"Ik ben geboren uit een adellijk geslacht van het Graafschap Zutfen, de

jongste en thans eenig overgeblevene van een aantal kinderen. Mijn

vader, de Baron Van Lintz, bracht zijn dagen op zijn afgelegen landgoed

door, daar hij geen eigen middelen bezat om in de groote wereld eenig

figuur te maken, en de Roomsche godsdienst, welken hij beleed, hem van

het bekleeden eener winstgevende bediening uitsloot. Ik scheen dan ook

bestemd om, gelijk mijn broeders, stil en onopgemerkt als een

boeren-edelman voort te leven; maar het was anders door het lot beslist.

Mijn moeder, die tot de heerschende Kerk behoorde, had in 's-Hage en

elders vele en aanzienlijke bloedverwanten: en dezen, een meer dan

gewonen aanleg in mij meenende te bespeuren, beduidden haar, aan mijn

opvoeding een meerdere zorg ten koste te doen leggen, dan mijn broeders

ten deel viel; terwijl zij met elkanderen de daartoe vereischte uitgaven

op zich namen. Ofschoon ik door mijn vorderingen aan hun verwachting

vrij wel beantwoordde, en een kennis van zaken en personen verkreeg,

welke mij in mijn volgende loopbaan wel te stade kwam, had ik echter

geen trek, om, gelijk zij verlangden, een geleerde te worden. Ik helde

meer tot den zeedienst over, waartoe ik--'t geen zeker vreemd genoeg

scheen in iemand, die als ik, in een landprovincie geboren was--een

bijzondere neiging gevoelde, welke nog versterkt was geworden door de

tochtjes, die ik jaarlijks, staande mijn verblijf bij mijn oom te Murél,

op de Noordzee deed en waarvan ik u zooeven het een en ander verhaalde.

Deze, mijn oom Van Murél was de eenige, die mijn neiging billijkte.

Tegen den zin mijner overige bloedverwanten, die het belachelijk vonden,

dat ik een loopbaan in zou treden, waar ik het, uithoofde mijner

kerkleer, nooit, ver in kon brengen, werd ik, door zijne bemoeiingen als

adelborst aangesteld: en na een paar jaren dienst zag ik mij, 't zij

door toedoen mijner beschermers, 't zij omdat ik het werkelijk wel

maakte, tot Luitenant bevorderd. Dit was nu zeer goed en wel; maar nu

was ik ook tot dien rang gestegen, waar de slagboom neerviel: en

kleingeestige staatsinstellingen moesten mij beletten, hier te lande

ooit hooger op te klimmen.

Ik leerde ondertusschen, te Amsterdam zijnde, de dochters van den op

pensioen gestelden Kapitein Reefzeil kennen. Ik werd verliefd op de

jongste, en zag mij weldra gelukkig door haar wedermin. Het verschil van

Godsdienst was echter een hinderpaal, waartegen mijn ouders minder

zouden hebben opgezien (daar, gelijk ik zeide, mijn moeder insgelijks de

hervormde leer beleed), doch die voor den ouden streng rechtzinnigen

Reefzeil onoverkomelijk was. Bij de teleurstelling, welke ik hierdoor

ondervond, voegden zich de verdrietelijkheden, welke mij dagelijks

kwelden, wanneer ik jongere of min bekwame officieren mij over 't hoofd

zag stijgen, alleen omdat zij der heerschende Kerk waren toegedaan. Ik

had dit vroeger, bij 't aanvaarden mijner loopbaan minder geteld; doch

nu ik het ondervond, werd het mij onverdraaglijk. Ik was, daar mijn

geboorte mij den toegang tot de hoogste kringen verschafte, in kennis

geraakt met den Spaanschen Gezant en deze opende mij de gunstigste

vooruitzichten, indien ik konde besluiten, in den dienst van Z.

