"En drink jelui waarachtig dat goed nou te Amsterdam?" vroeg Reynszen,

nader tredende: "'t is bylo een rare kost: ik heb 't eens gezien: maar

ik zou 't niet lusten."

"Kom! kom!" zeide ik: "mettertijd zult gijlieden er ook wel smaak in

krijgen, als 't wat algemeener wordt. Maar wat ik zeggen wilde,

Kapitein! gij hebt mij een leelijke poets gebakken, met mij zoo te laten

slapen. Ik weet, gij deedt het om bestwil; maar anders: ik ben daar niet

op gesteld."

"Och Patroon! je sliep zoo gerust: ik wou je niet wakker maken, zooals

de dief zei, toen hij het horloge van den huzarenofficier van het

beddetafeltje nam en de officier hem bij de lurven pakte:--en wij konden

dat alles immers best afdoen, Reynszen en ik?"

"Met verlof!" zeide ik tegen dezen: "kendet gij de lieden, die

gisteravond laat ten uwent waren?"

"Neen!" antwoordde Reynszen: "het is eerst sedert een paar dagen, dat

zij bij mij aankomen: de eene, zooals hij zegt, wil veulens koopen: de

andere heeft weer een negotietje van snuisterijen: en een derde is een

matroos, die verlof heeft: en een vierde is voor plezier mee, maar wat

verscheelt het mij? zoolang zij betalen, vraag ik niet, wie zij zijn, of

hoe zij heeten:--en bovendien, Terschelling is een vrijplaats vanouds:

al hadden zij wat uitgericht, dan mag niemand hen hier molesteeren."

"Ik weet niet," zeide ik, "of de Heeren Staten veel om uw vrijplaats

zouden geven; maar zoude het u aangestaan hebben, indien zij, gelijk hun

eerste voornemen was, dit pakhuis leeg gestolen hadden?"

"De duiker haal me!" zeide Reynszen, verbaasd: "voerden die lieve

jongens zulke dingen in hun schild?"

"Of wat zoudt gij er van denken," vervolgde ik, met genoegen den indruk

bespeurende, dien mijne redenen maakten: "indien zij eens in den

volgenden nacht het vaartuig beklommen, dat ginds op de reede ligt, de

manschap afmaakten en overboord smeten en met het schip gingen

strijken?"

"Met onze thee gaan strijken!" riep Pulver, opstuivende.

"Zoudt gij dan wel in uw schik zijn," vervolgde ik, "van dat voorgewende

recht van vrijplaats te hebben volgehouden, en daardoor aanleiding te

hebben gegeven tot den moord van die ongelukkigen, die zich ginder

veilig wanen, en het vast vertrouwen koesteren dat een goede Justitie

voor hen waakt."

"O die schelmen!" riep de waard, met vuur: "hebben zij zulke voornemens?

Wacht! daar zullen wij toch even met den Drost over dienen te spreken;

want voel je, die dient de zaak toch te beslissen.--En hebben zij zoo

openhartig en luidruchtig over hun plannen gesproken, dat UEd. het

hooren kon? Maar wanneer hebben zij dat toch gedaan? want, zoolang ik in

de kamer was, is er geen woord over gevallen."

Ik bedacht mij een oogenblik, alvorens te antwoorden; want ofschoon ik

het hoogst noodig oordeelde, dat Andries en zijn makkers gepakt werden,

wenschte ik Sander wel te sparen. "Hoor eens!" zeide ik eindelijk: "hoe

ik er achter gekomen ben is hetzelfde, en dat zal ik op zijn tijd wel

aan de Justitie ontdekken. Draag gij intusschen zorg, dat men een wakend

oog over die kerels houde en hun gangen naga: dat moet, dunkt mij, hier

op 't eiland niet moeilijk wezen."

"Neen voorwaar!" zei Pulver lachende: "zij moesten in een konijnshol

kruipen; anders weet ik niet, waar zij zich hier zouden verstoppen."

"Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg," zeide Reynszen:

"en Mijnheer wordt voor zijn inlichting bedankt. Jawel, Terschelling is

een vrijplaats; maar 't behoeft daarom geen boevennest te worden. Nu! ik

kuier op en zie of ik den Drost kan vinden. Tot straks dan."--Dit gezegd

hebbende, verwijderde hij zich, mij met Pulver bij de vrachtwagens

latende.

"Wat dunk je, Patroon?" vroeg Pulver, toen hij weg was: "zou UEd. ook

lust nebben om met de schuit mee te gaan naar de _Kjöbenhavn_, voor een

veranderingetje? Er is hier toch niet veel raars te zien. Kapitein

Holmfeld is een hupsche vent, die ons goed onthalen zal, wees daar zeker

van: en dan kan UEd. hem de kisten zelf aanbevelen. Dat heeft altijd

meer klem, dan dat ik het doe."

Ik omhelsde dit voorstel met genoegen: daar het verblijf op Terschelling

toch niet zoo vermakelijk was, of het kon wel eenige variatie gedoogen;

ik liet mijn mantel door een der matrozen halen, en weinige minuten

waren er verloopen, toen ik, met Pulver en een gedeelte der manschap van

de _Fortuin_, mij in het vaartuig bevond, hetwelk de theekisten naar het

Deensche schip moest overvoeren. In een klein half uur tijds waren wij

de haven uit en op de reede gekomen, en zag ik Kapitein Holmfeld aan de

trap staan, onze komst verbeidende. Niet verre van hem stonden twee in

mantels gewikkelde personen, die insgelijks naar ons uitkeken.

"Het schijnt dat er passagiers aan boord zijn," zeide ik tegen Pulver.

"Dat dunkt mij ook," zeide Pulver: "ja, dat is geen wonder: er trekken

tegenwoordig heel wat lieden dien koers uit. Nu! wij zullen zien."

Weldra lagen wij naast de kof: "alles wel! alles wel" klonk het nu over

en weer. "Hier breng ik je een heele winterprovisie", riep Pulver zijn

confrater toe: "zoo geurig, dat je schip er wel een jaar naar rieken

zal."

"'t Is mij welkom," gaf Kapitein Holmfeld, een stevige vierkante Deen,

hem in goed Hollandsch ten antwoord. "Maar gij komt immers ook aan

boord, met dien Heer, dien gij bij u hebt?"

"Wel gewis!" zeide Pulver, terwijl hij de ladder besteeg: "dat is een

van mijn patroons, dien ik meebreng: hij zal u, hoop ik, ook geen belet

doen."

"In 't minste niet," antwoordde Holmfeld; terwijl twee matrozen van zijn

manschap aan die van ons vaartuig een paar handspaken toestaken, die mij

bij het opstijgen tot een leuning verstrekken moesten.

"Nu blijft gijlieden toch eten?" vervolgde de Kapitein: "ik ga toch niet

voor morgen het zeegat uit. Stuurt uw schuit maar weg, en laat die u

t'avond terug komen halen; of anders, ik zal u wel met de sloep aan wal

laten brengen; want de wind gaat toch liggen: wij krijgen stilte."

"Wat mij betreft," zeide ik, na Pulver even te hebben aangezien: "ik

neem gaarne uw aanbod aan: te liever, daar ik betere gedachten van uw

keuken heb, dan van den Terschellingschen pot."

"Nu! dat is mij lief," hernam Holmfeld: "wel! wel! 't is een macht van

kisten, die gij mij aanbrengt: als ik ze alle maar plaatsen kan:--en

staat gij er voor in, Schipper! dat er geen averij aan is?"

"Gij kunt ze zelf bezien," zeide Pulver: "er is geen drop water bij

gekomen."

De kisten, die intusschen aan boord waren overgebracht, werden met de

vereischte nauwkeurigheid bezichtigd en voorloopig op het dek

bijeengezet en met een zeil bedekt, terwijl men bezig was er

tusschendeks een geschikte bergplaats voor gereed te maken.

