"Ik heb de eer het gezelschap nederig te groeten, zeide hij, een

spottenden blik op Van Lintz werpende; maar de uitdrukking van zijn

gelaat veranderde en zijn kleur verschoot, toen hij mij herkende.

"Ga zitten, Mijnheer Blaek!" zeide Holmfeld: "waarlijk, wij waren er

verre af, van ons op uw bezoek te verwachten: dat is hupsch van u."

"En waarom niet?" zeide hij, zijn onbeschroomdheid terugvindende, en

plaatste zich meteen op den hem aangeboden stoel naast Amelia, die den

haren verschoof: "ik ben immers een liefhebber van op het water rond te

zwalken. Maar laat ik niemand storen. Houdt uw gemak, Mijne Heeren! Ik

hou, zooals ik zeide, veel van een speelreisje; en bovendien, ik

wenschte Mijnheer (zich tot Van Lintz wendende) te bedanken voor de eer,

die hij mijn jacht heeft aangedaan, door het tot zijn overtocht te

gebruiken. En de Heer Huyck ook hier! maar dat verwondert mij minder:

men ziet den rook, waar het vuur is:--en als men zulke trekpleisters

heeft...." hier zag hij, schamper lachende, naar Amelia.

"Mijnheer!" zeide Van Lintz, met nadruk: "ik ben hier slechts passagier

aan boord, en de Kapitein kan toelaten wie hij verkiest; maar ik moet u

zeggen, nu het mij blijkt, dat gij bewust waart van onze

tegenwoordigheid alhier, dat uw ongewenscht bezoek de maat vult van al

uw onbescheidenheden te mijwaarts."

"Kom Heer Graaf! of welken naam UEd. thans verkiest te dragen," zeide

Lodewijk: "UEd. kan het zoo kwaad niet meenen: er is, zoo ik wel

onderricht ben, ook een tijd geweest, dat UEd. ongewenscht aan boord

kwaamt bij dezulken, die u voor St.-Felten wenschten. Daar is Kapitein

Pulver, die weet er een geschiedenis van te vertellen."

"'t Is bij mijn zolen niets anders als ik dacht," zeide Pulver: "ja! ja!

Pulver laat zich geen brik voor een barkas verkoopen, zooals ik zei."

"En gij, Kapitein Holmfeld!" vervolgde Lodewijk tegen den verbaasden

Schipper: "gij moogt ook wel toezien, of uw geëerde passagier zou uw

schip wel eens naar de Baai van Venezuela kunnen sturen."

"Ellendeling!" riep Van Lintz, bleek van woede en zich met moeite

bedwingende: "Wat hebt gij voor? Wat beduidt uw komst, en de taal, die

gij voert?"

"Ik begrijp er niets van," zeide Holmfeld: "uw eigen vader, Mijnheer

Blaek! heeft mij deze lieden aanbevolen en aan boord doen ontvangen."

"Mijn vader is, met verlof gezegd, een oude suffer," zeide Lodewijk:

"maar hij had wel anders gehandeld, indien hij geweten had, dat gindsche

Heer, die zulk een hoogen toon voert, een deserteur is en een

zeeroover."

Er volgde een oogenblik van algemeene stilte op deze woorden. De oogen

van Van Lintz rolden hem vreeselijk in 't hoofd, het schuim stond hem op

de lippen, en hij ware Lodewijk ongetwijfeld aangevlogen, had niet

Amelia, eene uitbarsting willende voorkomen, zich voor haar vader

geplaatst en hem omvat.

"Mijnheer mag wezen wie hij wil," zeide Holmfeld, na zich een wijl

bedacht te hebben: "hij is mijn passagier: ik heb geld voor den

overtocht ontvangen en ik versta niet, dat hij aan mijn boord beleedigd

worde."

"Goed gesproken!" zeide Pulver: "of hij een deserteur is geweest weet ik

niet; maar, zoo hij al een zeeroover was, kan ik getuigen, dat hij mij

op een bescheiden wijze behandeld heeft en mij ongemolesteerd heeft

laten gaan, toen hij mij zonder genade had kunnen opknoopen."

