"Wel ja! zeide Pulver: "reken daarop (zooals de schoolmeester zei, toen

hij den jongen een schellingskoek in plaats van een lei in de hand

stopte). Zij zullen geen goed laten volgen, voor en aleer er een

volkomen afrekening heeft plaats gehad."

"Dat zullen wij dan zien," hernam ik. "Wanneer vertrekt die Deensche

schipper?"

"Zoo ras er goede gelegenheid is: en, gelijk ik het weer aanzie, schiet

de wind al meer en meer uit en zal hij niet lang meer op zijn ligplaats

blijven. Hij heeft mij zelfs bericht, dat, zoo hij eenigszins kon, hij

naar Maklijk-Oud zou opzeilen en dan onze thee in 't voorbijgaan

innemen."

"Voortreffelijk! zorg dan, dat gij in allen gevalle morgenochtend een

vaartuig bespreekt, om de lading in te schepen en over te brengen: ik

zal ondertusschen met den Strandvonder spreken, en zien, wat ik van den

vent gedaan kan krijgen."

Aldus ons plan gemaakt hebbende, zetteden wij onze wandeling nog een

eindweegs voort, over onverschillige zaken pratende, tot wij het

dienstig vonden terug te keeren. Nauwelijks waren wij het dorp weder

binnengetreden of ik zag den gewichtigen man, die de betrekkingen van

Substituut-Drossaard en Geneesheer vereenigde, uit een der huizen voor

den dag komen, en, zoodra hij ons gewaarwerd, zijn koers tot ons

richten.

"Als UEd. dien man tot vriend kunt maken, zal alles goed gaan," zeide

Pulver: "hij is hier zooveel als de admiraalswimpel, waar alles naar

kijkt, die meester Doedes: en zij moeten wel ontzag voor hem hebben:

want zetten zij hem den voet dwars, en knijpt hij ze niet als Drost, dan

pepert hij het hun in als Dokter."

"Gevonden!" zeide Doedes (gelijk ik nu vernomen had dat 's mans naam

was), zoodra hij ons zag: en meteen klopte hij op zijn zak: "goed

geheugen--Monsieur Weerglas--Sander Gerritsz--struikroover

--zeeschuimer--brief van den Drost--knevelen--naar den vasten wal

zenden--hm!"

"Wat zegt UEd.?" vroeg Pulver, eenigszins verschrikt: "Is Sandertje een

roover?--Och! dan heeft die verbruide Don Manoël het op zijn rekening;

want beter kalf van een jongen heb ik nooit aan boord gehad: maar zoo

gaat het: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet."

"En zijn uw orders zoo gestreng?" vroeg ik, niet zonder eenig leedwezen

te gevoelen over het lot, dat Sander boven 't hoofd hing.

"Orders, hm! hm!--Terschelling een vrijplaats--_refugium_--Staten niet

achten--vervallen _privilegium_--orders gestreng."

Ik zweeg en begreep dat het beter voor mij was, dit punt niet verder aan

te roeren. Vooreerst had ik er overvloedig mijn bekomst van, om mij met

eens andersmans zaken te bemoeien: en, ten tweede kwam het mij voor, dat

meester Doedes, ondanks zijn beslissenden toon, het nog maar half met

zichzelven eens was, of hij het oude recht van vrijplaats, waar

Terschelling aanspraak op maakte, al dan niet zou eerbiedigen, en achtte

ik het, als Zoon van den Hoofdschout, ongepast, mij in een geschil van

zoo teederen aard te mengen, 't welk mij later waarschijnlijk kwalijk

zoude genomen worden. Ik vond het dus verkieslijker, den man over mijn

eigen zaken te onderhouden, en deelde hem in korte woorden de redenen

mijner komst en den onhebbelijken eisch des Strandvonders mede.

"Hm!" zeide hij, het hoofd schuddende: "gaat den Strandvonder aan--mij

niet--u voor Schepens beklagen--goed recht uitspreken!"

"Ja," zeide ik, "maar ik zou liever de zaak zonder vonnis in den minne

zien te vinden, en daarom wenschte ik uwe tusschenkomst in deze in te

roepen."