"Ik behoef u de zorg voor de waren, die ik meebreng, niet aan te

bevelen," zeide ik tegen Holmfeld: "maar wat ik u in de eerste plaats op

het hart moet drukken, is de zorg voor uw eigen schip; want het kon wel

gebeuren, dat gij in den volgenden nacht een bezoek ontvingt, dat u

alles behalve welkom ware."--En ik verhaalde hem in korte woorden het

plan, waar ik onderricht van bekomen had: er bijvoegende, dat het

bestuur van Terschelling, naar mijne gedachten, wel de noodige

maatregelen zou nemen om een aanslag te voorkomen.

"Dat wensch ik," zeide Holmfeld: "maar in allen gevalle dank ik Mijnheer

voor de waarschuwing: en zoo zij het in den kop kregen, zoo iets te

beproeven, zouden zij ook ondervinden, dat Kapitein Holmfeld handen aan

't lijf en fiksche gasten aan boord heeft. Maar zij zullen het niet

zooverre laten komen.--Wees zoo goed en zeg er maar niets van dat de

passagiers het hooren. Die menschen mochten zich maar noodeloos ongerust

maken: ofschoon, wat den ouden Heer betreft, ik niet bang zoude wezen,

dat hij mij in den steek liet zitten. 't Is een kerel als een boom, en

die mee in zijn leven den plankenvloer heeft beloopen: dat zag ik direct

wel toen hij aan boord kwam: geen landrot zou zoo op zijn gemak over het

dek gekuierd hebben."

"Dat is waar ook," zeide ik: "gij hadt, dunkt mij, passagiers aan boord,

waar zijn die gebleven? Ik hoop niet, dat zij bang voor mij zijn."

"Wel neen!" zeide Pulver, zich in het gesprek mengende: "wij zullen ze

niet opeten, zooals de matrozen zeiden, toen zij de vaatjes rum van den

bottelier hadden gekaapt."

"Zij zijn naar beneden gegaan," zeide Holmfeld: "'t schijnen hupsche

menschen; waar wat schuw van vreemde aangezichten. Wij zullen hun echter

laten vragen, of zij niet mede een kopje koffie komen drinken. Toe

Melis! loop eens gauw naar beneden, en vraag, of Mijnheer en de Juffer

ons met hun gezelschap willen vereeren. Zeg dat er niemand vreemds is

als de Kapitein van de Fortuin en Mijnheer Huyck."

Wij begaven ons hierop in de kajuit, waar koffie, brood en boter werd

aangebracht: en nauwelijks had Pulver zijn koperen tabaksdoos

uitgehaald, en een pijp met een geweldige pruik gestopt, of de deur ging

open en ik herkende in de binnentredende passagiers--Amelia en haar

vader. Ik stond eenigszins verzet; echter was mijn verwondering over hun

onverwachte verschijning minder groot dan bij vorige gelegenheden; ik

geloof, dat ik reeds aan dergelijke verrassingen gewoon was geworden.

Niet wetende, in hoeverre hun ware naam en betrekking aan den kapitein

bekend waren, vergenoegde ik mij, hen beleefdelijk te groeten, terwijl

alleen een glimlach, dien ik niet weerhouden kon, aan een derde zoude

hebben kunnen doen gelooven, dat ik hen vroeger gekend had: en ik

besloot mijn handelwijze naar de hunne te regelen; daar zij toch van den

kajuitsjongen bericht hadden ontvangen, wien zij boven zouden vinden, en

zich dus konden voorbereiden, hoe zich jegens mij te gedragen. Maar zoo

ik al zweeg en mij goed hield, er was iemand in ons gezelschap, op wien

de komst van de nieuwaangekomenen een indruk maakte, die zich niet zoo

licht bedwingen liet. De goede Pulver namelijk had hen nauwelijks in 't

aangezicht gekeken, of hij sprong van de bank, waar hij op gezeten was,

zoodat de versch gestopte pijp in stukken vloog en, met een goed deel

tabak, asch en vuur daarnevens, op den grond rolde, staarde vader en

dochter met open mond beurtelings aan en sloeg toen de handen ineen, dat

het klapte:

"Wat drommel!" riep hij eindelijk uit: "heb ik het mis, of heb ik het

wis?"

