"Niet in het minste," zeide Heynsz, zijn spijt vruchteloos zoekende te

bedwingen: "ik heb mijn orders om u te apprehendeeren waar ik u

vinde,--orders, geëmaneerd van onze Heeren Staten--en het is maar een

plaisanterie dat die Heer zich zou opposeeren daartegen:--of behoort

Terschelling niet langer aan de Heeren Staten van Holland en

West-Friesland? _par exemple!_"

"Ongetwijfeld!" antwoordde Van Lintz: "sedert het door Karel, Hertog van

Aarschot aan H.H.M.M. is verkocht en overgedragen; maar die koop kan hun

geen recht geven de priveleges te vernietigen, welke dit eiland bevorens

van zijn wettige Heeren verkregen bad en sedert onheuglijke jaren

bezat."

"Dat geloof ik," zeide Heynsz, met een smalenden lach;--"zoo onheuglijk,

dat niemand zich kan herinneren, door wien of wanneer die ooit gegeven

zijn."

"Hm!" bromde Doedes er tusschen in: "de geapprehendeerde heeft

gelijk--_privilegium rite concessum_--Schepenen uitwijzen--morgen

partijen hooren--beiden cautio praesteeren--hm!"

"Morgen!" herhaalde Heynsz, met de uiterste verbazing: "denkt gij, dat

ik hier kom om mij te amuseeren en dat mijne praesentie zoo maar kan

gemist worden te Amsterdam dagen achtereen."

"Het is voorwaar wat erg," zeide Van Lintz, glimlachende, "ik wed, dat

de dieven reeds illumineeren wegens uwe afwezigheid: en, zonder

gekscheren gesproken, het doet mij oprecht leed dat gij zooveel moeite

om mijnentwille hebt gedaan."

"Parbleu!" riep Heynsz": "in welk wespennet ben ik gevallen? Mijnheer

Huyck! Schipper Pulver!--Zijt toch zoo goed en helpt mij dien Drost, of

wat hij wezen mag, te brengen tot rede. Beduidt hem toch, dat hij zich

blootstelt te worden gesuspendeerd, gecasseerd, ja exemplaarlijk met

boete en aan den lijve gestraft als rebel, zoo hij niet obtempereert aan

de instructiën en bevelen van H. H. Staten, onze hooge Souverein.

"Hm!" zeide Doedes--"cautie stellen--Terschelling een vrijplaats en

daarmede uit--hm!"

"Voor den duivel!" schreeuwde Heynsz: "Terschelling zal geen vrijplaats

zijn voor u, dat beloof ik u: en ik zal een relaas opmaken waar het

behoort;--maar al deze praatjes hebben niets te beduiden: geef mij een

behoorlijke sententie of andere legale afwijzing, en ik zal zien wat ik

te doen heb."

"Gij kunt dat niet weigeren," zeide ik tegen den Drost: "en in allen

gevalle moet ik u dringend aanraden, te bedenken wat gij doet, en of de

gronden, waarop gij uw beweren bouwt, eenige kracht hebben;--bedenk, dat

gij moeielijk iets tegen 's Lands Hooge Regeering kunt volhouden,"

"Mij dunkt!" zeide Reynszen, die geheel niet van oordeel ontbloot was

en, als zelf Lid van Schepensbank, begreep, zich in de zaak te moeten

mengen: "wat Mijnheer daar zeit, is zoo gek niet: en je meugt wel

bedenken wat je doet, Meester Doedes; want wat gij verricht, dat moet

het eiland naderhand ontgelden, zooals gij weet."

"Hm!--Zelf Schepen--daarom meepraten--Drost beter weten--hm!"

"Juist!" hernam Reynszen: "ik ben zelf Schepen en een geboren

Terschellinger daarenboven: en ik dien de oude herkomsten dus al zoo

goed en beter te weten dan iemand, die hier van den vasten wal gekomen

is."

"Hoe!" riep Heynsz, deze omstandigheid in zijn voordeel aangrijpende:

"is de Drost geen Terschellinger? dan mag hij dubbel voorzichtig zijn,

hoe hij het aanlegt in deze zaak."