"Hm!--mij niet in moeien--mijne zaken niet--maar--als de zaak in orde is

niet vergeten:--tiende penning mij betalen--ten profijte der

gemeente--oud recht van Terschelling--hm!"

"Hoe," riep ik: "nog meer exacties! dat recht is immers afgeschaft bij

een besluit van HH. Staten?"

"Hm! edict van 12 December 1663--gekheid--Staten hun macht te buiten

gegaan--hm!--volhouden."

"Hoe!" riep ik: "gij, die hier den Drossaard vertegenwoordigt, zoudt u

kanten tegen een edict der Staten, waarbij een middeleeuwsche vexatio

paal en perk gesteld is?"

"Hm!--Drost--Enkhuizen--nooit hier komen--geld trekken--niets

uitvoeren--Doedes al het werk doen--Staten oude wijven--het eiland niet

kennen--makkelijk besluiten nemen in Den Haag--Terschelling zware

lasten--vele rampen--schrale verdiensten--leven wagen bij

schipbreuken--_qui onera_--_etiam fructus_."

"Ik wil gaarne toegeven," hernam ik, "dat de brave lieden, die het hunne

hebben gedaan om bijstand te bieden aan de manschap van de _Fortuin_, of

die tot het bergen der lading hebben medegewerkt, aanspraak hebben op

belooning: en die zal hun ook geworden, maar ik zal nooit toestemmen in

de verplichting om zulke hooge bergloonen te betalen als van ons

gevorderd worden, noch recognitiegelden, die afgeschaft zijn; en zoo de

Strandvonder geen rede verstaat, dunkt mij, dat gij, Mijnheer! mij recht

moet verschaffen, en althans niet, bij reeds bestaande, een nieuwe

exactie voegen."

"Hm!--Zaak van den Strandvonder--geen belang er bij--_negotium a me

alienum_--voor de Rechtbank--zeven Schepenen--goed recht--naar huis

gaan."--Met dit bescheid verliet hij ons en begaf zich binnen zijn

woning waar wij op dit oogenblik voorstonden.

"Goed recht!--Ja, dat kan UEd. denken," zeide Pulver: "wij komen bij den

duivel te biecht. Met dat al, ik geloof, dat zoo UEd. den man een kleine

fooi voor zijn beleefdheid beloofd hadt...."

"Dat in eeuwigheid niet," zeide ik: "denkt gij, dat ik de Justitie om

wil koopen?"

"Nu!" hernam Pulver: "wij zullen zien wat er van wordt, zei de blinde,

en hoe UEd. met Reynszen varen zult...; maar, dat Sandertje een roover

geworden is, dat spijt mij tot in mijn ziel."

Hier waren wij aan de herberg terug, en ik trad nu met den Strandvonder

in onderhandeling; doch ook hier vond ik het onmogelijk om den man af te

brengen van zijn eisch, die, volgens hem, op goed recht en oude

herkomsten steunde: zoodat ik, daar ik toch verlangde de thee te

verzenden, per slot nog blijde was, hem in mijn voorstel te zien treden,

om het gevorderde, gelijk ook de 10 pct. recognitie, onder protest te

betalen, terwijl Pulver, die inmiddels volgens afspraak een schuit was

gaan bestellen, terugkwam met de tijding, dat de hoeker _Kjöbenhavn_,

Schipper Holmfeld, zich reeds in het Maklijk-Oud bevond.

* * * * *

VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN VERHAALD WORDT, HOE DE THEE AAN BOORD VAN DE KJÖBENHAVN WERD

GEBRACHT, EN DEN LEZER VELE VERRASSINGEN WORDEN VOORBEREID.

De toestand der zieke, waarvan Helding mij van tijd tot tijd bericht

kwam geven, was intusschen niet verbeterd: zij scheen van uur tot uur

zwakker geworden en de kenteekenen eener spoedige ontbinding begonnen

zich te vertoonen. Haar geest bleef echter helder en opgeklaard, en zij

had zich met meer kalmte dan zich verwachten liet, met den Predikant

onderhouden, die op haar verlangen haar was komen bezoeken. Sander, die

bij den Drost was ontboden geweest, was van daar teruggekeerd en week

niet van haar sponde; terwijl de vrouw en dochter van Reynszen bij

afwisseling bij haar waren en met alle hartelijkheid die diensten

bewezen, welke een vrouw meer dan een man in staat is waar te nemen: ja

zelfs aangeboden hadden den nacht bij haar op te zitten.