"Hoe zoo?" vroeg Holmfeld: "kennen de vrienden mekaar?"

"Dezen Heer ken ik," zeide Van Lintz, met een onveranderd gelaat: en

naar mij toetredende, drukte hij mij de hand.

"Neen maar...." hernam Pulver: "bij mijn zaligheid zou ik er op durven

zweren:--en toch is het niet wel mogelijk.--Maar zoo ik niet wist dat

het geen droom is, en dat wij hier werkelijk in 't Maklijk-Oud bij

Terschelling lagen, op den hoeker _de Stad Kjöbenhavn_, Kapitein

Holmfeld, dan zou ik denken, dat wij ons in de zee van de Antilles

bevonden."

"Dat is wat ver van hier," zeide Van Lintz, met het onnoozelste gezicht

van de wereld, terwijl hij eenige vonken uittrapte, die de pijp van

Pulver op de vloermat gestrooid had.

"Wel! Wel!" vervolgde Pulver: "hadden wij nu Sandertje maar hier:--die

kon getuigen, of er ooit zoo'n gelijkenis bestaan heeft.--En de Juffer

ook--net datzelfde vriendelijke bakkesje, schoon wat grooter en bleeker

dan toen:--neen! nu kan ik er toch niet meer aan twijfelen."

"Er bestaat geen onmogelijkheid, dat wij elkander vroeger gezien

hebben," zeide Van Lintz, op een koelen toon: "maar uw gezicht staat mij

niet voor."

"Wel mogelijk!" zeide mijn metgezel: "Kapitein Pulver, tot uw

dienst--vroeger schipper van de Compagnie op de _Prins te Paard_, thans

van het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. op de _Fortuin_, die, God

beter 't, ginds in 't zand ligt bedolven.--En heeft UEd. alzoo het ...

handwerk vaarwelgezeid?--Nu! dat is prijselijk:--er was toch weinig eer

mede te verdienen."

Amelia zag beangst en bevende, eerst haar vader, vervolgens mij aan met

een smeekenden blik. Eerstgemelde bleef echter op denzelfden koelen toon

tegen Pulver voortgaan:

"Ik weet niet," zeide hij: "wat gij bedoelt. Mijn naam is: Bos: en ik

ben op de Antilles nooit geweest."

"Uw herinneringsvermogen bedriegt u, vriend Pulver!" zeide ik: "ik ken

dien Heer zeer wel: en de gelijkenis, die gij vindt, kan niet streelend

noch aangenaam voor hem zijn."

"Nu! ik ontgeef het mij dan," zeide Pulver: "ik vraag verschooning, zoo

ik den verkeerde voorhad, gelijk de soldaat zei, die zijn Kornel

overhoop schoot: er is meer gelijk als eigen: maar die ontmoeting, op

twaalf graden Noorderbreedte, ligt mij altijd door het hoofd te malen.

Ik moet u die toch eens vertellen," zeide hij, terwijl hij een versche

pijp stopte.

"Straks!" zeide ik, het gesprek willende afleiden: "wij zitten pas en

wij hebben den tijd nog.--Gij hebt het goed getroffen, Kapitein

Holmfeld! Waart gij een paar dagen vroeger van Amsterdam gezeild, dan

hadt gij den storm ook niet misgeloopen."

"Ik had niet verwacht, u hier aan te treffen, Mijnheer Huyck!" zeide Van

Lintz, die inmiddels met zijn dochter had plaats genomen: "het is

waarschijnlijk de ramp, aan uw schip overkomen, die u herwaarts gevoerd

heeft.--Wanneer is UEd. van huis gegaan?" Ik voldeed aan zijn vraag en

gaf hem een vrij omstandige beschrijving van mijn reis, minder uithoofde

van de belangrijkheid mijner ontmoetingen als om te voorkomen, dat het

gesprek tot het vroegere onderwerp terugkeerde. Toen ik gedaan had,

vroeg Amelia: "Gij hebt dus Mejuffrouw uw tante nog vóór uw vertrek

gesproken?"