"Met u praat ik niet," zeide Lodewijk, "en wat Kapitein Holmfeld

betreft, hij mag zich tweemaal bedenken over hetgeen hij zegt; want het

zou wel kunnen gebeuren, dat hij anders geen zaken meer te doen kreeg

voor ons kantoor."

"Hoor eens," zeide Holmfeld, op zijn beurt warm wordende: "Mijnheer Bos,

of zoo hij heeten mag, is onder bescherming van de Deensche vlag en

niemand zal hem hier verder affronteeren. En wat u betreft, Sinjeur! die

hier twist komt zoeken, ik raad u, maak maar gauw, dat gij van mijn

bodem afkomt, of ik laat u tusschendeks smakken en pak u mede naar

Denemarken. Wat hagels! ik ben baas op mijn schip."

Lodewijk beet op zijn lippen: "Ik ga," zeide hij, op een sarrenden toon:

"en zal te Amsterdam bericht brengen, dat Kapitein Holmfeld misdadigers

laat ontsnappen en dat de zoon van den Hoofdschout een afscheidsglaasje

met hen drinkt."

Ik had mij voorzichtigheidshalve niet in den twist gemengd; maar deze

persoonlijke beleediging begreep ik niet voorbij te kunnen laten gaan:

"Mijnheer Blaek!" zeide ik: "ik heb tot nog toe gezwegen: maar ik moet u

zeggen, dat gij hier een ellendige rol speelt."

"Met u heb ik thans niets te schaffen," zeide hij; "maar later zult gij

mij voldoening voor die woorden geven."

"Ik had u die reeds lang afgevergd," zeide ik: "indien de eerbied voor

uw vader en nicht mij niet weerhouden hadden."

"Mijn nicht!" hernam hij, schamper lachende: "het voegt u wel van mijn

nicht te spreken, wanneer ik u met uw maitres in gezelschap vind."

"Dat is te veel!" riep ik uit: "zoodra wij aan wal zijn...."

"Gij hebt gehoord, wat ik gezegd heb," zeide Holmfeld, terwijl hij

Lodewijk in den kraag vatte: "nog één woord en ik smijt u in den

kelder."

"Een oogenblik!" zeide Van Lintz, die inmiddels zich geweld had

aangedaan om bedaard te blijven: "indien hier iemand beleedigd is, zoo

ben ik het. Ik had wellicht, uit aanmerking van den dienst, welken mij

des jonkmans vader gedaan heeft, zijn onbezonnen uitvallen kunnen

verschoonen; maar het is de eer mijner dochter, welke hij aanrandt, en

bij den Hemel! hij zal niet naar Amsterdam terugkeeren om daar haar

goeden naam door zijn schandelijke lastertaal te bezwalken. Welke

wapenen verkiest gij, Mijnheer Blaek?

Aller oogen waren op Lodewijk gevestigd; hij sloeg even de zijne neder

onder den ontzagwekkenden blik van Van Lintz; maar zijn gelaat bleef

dezelfde spotachtige uitdrukking behouden, welke het van zijn

binnentreden af niet verlaten had.

"O ho!" zeide hij: "begint Mijnheer eindelijk te begrijpen, dat er een

fatsoenlijker wijze is om tusschen cavaliers een twist te beslechten dan

met de vuist, gelijk gemeene kruiers?--Wat zal ik u antwoorden? De

wapens zijn mij vrij onverschillig; maar liefst vecht ik op den vasten

wal; ik heb nooit het ambacht van zeeroover uitgeoefend: en schoon ik

redelijk vast sta op de planken van mijn jacht, ben ik nooit gewend

geweest--zooals andere lieden--het rapier of de pistool aan boord te

bezigen!"

"Het zij zoo!" zeide Van Lintz: "wij zijn in 't gezicht van

Terschelling, en daar zal zich wel een eenzaam plekje bevinden waar wij

onze zaak kunnen afdoen. Gij zult er zeker niet tegen hebben, dat de

Heer Huyck en Kapitein Pulver ons tot getuigen strekken."

"Ik zie niet, dat wij getuigen noodig hebben," zeide Lodewijk; "maar,

wat mij betreft, ik heb er niets tegen.--Hoewel de duinkant eenzaam zij,

is het verkieslijk, zoomin geruchts mogelijk te maken: en alzoo stel ik

voor, den degen te gebruiken."