Hoewel voor Helding een bed in een afzonderlijk vertrek gereedgemaakt

was, verkoos hij, gelijk niet te verwonderen was, den nacht in de

ziekekamer door te brengen. Wat mij betreft, ik begaf mij met Pulver,

nadat wij het avondeten gebruikt hadden, in de ons aangewezen

slaapkamer, waar wij ons in twee tegenover elkander geplaatste bedsteden

ter ruste schikten. Ik was echter ook thans niet bestemd, die ongestoord

te genieten: althans, nauwelijks was ik onder de dekens gekropen, of een

luid gepraat, gevloek, gezang en geloop, dat mij zoo duidelijk in de

ooren klonk alsof het in mijn slaapvertrek plaats had, schonk mij de

onaangename overtuiging, dat mijn bedstede allernaast den zoogenaamden

gemeenen haard gelegen en daarvan slechts door een dun beschot was

afgescheiden. Voorts bleek het mij, dat de herberg bezocht was door een

aantal varensgezellen en visschers, die zich vrij luidruchtig aanstelden

en wier gemeene taal verward dooreen klonk. Onder die stemmen was er

een, welke het mij voorkwam meer te hebben gehoord; doch ik kon mij niet

te binnen brengen, waar en wanneer zulks had plaats gehad. Dit alles

hield mij uit den slaap, en ik kon niet nalaten, het lot van Pulver te

benijden, die, meer verwijderd van het gedruisch, of beter daaraan

gewoon, was ingeslapen zoodra hij de veeren geroken had, en met een

luide basstem lag te snorken. Ik troostte mij echter met de gedachte,

dat die drukke gasten niet den geheelen nacht in mijn nabijheid blijven

maar ook weldra hun kwartier zouden zoeken, en besloot inmiddels geduld

te nemen.

En inderdaad, langzamerhand dropen de gezellen één voor één af, en

hoorde ik Reynszen elk op zijn beurt een goeden avond wenschen: zij

waren allen op één na weg, toen de laatst overgeblevene, dezelfde, wiens

stem mij bekend voorkwam, tot den waard begon te spreken:

"Wel! hoe is 't? Is die vent met zijn duffelsch buis hier niet meer, die

met die bleeke meid is komen andwalen?"

"Jawel!" antwoordde Reynszen: "maar ik weet niet, of hij jou nu wel te

woord zal staan; want zen liefste is dan maar erg ziek. 't Zal krap an

zijn, as ze den morgen haalt."

"Dat d.... niet. Zeg hem, dat hij hier komt, dat Andries er is, en hem

spreken moet."

"Andries!" herhaalde ik bij mijzelven, terwijl het koude zweet mij over

het lijf liep, en ik verwonderde mij niet langer, dat mij de stem bekend

was voorgekomen. Ik ging recht overeind zitten en spande mij nu zoozeer

in om te luisteren en geen woord te verliezen, als ik vroeger mijn best

gedaan had om niet naar het gepraat te hooren.

"Nu, ik wil hem wel roepen," zeide de waard: "maar toch ik twijfel, of

hij hier zal komen. Met deze woorden verliet Reynszen het voorvertrek.

Andries bleef met de vingers op tafel trommelen en een liedje neuriën,

terwijl ik geheel ontroerd over het zonderlinge toeval, dat mij opnieuw

in de nabuurschap bracht van een zoo gevaarlijken fielt, bij mijzelven

overdacht, of het ook raadzaam zou wezen, hem aan te geven. Spoedig

echter hoorde ik de deur, welke naar het achterhuis leidde, weder

opengaan.

.Wel!" klonk de stem van Andries den binnenkomende te gemoet: "lag je

vertuid, dat je zoolang noodig hadt het anker te winden?"

"Wat wilt gij?" vroeg Sander met een sombere stem.

"Wat ik wil?--Wel nu nog fraaier! Hebben wij geen afspraak gemaakt om

mekaar hier te praaien! En waarvoor ben je anders hier angeland?"

