geborgen; maar het schip,--kijk er van af, zeg ik:--dat woelt al gedurig
meer in het zand: en ofschoon UEd. het vandaag nog hebt kunnen zien, zal
het morgen wel heelendal naar den kelder zijn."
"Zoo! dan is de lading toch in zekerheid:--dat doet mij genoegen."
"Wel mag het u genoegen doen; maar wat helpt het? zooals de man zei toen
hij klontjes te huis bracht en de koffie al gedronken was. Ik heb,
sedert de boel hier in 't pakhuis (en 't is er een pakhuis naar!) is
opgeslagen, er al zooveel over te zeggen, als een koksmaatje over de
kluifjes, die de kat benaderd heeft. Ik had anders zulk een schoone
gelegenheid om de thee, waar een kapitaal op te winnen is, verder te
zenden; maar 't is maar goed, dat UEd. hier is om een oog in 't zeil te
houden; want zij zullen wel wat meer respect voor UEd. hebben dan voor
mijn persoontje.--En wie is Mijnheer? als ik vragen mag? want onbekend
maakt onbemind." Hier wees hij op Helding.
Ik gaf hem zulks in korte woorden te verstaan, terwijl wij vervolgens
gezamenlijk de woning binnentraden van den hierbovengenoemden Geurt
Reynszen, die bij de hoedanigheid van Onderstrandvonder ook, gelijk mij
naderhand bleek, die van voorzittend Schepen bekleedde en dus een der
gewichtigste personages van het eiland was. Het bovenlijf van een dikken
zeegod, met roode bolle wangen en een blauwen baard, hetwelk vroeger den
voorsteven van een schip had versierd, en volgens de daaronder
geplaatste aanwijzing den God Neptuin verbeeldde, prijkte boven de
voordeur, en scheen in zijn voorover gebogen houding de voorbijgangers
uit te noodigen om binnen te treden en den brandewijn van vriend
Reynszen te proeven, terwijl de woorden _goed logies_ op den deurpost
nog verder het bedrijf van dezen nuttigen eilander aankondigden.
Het was dus met dezen Reynszen voornamelijk, dat ik over het doel mijner
komst zoude moeten spreken: terwijl ik mij tevens vleide, dat hij beter
dan iemand in staat zoude zijn eenig bericht aangaande de dochter van
Helding te verschaffen.
Reynszen, een man van ongeveer zestig jaar, maar nog wakker en sterk, en
wiens grauwe kat-oogen sluwheid en overleg verraadden, ontving ons met
een voorkomende vriendelijkheid, die echter eenigszins verflauwde, toen
Pulver hem mijn naam en betrekking als reeder van het gestrande schip
deed kennen: en het viel mij niet moeilijk, uit de wijze, waarop hij mij
opnam, te gissen, dat hij trachtte zijn oordeel op te maken, in hoeverre
ik vatbaar was om mij te laten blinddoeken of bepraten. Zijn gelaat
klaarde echter weder op, toen ik voor Helding en mijzelven logies bij
hem bestelde: waarschijnlijk begreep hij, dat twee Heeren uit Amsterdam
in allen gevalle goede vertering bij hem zouden maken, en dat hij als
kastelein wel datgene aan mij zou terugverdienen, wat hij als
Strandvonder door mijn komst zou moeten missen. Hij bood ons pijpen aan
en begon een praatje over weer en wind, terwijl zijn dochter stoelen
bijschoof en op onzen last eenige boterhammen ging smeren; want de
zeelucht en de reis hadden ons honger gegeven. Pulver begon hierop het
verhaal van zijn geleden schipbreuk, hetwelk men mij verschoonen zal,
zoo ik het niet in zijn geheel geve, daar in dit geschrift reeds
tweemalen een diergelijke ramp vrij omstandig beschreven is. Het bleek
mij echter reeds toen, en later werd het ook door de getuigenis van de
equipage van de _Fortuin_ bevestigd, dat Schipper en stuurman hun plicht
tot het uiterste hadden volbracht en dat de geleden wederwaardigheid
alleen aan het geweld van den storm te wijten was, die het vaartuig op
de Robbeplaat had gesmeten, waarvan het niet mogelijk was af te komen.