Twee of drie andere personen, die gedurende het gesprek waren

binnengekomen en, gelijk mij naderhand bleek, tot de Notabelen van het

dorp behoorden, vereenigden zich met de gevoelens van Reynszen en

drongen bij den Drost aan, dat hij Schepensbank zou beleggen, en niet,

om een onzeker privilege vast te houden, de ontevredenheid wekken van

het hooge Landsbestuur. Terwijl al de aanwezigen met het behandelen van

dit vraagpunt bezig waren, naderde mij de vrouw des huizes, en

fluisterde mij in het oor, dat de oude Heer, die met mij op Terschelling

gekomen was, mijn terugkomst vernomen hebbende, mij liet verzoeken even

bij hem te komen.

Ik gevoelde een oogenblik berouw, den goeden Helding in het midden der

drukte vergeten te hebben en te gelijk kwam het denkbeeld bij mij op,

dat het raadzaam ware, Sander te waarschuwen, eer hij binnenkomen en

Heynsz met zijn dienaars in den mond mocht loopen. Ik begaf mij dus naar

achteren, waar mij een treurig schouwspel wachtte. Helding zat naast de

bedstede, en hield de hand der ontslapene tusschen de zijne, terwijl hem

de stille tranen langs de wangen liepen: en zijn blikken waren met een

uitdrukking van diepe, maar gelatene droefheid naar den hemel gewend.

Tegenover hem stond Sander tegen den wand te leunen; zijn oogen waren

strak en stijf op het lijk gevestigd; maar het hevige zwoegen van zijn

boezem verried de innerlijke gemoedsbeweging die hem kwelde.

Zwijgend drukte ik de hand van den goeden Helding: "Het heeft zoo moeten

wezen," zeide de arme man: "en ik zal in Gods wijzen wil berusten; maar

het is hard voor een vader, te _moeten_ zeggen haar dood was beter dan

haar leven."

"Ik beklaag u," zeide ik: "ook u, Sander Gerritsz! maar"--vervolgde ik,

laatstgemelde ter zijde trekkende: "wees voorzichtig; want ook uw eigen

leven loopt gevaar: Heynsz en zijn dienaars bevinden zich hiernaast."

Hij zag mij aan met een verwilderden blik, die mij nauwelijks deed

gelooven, dat hij mij verstaan had.

"Ik herhaal het," hernam ik: "vertoon u niet: blijf hier, tot ik u

waarschuwe. Er is misschien gelegenheid voor u, om met Kapitein Holmfeld

te vertrekken. Ik zal u een brief voor hem medegeven. Het is hier voor u

te gevaarlijk:"--en meteen sloeg ik het raam open, dat een uitgang naar

den duinkant opende. Hij zag mij een wijl als sprakeloos aan, en toen,

zich bezinnende, knikte hij, dat hij mij begreep.

"Wat is er?" vroeg Helding, opstaande en hem verbaasd aanziende.

"Onderzoek het niet," antwoordde ik: "hij is hier in gevaar: ik zal u de

opheldering later geven. Spreken wij thans over de schikkingen, die er

in deze treurige omstandigheden te maken zijn."

Hiertoe werd ons echter weinig tijds gegund: wij hadden slechts even het

punt der begrafenis aangeroerd, toen de vrouw van Reynszen weder

aankwam.

"Die vreemde Heer," zeide zij, zich tot mij wendende, "heeft mij gezeid,

hij wilde u nog gaarne eens spreken, aleer hij naar boord keerde."

"Welke Heer? Wien bedoelt gij?" vroeg ik, eenigszins verwonderd.

"Hij zeit dat hij....--ja... wie kan al die vreemde namen onthouen...?

Blaek hiet hij, 'eloof ik."

"Blaek!" herhaalde Sander, plotseling opspringende met een uitdrukking

van hevige drift.

"Bedwing u," zeide ik, voor een uitbersting bevreesd: "denk aan de

gevolgen! Wees bedaard."

"Blaek!" zeide Helding: "Wie? Lodewijk Blaek? Komt hij hier, om den

ouden man te tergen, wiens kind hij bedorven, wiens grijze haren hij met

schande bedekt heeft?--Hou mij niet tegen, Mijnheer Huyck! Ik wil hem

spreken!--Gij zult het een vader niet beletten, den moordenaar zijner

dochter op te zoeken."

