsaars, een beschaafd en waardig edelman, maar die
tweemaal hare jaren had. Onzeker is het, of zij dit huwelijk alleen
aanging om haar vader te believen: misschien was zij werkelijk den
vreemdeling genegen en had zij de ongelukkige neiging, die zij in
Holland had opgevat, overwonnen, welke haar handelingen bestuurde, meer
dan de woorden van het verhaal doen vermoeden. Hoe dit zij, zij leidde
een voorbeeldig leven, verspreidde weldaden om zich heen en stierf in
hoogen ouderdom, gezegend door al wie haar gekend had.
De Heer Hoofdofficier Huyck en zijn brave gade hadden het geluk, meest
al hun kinderen en zelfs ettelijke hunner kleinkinderen gehuwd en in
goeden doen te zien. Uit den aanvang van het Handschrift kan men zien,
dat het Ferdinand en den zijnen voorspoedig was gegaan: en nog zijn hun
nakomelingen in Amsterdam en elders geacht en gezien. Ook Mevrouw
Reynhove leefde zeer gelukkig met haar man, die, gelijk men heeft kunnen
opmerken, innerlijk veel beter was dan hij zich oppervlakkig had doen
kennen. Zij wist hem met verstand te leiden en tot een nuttig en
werkzaam leven op te wekken: hij zeide dan ook, na zijn huwelijk, of
reeds vroeger aan alle slempmalen en wilde partijen vaarwel, klom tot
hooge eereambten op en bewees den Staat belangrijke diensten.
Caspar Weinstübe, na vruchteloos gepoogd te hebben, zich toegang te
verschaffen tot de hoogere kringen der maatschappij, en zich daar een
echtvriendin te zoeken, toch niet ongehuwd willende sterven, trouwde met
zijn keukenmeid, bij wie hij ettelijke kinderen verwekte, die, betere
opvoeding ontvangende dan hem te beurt was gevallen, hun geringe afkomst
langzamerhand deden vergeten: ook zij wonnen geld, en hun nageslacht
verkeert thans dagelijks met die familiën, wier _bekäntschafft_ de
wellust van Caspar zoû hebben uitgemaakt.
Van den Makelaar Velters heb ik weinig kunnen vernemen. Alleen blijkt
mij uit een oud adresboekje, dat hij in de laatste helft der vorige eeuw
Kerkmeester van de Ooster Kerk en dus nog in leven was. Hij schijnt
wijselijk de poëzie voor meer winstgevende werkzaamheden te hebben laten
varen: althans gedichten van hem zijn mij nooit voorgekomen. De
_Mengelingen_ van Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige
lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjes aantreffen: ik twijfel
echter, of zij ooit veel lezers vinden. Gerustelijk mag men aannemen,
dat hij het dubbele huwelijk, waar het verhaal mede sluit, zal bezongen
hebben, en dat Tante Van Bempden niet achterlijk gebleven zal zijn, om
te dier gelegenheid een luisterrijk feest te geven.
Zacharias Heynsz ging ijverig voort met aan de Justitie trouwe diensten
te bewijzen: met de aanvaarding zijner nieuwe betrekking zeide hij het
schilderen vaarwel: en de kunst heeft er niet bij verloren.
Eindelijk kan ik hier nog bijvoegen, dat, volgens getuigenis mijner
vrienden, een afstammeling van kleinen Simon den Marskramer, die sterk
verdacht wordt gehouden van, op het voetspoor zijns voorvaders, der
Politie bijwijlen ten dienste te staan, nog dagelijks op het
Schapenplein te zien is, 's winters met een vuurtest, 's zomers met een
schoenenbak, al roepende: "gheen dijt rijk, zoo waar solje ghesond
blijven."
Marie Stauffacher.
* * * * *
INHOUD
INLEIDING
HOOFDSTUK 1.
Waarin, onder meer andere wetenswaardige zaken, het portret van den held
dezer geschiedenis gevonden wordt.
HOOFDSTUK 2.
Waarin men lezen zal, wat in en voor de herberg te Zoest voorviel.
HOOFDSTUK 3.
Waarin wordt bewezen, hoe gevaarlijk het is zonder parapluie uit te
gaan, en de beschrijving gevonden van een mooi meisje en een mooien
koepel.
HOOFDSTUK 4.
't Geen verhaalt wat me verder in den koepel voorviel.
HOOFDSTUK 5.
Hetwelk bange lieden bij avond niet moeten lezen.
HOOFDSTUK 6.
Waarin onze held voor de tweede reis op denzelfden dag gevaar loopt van
zijn hart te verliezen.
HOOFDSTUK 7.
Vermeldende, wat de heer Bos aan Ferdinand vertelde, en hoe deze per
slot nog even wijs bleef, gelijk ook het geval met den lezer zal zijn.
HOOFDSTUK 8.
Waarin meer geredeneerd dan gedaan wordt.