Het ontging mij niet, dat Helding, gedurende het vrij lange en door
allerlei aanmerkingen en uitweidingen afgebroken verhaal van den
Schipper, al op heete kolen zat, en gedurig rondkeek, als wilde hij
vragen, wanneer de beurt toch eens aan hem komen en over de zaak zoude
gesproken worden, welke hem op Terschelling riep. Juist wilde ik
daarover beginnen, toen een nieuw personage de herberg binnentrad. Deze
was een dor schraal kereltje, wiens onbeduidende lichaamsbouw sterk
afstak tegen de kloeke gestalte van Reynszen en van de Terschellingsche
visschers, die ik aan de haven gezien had. Ook was hij niet in 't duffel
en baai gekleed, gelijk de overige dorpelingen: en zijn rok en hoed,
hoewel ouderwetsch fatsoen, kenmerkten meer de dracht van den vasten wal
of een nabootsing daarvan. Zijn door de kinderziekte sterkgeschonden
gelaat had weinig behaaglijks; terwijl de omgekrulde onderlip en
vooruitgezette borst geen geringe mate van zelftevredenheid en
verachting van anderen schenen aan te kondigen.
"Zoo Drost! ben je daar?" vroeg Reynszen, den nieuwaangekomene de
broederhand toestekende. Deze scheen blijkbaar het niet te durven wagen,
zijn mager handje aan den krachtigen aangreep des kasteleins bloot te
stellen, en stak hem slechts een vinger toe.
Ik stond een oogenblik in twijfel, of de naam van Drost, aan den
onbekende gegeven, 's mans eigen naam of een verkorting van den titel
van Drossaard moest beteekenen. Ik wist, dat deze laatste
ambtsbetrekking door een der Burgemeesteren van Enkhuizen werd bekleed:
en ik kon te minder gelooven, dat ik dezen voor mij zag, daar de toon en
houding van Reynszen jegens den nieuwgekomene die gemeenzaamheid
aanduidden, welke tusschen goede bekenden plaats heeft.
"Zel je een pijp rooken?" vervolgde Reynszen tegen den onbekende, die
ons van ter zijde bekeek:--"dat zijn Amsterdamsche Heeren, die komen
hier vanwege de _Fortuin_!" en toen, zich naar ons keerende: "dat is de
Drost," zeide hij.
_A tous seigneurs tous honneurs_. Ik rees op, en groette den Dignitaris,
die, na mij kortaf goeden dag te hebben gewenscht, zich tot Reynszen
wendde, in de navolgende afgebroken bewoordingen:
"Niet rooken ... weinig tijd ... zieken bezoeken ... Raad bijeengeweest
... hoe is de patiënt?"
"Niet te bestig," antwoordde Reynszen: "ik wou dat zij weg waren
gebleven."
"Hebt gij hier een zieke in huis?" vroeg ik.
"Ja," antwoordde Reynszen: "een vrouwken van den vasten wal: de Dokter
heit er ook al geen zinnigheid in." Hier wees hij op den Drost: en nu
werd het mij opeens duidelijk, dat deze niet de Drossaard zelf, maar
zijn Substituut moest wezen, die, tevens met dit ambt, de hoedanigheid
van geneesheer bekleedde. Ik dacht echter over dit punt slechts vluchtig
na; want het gezegde had mijn aandacht getrokken.
"Van den vasten wal?" herhaalde ik: "en wanneer aangekomen?"
"Eerst sedert drie dagen van Harlingen, 'eloof ik."
Helding was doodsbleek en keek beurtelings mij en den kastelein aan.
"En haar naam?"
"De vent, die met haar is--haar man wil ik hopen--noemt haar Klaartje;
en dat is al wat ik er van weet."
"O mijn dochter! mijn Klaartje!" riep Helding, terwijl hem dikke tranen
langs de wangen rolden. "Waar is zij? Breng mij bij haar!"
"Bedaar, mijn goede Helding!" zeide ik: "gij hoort, dat zij ongesteld
is: uw onverwachte verschijning zou nadeelige uitwerkselen kunnen
teweegbrengen. Wat zegt er de Dokter van?"
