dan met moeite dat wij ons een weg konden banen door de gansche
bevolking van het dorp, welke dit voorval op de been bracht. Geen oud
wijf was aan 't spinnewiel en geen kind op school gebleven: en alles was
nieuwsgierig om te zien, hoe een Amsterdamsch rijkeluiskind werd
opgebracht, omdat hij een andere Heer had overhoop gestoken. Lodewijk
werd in het huis van Doedes gevoerd, alwaar hij de noodige verpleging
onderging, terwijl men Andries en mij op het Raadhuis bracht. Hier
moesten wij wachten, tot de bijeengeroepen Schepenen in genoegzamen
getale vergaderd waren om mij een voorloopig verhoor af te nemen.
Eindelijk werd ik tusschen twee gerechtsdienaars binnengebracht en vond
de Schepensbank vergaderd, aan wier hoofd vriend Heynszen in volle
achtbaarheid gezeten was: die mij nu gelastte een verhaal van mijn
wedervaren te doen.
Toen ik dit naar waarheid verricht had, werd Andries binnengeroepen.
"Hebt gij iets op dezen getuige aan te merken?" werd mij gevraagd.
"Zeer veel!" zeide ik: "hij is een erkende straatroover: en zoo men
Heynsz laat roepen zal deze mijn gezegde bevestigen."
"Wel mogelijk!" bromde Doedes, die, aan het einde der tafel gezeten,
zich vast in de handen wreef van blijdschap over de belangrijke
beschuldiging, die hij te vervolgen had:; Heynsz een bemoeial--geen
bewijs tegen dien getuige--voortgaan!"
"Wij zullen den geaccuseerde akte verleenen van zijn wraking," zeide
Reynszen, met een deftigheid, die mij verbaasde: "en inmiddels voortgaan
met den getuige te examineeren. Andries Matthijsen! wat hebt gij te
deposeeren?"
Andries gaf hierop een verhaal, hetwelk niet dan een aaneenschakeling
van leugens behelsde: hij had, zeide hij, een pistoolschot gehoord en
was daarop komen aangieren: bij het naderen had hij Sander op den grond
zien liggen en mij bezig gevonden met den Heer Blaek te worstelen,
welken laatste hij na een kort gevecht had zien vallen; waarop hij
dadelijk hulp was gaan roepen.
Ik maakte geen aanmerking op deze getuigenis; maar vergenoegde mij de
schouders op te halen en bij mijn vroegere verklaring te volharden. Nu
werd Pulver binnengeroepen en insgelijks ondervraagd.
"Ja!" zeide hij: "ik weet van het geval niets anders te vertellen, als
dat, toen ik er met Sinjeur Helding bijkwam, wij Sandertje achterover op
den grond zagen liggen, alsof hij zonshoogte nemen wou, en den Heer
Blaek, dwars over hem heen, terwijl de Patroon er bijstond, als iemand
die geen raad weet. Maar dat hij part of deel aan het geval zou hebben,
dat kan ik op al de wereld niet begrijpen."
"Hm!" zeide Doedes: "uw opinie niet gevraagd--deposeeren--meer niet."
"Maar," vroeg Reynszen aan Pulver: "hoe kwaamt gij daar aan het duin met
uw makker?"
"Wij waren uitgegaan om den Heer Huyck te zoeken, over wiens lang
wegblijven wij ongerust begonnen te worden," antwoordde Pulver in zijn
eenvoudigheid.
"Er was dus reden, om ongerust te wezen? Gij hadt dus vermoedens, dat
zijn afwezendheid met verkeerde oogmerken gepaard ging?"
"Dat is te zeggen," antwoordde de goede Schipper, verlegen: "de Patroon
had gisteren een kattebelletje ontvangen: en wij waren bang of het ook
van den Heer Blaek ware en of er altemet ... in één woord--wij waren wel
bang, dat zij mekaar reis in 't vaarwater zouen zitten."
Ik voelde een koude rilling door mijn leden varen; want ik begreep welke
gevolgtrekking men uit deze verklaring trekken zoude.