"Ja!" antwoordde ik, beseffende, waar deze vraag op doelde: "zij was

zeer wel en had bericht van u ontvangen."

"Ik verzoek u, haar minzaamst van mij te groeten," hernam zij "eenmaal

ter plaatse mijner bestemming gekomen, zal ik niet verzuimen haar te

schrijven en nogmaals voor al haar goedheid te danken."

"Gij verhaaldet zooeven," zeide Van Lintz, "van de moeite, die gij gehad

hebt, om uw eigendom, en dan nog wel tegen betaling van schandelijke

bergloonen, uit de handen van den Strandvonder terug te bekomen, maar

gij moogt nog van geluk spreken, dat uw vaartuig niet gestrand is op een

plaats waar heerlijke rechten op de zeedriften en strandvonden worden

uitgeoefend; want dan hadt gij wel geheel onverrichterzake kunnen

terugkeeren."

"Of op een plaats, waar zeeroovers wonen," zeide Pulver er bij: "want

dan ware niet alleen schip en lading, maar ook leven of vrijheid er mede

gemoeid geweest."

"Ik heb," vervolgde Van Lintz, zonder zich aan de aanmerking van Pulver

te storen, "van nabij voorbeelden gezien, tot welk een uiterste die

afknibbelingen en gewelddadigheden gedreven worden, welke men zich tegen

hulpelooze schipbreukelingen veroorlooft, en hoe in een land, hetwelk

roem draagt op vrijheid en verlichting, de winzucht ook te dezen

opzichte alle menschelijkheid uitdooft, ik was in mijn jeugd zeer bekend

en zelfs nauw verwant met een Heer, wiens waren naam ik verzwijgen zal,

daar een zijner zonen nog heden een aanzienlijk staatsambt bekleedt, en

dien ik dus gemakshalve Murél zal noemen. Deze Heer van Murél woonde op

zijn voorvaderlijk slot aan de noordkust van ons land gelegen; doch van

het gezag, hetwelk zijn voorgeslacht had uitgeoefend, was hem slechts

weinig bijgebleven, en het ontbrak hem bovendien aan middelen om zijn

stand behoorlijk op te houden. Wel had hij grond genoeg in eigendom, en

de afnemende zee vergrootte jaarlijks zijn grondgebied; maar om dit te

bebouwen had hij de kosten eener indijking moeten dragen: en daartoe was

hij niet in staat; te meer, daar hij geen slag, of geen lust had om van

zijn inkomsten iets ter zijde te leggen; maar die verteerde naarmate hij

die ontving; ja eer hij die ontvangen had. Wat hem nog het meest

opbracht, was het strandrecht: wat op zijn wadden aan kwam spoelen of

aan den grond raakte, was goede prijs; en daar kraaide nooit een haan

naar; en wee den armen schipbreukelingen, die hulp of herbergzaamheid

bij hem kwamen zoeken; want zij mochten zich gelukkig achten, indien zij

vrij kwamen met opoffering van al hun geredde plunje, en indien hij hen

niet de zee weer instuurde, waar zij pas uit gered waren.--Maar het was

niet altijd stormweer: en niet altijd raakten er vaartuigen in het

gezicht van het slot te Murél aan den grond; doch mijn bloedverwant

zaliger had een vrij zonderlinge en geheel eigene manier om te zorgen

dat dit gebeurde, en de kans zoo voordeelig mogelijk voor hem te maken.