"Hm!" zeide deze: "ontstoken hersenen ...galachtig bloed ... raaskallen
... aandoeningen te vermijden ... _abstinentia et quies_."
"UEd. denkt dus," hernam ik, "dat haar vader, wien zij in lang niet
gezien heeft, niet zonder eenige voorbereiding bij haar behoort te
worden toegelaten?"
"Hm! hm!--nog niet--eerst zien--oordeel opschorten--straks beslissen,"
antwoordde de geneesheer.
Het kostte mij eenige moeite om Helding te overtuigen, dat hij zijn
ongeduldig verlangen naar zijn dochter bedwingen moest; doch na eenigen
tegenstand gaf hij toe en beloofde zich bedaard te zullen houden,
terwijl ik op zijn verzoek aannam, den Dokter bij zijn bezoek te
vergezellen en hem nauwkeurig kondschap te brengen aangaande den
toestand zijner dochter. Reeds vreesde ik, daar de woning mij toescheen
niet zeer groot te zijn, dat de lijderes zich misschien in een
nabijgelegen kamer bevond en van daar iets van ons gesprek gehoord of de
stem haars vaders herkend zoude hebben: maar deze vrees bleek mij
ongegrond te zijn; want het ziekvertrek, waarheen ik mij thans met den
Dokter begaf, bevond zich in een afzonderlijk huisje, mede aan Reynszen
toebehoorende, en waarmede men door een achterdeur en binnenplaats of
tuintje gemeenschap had.
Wij vonden bij het inkomen de zieke in een vrij zindelijke bedstede
gelegen, voor welke iemand gezeten was, met den rug naar ons toegekeerd,
die haar hand in de zijne hield, terwijl hij, voorovergebukt, met het
hoofd op de andere hand leunde. Hij had zijn buis uitgetrokken en dit,
waarschijnlijk om de lijderes te verwarmen, op het voeteneinde
neergelegd. Bij onze nadering zag hij op, en ik herkende--hoewel niet
geheel onverwachts--Sander Gerritsz--of, anders gezegd Zwarten Piet.
"Plaats maken!" zeide de Dokter: "Wat gerust?--Nog ijlende?"
"Zij is bedaarder, maar doodzwak," zeide Sander, met een zucht; "zij
ligt geheel wezenloos en heeft mij nog geen woord toegesproken," en
toen, mij herkennende: "Mijnheer Huyck!" riep hij verbaasd uit.
"Ongelukkige! gij hier?" zeide ik, het hoofd schuddende; "maar kom even
ter zijde, en laat den Dokter bij de patiënt."
De Dokter nam de plaats in, welke Sander ledig liet, en voelde den pols
van Klaartje, die nog geen bewijs had gegeven dat zij onze komst
bespeurd had en met het gelaat naar het schot gekeerd lag. Ik nam
onderwijl Sander in een hoek van het vertrek en fluisterde hem in 't
oor:
"Haar vader is gekomen."
"God! ook dit nog!" zeide hij, en bedekte zich het gelaat met beide
handen.
"Zou zij in staat zijn, hem te zien?"
"Ach! wat zou het baten? zij kent niemand--zelfs mij niet."
"Koorts af!" zeide de Dokter, opstaande: "bedaarder ... _meliora
symptomata_ ... gerstewater drinken ... citroensap ... likkepot zenden
... morgen weerkomen...."
"Zou 't mogelijk zijn!" riep Sander uit, verheugd toetredende: "bevindt
zij zich inderdaad beter?"
"Nog zwak," zeide de Dokter: "versterking ingeven.--Recept
schrijven!"--Dit gezegd hebbende, haalde hij een papier uit den zak en
ging zijn voorschrift opschrijven.
"Klaartje!" hernam Sander, zich over het bed heenbuigende: "herkent gij
mij niet?"
Klaartje lichtte bij deze toespraak even het hoofd op en keek om, zoodat
ik haar vlak in het aangezicht zag. Zij had nog schoone en regelmatige
trekken; maar de fletsheid der wangen en de lichtroode strepen en
vlekken onder de oogen en langs den neus getuigden dat een ongebonden
leefwijze, nog meer dan de ziekte, haar vroegere bekoorlijkheden vóór
den tijd had doen vervallen.