Katholieke Majesteit te treden. Dit voorstel kwam mij te aanlokkelijker

voor, nademaal ik begreep, dat ik op deze wijze mijn twee vurigste

wenschen, het bezit mijner dierbare Cornelia en een hooger stand in de

maatschappij, zoude kunnen bereiken. Ik haalde haar over, met mij te

vlieden, zond mijn ontslag in, trouwde heimelijk in de kapel van den

Gezant en vertrok, door hem van goede brieven van aanbeveling voorzien,

met mijn echtgenoote naar Spanje. Ik werd aldaar goed ontvangen. Men had

juist bekwame zee-officieren noodig; en het leed niet lang of ik zag mij

aan boord van een oorlogsbrik geplaatst. Alles liep mij in den aanvang

mede: ik had het geluk gewichtige diensten aan mijn nieuw vaderland te

bewijzen en genoot een snelle bevordering. Door toevallige

omstandigheden geraakte ik ook in diplomatieke betrekkingen: en een

voordeelig tractaat met Portugal gesloten, deed mij in de gunst des

Konings klimmen. Ik werd Admiraal, Grande van Spanje, Vlies-ridder,

Graaf van Talavera, in één woord, ik zag weinigen mij gelijk en alleen

den Koning boven mij verheven. Mijn eenige smart was, dat mijn gade de

mij beschoren eer niet had kunnen deelen: zij was kort na mijn aankomst

in Spanje overleden, na mij een dochter geschonken te hebben.

Mijn voorspoed (en hoe kon dit anders?) had den nijd van velen opgewekt,

en men zocht mij van de hoogte, waartoe ik was opgestegen, te doen

nedertuimelen: dagelijks kwamen den Koning geheime inblazingen ter oore:

men klaagde mij aan van geldverspilling, van misbruik van gezag, in 't

kort van tallooze wandaden, welke ik, zoo ze mij openlijk waren verweten

geweest, met gemak had kunnen wederleggen; doch waar ik mij, zoolang ik

die niet kende, niet tegen verdedigen kon. Langen tijd weerstond de

Koning de kuiperijen mijner haters; maar eindelijk begon hij te

wankelen, en zijn vertrouwen op mij verminderde. Ik ontving een zending

naar Mexico. Ik begreep, dat deze verwijdering met een ballingschap

gelijkstond; maar er viel niet anders te doen dan te gehoorzamen. Ik

oordeelde echter, mij tegen de omstandigheden te moeten dekken en zond

daarom verscheidene papieren van waarde, ook eenige bescheiden, welke

tot mijn justificatie konden strekken, en bij sommige waarvan

aanzienlijke lieden uit Spanje gecompromitteerd waren, met een zekere

gelegenheid naar Holland, met last om die bij een Notaris te deponeeren,

onder voorwaarde van die aan niemand, dan op mijn schriftelijke

vergunning, ter hand te stellen. Ik vertrok dan naar Mexico en nam mijn

dochter mede, die na den dood van haar moeder in een klooster was

opgebracht geweest. Mijn afwezigheid gaf ruim baan aan mijn

beschuldigers, en zij verzuimden de gelegenheid niet. Een half jaar had

ik in de nieuwe wereld doorgebracht, toen een vaartuig de tijding kwam

brengen dat ik naar Spanje teruggeroepen werd om mijn gedrag te

verantwoorden. Ik moest gehoorzamen; maar nauwelijks was ik met mijn

dochter aan boord van het transportschip gekomen, of mijn degen werd mij

afgeëischt, en ik zag mij als gevangene behandeld. Op de terugreis werd

ons vaartuig door zeeroovers aangerand en genomen. Alles werd over de

kling gejaagd en ik had mijn behoud en dat mijner dochter alleen te

danken aan de omstandigheid, dat een der roovers, die vroeger onder mij

gediend had, mij herkende. Terwijl men mij naar de schuilplaats der

vrijbuiters voerde, kwam mijn oom Van Murél met zijn verhalen mij voor

den geest. Ik vormde het besluit mij op het ondankbare Spanje te wreken

en voortaan als een Noordsche Zeekoning te leven. Ik liet mijn voornemen

aan mijn beschermer bemerken: deze juichte het toe: en toen hij, aan wal

gekomen, mijn naam, de smadelijke behandeling, die ik tot loon mijner

diensten ondergaan had, en mijn besluit om mij bij hen te voegen, aan de

zeeroovers openbaarde, werd ik met algemeene stemmen tot hun opperhoofd

verkoren. Wat in de jaren, die ik in het Meer van Maracaibo doorbracht,

door mij verricht is, ga ik liefst voorbij: genoeg zij het, dat ik

geduchte wraak op Spanje nam van de beleediging mij aangedaan; en de

goede Kapitein, die ginds zijn pijp zit te rooken, kan u verhalen hoe

gevreesd de naam van Don Manoël in den Mexicaanschen zeeboezem en in de

Zee der Antilles was."