"Hm! hm!" zeide Doedes, met een zegepralenden blik rondziende: "de zaak
opgehelderd--klaar als de dag--hm!"
Helding, die na Pulver optrad, verklaarde in substantie hetzelfde, en
voegde er tevens het een en ander bij, betreffende de redenen van veete,
welke Sander tegen Lodewijk Blaek kon voeden; en welke het niet
onwaarschijnlijk maakten, dat er tusschen deze beiden een gevecht had
plaats gehad. Zoowel hij als de Schipper werden ondervraagd of zij het
ten processe overgelegde mes herkenden, als mij behoord te hebben.
Beiden betuigden, het nooit te hebben gezien.
De laatste getuige, die gehoord werd, was schijnbaar in mijn voordeel.
Het was een visschersknaap, die deponeerde, dat hij den avend te voren,
van iemand, die naar zijn beschrijving volkomen met Sander overeenkwam,
een briefje had ontvangen, met verzoek het aan mij te overhandigen, voor
welke boodschap hij een stuiver genoten had.
"De Heeren zien dus," zeide ik, "dat deze depositie met mijn verhaal
overeenkomt, en dat ik naar het duin was gegaan om Sander Gerritsz te
zoeken. Hier is bovendien de brief, dien ik te zijnen behoeve aan
Kapitein Holmfeld geschreven had."
"Hm ja!" zeide Doedes: "afspraak met den gedecodeerde--den Heer Blaek
aan te vallen--aan Sander een brief--hem uit de voeten helpen na
perpetratie van het feit--slim overlegd--hm!"
"Als men aan al mijn daden een verkeerde uitlegging wil geven," zeide
ik, terwijl mij het bloed naar 't aangezicht steeg.
"Hm!" hernam Doedes, een boek, 't welk hij had medegebracht, opnemende
en aan Schepenen toonende: "gelijkstaande casus--Consultatiën en
Advysen, Deel I, bladz. 650--depositie van den gekwetste--getuige bij
avonture reprochabel--de geculpeerde gezien met een mes in de hand--_quo
visi rixari et unus vulneratus_--concurreerende _indicia_--in alles
gelijkstaande--en dus: Gerechtigheid te contendeeren,"--hier rees hij
op, en zeide met meerdere stemverheffing, als iemand die ambtshalve een
eisch doet: "dat de gevangene zal worden getorqueerd ter discretie van
den Rechter ende alzoo tot scherper examen gebracht."
"Getorqueerd!" herhaalde ik, terwijl mij het bloote denkbeeld sidderen
deed: "gij wilt mij toch niet ter pijnbank brengen op deze bloote
presumtie;--want, Mijne Heeren! de getuigenis van den gekwetste is
_extra judicium_ gegeven en kan in dit oogenblik niet tegen mij worden
aangevoerd; hij moet zich bedrogen hebben, en niet geweten, wat hij
zeide. Hij zal, zoo hij geneest, hetgeen God geve, zijn verklaring
herroepen, daar is geen twijfel aan."
"De geïnculpeerde heeft gelijk," zeide de Voorzitter: "en bovendien,
Heer Drost! wij weten nog niet, waar gij hem van beschuldigt, van moord
of van bloote verwonding.--Wij zullen daarom de zaak voor alsnog
suspendeeren en bevel geven, den geïnculpeerde te incarcereeren, tot hij
nader gemandeerd wordt. Ook de getuigen moeten zoo lang hier blijven,
tot zij nader gehoord kunnen worden."
Met deze woorden werd de zitting opgeheven, en ik naar de gevangenis
gebracht. Dergelijke lokalen zijn zelden zeer geriefelijk en de
Terschellingsche kerker maakte geen uitzondering op den algemeenen
regel: het was een klein en vochtig vertrek, met naakte wanden, en dat
tot eenig ameublement een tafel had, waar slechts drie pooten meer van
in wezen waren, een stoel met gebroken zitting en een houten brits, die
alle blijken droeg van veeljarigen dienst.