"Waar ben ik?" vroeg zij met een flauwe stem, zich met de vlakke hand
over het voorhoofd wrijvende: "hoe kom ik hier? Ik ben hard ziek
geweest, geloof ik:--maar nu is het beter: ik wilde wel wat drinken."
"Hier hebt gij drinken," zeide Sander, haar een kommetje aan den mond
brengende: "bevindt gij u waarlijk beter, mijn liefste?"
"Zoo! zijt gij daar nog, Sander?" hernam zij: "dat is goed:--maar hoe
kom ik toch hier?--Ik ben wat in de war geweest en heb veel geleden ...
maar 't is zonderling: ik voel nergens pijn meer."
Niettegenstaande de verklaring van den geneesheer, kon ik niet deelen in
de betere hoop, die hij Sander had ingeboezemd. Dat ophouden van alle
pijn, gevoegd bij den strakken blik der half gebroken oogen, scheen mij
een onrustbarend kenteeken te zijn, en ik begon te duchten, dat Helding
zijn dochter slechts zou terugvinden om haar terstond weder te
verliezen.
"Wie is die Heer?" vroeg zij, op mij wijzende.
Ik beschouwde deze vraag als geschikt om er aanleiding uit te ontleenen,
ten einde haar op het bezoek haars vaders voor te bereiden, en voorkwam
dus het antwoord, dat Sander geven wilde.
"Ik kom uit Amsterdam," zeide ik, "en heb een boodschap voor u, van
iemand, die u van harte liefheeft."
"Iemand in Amsterdam ... die mij liefheeft!" herhaalde zij met een
uitdrukking van twijfel en smart: "wie is er, die mij liefheeft in
Amsterdam?--O God! er is wel een geweest, die het mij gezegd heeft ...
maar hij was een verleider ... hij was de oorzaak van mijn verderf en
ellende."
"Hij, van wien ik spreek," vervolgde ik, "is iemand, die nooit als uw
welzijn beoogd heeft. Bedenk eens wel: is er niemand in Amsterdam, wien
natuur en plicht beide u voorschrijven lief te hebben en het verdriet te
vergoeden, dat gij hem veroorzaakt hebt?"
"Wat!" zeide zij, met verheffing van stem: "van mijn vader komt gij! van
mijn vader!... hoort gij Sander?... die Heer komt van mijn ongelukkigen
vader!--en denkt hij nog aan zijn slechte, nietswaardige dochter, die
hem zooveel verdriets heeft gekost?--En weet hij, dat ik nog leef?--O!
het ware immers veel beter, dat ik dood ware,--dan behoefde hij geen
leed meer te gevoelen over een schepsel, dat niets dan schande over zijn
eerlijken naam heeft gebracht."
"Meisje!" zeide ik: "onze Vader in de Hemelen is lankmoedig jegens hen,
die berouw toonen: en moet uw aardsche vader dat voorbeeld niet volgen?
Gij zijt nooit uit zijn gedachten geweest en hij verlangt niets vuriger,
dan u aan zijn hart te drukken en alles te vergeven." Zij
weende:--Sander weende: ik was mede diep ontroerd, de Dokter borg zijn
recept in een groot lederen zakboek en zeide, terwijl hij opstond: "geen
gevaar ... ouden Heer roepen ... gerust hier komen."
"Wie? welke oude Heer?" vroeg Klaartje met levendigheid.
"Zoo uw vader zich hier bevond," zeide ik: "zoudt gij dan kracht genoeg
bezitten om hem terug te zien?"
"Mijn vader!--Hier? O God! laat ik hem nog eenmaal vergeving bidden en
dan sterven.--Maar neen: dat is niet mogelijk."
"Zie of het mogelijk is," zeide ik, terwijl op hetzelfde oogenblik de
Arts terugkwam, gevolgd door Pulver, die Helding geleidde, daar deze
werk had om zich staande te houden, zoo beefde hij.