Hier viel ik den verhaler in de rede.--Gij wildet wraak op Spanje

nemen," zeide ik: "maar kwam die wraak over beleedigingen u door de

Rijksgrooten aangedaan, niet op het hoofd neder van onschuldige

kooplieden en schippers, die wellicht te voren uwen naam met eerbied

genoemd en uw bestuur gezegend hadden?--moest op deze wijze niet de

onschuld het gelag betalen?"

"Ik erken, dat uw aanmerking juist schijnt," zeide Van Lintz: "maar is

dit niet bij elken oorlog het geval? Boeten de soldaten, die in den

veldslag sneuvelen, de arme landlieden, wier oogst vernield en

weggeroofd wordt, de burgers, die hun woningen geplunderd en verwoest

zien, niet voor het vergrijp der vorsten, in wier raadsvertrek de krijg

besloten is? Ik ook, ik had den oorlog aan Spanje verklaard en aan al

wie met Spanjaards heulde; en ik strafte den ondankbaren vorst in zijn

onderdanen. Gij zult mij wellicht tegenwerpen, dat ik--naar het gewone

gevoelen, een roover was en geen vorst door Gods genade; maar ik erken

het onderscheid niet, dat door een partijdige beschouwing gemaakt is! ik

was Souverein: ik heerschte met onbepaalde macht over de mijnen, en het

eenige verschil tusschen mijn tegenpartij en mij bestond daarin, dat ik

slechts over vijfhonderd, hij over vijftig millioen onderdanen

gebood--maar des te grootscher scheen het mij, zijn overmacht te

tarten."

"Ik zal hierover in geen woordentwist treden, die ons te verre zoude

leiden," zeide ik, glimlachende over de drogredenen, waarmede Van Lintz

zijn handelingen zocht te vergoelijken: "ik acht het met dat al

gelukkig, dat niet iedereen zich geroepen voelt, om een dusdanige nieuwe

maatschappij te stichten en op roof en doodslag te gronden. Intusschen

schijnt die tijdelijke heerschappij, hoe grootsch ook, u verdroten te

hebben. UEd. heeft die, meen ik, vrijwillig verlaten."

"Vrijwillig!" herhaalde Amelia, zich aan haar vader klemmende: "ja

gewis, Mijnheer Huyck! Vrijwillig, en uit weerzin tegen de leefwijze,

die wij leidden. O! geloof toch niet, dat mijn vader in ernst het

gevoelen voorstaat, dat hij zooeven uitte. Neen! de omstandigheden, de

dwang der roovers, in wier macht wij ons bevonden, noodzaakten hem, in

het eerst, hun opperhoofd, of hun slachtoffer te worden; en een gevoel

van wraakzucht kan zich daarmede gemengd hebben;--maar ik heb te vaak

gezien, met deelneming bijgewoond, hoe dat lijden van onschuldigen, hoe

die buit, op ongelukkigen verworven, hem bittere uren en slapelooze

nachten gekost hebben, hoe de omgang met zijn woeste gezellen hem

tegenstond, en hoe het besef, dat hun handwerk strafbaar in Gods oogen

was, hem ieder oogenblik den boezem benauwde. Vergeef mij, mijn vader,

zoo ik te vrijmoedig spreek;--maar uw hart was beter dan uw daden: en

vaak hebt gij ook naderhand het uur gezegend, waarin gij het besluit

volbracht, om aan die leefwijze voor eeuwig vaarwel te zeggen."

"Ik zal ten minste altijd het uur blijven zegenen, dat mij u tot dochter

gaf," zeide Van Lintz, Amelia vriendelijk over de wangen streelende: "en

ik wil gaarne bekennen, dat ik zonder u, dat besluit, waar gij van

spreekt, niet zoo licht zoude genomen hebben;--want, hetzij mijn beroep

schuldig ware of niet, ik was er in vele opzichten aan gehecht: en men

moet zeeman geweest zijn, Mijnheer Huyck! om zich het alles overwinnende

genot voor te stellen, dat men smaakt, wanneer men, met een goed schip

onder de voeten en aan 't hoofd eener stoutmoedige en voor niets

vervaarde manschap, de zeeën beheerscht en geen meester erkent:--doch

genoeg hierover: welke dan ook mijn beweegreden mogen geweest zijn, ik

verliet mijn nieuwe onderzaten en droeg het bevel over de bende aan een

jongeling over, die met dienzelfden Kapitein Pulver, die mij straks

herkende, in mijn handen geraakt is. Gij hebt den knaap gezien: hij was

het, die aan den weg nabij Naarden, op dien avond...."