Van Lintz boog het hoofd ten teeken van goedkeuring. De Kapiteins en ik

zagen elkander met verwonderde blikken aan; want de keus van Lodewijk

scheen ons vreemd en gewaagd toe: immers, al had hij ook den naam van

een geoefend schermer te zijn, hij kon, op 't oog af, niet gerekend

worden zijn forsch gespierden weêrpartijder in kracht of behendigheid te

evenaren: en een gevecht met pistolen, had, naar onze meening, meer

gelijkheid tusschen partijen gevormd. Er viel echter niets aan te

veranderen, daar Lodewijk het zelf zoo gewild had; doch de achtelooze,

onverschillige wijze, waarop hij zijn keuze gedaan had, bleef ons,

evenals die keuze zelve, onverklaarbaar.

Droevig was echter de uitwerking, welke de afloop van den twist op

Amelia deed. Schoon haar oog geen traan ontvloot, teekenden al haar

gelaatstrekken hevige ontroering en bezorgdheid. "O God!" riep zij, de

handen angstig wringende: "moet er om mijnentwil een tweegevecht plaats

hebben?--Heb ik niet reeds genoeg uitgestaan, mijn Vader! en moet de

laatste stap, dien gij op uw geboortegrond doet, met bloed geteekend

worden?--Kunt gij dat niet beletten, Mijnheer Huyck?"

Ik haalde de schouders op: en in waarheid, welk een afkeer ik van nature

ook tegen die onmenschelijke en onchristelijke gewoonte koester, om

elkander als wilde dieren naar het leven te staan, ik zag niet, hoe er

in dit geval aan een vergelijk of verzoening kon gedacht worden: "al wat

ik kan voorstellen," zeide ik, "is om zelf de plaats van uw Heer vader

te nemen en den Heer Blaek, voor zijn lastertaal de straf te geven, die

hij verdiend heeft."

"Is het op die wijze, dat gij mijn zorg denkt te verminderen? en is deze

de eenige troost, dien gij mij geven kunt?" zeide Amelia met een

verwijtenden blik.

"Wees vooralsnog niet voor uw lief bekommerd, Mejuffrouw!" zeide

Lodewijk: "ik hoop later mij met den Heer Huyck te meten en hem zijn

smadelijke woorden te doen opslikken:--eerst moet de zaak met uw vader

afgedaan zijn."

"Wees toch bedaard Amelia!" zeide Van Lintz, eenigszins ontevreden over

den twijfel, welken zijn dochter over den uitslag van het tweegevecht

scheen te voeden: de Heer Blaek verlangt een les: hij heeft die noodig:

en ik ben bereid, hem die te geven: zou UEd. de goedheid willen hebben,

Kapitein Holmfeld! van de sloep vaardig te doen maken. Ik vlei mij, dat

wij niet lang zullen wegblijven."

"Te drommel!" fluisterde Pulver mij in 't oor: "wie had dat kunnen

vermoeden? Zou UEd. den Heer Lodewijk niet kunnen raden alsnog zeil te

minderen? Hij mag groot en sterk zijn: maar tegen dien driedekker van

een Don Manoël is hij niet opgewassen."

"Het heeft zoo moeten zijn," zeide ik: "en het ligt er nu eenmaal toe;

maar ik had wel gewenscht, dat die thee op den bodem van de zee lage en

dat wij hier nooit aan boord waren gekomen; want de hemel weet, hoe men

dit geval ten onzen nadeele zal uitleggen."

Wij waren intusschen de kajuit uitgetreden: Holmfeld was zijn bevelen

gaan geven tot het klaarmaken der sloep: Van Lintz was naar beneden om

zijn degen en mantel te gaan halen, en Lodewijk, tegen het gangboord

leunende, stond een deuntje te fluiten en naar wal te zien. Nu naderde

mij Amelia en zeide:

"Gij belooft mij, toe te zien, Mijnheer Huyck! dat alles naar behooren

toega. Ik kan het niet helpen, maar ik mistrouw dien Heer Blaek."