Hij was niet ongelijk aan sommige spelers, die, wanneer de fortuin hun

niet gunstig is, raad weten om haar een weinig in de hand te werken en

een zetje vooruit te geven. Zoo had hij b.v. altijd een loodsboot in

zee, die bereid was haar diensten den voorbijvarenden schippers aan te

bieden; doch wee dengenen, die ze aanvaardde, want hij kon zeker zijn,

dat zijn vaartuig op het droge raakte en dat de lading in de bergplaats

van den Heer van Murél overging. Langen tijd was dit middel met een goed

gevolg bekroond geworden; doch ten laatste kregen de schippers het in

den neus en bedankten den Heer van Murél voor zijn loodsen:--en nu moest

er op een andere wijze raadgeschaft. Een zestal kloeke en welgewapende

kerels werd den loods toegevoegd, en wanneer dan een voorbijzeilend

vaartuig aan boord werd geklampt, was het wel genoodzaakt zich aan hun

bedrieglijke leiding over te geven, en den gevorderden tol te betalen."

"Onbegrijpelijk!" riep ik uit: "en werd dit geduld?"

"Ik zoude het niet gelooven, veelmin verhalen," ging Van Lintz voort,

"indien ik het niet had gezien; maar ik heb zelf, ik durf het thans wel

te bekennen, meer dan een dier tochten bijgewoond: ik was toen nog zeer

jong, had geen recht besef van het mijn en dijn, en het kwam niet in mij

op, dat mijn oom iets onbetamelijke of onwettigs zoude gelasten: te meer

daar hij mij dikwijls onderhield over zijn voorvaderen, die, naar hij

beweerde, tot de Noordsche zeekoningen hadden behoord, wier leus was, op

den Oceaan geen vrienden te kennen."

"Dan heeft UEd. toch zoo een beetje aan de zeerooverij gedaan," zeide

Pulver: "en ik was straks niet zoo geheel buiten koers, dat ik u voor

dien anderen aanklampte, die een effectieve zeeroover was."

"En liet het Landsbestuur zulke gruwelijke dingen ongestoord heur gang

gaan?" vroeg Holmfeld met een verbazing, welke ik deelde.

"Wat zal ik u zeggen," hernam van Lintz: "de Heer van Murél was geen

gemakkelijke patroon, en zeker geen kat om zonder handschoenen aan te

vatten. Zijn schuldeischers betaalde hij niet en hij lachte er wat mede,

of zij hem voor de Rechtbanken citeerden. Eens kwam er een gerechtsbode

uit Groningen, met voornemen van beslag op gijn goederen te leggen, zoo

roerend als onroerend; maar nauwelijks was hij het slot genaderd, of de

Heer van Murél liet de brug ophalen en weigerde hem den toegang: toen de

gerechtsbode hierop aandrong, binnengelaten te worden en met luider stem

zijn mandaat begon te ontvouwen, liet de Heer van Murél hem aanzeggen,

dat hij zich spoedig van zijn grondgebied had te verwijderen, en dat hij

hem in het tegenovergesteld geval zonder eenigen vorm van proces zou

doen ophangen. De ambtsdienaar liet zich deze waarschuwing niet herhalen

en dankte den Hemel, toen hij zich weder buiten de grenzen der

Heerlijkheid bevond. En die zelfde Heer van Murél zat in de vergadering

van H. E. Mogenden en was een van 's Lands bestuurders. Prijs wie lust

heeft, na dit voorbeeld, de vrijheid, welke men in dit Gemeenebest

geniet," voegde de Heer Van Lintz er met een schamperen glimlach bij.

"Met verlof" zeide ik: "juist de omstandigheid, dat UEd. dit bijzonder

geval aanhaalt en en als iets schier ongeloofelijks vertelt, bewijst,

dat het eenig in zijn soort is en daaruit alzoo geene gevolgtrekking ten

nadeele onzer staatsinrichting in 't algemeen kan getrokken worden."