"Waar is zij? Waar is mijn kind?" riep de oude man, terwijl hij met
uitgestrekte armen en wankelende knieën het vertrek binnentrad. Zij was
half opgerezen in haar bed, en het was slechts met moeite, dat Sander
haar kon terughouden er uit te springen, om zich aan de voeten haars
vaders te werpen. Helding viel haar om den hals en snikte luid.
"Vergeving, mijn vader!" was alles wat zij uit kon brengen, terwijl
Sander, van aandoening overstelpt, zijn gelaat in de handen verborg.
"Verduiveld!" zeide Pulver, zich een traan uit het oog wisschende, "ik
zit liever een heelen nacht bij slecht weer in de bramzaling, dan dat ik
zoo iets bijwoon."
"Hou u maar bedaard, kindlief!" zeide Helding, terwijl zijn eigen stem
beefde: "God zij geloofd, dat ik u weerom heb: wij zullen over het
verledene niet meer spreken en alleen over de toekomst denken: maak maar
spoedig weer beter te worden, dan gaat gij met mij weer naar Amsterdam
en wij zullen een stil en genoeglijk huishouwentje hebben, als vanouds."
"Neen Vader!" zeide zij, treurig het hoofd schuddende: "naar Amsterdam
terugkeeren, dat zal niet gaan--ik voel hier iets" (op haar hart
wijzende) "dat mij zegt, dat het met mij niet lang meer zal duren. O!
wie had mij ooit dien onverdienden zegen durven voorspellen, dat ik nog
voor mijn dood mijn vader zou terugzien en dat hij zich mijner ontfermen
zou? Helaas!" vervolgde zij, hem beschouwende: "uw haren waren niet
grijs toen ik u verliet.--Wee mij! ik heb dat verdriet u
veroorzaakt!--Maar vaderlief! Gij moet ook een vriendelijk woord tot
Sander spreken: hij heeft mij te Harlingen teruggevonden en, ondanks al
mijn slechtheid, had hij mij nog lief en wilde mij met zich nemen,
hoewel ik hem zeide, dat ik zijn liefde door mijn wangedrag verbeurd
had: en hij heeft mij in mijn ziekte niet verlaten, maar zoo trouwhartig
opgepast, als geen baker beter had kunnen doen."
"Sander Gerritsz!" riep Helding verbaasd uit, toen de jongeling hem met
een treurigen blik aanzag.
"Sander Gerritsz!" herhaalde Pulver, niet minder verwonderd.
"Sandertje! wat drommel!..." Hier zweeg hij, daar ik hem toewenkte, dat
hij zich niet met de zaak bemoeien zoude.
"Sander Gerritsz!" herhaalde ook de Dokter, als scheen hij zich dien
naam insgelijks te herinneren: en te gelijk een andere portefeuille, dan
die, waarin hij zijn recepten borg, voor den dag halende, begon hij in
de daarin vervatte papieren te snuffelen.
"Ach! mijn goede Monsieur Helding!" zeide Sander: "UEd. weet, ik heb
haar altijd lief gehad. Ik zou haar ook gaarne tot vrouw genomen hebben,
niettegenstaande al wat er gebeurd is;--maar de Heer Huyck weet, dat ik
hier niet kan blijven, dat ... in 't kort, dat het beter voor haar is,
dat zij met haar vader naar Amsterdam terugkeert."
"Ja mijn hartje!" zeide Helding: "keer met mij naar huis: wij zullen wel
wat voor u vinden: ik heb nog veelvermogende beschermers, die ons niet
in den brand zullen laten: daar is de waardige Heer Huyck ... daar zijn
de Heeren Blaek...."
"Blaek!... Blaek!..." herhaalde Klaartje, met een uitdrukking van
afgrijzen: "liever leed ik het ergste, wat een mensch kan overkomen, dan
dat ik aan iemand, die Blaek heette, iets te danken had."
"Hoe!" riep Helding: "wat hebben die Heeren u toch gedaan?"