"Ik heb nooit de beste gedachten van hem gehad," zeide ik: "maar wij

zullen zorgen, dat alles volgens de regels geschiede. Ban uw vrees: het

zal beter afloopen, dan gij denkt. Uw vader is zich zijner kracht bewust

en de jaren voorbij, waarin men onbesuisd te werk gaat en zonder

nadenken handelt. Ik bedrieg mij zeer, of zijn voornemen is alleen, dien

onbedachtzamen knaap een aandenken aan zijn meerderheid te

geven.--Intusschen, ik wenschte met u, dat dit alles geen plaats had

gehad."

De sloep was nu gereedgemaakt en Kapitein Holmfeld verzocht ons, den

meesten spoed aan onze verrichtingen bij te zetten, daar hij zijn

manschappen niet langer dan noodig ware wilde missen. Lodewijk steeg

eerst af: vervolgens de Heer Van Lintz, na zijn dochter hartelijk

vaarwelgekust te hebben. Ik drukte haar zwijgend de hand tot afscheid en

volgde met Pulver; maar nog waren wij niet allen gezeten, toen Amelia

boven aan de trap verscheen en, eer iemand het verhinderen kon, zich

naar beneden liet glijden.

"Wat wilt gij? En welke dwaasheid is deze?" vroeg haar vader, op een

strengen toon.

"Ik wil met u naar wal gaan," zeide Amelia: "niet dan door dwang zal ik

u verlaten: mijn besluit is onverzettelijk: en gij weet, mijn vader, dat

ik, wat vastheid van wil betreft, uw waardige dochter ben--vrees niet

dat ik uw opzet storen of verhinderen zal. Ik zal bij de sloep blijven:

gebeurt er eenig ongeval--'tgeen de Heiligen verhoeden--dan ben ik

immers bij de hand, en er behoeft niet naar het schip gezonden te worden

om mijn hulp te vorderen."

Er viel hier niets tegen in te brengen. Wij staken af en roeiden naar de

haven; terwijl wij allen, en zelfs Pulver, wien het moeilijk viel, het

zwijgen bewaarden. Het jacht van Lodewijk, dat minder diep ging dan het

Deensche vaartuig, lag tusschen dit en het dorp in ten anker: alles was

stil aan boord: slechts een enkel persoon stond onbeweeglijk aan de

voorplecht. Eerst toen wij naderbij kwamen, bespeurde ik, dat die man

een kijker in de hand en op ons gevestigd hield. Opeens verdween hij: en

nu zag ik, dat de jol aan bak-boordzijde gehaald werd. Ik veronderstelde

eerst, dat de knecht van dat jacht, Lodewijk in ons midden herkennende,

zijn bevelen kwam vragen; maar niet weinig verwonderd was ik, toen, één

voor één, een viertal personen op het dek van het jacht verschenen en in

de jol afdaalden, die nu met alle kracht van riemen naar wal word

geroeid. Ik zag Lodewijk aan, en ik bemerkte, dat ook zijne

oplettendheid op deze manoeuvre gevestigd was, en dat een echt

duivelsche lach zich op zijn lippen vertoonde. In andere omstandigheden

zou ik hem gevraagd hebben, wie die personen waren, die hij op zijn

vaartuig had; thans echter schroomde ik het stilzwijgen te breken, dat

in onze sloep heerschte, en wellicht een onhebbelijk antwoord uit te

lokken. Weldra was de jol tusschen de in de haven liggende

visschersschuiten en achter het paalhoofd verdwenen. De Heer Van Lintz

had haar niet bespeurd of er geen acht op geslagen, en zijn dochter was

te zeer in haar droevige gepeinzen verdiept, om te letten op iets, wat

rondom ons gebeurde. Wat Pulver betreft, hij was juist bezig met vuur te

slaan en zijn pijp aan te steken, toen de jol van het jacht afging, en

zij had dus ook zijne opmerkzaamheid niet getrokken.

Wij waren eindelijk aan het paalhoofd gekomen, hetwelk wij beklommen,

uitgenomen Amelia, die zich tegen de koele zeelucht in haars vaders

mantel wikkelende, in de sloep bleef zitten. Wij drongen door de hier

wederom verzamelde menigte heen en bevonden ons weldra op het gulle zand

voor het dorp.