Alleengelaten zijnde, ging ik zitten en zocht mijn denkbeelden bijeen te
zamelen; want de doorgestane ontroering, schrik en angst hadden mij in
een staat van verwarring gebracht, waarin mij al hetgeen mij was
overkomen als een bange vreeselijke droom toescheen; maar het duurde een
geruime poos, eer ik tot recht besef van mijn toestand geraakte.
Eindelijk echter gelukte het mij te bedaren: en nu stond de
verschrikkelijke waarheid mij in al haar naaktheid voor de oogen. Ja! ik
was het zelf, ik, Ferdinand Huyck, de zoon van den Hoofdschout, op wien
het gewicht eener kapitale beschuldiging rustte: tegen wien zich zulke
ontzettende verdenkingen verhieven: en, had ik in den aanvang de zaak
licht geteld en vertrouwd op het bewustzijn mijner onschuld, ik zag nu
in, dat er krachtige gronden zouden moeten bijgebracht worden om de
tegen mij aangevoerde bewijzen te ontzenuwen. En dan dacht ik aan mijn
ouders: aan mijn brave moeder, wier zwak gestel de tijding niet zou
weerstaan, dat haar zoon van zulk een misdaad verdacht werd gehouden:
aan mijn vader, die zijn leed met het Stoïcisme, dat hem kenmerkte,
verkroppen, maar later des te meer bezuren zoude: en dan, de kwellende
gedachte, dat ik hen zelfs niet van mijn onschuld overtuigen kon!--dat
zij door een derde, die de zaak wellicht vergrooten of in een ongunstig
daglicht stellen, van het gebeurde onderricht zouden worden; dat zij
wellicht den naam zouden vloeken van den zoon, die hun grijze haren met
schande bedekte ... dat alles was schrikkelijk: het deed mij het bloed
in de aderen terugkrimpen en het koude zweet door alle poriën
uitbersten.
Nu wilde ik schrijven; maar daartoe ontbraken mij de middelen en niemand
beantwoordde mijn geroep: ik was alleen en--verlaten--zonder toegang.
Ik zag mij verplicht, te wachten, tot mijn verzoek zoude worden
ingewilligd; want ik hing van de grillen van Meester Doedes af en ik had
reeds genoeg bespeurd, dat hij er verre af was van mij genegen te zijn.
Eindelijk, na uren, pijnlijk doorgebracht, zag ik de deur van mijn
kerker opengaan en werd ik aangenaam verrast door het binnentreden van
Heynsz. "Goddank!" riep ik, zoodra ik hem zag: "ik ben dan nog niet
geheel verlaten."
"Mijnheer Huyck! Mijnheer Huyck!" zeide hij, zoodra ons de sluiter
alleengelaten had, met een bedenkelijk gezicht: "dat is een geval voor
mij, te zien den zoon van uw vader in zulk een ongelegenheid!"
"Nietwaar?" vroeg ik, hem de hand toestekende: "gij gelooft niet aan
mijn schuld?"
"_Ma foi!_" antwoordde hij, "alle presumtie is tegen u; en er zouden in
waarheid zijn termen, om op u te appliceeren de torture; maar ik begrijp
niet, waarom UEd. niet bekent; want ik veronderstel, gij hebt
toegebracht die wond in cas van zelfdefensie."
"Hoe! ook gij zijt tegen mij?" riep ik, met bittere teleurstelling.
"Wat zal ik zeggen? Twee getuigen tegen u!"
"Waarvan de eene mijn vijand, en de andere een schurk is."
"Ja, die Andries!--nu die zal er niet afkomen zeer gemakkelijk; want,
vrijplaats of niet, hangen zal hij; maar waarom, uit wat reden, zou hij
u bezwaren?"
"Redenen genoeg: vooreerst uit ingeboren kwaadaardigheid: ten tweede
omdat ik een zoon van den Hoofdofficier ben: ten derde, omdat hij een
oude veete tegen mij heeft;--want zonder den Heer Van Lintz had ik eens
zijn mes in mijn ribben gevoeld."