"'t Is waar!" antwoordde Sander met een diepen zucht: "maar het is al

verklikt, dat ik hier zou komen. Ik ben bij den Drost ontboden

geweest...."

"Welnu! En hij heeft u weer laten afzeilen; anders zou je nu niet hier

met mij spreken:--wat wou hu?"

"Hij heeft mij te kennen gegeven, dat hij in last ontvangen had, mij in

verzekering te nemen: maar tevens dat dit eiland vanouds een vrijplaats

was voor zoodanigen, die hier stil verkozen te leven en borg stellen

voor hun goed gedrag."

"Bij ()," zeide Andries: "wij zouden borg voor elkaar kunnen wezen."

"Ik heb hem een goeden borg op tafel gelegd," hernam Sander: "en die

heeft hij ter griffie gedeponeerd: zoodat wij als beste vrienden

gescheiden zijn."

"Bij mijn zolen," zeide Andries: "ik zou hem ook zulk een borg willen

geven; maar, dan is het eerst noodig, dat ik die zelf ga koopen:--en

daarover moeten wij nu samen scheepsraad beleggen."

"Ik dank u," zeide Sander: "ik heb reeds genoeg op mijn rekening, en

begeer mijn zondenregister niet te vergrooten.

"Hoe! wat!" riep Andries uit; "is de man een kind geworden? Zet () die

grillen uit den kop: neem een glas brandewijn en verzuip daar alle

viezevazen in. Ga zitten vent! Denk je, dat ik hier ben ten anker

'ekomen om bot te vangen?"

Er was een oogenblik stilte: ik hoorde stoelen verschuiven, en bemerkte,

dat beiden zich aan de andere zijde van het beschot, dat ons scheidde,

hadden geplaatst.

"Jongen!" zeide Andries: "er is zulk een schoone zaak voor ons te doen.

Dat pakhuis ... ik ben er heen gelaveerd ... met eenen trap ligt de deur

in ... kostelijke thee man, en geen averij: en Joosje ligt met zijn aak

in de haven. In een ommezien is het voort, zonder dat iemand lont ruikt

of vermoedens op ons heeft."

"Dat zal nooit gebeuren!" zeide Sander: "die Huyck is een braaf slag van

een kerel, en ik zal niet dulden, dat iemand de hand slaat aan 't geen

hem toekomt."

"Huyck zeg je? Welke Huyck?" vroeg Andries, blijkbaar verwonderd.

"De zoon van den Hoofdofficier," antwoordde Sander: "hij is gisteren

gekomen en logeert hier in de herberg."

"Te droes! doet hij?--Wel dan zou ik een dubbelen trek in de zaak

hebben; want ik heb met dien verbrusten zandhaas nog een ouwe afrekening

te houen--en zoo ik hem op de eene of andere wijze averij bezorgen kan,

ik zal het, de d.... haal mij, niet laten."

"Gij zult wel," zeide Sander: "of wij worden kwade vrienden."

"Nu! dan wat anders," hernam Andries: "ik bedank om mij hier te

vertuien: en dien meester Doedes vertrouw ik zooveel als een verrotte

plank en heb ook geen plan hem anders als het voormarszeil te betalen.

Hij zal, als hij onze borgtochten beetheeft, er net zooveel

consciëntiewerk van maken om ons uit te leveren, als ik om dit glas

brandewijn te drinken. Hoor! ik weet iets dat ons er uit helpt. De pleit

is hier toch van het schip en wij moeten zien hoe wij verder komen. Nou

is er van avond een hoeker op Maklijk-Oud voor anker gekomen, die wel

niet voor overmorgen het zeegat uitgaat. Wat dunkt je, zoo wij die eens

een bezoek brachten en de reis op eigen gelegenheid deden?"

"Hoor Andries!" zeide Sander: "Ik ben hier gekomen, 't is waar, om met u

en de overige makkers te overleggen, wat ons te doen stond; maar ik ben

van gedachten veranderd: wat gij voorhebt is mij om 't even: ik zal u

geen stroobreed in den weg leggen; maar reken niet op mij om u te

helpen."

"Wel die en dat, hoe heb ik het met je? Ben je bekeerd of heb je een

schat opgevischt?--En zou je ons nou verraaien, nou we je hulp het meest

noodig hebben?"