"Dunkt u niet best," vroeg ik aan Van Lintz, "dat wij eerst naar de

herberg gingen en ons van daar, quasi om een wandeling te maken, naar

het duin begaven?--Dat zou minder opziens baren en geen argwaan

verwekken."

"Die wandeling zal u wel bespaard worden," mompelde Lodewijk; en, op

hetzelfde oogenblik trad iemand, die uit den volkshoop te voorschijn

kwam, naar Van Lintz toe en legde hem de hand op den schouder met de

woorden: "Gij zijt mijn arrestant."

"Uw arrestant!" riep Van Lintz, verbaasd terugtredende en de hand aan

zijn degen slaande.

"Wij bidden u, niet te bieden eenige resistentie," zeide Heynsz:--want

hij was het zelf:--"mijn dienaars zijn gewapend en ik heb slechts te

vertoonen mijn mandaat, om te verkrijgen de noodige assistentie."

"Geef in 's Hemels naam toe," zeide ik tegen Van Lintz: "alle weerstand

zou voor het oogenblik nutteloos zijn."

"Heer Graaf van Talavera!" zeide Lodewijk Blaek, met een hoonenden lach,

tegen Van Lintz: "gij zijt een fijne diplomaat; maar de kunstgreep, dien

ik thans gebezigd heb om u van het Deensche schip te lokken, was toch

nieuw."

"Gij zijt de verachtelijkste mensch, dien ik ken," zeide ik, over zulk

een helsche list verontwaardigd.

"En de onvoorzichtigste," zeide Van Lintz: "want zijn fieltestreek kan

hem zijn halve vermogen kosten.--Maar dat daargelaten! Ik moet zwichten.

Hier is mijn degen. Monsieur Heynsz! waar is het uw plan mij heen te

voeren? Ik wensche vooraf nog mijn dochter eens te spreken en afscheid

van haar te nemen."

"Om Godswille! Wat is er gebeurd?" riep Amelia, die, door een der

matrozen ten halve onderricht, angstig kwam toesnellen.

"Niets, lief kind!" zeide Lodewijk: "als alleen dat het plan veranderd

is, en dat gij met uw vader en mij in vrede naar Amsterdam terugkeert."

"Is dit noodzakelijk?" vroeg ik aan Heynsz; "en moeten die lieden

gedwongen worden, het gelaat van dien schoft op de terugreis voor oogen

te hebben?"

"Ik zal u verzoeken, liever een vaartuig te mijnen koste te nemen,"

zeide Van Lintz.

"Ziedaar een billijk voorstel," zeide ik tegen Heynsz: "gij zijt

bovendien afgezonden, om Mijnheer gevangen te nemen, en niet om hem te

pijnigen door den aanblik van iemand, die hem met reden hatelijk is."

"Er is geen zwarigheid ter wereld," antwoordde Heynsz: "wij willen den

Heer Graaf niet jagen op kosten: wij willen huren een vaartuig en

bedanken den Heer Blaek voor zijn verder konvooi. Zoo de Heer Graaf

verlangt, wij zullen aan de roeiers, die hem gebracht hebben hier, last

geven, van boord te gaan halen zijn bagage."

"Die bagage zal zeker onderzocht worden?" vroeg Van Lintz, hem met een

doordringenden blik aanziende: "doch om 't even:--ik verlang er zelfs

naar; want daardoor zal de wraak volkomen worden, die ik van dezen Judas

nemen moet."

"Wat ... wat beduidt dat toch?" vroeg Lodewijk, enigszins ongerust: "wat

hebben uw bagage en mijn vermogen onderling uitstaande?" Hij ontving

geen antwoord en bleef enigszins beteuterd staan. Het was mij duidelijk,

dat hij gaarne naar zijn jacht zou zijn teruggekeerd, doch dat de zoo

stellige woorden van Van Lintz indruk op hem hadden gemaakt: hij bleef

dus, schoon op enigen afstand, om ons draaien.

"Zouden wij niet inmiddels naar de herberg gaan?" vroeg ik aan Heynsz;

"wij hebben hier zoveel bekijks."