"Goed!--de Heer Van Lintz kan gehoord worden:--maar nu de Heer Blaek,
zou die zoover drijven de slechtheid om u valsch te betichten van hem
vermoord te hebben.... 't Is mogelijk; maar dat is gruwzaam!"
"Ik moet nog gelooven," zeide ik, "dat zijn beschuldiging het gevolg is,
of van een verzinning, of van een onwillekeurige gemoedsopwelliug, en
dat hij, zoo hij in 't leven blijft, die wel weder zal intrekken."
"Dat geloof ik niet," zeide Heynsz: "want hij is beter en heeft toch
niet ingetrokken zijn verklaring: maar integendeel die bevestigd met
nadere omstandigheden."
"Welnu!" hernam ik: "in dat geval ben ik overtuigd, dat zijne depositie
met die van Andries moet variëeren."
"Dat doen zij ook," zeide Heynsz: "ik heb die gelezen, allebei; want,
gezegd tusschen ons, Reynszen is een verstandig man, die wel hooren wil
naar raad en niet is een dwarshoofd als die Doedes: en hij heeft in dit
geval geraadpleegd mijne ondervinding: ook heb ik te danken aan hem, dat
ik heb bekomen permissie om u te bezoeken; want de Drost wilde u houden
buiten _accès_; hij is wat in de drukte, die Meester Doedes: een
belangrijk casus als deze: doodslag en verwonding: en tot patiënt om te
verzorgen een rijken Amsterdammer, dat is te veel plaisier op éénen tijd
voor een man als hij."
"Ik geloof het wel," zeide ik: "maar nu de depositiën?"
"Aha ja!--Wel dan: de Heer Blaek vertelt, dat hij van u ontvangen heeft
een cartel om te vechten in duel op het duin: dat hij, daar gekomen
zijnde, is geattaqueerd door u en Sander, en dat hij ontvangen heeft van
u een steek met een mes, op het oogenblik dat hij om te defendeeren zijn
leven, door het hoofd schoot Sander:--of liever Zwarten Piet:--want het
blijkt, dat het deze gevreesde gauwdief is geweest, die te dezer
gelegenheid is omgekomen.--Andries vertelt daarentegen...."
"Ik heb de depositie van dezen laatste gehoord," viel ik in: "maar in
allen gevalle volgt uit beider verklaring dat Sander door Blaek is
gedood, en dan is deze laatste insgelijks als getuige reprochabel, daar
hijzelf ter verantwoording over een doodslag zal geroepen moeten
worden."
"'t Is _juste_! en dat heb ik al gezegd aan Reynszen. 't Is doodjammer,
dat UEd. zijt getreden in de negotie en niet zijt geworden Advocaat:
want UEd. saisiseert de punten van defensie juist als 't behoort, maar
_ma foi!_ al had UEd. in drift of anderszins overhoopgestoken dien
_canaille_ van een Blaek, ik zoude er UEd. niet te minder om achten."
"Maar ik herhaal u, dat mijn handen zuiver zijn van zijn bloed; en...."
"Ik geloof u, Mijnheer Huyck! Ik geloof u--en zoo ik straks sprak
anders, het is, omdat ik zoo ben gewend: wanneer men tegen een
geculpeerde spreekt, moet men altijd beginnen te veronderstellen de
schuld: anders komt men nooit achter de waarheid ... maar dat
daargelaten. Hoe kan ik van eenigen dienst zijn aan UEd.?"
"Kan ik geen schrijftuig bekomen? Ik wenschte zoo gaarne mijn vader
kennis te geven van dit ongelukkige voorval, eer hem zulks van een
andere zijde ter ooren komt."
"Ik vrees, dat men u daartoe niet zal geven de permissie", zeide Heynsz,
het hoofd schuddende: "maar laat mij over, te verrichten die onaangename
taak. Ik zal Z.-Ed.-Gestr. voorbereiden op eene voorzichtige wijze en
het voorstellen bij provisie als een zaak, waar UEd. slechts in gemoeid
zijt of waarbij het onzeker is of UEd. als getuige of als geculpeerde
zult paraisseeren. Ik zal wel geven een goede kleur aan de zaak: wees
gerust."