"O! spreek er mij niet van," hernam Klaartje: "is niet Lodewijk Blaek de
bewerker van mijn ongeluk? Heeft hij niet, toen de goede Sander het
zeegat uit was, mij met een zoet praatje verleid, en mij overreed om
mijn braven, besten vader te verlaten? Heeft hij mij niet, arm en naakt,
in schande verlaten en gedwongen, daar ik niet te huis durfde keeren, om
... O God!"
"En waarom durfdet gij niet tot mij terugkeeren?" vroeg Helding: "wist
gij dan niet, dat het hart van den ouden man altijd voor u openstond?"
"Lodewijk Blaek!" mompelde Sander: "was hij de schurk die u bedierf?--O!
dat ik hem hier had, om hem zijn laagheid betaald te zetten!"
"Ach! ik schaamde mij zoo, terug te keeren," zeide Klaartje: "en
daardoor ben ik van kwaad tot erger gevallen ... en zoo is het dat ik
sterven moet, zoo jong nog en door mijn eigen schuld!--Maar ik heb
vergiffenis ontvangen van die twee, die ik het meest beleedigd heb, van
mijn vader en van mijn goeden Sander--en dit vertroost mij.--Ween niet,
Sander! het is zoo beter:--toen ik, op uw verzoek, Harlingen verliet,
was ik nog loszinnig en dacht alleen om het geluk van weer met u te
zijn; maar thans heb ik een beter inzicht verkregen ... ik was niet
waardig, uw vrouw te zijn--en ik moest geen schande brengen in het huis
mijns vaders:--het is voor mij, voor u beiden beter, dat ik sterve."
"Foei! zoo moet gij niet spreken," zeide Helding: "nietwaar Dokter?"
"Wel neen!" antwoordde deze, zijn papieren weder bergende: "niet
sterven--weder gezond worden--niet zooveel praten!--_femina animal
loquax_--te veel vermoeien.--Hm! Zonderling--Sander Gerritsz--dien naam
meer gehoord--hm!--brief van den Drost--zeeroof--inbreken--Jaco--niet
vinden--thuis liggen--hm!" Deze laatste woorden sprak hij slechts
halfluid en mompelend uit, zoodat zij door de meesten, die te veel met
Klaartje bezig waren om op hem te letten, niet of slechts half verstaan
werden.
"Kom!" zeide ik tegen de zieke: "gij moet u zoo ongerust niet maken,
noch u het ergste voorstellen: tracht wat te slapen; want gij hebt rust
nodig. Wat dunkt U, kapitein! zoo wij die goede lieden eens
alleenlieten. Ons bijzijn is hier toch overbodig."
"Ja, zeide de Dokter: "hier te vol--rust noodig--ik ook weg--veel
drukten--likkepot bereiden--archief nazien--zieken bezoeken--twee
klisteeren--aderlating--twee boeren overhoop liggen--brief aan den Drost
schrijven--Maaike Jansz linkerarm gebroken--heengaan."
Met deze woorden vertrok hij: ik volgde hem met Pulver, en weldra
vervoegde zich ook Sander bij ons, die waarschijnlijk gevoelde, dat de
bescheidenheid hem gebood vader en dochter een wijl alleen te laten. Op
de opene plaats echter, die de twee woningen vaneenscheidde, hield
Pulver hem staande.
"Nu zel je mij toch niet ontkennen," zeide hij: "dat je Sander Gerritsz
bent en dat ik je op het buiten van Mevrouw Van Bempden heb gepraaid."
"Stil wat!" fluisterde ik, bevreesd, dat de Dokter, die juist de herberg
intrad, hem hooren zoude.
"Neen voorwaar niet, mijn goede Schipper!" antwoordde Sander, hem de
hand toestekende: "maar laat het tusschen ons blijven. Ik heb dien naam
sedert lang, en om billijke redenen, laten varen."
"Daar heb je verkeerd aangedaan," hernam Pulver: "men moet zich de vlag
nooit schamen, daar men jaren onder gevaren heeft. Wel man! dat
verhoopte ik niet, toen ik je daar onder die zeeroovers aan twee ankers
vastliet, dat ik je ooit weer in ons land aan boord zou komen: nu!
bergen en dalen ontmoeten mekaar niet; maar menschen wel. En waar heb je
al gezworven, zooals de ouwe vloo tegen de jonge zei?"