Deze voorslag werd te gereeder door dezen aangenomen, daar hij de

Overheid van Terschelling toch verwittigen wilde van het op haar

grondgebied gedaan arrest; en terwijl een paar dienaars met de sloep

naar den hoeker voeren om de bagage te halen, begaven wij ons naar den

herberg; Heynsz ging vooruit met den goeden Pulver, die onophoudelijk

zijn verbazing te kennen gaf over den zonderlingen loop dien de zaak

genomen had; Van Lintz volgde, den arm aan zijn dochter gevende, terwijl

ik aan zijn andere zijde liep en twee dienaars den trein besloten; de

halve bevolking klotste achter en om ons heen, en Lodewijk, blijkbaar

met zijn figuur verlegen, liep aan de andere zijde van de straat. Hij

volgde ons in de herberg, eischte een glas brandewijn, dat hij dadelijk

naar binnen sloeg, en zette zich in een donkeren hoek, terwijl Van Lintz

en aan een andere zijde plaats namen.

"Waar woont de Drost?" vroeg Heynsz aan Reynszen: "ik wenschte hem

dadelijk te spreken."

"Waar hij woont kan ik u makkelijk beduien," antwoordde de waard: "maar

gij zult hem thans niet aan zijn huis vinden, vermits hij hier is."

"Hier!--Welnu! wees dan zoo goed hem te roepen." "Hij zal zoo aanstonds

terug zijn," hernam Reynszen: "hij is hier achter bij een zieke; want

hij is tevens Dokter, moet je weten."

"Ja! dat is ook waar," zeide Pulver: "hoe maakt het die arme meid?"

Reynszen schudde het hoofd en gaf ons te kennen, dat zij op het uiterste

was. Ik begaf mij aan het raam, bij mijzelven nadenkende over het

zonderlinge noodlot, dat in dit oogenblik zooveel verschillende

personen, doch die allen in zekere betrekking tot elkander stonden,

bijeenverzameld had. Nu vervoegde zich Heynsz bij mij en ik vroeg hem in

stilte, hoe hij te weten was gekomen dat de Heer Van Lintz zich op het

Deensche vaartuig bevond. Het geval had zich, gelijk hij verhaalde, op

de navolgende wijze toegedragen: Lodewijk Blaek had van zijn

schippersknecht vernomen tot welk einde zijn vader het jacht buiten zijn

weten had doen dienen. Hij had terstond vermoed dat de ontsnapte persoon

niemand anders als Amelia's vader kon zijn, en zulks dadelijk aan Heynsz

te kennen gegeven, die nog altijd in de omstreken van Naarden naar den

voortvluchtige zocht. De vermoedens stegen bij verdere nasporing tot

zekerheid, en nu had Lodewijk, die zich waarschijnlijk op deze wijze op

Van Lintz en Amelia wilde wreken, zijn jacht aan Heynsz aangeboden, ten

einde daarmede den vluchteling te achterhalen. Dit was hun, gelijk wij

gezien hebben, gelukt; maar daar Heynsz eenige zwarigheid maakte om

zonder specialen last een onder vreemde vlag zeilend vaartuig aan te

doen en te doorzoeken, had Lodewijk op zich genomen, bij Holmfeld aan

boord te gaan en den Heer Van Lintz weder van het vaartuig en op

Hollandsch grondgebied te troonen.

"Het doet mij leed," zeide ik, "dat gij in uw plan zoo wel geslaagd

zijt; de Heer Van Lintz heeft mij het leven gered en het zou, geloof ik,

ook mijn vader innig verheugd hebben, indien de man ontkomen ware."

"Ik mag ook best lijden," zeide Heynsz: "dat Zijne Excellentie er

behouden af kome;--maar toch! onze reputatie, van uw Heer papa en de

mijne, zoude geweest zijn naar de maan, indien hij ware ontsnapt; bedenk

eens, hoe zij konden hebben uitgelachen Monsieur Heynsz, als zij gehoord

hadden, daarna, dat de man, dien hij zocht, gewoond had in zijn eigen

huis en hij hem had laten echappeeren!... maar die Dokter blijft lang

weg ... ha! hier is hij."

En op dit oogenblik trad de Heer Substituut-Drossaard en Geneesheer

Doedes door de achterdeur binnen.