"o!" riep ik uit: "ik heb hem sedert genoeg weder gezien: en wat meer

is, hij bevindt zich op dit oogenblik hier geen half uur vandaan: UEd.

zoude hem desnoods met een gewonen kijker kunnen zien.--Doch daarover

nader: laat ik uw verhaal niet storen."

"Het overige," hernam Van Lintz, "heeft weinig te beteekenen. Ik trok

weder naar Europa en kwam behouden in Frankrijk aan. Daar bood ik mijn

dienst aan verschillende hoven; maar reeds had zich het gerucht, althans

het vermoeden verspreid, dat de Graaf van Talavera en de Zeeroover Don

Manoël één persoon waren: en ik ontving allerwegen afwijzende

beschikkingen op mijn voorslagen. Eindelijk slaagde ik er in,

betrekkingen aan te knoopen met het Russische hof. Het werd echter

noodig geoordeeld, opdat de zaak haar beslag krege, dat ik een

persoonlijke samenkomst had met den Gezant van den Czaar te 's-Hage en

zijn agent te Amsterdam. Ik kwam derhalve naar de Nederlanden: doch werd

reeds aan de grenzen gewaarschuwd, dat men mij in Holland als deserteur

beschouwde, omdat ik indertijd zonder verlof was weggereisd, en dat

bovendien de Spaansche Gezant mij opeischte. Men raadde mij dus, zoo ik

het wagen wilde, onder een bedekten naam over te komen. Ik had in het

Graafschap mijn ouden vader teruggezien; maar helaas! het was alleen om

hem de oogen te sluiten: mijn moeder, al mijn broeders waren reeds lang

gestorven.--Niemand van al mijn naaste betrekkingen was meer in leven,

dan Martha, mijn oude voedster, welke ik vernam, dat thans de hoeve

nabij Naarden bewoonde. Ik vormde toen het plan mij aldaar schuil te

houden, tot ik bericht ontving, of ik mij in Amsterdam mocht wagen, en

inmiddels mijn dochter derwaarts te zenden, om de gewichtige papieren te

lichten, welke onder den Notaris Bouvelt berustende waren. Het overige

is u bekend."

"Omtrent," antwoordde ik: "alleen weet ik niet, hoe gij beiden u thans

hier bevindt, noch welke uw uitzichten voor de toekomst zijn."

"Gij weet," hernam Van Lintz, "dat mij de heer Blaek, om redenen voor u

van geen belang, zijn dienst had toegezegd. Op den morgen, toen het

feest aan de hoeve zoude plaats hebben, zorgde hij een half uur voor de

andere gasten aanwezig te zijn: en, in zijn koets verscholen, reed ik

naar Huizen, waar mij een boot wachtte, die mij naar den boeier bracht

van den Heer Blaek, met welken ik naar dit vaartuig werd gesmokkeld,

hetwelk gedeeltelijk door hem bevracht is, en waar hij voor mij en mijn

dochter plaatsen had besproken. Amelia, in stilte van ons plan

verwittigd, was in Amsterdam reeds scheep gegaan; en het gelukte ons

alzoo ten einde toe de vervolging en de list van uw Heers vaders agenten

te ontduiken. Thans vlei ik mij, op de plaats onzer bestemming gekomen,

gelegenheid te vinden om mij naar Rusland te begeven, alwaar de Hemel

mij vergunne, mijn dagen, na zooveel wisselvalligheden, in vrede te

slijten en aan mijn arme dochter die rust te bezorgen, welke haar

geschokt gestel behoeft.--Neem gij intusschen, Mijnheer Huyck! nogmaals

mijn dankbetuiging aan. Ik weet, dat het bewaren van ons geheim u een

bron van verdriet is geweest."