"Ik herhaal, dat ik u niet verraden zal, maar stil uw gang laten gaan:

dit moet u genoeg zijn. De reden, waarom ik mij niet, ais vanouds, aan

uw hoofd stel, is u, dunkt mij, tamelijk onverschillig. Ik wil niet, en

daarmee uit."

"Brui naar de pomp," zeide Andries, wrevelig: "heeft die sloerie je

omgepraat: 't is er ook een lievertje naar!--En hoe wil je, dat ik zulk

een boodschap an de maats overbreng? Zij zullen het immers niet

'elooven. En wat koers zel je dan verder houen? Of ben je een stille

verklikker 'eworden."

"Wat ik doen wil, of doen zal, is mijne zaak," zeide Sander: "ik heb

gehoord, wat gij te zeggen hadt, en wensch u goeden nacht:--ik kan mij

thans niet langer met u ophouden: vaarwel."--Dit zeggende stond hij op.

"Maar wat deksel! Is het Zwarte Piet, dien ik spreken hoor? of is hij 't

niet?" vroeg Andries, oprijzende en hem volgende: "bedenk toch: een

spiksplinternieuw vaartuig,--en een rijke vracht--je bent nou zeker wat

dingsig onder je baaitje om de ziekte van die seldrementsche meid: maar

denk er reis over na, en zoo je er nog toe besluit, geef er mij dan

morgen met den dag maar sein van. Wij ankeren zoolang bij...." Hier

veranderde zijn stem in een zacht gefluister, hetwelk ik niet verstaan

kon. Sander scheen echter geen voldoend antwoord te geven; want ik

hoorde ten slotte Andries met een zwaren vloek van hem gaan onder den

uitroep van: "je verdijt het? wel ga dan en laat je opknoopen!"--Een

oogenblik later hoorde ik hem de voordeur uitgaan, die hij met geweld

achter zich toetrok, terwijl ook Sander zich van zijnen kant

verwijderde.

Ik bleef de zaak overpeinzen. Naar het weinige, dat ik begrepen had, te

oordeelen, kwam het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat Andries en zijn

makkers het oogmerk hadden, om het Deensche vaartuig te verrassen en

prijs te maken: doch het denkbeeld boezemde mij eenige gerustheid in,

dat zij die onderneming te gewaagd aanzagen om die zonder de leiding of

medehulp van Sander te doen. Ik achtte het ondertusschen mijn plicht,

zoowel den Kapitein van het schip als de Overheden op Terschelling te

waarschuwen van het gesmeede ontwerp, en het deed mij leed, dat ik het

adres van de plaats, waar de booswichten bijeenkwamen, niet had kunnen

verstaan. Ook was ik niet geheel zonder bezorgdheid over de koopwaren,

die in het pakhuis lagen; doch ik vleide mij, dat daar vooreerst geen

aanslag op gedaan zou worden en dat ik in allen gevalle aan Sander een

steun zoude hebben om die goederen, al werden zij gestolen, weder terug

te bekomen. Lang nog hielden de ontroering over het gebeurde en de

overpeinzingen, die daarvan het gevolg waren, mij uit den slaap, totdat

eindelijk de vermoeidheid zegevierde en ik het geluk had in te

sluimeren. Toen ook was mijn slaap zoo vast, dat de zon reeds hoog aan

den hemel stond eer ik ontwaakte. Ik bemerkte dat Pulver reeds was

opgestaan, en waarschijnlijk uit bescheidenheid, het vertrek verlaten

had zonder mij te wekken. Ik kleedde mij spoedig aan en haastte mij naar

het voorhuis, ten einde hem op te zoeken. Ik vond echter noch hem, noch

Reynszen; maar op mijn geroep kwam de vrouw van laatstgemelde

aangeloopen.

"Zoekt Mijnheer mijn man en den Schipper?" antwoordde zij op mijn

vragen: "o heden! die zijn al sedert drie uren aan het pakhuis. Zij

wilden Mijnheer niet wakker maken: Mijnheer sliep zoo gerust."

"Een fraaie reden!" zeide ik, eenigszins ontevreden: "denken zij, dat ik

hier op Terschelling gekomen ben om te slapen?--En hoe staat het met de

zieke?"