Ik zag het oogenblik, dat beiden zich naar het voorhuis zouden begeven,

en daar ik beiden niet kon tegenhouden, achtte ik het raadzaam den

onstuimigen Sander, wiens drift ik het meest vreesde, bij den arm te

nemen en den doortocht te beletten. Helding was mij intusschen ontsnapt;

maar nauwelijks was hij met vrouw Reynszen de deur uit, of ik volgde

hen, stootte Sander naar binnen, sloeg de deur dicht en schoof er den

grendel op, waarna ik mij in de herberg spoedde.

Hier was men gedurende mijn afwezigheid tot een besluit gekomen, in den

zin als door Reynszen was voorgesteld, en had men rondgezonden om de

Schepenen bij elkander te roepen. Lodewijk, die tot dien tijd getoefd

had, om te zien of hij kon te weten komen, wat de raadselachtige

uitdrukking van Van Lintz bedoelde, had eindelijk, bemerkende, dat het

nog lang kon duren, eer deze vervoerd werd, besloten naar boord te

keeren; doch mij eerst willende spreken, stond hij alsnu mij midden in

de herberg af te wachten, toen Helding, wien ik op den voet volgde,

eensklaps voor zijn oogen stond.

"Helding!" riep hij verbaasd: "hoe drommel komt gij hier verzeild,

poëet?"

"Komt gij uw werk zien, moordenaar van mijn kind?" riep de verbolgen

vader uit, zich voor hem plaatsende: "ha! gij dacht, omdat gij gewoon

waart den ouden man te bespotten, dat het u ook vrijstond, de dochter te

misbruiken. Maar kom!--volg mij, en zie wat gij hebt uitgericht."

"Wat beduidt dit?" vroeg Lodewijk, wrevelig: "vertoont gij een treurspel

van uw maaksel?--Of is het een klucht?"

"Neen! God weet het," zeide Helding: "het is wel een wezenlijk en

waarachtig treurspel, en wee, driewerf wee u, die er de stoffe toe

geleverd hebt. Mijn kind is _dood_: _dood_, verstaat gij? en van hier

kunt gij haar beschouwen. Zie of zij u nog bekoren zal."

"Wat heb ik met uw dochter uitstaande?" mompelde Lodewijk, op wien door

dit voorval de algemeene oplettendheid gevestigd was.

"Hebt gij een dochter verloren?" vroeg Amelia, den ouden man met

deelneming naderende.

"En UEd. ook hier!" riep Helding, haar de hand drukkende: "O Mejuffrouw!

gij hebt welgedaan, dien man daar uw kamer te ontzeggen. Hadt gij aan

zijn verleidelijken praat gehoor gegeven, wellicht ware ook uw lot aan

dat van mijn arme Klaartje gelijk geworden. O! waarom heb ik ook niet,

evenals uw vader, den slang van mijn kamer geworpen, in stede van z'n

verfoeilijke geschenken aan te nemen!--Maar kom! volg mij!" vervolgde

hij, Lodewijk bij den arm grijpende: "gij moet, gij zult uw slachtoffer

zien."

Het was voorwaar voor iemand, die, als ik, deze beide personen te voren

gekend had, een opmerkelijk schouwspel om den geheelen omkeer gade te

slaan, die er in hun onderlinge betrekking had plaats gevonden. Helding,

de anders zoo kruipende, vreesachtige, afhankelijke slaaf van de grillen

zijner meerderen, dwong thans, met het hoofd omhoog, den arm gebiedend

uitgestrekt, zijn voormaligen patroon hem te volgen; terwijl deze, de

trotsche, rijke, laatdunkende jongeling, met neergeslagen oogen en

bevende stappen zijn geleider, voor wiens zedelijk overwicht hij

zwichtte, naar het achterhuis volgde.

Ik, en verscheidene onder de aanwezigen met mij, vergezelden hen naar de

kamer, waar Klaartje op het doodsbed lag uitgestrekt en waar zich, tot

mijn blijdschap, Sander niet meer bevond. Waarschijnlijk had hij zich,

op het hooren der naderende voetstappen, door het open venster

verwijderd. Aan de bedstede gekomen, sloeg Helding het dekkleed op, en

de ziellooze gelaatstrekken zijner dochter aan Lodewijk vertoonende,

zeide hij: "aanschouw uw slachtoffer!"