"Neen, mijn vader!" zeide Amelia: "gij weet nog niet alles:--ach! gij

weet niet, welk leed wij den Heer Huyck onwillekeurig veroorzaakt

hebben. Zijn zoetste hoop, zijn vurigste zielswensch hebben gevaar

geloopen, van door onze noodlottige kennismaking voor altijd verstoord

te worden.--Ja!" vervolgde zij met klimmende aandoening, ziende dat ik

zwijgend voor mij staarde, terwijl haar vader ons beurtelings met eenige

verwondering beschouwde: "een paar woorden, aan Mejuffrouw Jetje Blaek

ontvallen, hebben een lichtstraal bij mij doen geboren worden, en ik heb

niet gerust voordat mij alles was opgehelderd.--ik heb vernomen, hoe

gij, Mijnheer Huyck! Mejuffrouw Blaek bemindet: hoe zij u met

wederliefde loonde, hoe haar oom deze verbintenissen tegen was, en hoe

lastertongen, die haar onze betrekking als misdadig voorstelden, haar

hadden doen besluiten, u alle verdere aanspraak op haar te ontzeggen."

"Hoe!" riep Van Lintz uit, mij met een blik aanziende, waarin zich de

uiterste verbazing teekende: "bestond er een teedere betrekking tusschen

u en Mejuffrouw Blaek?... de nicht van den ouden Blaek?"

"Ik kan het niet ontkennen," antwoordde ik: "maar thans, daar uw vertrek

mijn gelofte heeft opgeheven, vlei ik mij, mijn gedrag ook bij haar te

zullen kunnen rechtvaardigen."

"Voor uwe rechtvaardiging zal ik zorgen," zeide Van Lintz, terwijl hij

opstond en onstuimig heen en weder op het dek wandelde: "vervloekt zij

de belofte, die mij de oude zondaar heeft afgeperst!--Maar ben ik er dan

aan gehouden, nu het blijkt, hoe hij mij misleid heeft?--Hij heeft mij

verhaald dat het huwelijk tusschen zijn zoon en zijn nicht een stellig

bepaalde zaak was."

"Ik weet," zeide ik, "dat zulks zijn verlangen was; en men gelooft

gaarne wat men wenscht; maar tot nog toe is het mij niet gebleken, dat

de beide jonge lieden genegen waren, de door hem gekoesterde hoop te

vervullen. Wat echter de reden betreft, waarom hij zoo sterk op die

verbintenis gesteld is, deze kan ik niet gissen."

"Maar ik des te beter," riep Van Lintz: "hij heeft mij misleid, ik

herhaal het; maar hij moet niet denken, dat men mij straffeloos tot

speelbal neemt. Ik zal hem schrijven:--hij zal u zijn nicht geven--en

een goeden bruidsschat bovendien, of ik zal hem het masker afrukken en

aan de kaak stellen, den schijnheiligen bedrieger; ik heb er de middelen

toe: en hij weet dit."

"Hoe!" vroeg ik, op mijne beurt verbaasd: "UEd. zou in staat zijn...."

"Ik ben de oorzaak van uw verdriet," zeide Van Lintz: "en het is niet

meer dan billijk, dat ik goedmake, wat ik bedorven heb. Wees gerust: het

hart van een jong meisje laat zich niet dwingen; doch, zoo het slechts

aan de toestemming van Jacobus Blaek mangelt--hij zal die geven, dat

zweer ik u. De zwarigheid zal alleen daarin bestaan, om zijn nicht van

de verkeerdheid harer vermoedens te overtuigen."

"O!" zeide Amelia, terwijl zij mij met een betooverenden glimlach

aanzag, en tevens eenige tranen afwischte, van welke ik mij geen

rekenschap wist te geven: "een vrouw slaat zoo gaarne geloof aan de

onschuld van hem, dien zij liefheeft. Laat de Heer Huyck geen moed

verliezen; hij zal, vlei ik mij, bij zijn terugkomst geen moeite hebben,

om zijn Henriëtte te overtuigen, dat hij nooit iemand buiten haar bemind

heeft."

"Hoe!" zeide ik, aangenaam gestreeld door de hoop, die zij mij gaf, en

tevens verrast door het stellige van haar belofte: "gij gelooft

waarlijk...."

"Ik ben er zeker van," zeide zij: "maar," vervolgde zij, zich half

omwendende: "nu niet meer over dit onderwerp."

"Neen!" zeide Van Lintz, ziende dat ze hevig ontroerd was: "over iets

anders gesproken.--Gij zeidet mij zooeven, dat gij mijn voormaligen

Luitenant Sander Gerritsz, of Zwarten Piet, zooals hij zich naderhand

noemen liet, op Terschelling hadt gelaten?"