Helaas! Ik was zeer verre van gerust te zijn, of een onbepaald
vertrouwen te bezitten op den gelukkigen briefstijl van Heynsz en op
zijn voorzichtigheid en zijne wijze van de zaak voor te dragen. Ik moest
echter wel berusten: er was niets anders aan te doen.
"UEd. is hier slecht gelogeerd," zeide hij, nadat wij het voormelde punt
hadden afgehandeld, "ik zal daarover spreken met Reynszen. Er is geen
reden om te behandelen als een slechten boef iemand, die wel in staat is
te betalen een goed logies.--Maar _à-propos_!" zeide hij: "eer ik het
vergeet, ik moet UEd. de groete doen van den Heer Van Lintz, van zijn
dochter en van den armen Helding. Ik weet niet, wie bedroefder is van de
twee over uw geval, de oude poëet of de jonge Juffer. De eerste doet
niets als schelden en razen, en de laatste is als een wanhopig mensch en
beschuldigt zichzelve van de oorzaak te zijn van al deze ellende."
"Amelia?--Zij is toch waarlijk geheel onschuldig aan het voorgevallene."
"_Ma foi!_" zeide Heynsz, glimlachende: "niet zoo geheel en al. Had zij
niet in de oogen gestoken den Heer Blaek, deze haar niet had achterna
gevolgd en was niet aangekomen hier:--enfin! het eene is een gevolg van
het andere."
"En Kapitein Pulver?" vroeg ik.
"O ho! die ware al gegaan naar Amsterdam om zich te beklagen over de
regeering van Terschelling, dat zij had de brutaliteit van u vast te
zetten; maar ik heb hem gelukkig teruggehouden daarvan; te meer daar
zijn getuigenis u wellicht kan zijn van dienst.--Maar ik moet u
verlaten; want ik dien de gelegenheid waar te nemen, om te
schrijven:--ik zal zorg dragen, dat UEd. ontvangt betere meubelen."
Heynsz verliet mij en was zoogoed als zijn woord: want een uur later
bezorgde men mij een bed met zijn toebehooren, benevens een tafel,
stoelen, die, schoon niet nieuwerwetsch, echter bruikbaar waren, en mijn
bagage. Ik zal hier geen beschrijving geven van de treurige nachten en
vervelende dagen, welke ik sleet, zonder dat zich eenige verandering in
mijn toestand of eenig uitzicht voor de toekomst opdeed. De eenige
verstrooiing, welke ik had, bestond in de bezoeken van Heynsz, die mij
tijdingen bracht van hetgeen er voorviel en van den toestand van
Lodewijk. De wond van dezen scheen minder gevaarlijk dan men in den
aanvang gedacht had; maar de gestadige koortsen, welke hem teisterden,
hadden hem zeer verzwakt. Men vleide zich echter, dat zijn jeugd en
sterk gestel de kwaal zouden te boven komen. Ten opzichte van het
gepleegde feit bleef hij echter dezelfde depositie staven; zoodat mijn
zaak nog geen betere wending scheen te nemen.
Het was op den zesden ochtend na mijn gevangenneming, dat, terwijl ik
mijmerend voor mijn tafel zat en aan de mijnen dacht, ik de grendelen
van mijn kerkerdeur hoorde openschuiven. Ik rees op, eenigszins
verwonderd; want dit was het uur niet, waarop ik eenig bezoek
verwachtende was: de deur ging open: iemand trad met drift binnen: en ik
deed van verbazing een stap terug op het zien van Reynhove.
"Reynhove!" riep ik: "u was ik wel het minst te verwachten.
En ik had niet verwacht, ooit Terschelling te zullen zien," antwoordde
hij: "en voorwaar niet om zulk een reden.--Arme vriend! Gij zijt mager
en bleek geworden: dit logies deugt u mets.
"En mijn ouders!... weet gij iets van hen?... Vanwaar komt gij?" vroeg
ik, in gespannen verwachting.