Lodewijk stond een oogenblik als verplet: zijn gelaat was doodsbleek,

zijn lippen blauw, en zijn oogen rolden hem wild door 't hoofd. Hij

vermande zich eindelijk, en, mij een woedenden blik toewerpende, zeide

hij: "het is aan u, dat ik dat alles verschuldigd ben. Maar ik zal het u

betaald zetten."

"Aan wie wilt gij mij overleveren?" vroeg ik, hem met verachting

aanziende.

"Vervloekt!" riep hij, stampvoetende: en zich met een heftige beweging

van den arm van Helding losrukkende, verliet hij de kamer en herberg.

Na zijn vertrek bleef ik insgelijks niet langer, dan noodig was om met

Helding en de vrouw des huizes de noodige schikkingen voor de begrafenis

te maken, en begaf mij toen naar het Raadhuis, waar de Schepensbank

reeds vergaderd en Heynsz met zijn gevangene heengetrokken was. Terwijl

men alhier beraadslaagde, kwam de bagage van Van Lintz van het vaartuig

terug: en kort daarna meldde zich iemand bij Heynsz aan, dien ik

terstond voor een der boden van mijn vader herkende.

"Gelukkig, dat ik u vinde, Sinjeur!" zeide hij, zich met Heynsz een

weinig ter zijde begevende: "UEd. kon nauwelijks Pampus uit zijn, toen

Z.-Ed.-Gestrenge, ten gevolge van berichten, uit Den Haag ontvangen, mij

gelastte u te gaan opzoeken. Hier is de brief."

Heynsz had dien nauwelijks gelezen, of hij riep mij terzijde: "dit

verandert de zaak merkelijk," zeide hij: "Z.-Ed. Gestr. gelast mij, zoo

ik in handen krijge den Heer Van Lintz, hem te houden in custodie tot

nader order, en alleen op te zenden de papieren, die bij hem gevonden

worden."

"Dat is een goed teeken voor den Heer Van Lintz," zeide ik: "het

bewijst, dat men het in Den Haag nog niet eens is, of men hem houden

wil."

Heynsz ging terstond den bekomen last aan Schepenen mededeelen, en hun

verzoeken, hem in het uitvoeren daarvan behulpzaam te zijn. Zij

bewilligden gereedelijk in den voorgestelden maatregel van bewaking,

waardoor hun voorgewend privilege vooralsnog ongeschonden bleef, en er

werd een tijdelijke verblijfplaats voor den Heer Van Lintz en zijn

dochter aangewezen: terwijl diens bagage onderzocht en zijn papieren, na

behoorlijk verzegeld te zijn, met een geleidenden brief van Heynsz aan

mijn vader, waar ik er zelf een bijvoegde, aan den bode ter hand werden

gesteld, die een paar uur later weder onder zeil ging.

Het eerste voornemen van den Drost was geweest, Van Lintz in de gewone

gevangenis van Terschelling te doen bewaren; maar Heynsz, de middelen

van voorzorg en bewaking, die het eiland aan mocht bieden, weinig

vertrouwende, had beter geoordeeld, den gevangene zijn woord als edelman

af te nemen, dat hij niet ontsnappen zoude, en op deze belofte gerust,

hem met zijn dochter logies bezorgd bij een der gegoedste ingezetenen,

waar wij nu dien dag gezamenlijk het avondeten gebruikten. Op het

nagerecht ontving ik een geschreven briefje van Sander, waarin deze mij

verzocht, mijn belofte ten aanzien van den brief van aanbeveling aan

Holmfeld gestand te doen, zeggende, mij den volgenden morgen te zeven

uren bij de meest noordelijke lantaarn te zullen wachten.

Ik verscheurde dit briefje terstond na de lezing en bleef eenige

oogenblikken in gedachten.--"Ik hoop," zeide Van Lintz, "dat dit geen

cartel van den Heer Blaek is?--Wacht u voor dien man; hij ware niet te

goed om u zonder waarschuwing overhoop te schieten."

"Neen," zeide ik: "dit briefje is niet van hem; maar echter vordert het

van mij, dat ik mij iets vroeger van hier verwijdere, ten einde het

antwoord gereed te maken."