Ik voldeed op dit punt aan de nieuwsgierigheid van Van Lintz. Mijn

verhaal wekte zijne deelneming en die zijner dochter: en beiden gaven

den wensch te kennen, dat Sander hen op de reis vergezellen mocht en

evenals Van Lintz zelf, gelegenheid zoeken om in dienst des grooten

Czaars een nieuwe en meer eerlijke loopbaan te beginnen. Aan de

toestemming van Sander viel niet te twijfelen; want het was bij mij

zeker, dat hij nog de oude gehechtheid voor zijn voormaligen meester

koesterde, en ik maakte mij sterk hem te overtuigen, dat, al bleef

Klaartje in 't leven, zij toch voor hem verloren was. Er bleef dus

alleen over, door Kapitein Holmfeld het innemen van een nieuwen

passagier te doen goedkeuren: en wij waren juist voornemens hem deswege

te gaan spreken, met verzwijging natuurlijk der omstandigheden, waarmede

het raadzaam was niet voor den dag te komen, toen de beide Kapiteins

naar ons toekwamen.

"Wel zoo! zijn de vrienden een luchtje gaan scheppen?" vroeg Pulver, en

zich toen tot Van Lintz wendende, die op wilde staan: "blijf zitten,

Mijnheer! hou uw gemak, zooals de havik tot de duif zei terwijl hij haar

plukte: ja, wou jelui zien, waar de _Fortuin_ gebleven is?--naar den

kelder, Mijnheer! en de visschen zitten er misschien al in de

kajuitskamer een kaartje te spelen."

"Inderdaad!" zeide ik, den blik naar de zandbank wendende, waar ik den

dag te voren het wrak nog herkend had en nu niets meer te zien was: "zij

is verdwenen! Hoe kan in zulk een korten tijd....?"

"O!" zeide Pulver: "het zand is hier in eeuwigdurende beweging, en een

Loods behoeft geen drie weken ziek te zijn om het vaarwater te

verleeren. Wij liggen hier nu goed en wel op Maklijk-Oud en hebben water

in overvloed; maar Joost weet, hoe het over ettelijke jaren zal wezen,

als die verwenschte Robbeplaat nog verder kuiert."

De vrees van Pulver werd bewaarheid; want, op dit oogenblik dat ik

schrijf, is sedert lang die reede voor gewone vaartuigen ontoegankelijk

geworden en biedt zij alleen bij hoog water den visscher een tijdelijke

schuilplaats aan.

"Bedrieg ik mij?" vroeg Schipper Holmfeld, die middelerwijl met zijn

kijker naar den kant van het Vlie had uitgezien: "of is het de boeier,

die den Heer Bos aan boord gebracht heeft, die ginds komt opzeilen?

Gelieft UEd. eens te zien?"

"Inderdaad!" zeide Van Lintz, na op zijne beurt te hebben uitgekeken:

"ik heb er niet veel opgelet; maar nu gij 't zegt, hij heeft er veel

van."

"UEd. heeft toch niets vergeten?" vroeg Pulver.

"Niets van zoo groot belang, dat men het mij zou komen nabrengen:--ja

waarlijk ... hoe meer ik hem beschouw:--zie zelf eens, Mijnheer

Huyck...."

"Het is het jacht van Lodewijk Blaek!" riep ik uit, door den kijker

ziende, en den groenen voorsteven met verguld beeldwerk herkennende,

waar het zilveren schuim tegen opspatte:--en vervolgens, Van Lintz ter

zijde trekkende: "was hij mede in 't geheim van uw vertrek?" vroeg ik

hem.

"Dat gewis niet," antwoordde Van Lintz; "en al wist hij er van, hij

althans zoude de onbeschaamdheid niet hebben, mij opnieuw onder de oogen

te komen."

"Het zou toch nogal toevallig zijn," zeide ik, "indien hij juist in den

zin gekregen had, ook dezen koers uit te komen. In allen gevalle zullen

wij geduld dienen te hebben, en afwachten wat het geeft."