Pulver als een goed patriot, rangschikte zich bij mijn gevoelen; terwijl

Holmfeld daarentegen beweerde dat zijn passagier gelijk had en dat in de

Vereenigde Provinciën eigenlijk niemand van die zoo hooggeroemde

vrijheid genot had, buiten eenige bevoorrechte familiën. Hieruit

ontstond een vrij langdurige woordenwisseling; waaraan Van Lintz een

einde maakte, door mij voor te stellen, zijn verblijf beneden eens te

bezichtigen; ik nam dit gereedelijk aan, te meer, daar ik bemerkte, dat

Amelia zeer naar de vrije lucht begon te verlangen: en, inderdaad, de

damp, welke de beide schippers uitbliezen, had het vertrek zoodanig

vervuld: dat men er den rook kon snijden.

* * * * *

VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN DE GESCHIEDENISSEN VAN DE HEEREN BOS, VAN BEVEREN, DEN

VLIESRIDDER, DEN BARON VAN LINTZ, DEN GRAAF VAN TALAVERA, DEN ZEEROOVER

DON MANOËL ENZ. ENZ. WORDEN VERHANDELD, EN HETGEEN EVENWEL, WAT DE

LENGTE BETREFT, MEE ZAL VALLEN.

Ik begreep, dat het bezoeken van zijn verblijf aan boord slechts een

glimp was, door den Heer Van Lintz aangewend, om gelegenheid te vinden,

mij alleen te spreken. Wij liepen dan ook de nauwe slaapplaatsen slechts

even door en langs een andere trap weder op het dek komende, begaven wij

ons naar de voorplecht.

"Het verheugt mij" zeide ik, "dat ik u hier beiden in veiligheid en van

alle vervolging ontslagen zie."

"Ja Mijnheer!" zeide Van Lintz, terwijl hij met den vinger de blanke

streep aanwees, die, van Vlieland naar Terschelling loopende, de grenzen

tusschen het ruime sop en de binnenzee scheen af te teekenen: daarginds

is het open vaarwater en de weg der vrijheid."

"Droevig genoeg," zeide ik, "wanneer men dien buiten zijn vaderland moet

zoeken."

"Mijn vaderland!" herhaalde hij, met een bitteren lach: "wat noemt gij

mijn vaderland? Is het dat rampzalige Graafschap, waar ik geboren ben en

waar de eenzelvigheid van een onbeduidend plantenleven alleen gevarieerd

wordt door buurt- of familietwisten? Zijn het die Zeven Provinciën, die

verdeeld in zeden en belang, gestadig met elkander overhoop liggen, en

waar eenige laatdunkende kooplieden, die men in andere landen nauwelijks

de tafel der lakeien zoude waardig keuren, onbeschaamd het meesterschap

voeren en de wereld willen regeeren? Is het dat Spanje, dat mij

vogelvrij verklaard heeft?--Ik ben een wereldburger, Mijnheer!"

Ik achtte het onnoodig, dezen onbillijken en onbetamelijken uitval te

beantwoorden, welke ik overigens zag, dat door Amelia niet werd

goedgekeurd: want zij schudde het hoofd en zag haar vader met weemoed

aan.

"Ik versta u, mijn dochter!" zeide hij, zich tot haar wendende: "ik

weet, wat gij denkt, schoon gij het schroomt te zeggen; gij beschuldigt

mij in uw hart, dat ik menschen en staten onrechtvaardig beoordeel, en

dat ikzelf in vele opzichten de rampen, die u en mij troffen, door mijn

handelwijze heb verwekt. Het is mogelijk: ik heb nooit willen buigen

voor onrechtmatig gezag, noch voor wetten, door willekeur

ingesteld.--Maar hierover genoeg; de oogenblikken zijn kostbaar en

behoeven niet verbeuzeld te worden: ik ben den Heer Huyck schuldig zijn

weetgierigheid te voldoen en hem die omstandigheden uit mijn levensloop

mede te deelen en op te helderen, welke hem nog duister mochten

voorkomen. Ik had gedacht, dit bij brief te doen: onze wederontmoeting

biedt mij een gemakkelijker gelegenheid aan, om mij van die taak te

kwijten."

Ik betuigde hem mijn genoegen over zijn toezegging: en zich op een

affuit gezet hebbende, begon hij zijn verhaal:

Ferdinand Huyck · 第 45 / 51 段