Dit gezegd hebbende rees ik op en verliet het vertrek. Aan de voordeur

gekomen zag ik, dat Amelia mij volgde. "Doe geen moeite," zeide ik, "ik

zal er wel uitkomen."

"Mijnheer Huyck!" zeide zij, met een bevende stem: "Vergeef mij mijn

vrijpostigheid; maar ik ben zoo gewoon geraakt, altijd het ergste te

vreezen. Is dit briefje wezenlijk niet van den Heer Blaek?"

"Ik ben gevoelig voor uwe belangstelling," zeide ik: "maar ik verzeker

u, dat uw vrees zonder grond is:" en ik gaf haar in korte woorden te

kennen, wat het geval was.

"De Hemel zij gedankt!" hernam zij: "ik herinner mij dien Sander wel, en

den noodlottigen naam van Pedro Negro, dien wij hem gaven, en dien hij

naderhand, hoor ik, maar al te berucht heeft gemaakt. Er zat een goede

aard in den man: en God geve, dat hij zijn vroegere verkeerdheden door

een verbeterd levensgedrag uitwissche."

Ik keerde naar de herberg en schreef den brief, dien ik Sander beloofd

had, waarna ik mij ter rust begaf, met last dat men niet verzuimen zou

mij te wekken. Den volgenden morgen was ik dan ook vroegtijdig op de

been, en de aanbiedingen afslaande van Pulver en van Helding, die mij

vergezellen wilden, begaf ik mij naar de bestemde plaats.

Het was een fraaie morgen: de wind was naar het Zuiden omgeloopen, en

deze gelegenheid werd te baat genomen, zoowel door enkele koppels vinken

en bonte kraaien, die mij over 't hoofd vlogen, aankondigende dat het

najaar gekomen was, als door ettelijke vaartuigen, die, de ree van 't

Vlie verlaten hebbende, noordwaarts opstevenden; maar niet weinig was ik

teleurgesteld, toen ik bemerkte, dat ook de _Kjöbenhavn_ het anker

gelicht had en met uitgespannen zeilen het zeegat uitstevende. Kapitein

Holmfeld had zeker niet langer durven vertoeven, en nam ook de laatste

hoop van Sander met zich mede.

Welhaast had ik het duin bereikt, waarop zich de vuurbaak verhief: een

eenvoudige, van ruwe balken saamgestelde toestel, en welken men beklom

langs een op verscheidene plaatsen van sporten ontbloote ladder. Ik zag

om mij heen, of ik Sander ook ergens gewaarwerd; maar hij kwam niet

opdagen. Langen tijd wandelde ik op en neder; eindelijk werd ik

ongeduldig: ik begon te vermoeden, dat ook hij het Deensche schip had

zien wegzeilen, en, geen trek hebbende, den morgen hier door te brengen,

besloot ik, weder naar het dorp te keeren.

Ik had ongeveer de helft van den terugtocht afgelegd, toen het mij

voorkwam, dat ik in de nabijheid een geluid hoorde als van iemand, die

angstig steunde. Ik zag rond en ontdekte, in een laagte tusschen de

duinen, een voorwerp, dat mij, voor zooveel de struiken mij toelieten te

zien, een menschelijk lichaam toescheen. Ik snelde derwaarts heen, en

nog na zoovele jaren gaat er een huivering door mijn leden, bij de

gedachte aan het schouwspel, dat zich aan mijn oogen voordeed.

Op het naakte zand lagen twee lichamen uitgestrekt: het eene was dat van

Sander: hij lag op den rug: de doodskleur was op zijn gelaat verspreid,

en zijn bloed, dat tappelings uit een aan 't hoofd bekomen wond vloeide,

vormde een rooden plas op den barren grond. Dwars over hem heen lag

Lodewijk Blaek, met het aangezicht in het zand en een pistool naast hem

op den grond.

Met een kreet van ontzetting trad ik nader en keerde het lichaam van

dezen laatste om. Zijn hemd en vest waren stijf van bloed, en zijn

trekken als die eens dooden; maar een pijnlijke zucht, die hem bij deze

beweging ontsnapte, kondigde mij aan, dat het leven hem nog niet

verlaten had en redding misschien mogelijk was. Ik rukte hem het hemd

open, zag dat hij een diepe wond in de borst had en hield er mijn

zakdoek voor, om de bloedvloeiing zoo mogelijk te stelpen. Wat Sander

betrof, hij was reeds koud en had blijkbaar den adem uitgeblazen. Het

bebloede mes, waarmede hij zijne weerpartij; waarschijnlijk verwond had,

was aan zijn hand ontvallen.