Wij bleven aldus een geruimen tijd uitkijken, zonder dat het vaartuig

ons merkbaar naderde, daar het door den tegenwind genoodzaakt was te

laveeren, en ons, nu zijn voorplecht, dan zijn, met sierlijk, in den

zonneglans fonkelend loofwerk pronkenden spiegel vertoonde. Eindelijk

kwam men ons van onze beschouwing afroepen met het bericht, dat de

maaltijd was opgedischt, en begaven wij ons in de kajuit. Aan tafel

gezeten, had Pulver nauwelijks een mondjevol soep binnen, of hij begon

weder over de groote gelijkenis tusschen den Heer Bos en zijn ouden

kennis den Zeeroover; en wij moesten met of tegen dank, het verhaal

zijner ontmoeting in de Zee van de Antilles hooren, en tevens hoe hij op

Terschelling zijn ouden kennis Sander teruggevonden had. Ik nam hieruit

aanleiding om den Heer Van Lintz, na hem een geheimen wenk te hebben

gegeven, de vraag te doen, of hij niet een bediende noodig had, en hem

Sander als zoodanig aan te bevelen.

"Wat drommel, Patroon!" riep Pulver uit: "wou UEd. nou van Sander een

huisknecht maken? Is dat een werk voor een jongen, die het zeegat uit

geweest is, en als Stuurman heeft rondgezwalkt?"

"Daarom zou hij mij des te liever zijn," antwoordde Van Lintz. "Ik heb

iemand noodig, die de zeevaart verstaat; want tusschen ons gezegd: mijn

reis staat met de zeevaart in betrekking ... ik ben in mijn leven verder

dan op moeders bont boezelaar geweest:--en zoo die Sander Gerritsz...."

"UEd. heeft zijn naam goed onthouden," zeide Pulver, wiens vermoedens

weder bovenkwamen en versterkt werden door de zeemansuitdrukking, welke

Van Lintz gebezigd had: "en ik wil mijn leven op een vermolmde ra

doorbrengen, zoo het heden de eerste reis is, dat UEd. dien heeft hooren

noemen. Nu!--dat daargelaten: Harmen Pulver is ook niet mal: en ik weet

wat ik denk, zooals de vent in 't dolhuis tegen den oppasser zei."

Van Lintz wilde antwoorden, en ik zag het oogenblik komen, waarin een

verklaring onvermijdelijk werd, toen wij opeens een groote drukte aan

boord vernamen, en een geluid als van een vaartuig, dat het onze langs

zeilde; terwijl het over en weer roepen en praten ons gissen deed, dat

er iemand aan boord gekomen was.

"Ik hoor vreemd volk, Kapitein Holmfeld!" zeide ik: "pas maar op: men

zou uw boeier prijsmaken eer gij er op verdacht waart."

"'t Zal misschien die Don Manoël wezen, daar de Schipper zooeven van

vertelde," zeide Holmfeld, lachende, terwijl hij opstond.

"Neen: daar wil ik mijn kop wel op verbeuren van neen," zeide Pulver:

"ofschoon, een kennis van hem, dat ware mogelijk:" en hij zag Van Lintz

wantrouwend van ter zijde aan, terwijl Holmfeld de kajuit verliet om te

gaan zien, wat het wezen kon.

"Het is, zoo waar ik leve, het jacht van den Heer Blaek, dat van ons

afgaat;" zeide Van Lintz, uit het raam ziende: "wat kan dat beduiden?"

Nog had hij niet uitgesproken, toen de deur openging. Kapitein Holmfeld

trad binnen, deed een stap zijwaarts en liet iemand door, wiens bijzijn

wij er verre af waren te verwachten of te wenschen--Lodewijk Blaek.

* * * * *

ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN ZICH HET OUDE SPREEKWOORD BEVESTIGD VINDT, DAT MEN GEEN HEI MOET

ROEPEN, EER MEN OVER DEN DAM IS.

De aankomst van dezen onwelkomen gast bracht geen geringe ontsteltenis

teweeg bij de personen, die zich in de kajuit bevonden Amelia werd

doodsbleek, haar knieën knikten en zij hield zich aan den rug van haar

stoel met beide handen vast om niet te vallen. Haar vader stond verrast

en wierp op Lodewijk een blik vol toorn en verontwaardiging: en ik zag

met bezorgdheid de toekomst te gemoet, overtuigd, dat de verschijning

van dezen laatsten niets goeds voorspelde, en tot ergerlijke tooneelen

zoude aanleiding geven; temeer, toen ik den glimlach bespeurde, die op

zijn lippen zweefde.

Ferdinand Huyck · 第 46 / 51 段