"Allen wel:--een half uur geleden hier gearriveerd--rechtstreeks van
Amsterdam--en met commissiën van allerlei _genre_--rechts en links."
"Gij komt van Amsterdam?--Hebt gij mijn vader gezien?--Weet hij, weet
mijne goede moeder?..."
"Stil.... Een oogenblik! Gun mij den tijd adem te halen, zeide Reynhove,
zich nederzettende en zijn paruik in orde schikkende: "_ma foi_,"
vervolgde hij, rondziende: "gij zijt hier niet te best gelogeerd:
--nu--dat is te begrijpen.--Uw vader is wel, ik ben bij hem geweest: hij
poogt zich goed te houden en voor uw moeder te verbergen wat hier is
gepasseerd; maar het goede mensch is toch in doodelijke _inquiétude_,
want zij merkt wel, dat er iets gaande is.--_Enfin_, het is een mal
geval: en ik wilde wel om duizend kronen, dat gij hier nooit
heengetrokken waart."
"Mijn arme ouders!... en zij houden mij toch niet voor schuldig,
Reynhove?"
"Gij vergeet wat ik u zeide, dat niemand iets van de ware toedracht der
zaak _soupconneert_, behalve alleen uw vader ... maar laat mij u alles
toch ordelijk verhalen."
"En mijn zuster?... En ... de andere betrekkingen?'
"Uw zuster is wel, en uwe Tantes ook, en Mejuffrouw Blaek ook--ofschoon
zeer gesaisisseerd van dat fatale geval."
Ik wil wel gelooven," hernam ik, "dat de toestand van Lodewijk...."
"Ja! en dan de dood van haar oom...."
"Hoe!" riep ik uit: "is de oude heer Blaek dood?"
"De wereld geabandonneerd" zeide Reynhove: "en wel zonder het appèl af
te wachten.--Maar zoo gij mij niet aan het woord laat, zult gij nooit
iets naar behooren vernemen.--Antwoord mij eerst: wien denkt gij in mij
te zien?"
"Een vriend, naar ik hoop," zeide ik, eenigszins verwonderd over deze
vraag.
"Dat spreekt vanzelf;--maar, hehalve dat? Gij raadt het niet?"
"Ach!" zeide ik: "denk toch in welke omstandigheden ik mij bevind, en
hoe weinig ik, zelfs tot onschuldige scherts, gesteld ben."
"'t Is waar: gij hebt gelijk.--Welnu! gij ziet in mij een gedelegeerde
van Hunne Hoogmogenden _pas moins que-ça_. Ik ben hier op een missie uit
en begin mijn diplomatieke _carrière_."
"Ik wensch u geluk," zeide ik, zuchtende: "maar in 's Hemels naam...."
"Uw vader had gelijk," vervolgde Reynhove: "het werd tijd, dat ik eens
iets anders deed als rijden en mij amuseeren. Ik heb zijn raad gevolgd
en ben in politieke betrekking gekomen.--Hoor nu verder: een paar dagen
na uw vertrek van Amsterdam, werd door de Heeren in den Haag, ten
gevolge der voorspraak van den Russischen Gezant, met wien men gaarne
goede vrienden wilde blijven, van een dringend advies van de
Amsterdamsche regeering, en van de _démarches_, door ettelijke lieden
van _influentie_ gedaan, werd er goedgevonden, zeg ik, om _primo_ den
Heer Van Lintz, dien gij kent, niet uit te leveren aan Spanje, en
secundo, om hem niet als deserteur te beschouwen; waartoe dan ook bleken
geene termes aanwezig te zijn, daar zijn akte van ontslag reeds, op een
paar formaliteiten na, was opgemaakt voor zijn escapade met Mejuffrouw
Reefzeil:--kort en goed: alle difficulteiten waren weggeruimd en het
bevel van apprehensie moest gecontramandeerd worden. Ik werd door mijn
vader gechargeerd, die goede tijding aan de Amsterdamsche regeering te
brengen:--ronduit gezegd: ik had mijzelven geoffreerd om die boodschap
te doen: ik wist, dat de tijding uw vader welkom zoude zijn--en
bovendien--waarom zoude ik het _niëeren_?--er was nog een trekpleister,
die mij naar Amsterdam en wel naar uw huis deed verlangen."