* * * * *

ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN TREURIGE EN INDRUKWEKKENDE TOONEELEN VOORKOMEM, GELIJK MEN DIE

SOMTIJDS IN HET DAGELIJKSCHE LEVEN, MAAR ZEER DIKWIJLS IN ROMANS EN

VERSIERDE GESCHIEDENISSEN AANTREFT.

"Hm!" zeide Doedes, verwonderd rondziende: "groot gezelschap--veel

vreemde gezichten--dienders met stokken!--hm!"

"Hoe is het met de arme lijderes?" vroeg ik, naar hem toegaande.

"Hm!--zooeven afgeleid--_omnes mortales aumus_--_affectio

pulmonaris_--mijn taak afgeloopen--naar huis gaan--rekening

schreven--hm!"

"Heb ik het genoegen, den Heer Drost te zien?" vroeg Heynsz, terwijl hij

groette en zijn naam en hoedanigheid bekend maakte: "ik wenschte UEd.

even te spreken."

"Hm!--dieven zoeken--pakhuis bedreigd--aanslag op het Deensche

schip--reeds vier gepakt--deze Heer mij gewaarschuwd."

"Met uw verlof!" zeide Heynsz: "ik weet niet wat UEd. bedoelt; maar

mijne komst heeft een andere oorzaak."

Dit zeggende, trok hij den Dokter naar het venster, waar beiden zich een

wijl onderhielden. Ik bespeurde intusschen uit de gelaatstrekken van den

Drost, dat de hem gedane mededeeling hem niet bijzonder naar den zin

was.

"Hm!" mompelde hij eindelijk: "Terschelling een vrijplaats--oude

privileges--inbreuken genoeg--volhouden--hm?"

"Hoe!" riep Heynsz uit, twijfelende of hij wel gehoord had: "wat bedoelt

gij?"

"Niet toelaten--Schepensbank bijeenroepen--zaak van gewicht--violatie

van jurisdictie--hm!"

"Wat meent gij toch?" vroeg Heynsz: "acht gij het noodig te roepen

bijeen een Schepensbank om te beslissen een zaak zoo eenvoudig als deze?

Gij ziet immers mijn orders: die zijn duidelijk en peremptoir. Gij kunt

lezen, hoop ik."

"Orders--hm!" zeide Doedes, het hoofd schuddende en het hem aangeboden

bevelschrift afwijzende: "hier niet geldig--Amsterdamsche Hoofd-Officier

te huis regeeren--hier niet den baas spelen."

"Maar ziet gij dan niet, dat het is een bevel van de Staten," hernam

Heynsz onverduldig.

"Hm!--jawel--maar dit een exceptioneel geval--voorrecht--hm!

Terschelling een vrijplaats--apprehensie zonder jurisdictie--Schepenen

beslissen."

Heynsz bleef met open mond staan, een oogenblik buiten staat tot

spreken, zoo verbaasd was hij, dat een gerechtelijk ambtenaar een bevel

dorst weerstaan, waar zelfs de Amsterdamsche Regeering aan had

toegegeven. Terwijl hij, zijn gewone gevatheid en tegenwoordigheid van

geest voor een wijl verliezende, scheen te overpeinzen, hoe hij best den

koppigen Drost tot toegeeflijkheid zoude brengen en van zijn ongelijk

overtuigen, wendde hij, 't zij toevallig, 't zij uit vrees van hem uit

het oog te verliezen, den blik naar Van Lintz: en de angst, dat deze het

zonderling beweren van den Terschellingschen overheidspersoon gehoord

zou hebben en daarvan partij trekken, deed hem het zweet op het

aangezicht stijgen; terwijl zijn gelaat een zoo kluchtige uitdrukking

aannam, dat ik, in weerwil van mijzelf niet kon nalaten te glimlachen.

Ook Van Lintz glimlachte: want, schoon op een afstand gezeten, had hij

de woorden van den Drost zeer goed verstaan: hij was geen man om die

onopgemerkt of ongebruikt voor bij te laten glippen. Hij rees op en naar

de beide rechtsbeambten toetredende: "mij dunkt, vriend Heynsz!" zeide

hij: "dat gij u een weinig vergaloppeerd hebt, althans naar het oordeel

van dezen Heer."

Ferdinand Huyck · 第 47 / 51 段