"Slapjes!" antwoordde vrouw Reynszen: "het arme schaap zal het niet lang

meer maken: och! 't is stichtelijk om te hooren, zoo onderworpen en

gelaten als zij is; en de ouwe man is dan danig en danig bedroefd, en de

andere ook, zoodat het met geen droge oogen is bij te weunen. Gisteren

gaf de meester nogal hoop, dat het schikken zou; maar hedenmorgen had

hij er ook al geen zinnigheid in."

"Hoe!--is de Dokter ook al reeds hier geweest?" vroeg ik, hoe langer hoe

meer ontevreden op mijzelven, dat ik mij verslapen en op Pulver, dat hij

mij niet gewekt had en de noodzakelijkheid gevoelende, van mij terstond

naar het pakhuis te begeven: ik legde echter vooraf een kort bezoek af

bij de zieke, verzocht aan Helding alles te bestellen, wat hij tot gemak

of lafenis mocht noodig oordeelen: en, Sander ter zijde nemende, gaf ik

dezen te kennen, dat ik hem een oogenblikje afzonderlijk wenschte te

spreken.

"Ik heb gisternacht uw gesprek met Andries gehoord," zeide ik, zoodra

wij ons alleen bevonden.

Hij bloosde en zag een wijl voor zich neder: "welnu!" zeide toen, het

hoofd met eenige fierheid opheffende, "dan zal UEd. ook gehoord hebben,

dat ik genoten weldaden weet te erkennen."

"Dat heb ik," zeide ik "en ik dank u voor de ridderlijke wijze, waarop

gij voor mijn thee in de bres zijt gesprongen. Ik beklaag u, arme man,

want gij wilt den goeden weg op, en gij weet slechts niet hoe zulks aan

te vangen: is het zoo niet?"

"Ach Mijnheer! moet ik het u bekennen?" zeide Sander, terwijl hij weder

voor zich zag en het hoofd met weemoed schudde: "UEd. hebt betere

gedachten van mij dan ik verdien. Toen ik op dit eiland aanlandde, was

het niet met het voornemen om mij te beteren. Het is waar, dat het

leven, hetwelk ik in Gooiland leidde, mij tegen de borst stuitte; want

ik was niet in de wieg gelegd om een gemeene straatroover te zijn. Neen!

het leven en bedrijf in de West-Indien, dat was meer voor mij geschikt:

en echter: zelfs daartoe ware ik nooit gekomen, had mij het voorbeeld

van Don Manoël niet aangevuurd. Maar hij had aan mijn tot dien tijd toe

sluimerende verbeeldingskracht een nieuwen weg aangewezen; hij had mij

geleerd, datgene als iets grootsch en verheven te beschouwen, hetgeen ik

voorheen zondig en schandelijk gerekend had. Hem te volgen, met hem op

den Oceaan te strijden, dood en vernieling aan te brengen, was mij een

wellust, een verdienste geworden. Zijn vijanden waren ook de mijnen: en

zoo het mij reeds een onvolprezen voorrecht toescheen, als zijn

Luitenant zijn manschap aan te voeren, hoe moest mijn hoogmoed dan niet

stijgen, toen ik, na zijn vertrek, mij zelf tot opperhoofd verheven

zag!--Ik weet, dat het handwerk, dat ik dreef, onwettig en ongeoorloofd

was; dat de dood mijn loon was, indien ik gevangen werd:--maar aan een

anderen kant: ik was machtig, onafhankelijk, zonder iemand, die mij te

bevelen had: ik schatte mij hooger dan een Admiraal; want deze moge de

eerste op de vloot zijn, hij mag die vloot toch niet voeren, dan waar

Heeren Staten het hem gelasten. Welnu!--het was dat leven, het was die

hooge rang, waar ik naar reikhalsde, dien ik weder herwinnen wilde: en

ik wilde er Klaartje in doen deelen: want ondanks haar ontrouw, en

ondanks al wat er gebeurd is, heb ik haar altijd blijven liefhebben, en

de gedachte aan haar was de eenige, die mij soms kwelde, toen ik in de

West-Indien was. Het was daarom, dat ik Andries en zijne makkers hier

had ontboden: mijn voornemen was--en hij weet het goed die schoelje--om

zoo mogelijk een goed zeebouwend vaartuig weg te kapen:--en eenmaal in

het ruime sop gekomen, zou ik den weg naar het meer van Maracaibo en

mijn oude makkers wel weder hebben teruggevonden."

