"Zij heeft gelijk, collega!" zeide mijn vader: "maar gij, Ferdinand!

zult ge mij nu nog niet verklaren, welk belang gij stelt in den Graaf

Van Talavera, waarom gij u gestadig met hem in gezelschap bevindt, en of

gij niet wellicht ook thans zijn vlucht begunstigd hebt?"

Ik oordeelde, dat de tijd tot spreken gekomen was, en dat een

rondborstig verhaal van de toedracht der zaak den Graaf niet meer

schaden, maar wellicht van dienst kon zijn. "Onze ontmoetingen," zeide

ik, "zijn altijd toevallig geweest; maar Vader kon toch niet verlangen,

dat ik den man verraden zou, die mij het leven gered heeft?"

"Het leven! En wanneer?"

"Ziedaar, wat ik u thans kan openbaren."--En ik was op het punt van een

verslag van het gebeurde te geven, toen Tante, gevolgd van de overige

gasten, naar ons toekwam, ongerust over ons lang wegblijven en over het

zien der gerechtsdienaars, die zich van tijd tot tijd op verschillende

punten vertoonden.

"Wat is er toch aan de hand?" vroeg Suzanna: "Tante klaagt al:

_d'armes et d'ennemis je suis environnée_."

"Wat wil men?" vroeg Tante: "wie van het gezelschap moet er gepakt

worden."

"Van het gezelschap niemand," antwoordde de Naarder Onderschout: "maar

het zal UEd. niet weinig bevreemden van te vernemen, dat die vrouw daar

goedvindt uw hoeve tot een logies voor verdachte lieden te bezigen.

"Het is zoo, Zuster!" zeide mijn vader: "de Baron Van Lintz, dien gij u

nog wel herinneren zult, heeft hier gisteren, en zoo ik mij niet

bedrieg, ook vroeger nog, zijn intrek gehad."

"Nu ja!" zeide Martha, de zwijgende ondervraging van Tantes blik

beantwoordende: "hij is hier 'eweest, en zijn dochter ook: en nou binnen

zij Goddank weg en vrij ook, naar ik hoop. En al moest Mevrouw men er op

men ouwen dag voor op straat zetten, ik kon niet aêrs doen als ik 'edaan

heb. Wie zou nou zoo barbaarsch wezen, om as iemand, dien men met zijn

eigen melk het 'evoed, bij je komt en zeit: moeder Martha! ze zitten men

overal op het lijf, en ik kan nergens een veilige schuilplaats vinden,

om dan te zeggen: scheer je van mijn deur weg."

"Daar is wat van aan," zeide Tante: "en ik kan toch ook niet vinden, dat

mijn erf er door onteerd is, dat er een Grande van Spanje op gelogeerd

heeft.--En wat is er van hem geworden?--Die arme Van Lintz! hij is zoo

dikwijls mijn Cavalier geweest."

"Dat is juist de vraag, wat er van hem geworden is," zeide de Naarder

Onderschout: "hij heeft, ondanks al onze voorzorgen, weten te

ontsnappen."

"Dat verblijdt mij," zeide Tante Letje: "want het zal tot een

vertroosting strekken voor zijn arme dochter, die hedenmorgen, toen ik

haar verliet, bittere tranen schreide, uit ongerustheid over het lot

haars vaders."

"Hoe? Is het dan werkelijk zijn dochter, die ten uwen huize is? Gij zult

mij dat alles nader vertellen, Zuster!" zeide Tante Van Bempden.

"Zij behoeft niet voor de misslagen haars vaders te boeten," zeide mijn

vader: "en ik vlei mij, dat zij bij mijn zuster een meer betamend

verblijf heeft gevonden, dan bij Heynsz, en er althans aan geen lastige

bezoeken zal blootgesteld worden." Dit zeggende zag mijn vader Lodewijk

aan, die verbaasd een stap achteruit deed.

"Hoe!" riep hij: "was die Juffer...?" Hij eindigde den volzin niet, met

reden begrijpende, dat de wijze, waarop hij haar kennis gemaakt had, hem

niet tot eer verstrekte.

"Ed.-Gestrenge!" zeide Heynsz, mijn vader ter zijde trekkende: "ik heb

nog eens geïnterrogeerd al die lieden: zij hebben niemand zien gaan van

hier, als alleen den koetsier van den Heer Blaek met het rijtuig."

"Dat rijtuig zou te Huizen stallen," zeide mijn vader zachtjes: "Haast u

derwaarts en hoor of het er werkelijk geweest is. De Heer Blaek en de

Graaf zijn oude bekenden."