Onwetend wat te doen, den gewonde niet willende verlaten, en toch buiten

staat, hem zonder hulp te vervoeren, sloeg ik de oogen rond om te

ontdekken, of zich ook een levend wezen in de nabijheid opdeed, toen ik

plotseling op een kleinen afstand, vlak voor mij iemand gewaarwerd, die

mij met aandacht scheen gade te slaan. Zijn aanblik verwekte in het

eerste oogenblik dien indruk op mij, welken het staroogen der slang op

den onschuldigen vogel teweeg-brengt: ik had Andries herkend. Mijn

volgende beweging was, het mes van Sander op te vatten, om mij des noods

tegen een aanval van dien schelm te verdedigen. Maar wat hem betrof, hij

keerde zich om, zonder een woord te spreken, en liep, onder het

geschreeuw van "moord! moord!" naar den kant van het dorp toe. Ik stond

op: en zag terzelfder tijd Pulver en Helding, die met drift kwamen

aanloopen.

"God beware ons! Wat is hier geschied?" vroeg de laatste.

"Wij zijn toch nog niet tijdig genoeg gekomen om een ongeval te

verhoeden," zeide Pulver: "ben je ook gekwetst, Patroon?"

"Raak de doode lichamen niet aan, Mijnheer Huyck!" riep Helding, die op

dit stuk met het gewone vooroordeel behept was: "daar komt nooit eenig

goeds van."

"Maar wie heeft dat toch gedaan?" vroeg Pulver.

"Ja! Wie heeft dat gedaan?" vroegen nu onderscheidene stemmen: en eenige

eilanders, wier getal meer en meer aangroeide, verzamelden zich om de

plek, doch altijd, ten gevolge van hetzelfde vooroordeel, op zekeren

afstand blijvende. Ik zag, dat sommigen het hoofd schudden, mij schuins

aanzagen en elkander met den elleboog aanstootten of toewenkten.

"Helpt mij toch deze ongelukkigen naar het dorp te brengen," zeide ik:

"de eene leeft nog."

"Wij zullen wachten, tot de Drost komt--wij zullen er geen hand aan

slaan--of wij mal waren? om een lijk aan te raken en zoodoende den

boedel te aanvaarden," mompelden de omstanders.

"Zij hebben elkander vermoord, zeide ik, den vragenden blik van Pulver

beantwoordende: "dat lijdt geen twijfel."

"Nu ja!--dat zal de Drost wel beslissen," hernamen de dorpelingen: en ik

zag, dat hun blikken gevestigd waren op het mes, dat ik in de hand

hield.

"Hij doet wel, dat hij de schuld aan de dooien geeft," mompelde Andries,

die mede onder den hoop was teruggekeerd: "dooien spreken niet tegen,"

denkt hij: "hij is zoo leep als het hout van de galg."

Ik zag, dat ik algemeen van den moord verdacht werd gehouden: mijn

toestand was alles behalve aangenaam: ik begreep echter, alvorens mij te

verdedigen, nogmaals een beroep op hun menschlievendheid te moeten doen.

"Vrienden!" riep ik, Lodewijk half oprichtende: "deze leeft nog. Wilt

gij hem zonder hulp laten sterven?"

"Wacht!" zeide Pulver: "ik zal u helpen. Patroon. Als hij nog niet naar

zijn grootje is, is er geen gevaar bij."

"En ik ook," zeide Helding: "ofschoon hij het juist aan mij niet

verdiend heeft, maar ik heb te veel verplichting aan Mijnheer Huyck, om

hem alleen in den steek te laten."

Op dit oogenblik kwam Doedes met Reynszen en eenige andere notabelen

aanloopen.

"Hm!" riep de eerste: "twee lijken?--Moord gepleegd?--door wien?"

Allen zwegen: een der aanwezigen wees op Andries en zeide: "die man is

ons komen roepen."