HOOFDSTUK 9.
Behelzende het verhaal eener schuitreis van Naarden naar Amsterdam.
HOOFDSTUK 10.
Waarin verhaald wordt, hoe Ferdinand te huis kwam en hoe hij insliep,
welk voorbeeld de lezer mag volgen, zoo het hem goeddunkt.
HOOFDSTUK 11.
Hetwelk ettelijke politie-geheimen aan den dag brengt.
HOOFDSTUK 12.
Waarin men nadere kennis maakt met de leden des familie en waarin tante
Letje een confituurvlek op haar halsdoek bekomt.
HOOFDSTUK 13.
Behelzende, hoe Suzanna en Ferdinand harrewarren, en hoe de laatste in
een welkomstdicht verheerlijkt wordt.
HOOFDSTUK 14.
Waarin Ferdinand op cognac onthaald en tegen wil en dank in nieuwe
avonturen gesleept wordt.
HOOFDSTUK 15.
Vermeldende, hoe Ferdinand en Suzanna uit logeeren gingen en wat er op
Heizicht gebeurde.
HOOFDSTUK 16.
Waarin verhaald wordt, wien Ferdinand in de kerk zag: en welke gasten op
Heizicht kwamen eten.
HOOFDSTUK 17.
Verhalende, hoe Zwarte Piet Ferdinand met een commissie belastte en hoe
Suzanna een grooten koek trok.
HOOFDSTUK 18.
Waarin Ferdinand op zijn kantoor geïnstalleerd, en, als Krelis Louwen,
op een poëtenmaal wordt genoodigd.
HOOFDSTUK 19.
Bevattende 't geen er op de dichterlijke samenkomst bij Helding
verhandeld werd.
HOOFDSTUK 20.
Waarin verhaald wordt, wie de heer in 't karmozijn was, en hoe deerlijk
Ferdinand er zich in werkte.
HOOFDSTUK 21.
Waarin eenige oude kennissen weder op het tooneel verschijnen en een
paar nieuwe worden ingevoerd.
HOOFDSTUK 22.
Hetwelk aantoont, dat men niet naar de Oost-Indien behoeft te varen,
om schipbreuk te lijden.
HOOFDSTUK 23.
Vermeldende hoe dames voor spoken worden aangezien, en wat de
schipbreukelingen al zoo verder deden om een verkoudheid te voorkomen.
HOOFDSTUK 24.
Hetwelk over 't geheel van een vrij sentimenteelen aard is; doch vrij
slaperig eindigt.
HOOFDSTUK 25.
Hetwelk een vervolg is op het vier-en-twintigste.
HOOFDSTUK 26.
Waarin geleerd wordt, hoe men best oude paarden verkoopt, en jonge
bederft.
HOOFDSTUK 27.
Waarin onze held in nieuwe onaangenaamheden wordt gewikkeld.
HOOFDSTUK 28.
Waarin leelijke donderbuien boven het hoofd van Ferdinand samenpakken.
HOOFDSTUK 29.
Vermeldende wat er ten huize van den notaris Bouvelt voorviel.
HOOFDSTUK 30.
Hetgeen langer dan het voorgaande, en niet meer of minder belangrijk
wezen zal.
HOOFDSTUK 31.
Waarin het gedrag van Mejuffrouw Blaek ten opzichte van Ferdinand wordt
verklaard en de vader van Amelia weder op de proppen komt.
HOOFDSTUK 32.
Waarin overtuigend bewezen wordt, dat de behendigste vogelaar ook wel
eens vogels laat ontsnappen.
HOOFDSTUK 33.
Vermeldende, wie Ferdinand in den beurtman aantrof, hoe hij op
Terschelling aankwam en welke zonderlinge ontmoeting hij aldaar had.
HOOFDSTUK 34.
Waarin verhaald wordt, hoe de thee aan boord van de Kjôbenhavn werd
gebracht, en den lezer vele verrassingen worden voorbereid.
HOOFDSTUK 35.
Waarin de geschiedenissen van de heeren Bos, Van Beveren, den
Vliesridder, den Baron van Lintz, den Graaf van Talavera, den Zeeroover
Don Manoël enz. enz. worden verhandeld, en hetgeen evenwel, wat de
lengte betreft, mee zal vallen.
HOOFDSTUK 36.
Waarin zich het oude spreekwoord bevestigd vindt, dat men geen hei moet
roepen, eer men over den dam is.
HOOFDSTUK 37.
Waarin treurige en indrukwekkende tooneelen voorkomem, gelijk men die
somtijds in het dagelijksche leven, maar zeer dikwijls in romans en
versierde geschiedenissen aantreft.
HOOFDSTUK 38.
Waarin onze held zich volstrekt niet op zijn gemak bevindt.
HOOFDSTUK 39.
Hetwelk bekentenissen en sterfbedden afschetst: zeer melancholiek om te
lezen.
BESLUIT