Dit gezegd hebbende, begaf mijn vader zich met zijn ambtgenoot ter

zijde, ten einde de meest geschikte maatregelen te beramen: waarop deze

laatste zich verwijderde, en ook Heynsz met de dienaars in verschillende

richtingen aftrokken. Dit voorval had intusschen de genoegens der partij

gestremd: tot zelfs de kinderen toe dorsten zich niet aan hunne gewone,

vroolijke luidruchtigheid overgeven, bij het zien der opschudding, die

plaats vond, en der ontsteltenis, welke op veler gelaat te lezen was.

Tante Van Bempden bemerkte dit, en oordeelende dat alleen de verandering

van tooneel de gemoederen weder tot rust zoude brengen, gaf zij last om

in te spannen. Terwijl dit plaats had en de dames zich weder met de

gewone toebereidselen ter afreize bezig hielden, deed ik aan mijn vader

het verhaal van mijn kennismaking met den Graaf.

"Indien gij verkeerd gehandeld hebt," zeide hij, na mij met bedaardheid

te hebben aangehoord, "zult gij genoeg gestraft zijn door de kwellingen,

die gij deze laatste weken hebt ondergaan. Ik zal u geene verwijten

doen: uw toestand was moeilijk: en sterkere hoofden dan het uwe zouden

er van aan 't malen zijn geraakt. Ik zal intusschen blijde zijn indien

de Freule gelegenheid vindt om Tante te verlaten. Ik weet niet of het

wel goed voor u en voor haar is, dat zij daar langer blijft."

"Ik verzeker u," zeide ik, "dat ik voor haar alleen deelneming en niets

meer gevoel."

"'t Is mogelijk! Maar zij--zij is ongelukkig: en dan hecht men zich

lichtelijk aan hen die ons diensten bewijzen:--en wanneer dan hij, die

den dienst bewezen heeft, een knappe jongen is, en zij, die dien dienst

ontvangt, een meisje met een niet ongevoelig hart, dan deugt zulks voor

geen van beiden, en is de laatste vooral te beklagen.--Dan, nu geen

woord meer over dat onderwerp."

Ik kon niet nalaten van bij mijzelven te glimlachen over de

samenstemming van hetgeen Amelia's vader mij vroeger had te kennen

gegeven en hetgeen thans de bekommering van den mijnen wekte. Ik had

echter geene zoo groote inbeelding van mijzelven, om te gelooven, dat ik

nu juist de persoon zoude zijn, op wien Amelia verlieven zoude.

Een oogenblik daarna kwam het rijtuig van den Heer Blaek terug: een

schijnbaar onbeduidende wenk, door dezen aan den koetsier gegeven, en

welken de laatste met een hoofdknik beantwoordde, bevestigde mij in mijn

vermoedens omtrent de wijze, waarop de Graaf ontsnapt was.

Wij reden nu allen weer naar Heizicht, alwaar wij met een wandeling door

de plaats den tijd poogden te korten en nieuwen eetlust op te doen tot

het middagmaal. Nauwelijks had de bel het teeken hiertoe gegeven, of wij

zagen het rijtuig van den Heer Van Baalen oprijden en hijzelf met een

bezorgd gelaat daaruit stappen.

"Wel, mijn waarde Van Baalen! riep Tante hem toe: "hebt gij zoovele

drukte aan het kantoor gehad? Wij rekenden al niet meer op u."

"Wat helpt het klagen!" zeide hij, de schouders ophalende: "het is mijn

lot, en ik tref het altijd ongelukkig, dat, zoo vaak ik uit verzocht

word, er iets in den weg moet komen. Vriend Huyck! ik moet u even

spreken, met verlof van het gezelschap."

"Is er zwarigheid?" vroeg ik, met hem ter zijde gaande.

"Niet gering!" antwoordde hij: "de _Fortuin_ is door den storm op de

Terschellingsche banken geslagen. De equipage is gered, en men is bezig

de lading te lossen; maar het schip zal, vrees ik, verloren zijn."

"Dat is voorwaar een Jobstijding!" zeide ik ontroerd: "en is UEd. zeker

dat niemand er het leven bij ingeschoten heeft?"

"Niemand," zeide Van Baalen: "en dat is waarlijk een wonder te noemen.

Nu ik hoop maar, dat Pulver wijs genoeg zal zijn om een spoedige

gelegenheid te vinden, om de goederen verder te zenden: vooral de thee;

want daar is nog een kapitaal op te winnen; en wordt dat nu verzuimd,

dan is binnen een maand de markt overhoopt. Het is drommels uit den

koers; anders ware het nog altijd wel zaak, er iemand heen te zenden, om

te zien hoe de zaken staan en wat er nog van te halen is, eer de

strandvonders en kustwaarders met alles gaan strijken."