"En," zeide ik, "om aan uw dwazen, doemwaardigen wensch te voldoen,

zoudt gij in koelen bloede de manschap vermoord hebben van het schip,

dat gij behoefdet?"

"Dat alles is voorbij," vervolgde Sander, zonder mijn vraag te

beantwoorden. "Ik heb Klaartje teruggezien: ik ben getuige van haar

lijden, van haar berouw geweest: ik heb gevoeld, dat ik nog te

weekhartig was om ... vergeef mij ... een rol vol te houden, die een

hart van staal vereischt. Ik heb van mijn voornemen afgezien:--en ik

ken mijn makkers genoeg: zij zullen het zonder mij niet durven

ondernemen, veelmin ten uitvoer brengen:--zij zullen zich

verstrooien:--en de hemel geve, dat ik nooit weer van hen hoore."

"En gij," vroeg ik: "welke zijn uw verdere plannen?"

"Kan ik aan de toekomst denken, zoo lang zij ginds ligt te sterven?"

vroeg hij op een eenigszins verwijtenden toon,

"Ja, dat kunt en moet gij," antwoordde ik, na een oogenblik geweifeld te

hebben: "gij moet uw leven beteren en dat moogt gij geen oogenblik

uitstellen. Gij moet dit land verlaten, waar gij niet langer als een

eerlijk man kunt leven, maar de wereld staat voor u open. Ga naar

Rusland: daar worden wakkere gezellen als gij, die het zeemanswerk

verstaan, met open armen ontvangen: bied daar uw diensten aan en gij

zult door de wereld komen: is het al niet in een hooge betrekking, dan

althans in zulk eene, welke gij u nimmer behoeft te schamen."

"Gij meent het wel met mij, Mijnheer Huyck!" zeide Sander, met

aandoening: "en ik zal uw woorden overdenken; maar verg mij niet, thans

reeds eenig besluit te nemen. Ik moet eerst aan Klaartje de oogen

sluiten: dan misschien.... God zegene u, Mijnheer Huyck!"

Met deze woorden wendde hij zich af en keerde naar het ziekvertrek

terug. Zijn verhaal had een diepen indruk op mij gemaakt.

"Al weder een slachtoffer van kwalijk geplaatste eerzucht," dacht ik bij

mijzelven, terwijl ik de herberg verliet: "die Sander had een braaf en

nuttig mensch kunnen worden, indien zijn ongelukkig gesternte hem niet

het al te verleidelijke voorbeeld van Don Manoël had voor oogen gesteld:

en deze zal eens, op den dag des oordeels, behalve zijn eigen schuld,

ook de wandaden te verantwoorden hebben, waaraan zich deze ongelukkige

heeft schuldig gemaakt."

Aldus peinzende, was ik weldra de bergplaats der gestrande goederen

genaderd, en zag van verre den braven schipper, die zweetende en

zwoegende zijn matrozen bevelen gaf, terwijl zij onder zijn opzicht de

kisten thee op een paar wagens laadden, en Reynszen hen voor de open

deur van het pakhuis stond aan te zien. Zoodra Pulver mij in 't oog

kreeg, liep hij naar mij toe, roepende:

"'t Is al afgewasschen Patroon! zooals de kajuitsjongen zei, toen hij de

hemden van den kapitein overboord had laten vallen: ik heb den

deurwaarder van morgen al uit zijn bed getrommeld, en hij heeft een

exploit aan Reynszen gedaan, je leven zoo niet ... en het geld betaald

ook: en nou gaan wij den boel naar de _Kjöbenhavn_ brengen. Kijk eens,

Patroon! 't is een lust om te zien, zoo kurkdroog als de kisten gebleven

zijn; er is geen druppel water bij de thee gekomen:--nu in allen

gevalle, dat zou aan hem, die ze drinken moet, de moeite van 't zetten

bespaard hebben."

Ferdinand Huyck · 第 44 / 51 段