"Ja!" zeide Andries, mij aanziende: "ik zal geen grooteluis-kinderen

betichten, zoomin als met een kotter een Admiraalsschip aanzeilen;--maar

wanneer men een bebloed mes in de hand houdt...."

"Menschen!" riep ik, met een krachtige stem: "gelooft dien man niet: hij

is een schelm, een straatroover, van wien gij u verzekeren moest. Ik ben

hier gekomen, toen zij beiden op den grond lagen:--dit mes behoorde aan

den doode,--doch verliest geen tijd in onnut gepraat: de Heer Blaek is

misschien nog te redden."

"Hm!" zeide Doedes, het hoofd schuddende: "de Heer Blaek uw vriend

niet--vroeg uitgegaan--tweegevecht--hm!--nog te redden?" en te gelijk

naderende, onderzocht hij de wond: "hm!" zeide hij: "snijdend werktuig

diep ingedrukt," en toen mij aanziende: "dat mes, hm!"--Ik gaf het hem:

"wond met dit mes toegebracht--_vena jugularis_--kraakbeen

gekwetst--langzame genezing--spoedig vervoeren."--Onder het spreken

haalde hij zijn gereedschappen voor den dag en legde een haastig

verband; waarna hij zich bij Sander begaf en diens wond peilde: hm!"

zeide hij "kogel in 't hersenvlies--dood als een pier--hm!--_vulnus

letale_."

Hiermede besloot hij zijn lijkschouwing en begaf zich met Reynszen en

nog twee of drie andere der met hem gekomen notabelen op zijde. Hun

gesprek was kort en levendig: ik zag, aan de blikken, die zij naar mijn

kant wierpen, dat ik daarvan het onderwerp was. Na den afloop daarvan,

trad Doedes naar mij toe en zeide:

"Gij ons volgen--verantwoorden."

"Dat wil ik gaarne doen," zeide ik: "maar gij zult toch geen geloof

hechten...."

"Ja!" zeide Reynszen, het hoofd schuddende: "'t zou mij van Mijnheer

spijten: maar er is een zware praesumtie--UEd. was geen vriend van den

gewonde."

"Ben je dol?" vroeg Pulver: "Mijnheer Huyck voor een moordenaar aan te

zien!"

"Goed recht geven," zeide Doedes: "geen aanziens des persoons--hei wat!"

vervolgde hij, ziende dat Andries zich verwijderde: "die man

blijven--meegaan--getuigenis afleggen."

"Zorg, dat hij niet ontsnappe," zeide ik: "hij is de vent, waar ik met

den kastelein over sprak,--de man, die plan had het pakhuis te

berooven."

Men verzekerde zich van Andries en plaatste Lodewijk op een burrie, die

inmiddels was aangebracht. Terwijl dit geschiedde, opende hij de oogen,

zag rond en vroeg met een nauwelijks hoorbare stem: "waar ben ik?"

"Nu zult gij allen de waarheid hooren!" riep ik verheugd uit. "Blaek, om

's hemels wil! zeg ons: wie was uw moordenaar?"

De gewonde zag mij een poos sprakeloos aan, als wilde hij zich bedenken,

terwijl zich de omstanders in gespannen verwachting om ons heen drongen,

ten einde de woorden van zijn lippen op te vangen. Opeens scheen hij

zich te bezinnen, een boosaardige glimlach vertoonde zich op zijn

gelaat, en mij scherp aanziende: "gij," zeide hij.

"Ellendige!" riep ik: "wilt gij met een leugen de eeuwigheid ingaan?"

Een diepe stilte volgde bij de aanwezigen. Reynszen zag mij met een

medelijdenden blik aan, terwijl hij de schouders ophaalde als wilde hij

zeggen: "gij hoort het." Pulver zuchtte en beet op zijn vingers; Helding

stond als versuft: hij drukte mij de handen, terwijl hem de tranen uit

de oogen sprongen. Wat mij betreft, ik was zoodanig door de

beschuldiging verplet, dat ik geen woord meer kon uitbrengen en

werktuiglijk mij op weg begaf in den trein, die nu met den gekwetste en

den doode langzaam naar het dorp trok.

* * * * *

ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN ONZE HELD ZICH VOLSTREKT NIET OP ZIJN GEMAK BEVINDT.

Ferdinand Huyck · 第 48 / 51 段