"Dan is het misschien best, dat ik er zelf maar heen zeile," zeide ik.

"Ik dorst het u niet voorstellen," zeide Van Baalen: "maar dat zou

voorzeker een brave daad van u zijn.--Wanneer zoudt gij in staat zijn te

vertrekken?"

"Wel! dadelijk, als het noodig is."

"Neen! Heden zoudt gij toch geene gelegenheid meer vinden: en wij dienen

vooraf nog dezen en genen te spreken; want ik kon dezen morgen, met de

Zaterdag, slechts de helft aantreffen van hen, die ik noodig had. Zoo

gij morgen met den Harlinger beurtman vertrekt, en verder een

visschersvaartuig naar Terschelling neemt, zal het toch altijd het beste

middel van overtocht zijn; want de gewone _route_ met de postschuit kan

ik u niet erg aanraden."

Dit punt alzoo geregeld hebbende, begaven wij ons weder bij het

gezelschap, waar wij natuurlijk geen geheim maakten van het voorval, en

de betuigingen van deelneming der aanwezigen erlangden. Een en ander was

echter weinig geschikt om de genoegens, die men zich van het feest had

voorgesteld, te verhoogen.

"Wel lieve moeder!" zeide ik, de beste vrouw bij de hand nemende: "uw

jaardag wordt onder geen blijde voorteekenen gevierd."

"O!" zeide zij, mij een kus op het voorhoofd drukkende: "beklaag mij

niet: ik gevoel mij gelukkig; want ik heb op dezen dag de zekerheid

bekomen, dat wij u onschuldig verdacht hebben gehouden; en zou ik dan

nog over iets anders kunnen bedroefd zijn?"

De gebeurtenissen van den dag waren echter nog niet ten einde geloopen:

op het nagerecht ontving mijn vader met de 's-Gravenlandsche schuit een

pakket uit Amsterdam. Behalve eenige berichten voor hem, bevatte het een

brief voor Tante Letje, dien hij haar ter hand stelde. Zij opende dien:

hij was van Amelia, die haar, onder warme dankbetuigingen voor het haar

verleende verblijf, kennis gaf, dat zij vertrokken was, om haar vader

terug te vinden en met dezen de Vereenigde Provinciën voor altijd te

verlaten, terwijl zij verschooning verzocht, van zich dus zonder

afscheid te verwijderen, hetgeen men toch vooral aan geen gebrek aan

hartelijkheid moest toeschrijven: maar alleen aan de gebiedende

noodwendigheid, welke haar gedwongen had, op een zoo verhaaste wijze van

de zich opdoende gelegenheid gebruik te maken.

"Zij maakte zich op en ginck heenen," zeide Tante Letje: "maar ik zegge:

de Heere beeft haar laten gaen; want zij volgt haar vader wien zij

verplicht is te eeren en te gehoorzamen, ofschoon hij een man Belials

zij, vol van twistzoeking en ongerechtigheid!"

"Ik sloeg haar 't heilig kruis, naardien zij optrock, na."

zeide Suzanna.

"Ja! ik ben ook maar blijde, dat zij weg is," zeide mijn moeder: "want

zij moge dan zoo mooi en verstandig zijn als men wil, ik hou niet van

die vreemde floddermadammen, die zoo geheel anders zijn, als wij gewend

zijn."

Ik kon mij niet weerhouden, te glimlachen over dezen uitval van mijn

anders zoo goede moeder; maar ook zij was niet vrij van het

verschoonbare vooroordeel, hetwelk gemeenlijk door al de zoodanigen, die

aan een ordelijke, afgepaste, alledaagsche sleur gewoon zijn, wordt

opgevat tegen hen, die daarvan met voordacht of onschuldig afwijken. Ik

gevoelde geen trek om als Amelia's verdediger op te treden, daar ik zelf

innerlijk over haar vertrek verheugd was en niet verlangde verder over

haar te praten; en ten andere verhinderde ook de tegenwoordigheid van

Lodewijk, voor wien het onderwerp mede niet aangenaam kon zijn, zoowel

mij als de overige Heeren, iets meer betreffende haar in 't midden te

brengen. Al het gebeurde had echter eenige stilte bij de aanwezigen

teweeggebracht, en maakte dat het feest, wat althans de vroolijkheid

betreft, niet volkomen aan Tantes verwachting beantwoordde: vooral de

Heeren Blaek, vader en zoon, waren afgetrokken van gedachten, en het

kwam mij voor, dat het beiden een verlossing scheen, toen hun rijtuig

werd aangemeld, waar zij dan ook niet vertoefden gebruik van te maken,

maar zich dadelijk verwijderden: terwijl ik kort daarna met den Heer Van

Baalen den terugtocht naar Amsterdam ondernam.