"Hoe!" viel ik Reynhove in de rede: "hebt gij zulke gedachten in 't
hoofd?"
"Uw zuster Suzanna is een plaaggeest," antwoordde hij lachende: "maar
met dat al, ik zou mij hoogst gelukkig rekenen, indien zij mij
levenslang tot het doel van haar plagerijen wilde nemen: wij zouden
zien, wie het langst het uit zoude houden.--Maar dat daargelaten, want
ik heb ernstiger zaken te behandelen. Ik vond uw vader aan 't Stadhuis:
de Heer Blaek ging juist van hem vandaan en scheen alles behalve
opgeruimd. Uw vader wilde, toen hij mij gesproken had, terstond een
tweede expres naar Terschelling sturen om bevel te geven, den Heer Van
Lintz te libereeren:--één had hij er reeds weggezonden, op een vroegere
tijding dat de zaak goed stond;--maar terwijl wij nog aan 't praten
waren, daar kwam de brief aan van Heynsz, waarbij werd gemeld, hoe
Lodewijk was gewond en hoe men u als getuige bij de zaak hield ... ik
zag den man verbleeken toen hij den brief las, en merkte terstond, dat
er onraad moest zijn. Hij vermande zich echter en reikte mij met een
kalm gelaat den brief toe. Ik ontstelde insgelijks over den inhoud: maar
zag niet terstond alles door. "Die tijding zal den ouden Heer Blaek
geweldig frappeeren," zeide ik: maar ik begrijp niet, hoe uw zoon daarin
geïmpliqueerd is."--"Ik maar al te wel," antwoordde hij: "zij hebben
elkander geprovoceerd--de eene is als het slachtoffer gevallen van dat
noodlottig punt van eer; en de andere ... (o God! mijn zoon!...) heeft
de wraak der wet te duchten. "O! Mijnheer ben een ongelukkig
vader!""--Ik had innig medelijden met den braven man en bood hem aan,
zelf als expres naar Terschelling te gaan en te onderzoeken hoe het met
de zaak geschapen stond. Hij aarzelde eenige oogenblikken: maar nam
eindelijk mijn propositie met dankbaarheid aan. Daar ik toch niet voor
den avond vertrekken kon, ging ik eerst naar den Heer Blaek om hem het
ongeval zijns zoons te verhalen--mede voorwaar geen aangename commissie;
ik vernam, dat hij niet te spreken was, maar mij verzocht een uur later
te komen. Ik voldeed aan het verzoek;--toen ik op den bepaalden tijd
weder aan zijn huis kwam, was hij een lijk.--Hij had, naar men vermoedt,
zich met vergif om 't leven gebracht."
"Ontzettend! en wat kan de reden zijn?..."
"Die is nog een raadsel: droefheid over het ongeval zijns zoons kan het
niet geweest zijn; want dat kon hem nog niet bekend wezen;--maar dat zal
zich wellicht later openbaren. Henriëtte was radeloos en onwetend wat te
doen. Ik stuurde naar uw vader. Hij kwam, uw moeder kwam, Mejuffrouw
Suzanna kwam----in 't kort--het was een tooneel vol desolatie en drukte.
Op de schrijftafel van den overledene lag een toegelakte brief aan zijn
zoon: dien vermoeden wij, dat licht over het geval zoude
verspreiden:--_enfin!_ hij moest kennis van het gebeurde dragen en ik
zeilde dus naar dit eiland af met een driedubbele missie."
"En...? Mejuffrouw Blaek...?"
"Zooals ik u gezegd heb, zij is violent geschrikt--bedroefd.... _enfin_;
zooals men bij dergelijke gevallen gesteld is.--Om kort te gaan: ik heb
mij bij mijn komst alhier geadresseerd aan zekeren vent, die den naam
van Doedes draagt, en een _quibus_ in _folio_ is,
"Ik ken hem, tot mijn ongeluk," zeide ik.