"Ja Schipper! dat zal ik u naderhand wel reis vertellen," antwoordde
Sander; "waar ik geweest ben, komt er minder op aan," vervolgde hij met
een zucht: "het zal eerder te bezien staan, waar ik heen moet: hoewel ik
verklaar, dat het mij in deze treurige oogenblikken vrij onverschillig
is."
"Ja!" zeide ik, hem terzijde trekkende: "gij moet op uwe hoede zijn. Die
Dokter is tevens Substituut van den Drost, en, voor zooveel uit 's mans
woorden te verstaan is, maak ik op, dat hij reeds berichten omtrent u
heeft, en dat dit eiland u geen veilige schuilplaats biedt."
"Ik wijk niet van hier, zoolang Klaartje in dezen toestand blijft,"
zeide Sander; "en wat dien meester Doedes aanbelangt, ik ben juist niet
erg voor hem beschroomd: ik weet nog wel een huismiddeltje, om hem de
oogen te doen dichtknijpen."
Dit zeggende opende hij de deur der herberg, waar wij binnentraden en
den Dokter reeds vertrokken vonden.--Ik verzocht Reynszen, zorg te
dragen voor een goede waakster om de zieke op te passen; waarop hij mij
verzekerde, dat zijn vrouw en dochter zich reeds bereid hadden
verklaard, die taak op zich te nemen, en dat overigens niets ontbreken
zou om haar toestand zooveel mogelijk te verzachten.
Niet ongenegen een weinig lucht te scheppen, sloeg ik aan Pulver een
wandeling voor, waarop wij onze zaken zouden kunnen bepraten. Wij
begaven ons, na van Sander afscheid genomen te hebben, het strand langs,
en ik vroeg hem, wat er al zoo geëischt werd en hoe wij best ons goed
terug zouden krijgen en geschillen of processen vermijden.
"Ja!" antwoordde hij: "wat zal ik veel zeggen? Wie in de schuit is, moet
meevaren: en het helpt niet of men tegen dat volkje hier met grof
geschut aan boord komt en hen bedreigt met de Commissarissen tot de
Pilotage of met Gecommitteerde Raden; want daar geven zij al zooveel om
als een walvischhaalder om een dooie schelvisch. Ze liggen hier buiten
schoots, weet je! en storen er zich niet aan, of zij brieven en bevelen
krijgen: hebben is hebben, denken zij: en wil je niet naar hun pijpen
dansen, dan leeren zij het je tot je schade: ik heb nog liever met
royale zeeroovers te doen dan met zulk slag van volk. Daar ligt nu de
Hyson en Souchong in het pakhuis: en ik heb niet later dan van morgen
een kattebelletje ontvangen van Schipper Holmfeld, die op de ree van 't
Vlie ligt; dat hij die met alle gemak bergen kon en ze meenemen naar
Kopenhagen: een gelegenheid, zoo schoon als men wenschen kon; maar nu
wil die verbruide Strandvonder de waren niet laten volgen dan tegen een
derde van de waarde voor bergloon; terwijl hem volgens alle ordonnantiën
en costuymen niet meer dan zes twintigsten kunnen toekomen."
"Zoo hij al eens recht heeft op zooveel," zeide ik: "want er is hier
minder quaestie van geredde, dan wel van geborgen goederen; daar gij met
de equipage bijna alles gedaan hebt.--Intusschen, indien het daarmede
gedaan ware ... het is ons veel waard, ons goed terug te bekomen."
"Dan is er," vervolgde Pulver: "nog een klein bagatelletje bij van
anderhalf percent voor den Strandvonder, en nog een rekening van
onkosten, voor gebruikte schuiten en wagens en gegeven fooien, daar een
mensch de oogen van overloopen."
"Dat is toch wat grof," zeide ik: "want waar vraagt men het eenderde
bergloon voor, indien men nog een extra-rekening maakt voor
onkosten?--Maar kunnen wij, de quaestie over het bedrag daarlatende, de
goederen niet loskrijgen onder borgstelling?"