* * * * *

DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

VERMELDENDE, WIE FERDINAND IN DEN BEURTMAN AANTROF, HOE HIJ OP

TERSCHELLING AANKWAM EN WELKE ZONDERLINGE ONTMOETING HIJ ALDAAR HAD.

De volgende morgen werd door mij besteed om van mijn compagnon en een

paar andere, bij de zaak belanghebbende lieden, de laatste instructiën

te ontvangen, mijn goed te pakken en daarbij uit mijns vaders boekerij

eenige werken te voegen, handelende over het strandrecht; welker lezing

mij eenigszins in staat zoude kunnen stellen om met meer kennis van

zaken de mij opgedragen taak te volvoeren en tevens eenig tijdverdrijf

aan boord zou bezorgen. Na afscheid genomen te hebben van mijn ouders,

die, ofschoon het noodzakelijke mijner reis inziende, echter (en vooral

mijn moeder) niet konden nalaten eenige bekommering deswege te gevoelen,

te meer na de slechte ondervinding, die ik kort te voren van een

zeetochtje had opgedaan, en de rampen, welke de Texelsche lijst

vermeldde, trok ik tegen zes uren naar den beurtman. Het was nog vroeg

toen ik aankwam, en er bevonden zich nog maar weinige passagiers aan

boord; doch wier getal van lieverlede aangroeide. Eindelijk ging de bel,

welke de leuteraars en achterblijvers waarschuwen moest, dat het vertrek

ophanden was; doch niet weinig stond ik verwonderd, toen ik, den steiger

langs kijkende naar de passagiers, die nu hijgende en blazende aan

kwamen geloopen, onder hen vriend Lucas Helding herkende, het lijf in

eene dichte overjas gewikkeld en met een mantelzak onder den arm.

"Welzoo!" riep ik, toen hij aan boord stapte: "gij hier, vriend Helding?

Gij waart wel de laatste man, dien ik tot reisgenoot verwachtte."

"Is het mogelijk!" riep hij van zijn kant uit: "Mijnheer Huyck! wel dat

is een aangename verrassing! ik kon niet hopen zulk een vereerend

gezelschap aan boord te vinden. En gaat UEd. ook naar Harlingen, als ik

vragen mag?"

"Dat zal wel waar, zijn," antwoordde ik lachende: "want ik geloof niet

dat de schipper ons ergens anders zal aan wal zetten: althans dat zou

een slecht teeken zijn;--maar in zooverre is uw vraag zoo onjuist niet,

ingeval gij het doel mijner reis beoogt, want die moet zich nog verder

uitstrekken dan Harlingen. Maar wat jaagt u naar Frieslands kust?"

"Och Mijnheer! een treurige reden; maar die ik zoo niet vertellen kan,"

en hier zag hij om zich heen, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij

zich in tegenwoordigheid van zoovelen niet vrij kon uitlaten. Later

echter, toen wij onder zeil waren en de meeste passagiers zich naar

beneden hadden begeven, deelde hij mij in 't vertrouwen de reden zijner

reis mede. Hij had namelijk van Heynsz, wiens, op last mijns vaders, in

't werk gestelde nasporingen eindelijk van uitwerking geweest waren, het

bericht bekomen, dat zijn dochter Klaartje, na lang her- en derwaarts te

hebben rondgezworven, eindelijk was te land gekomen te Harlingen en

aldaar als meid diende in een kroeg, welke juist niet in den besten reuk

stond en gewoonlijk door varensgezellen bezocht werd. Bij het ontvangen

dier mededeeling had Helding, zonder lang beraad, het besluit genomen

dadelijk op reis te gaan om het verdoolde schaap op te zoeken en zoo

mogelijk weer terug te brengen. Het was aandoenlijk op te merken, hoe

hij, aan de eene zijde, huiverde tegen de ontmoeting en zich schaamde

over haar, die zijn onberispelijken naam onteerd had, en, aan de andere

zijde, verlangde haar terug te zien en, kon het zijn weder tot zich te

nemen. "Och!" zeide hij: "ik weet het wel, Mijnheer Huyck; zij heeft

gezondigd: maar zij is toch mijn dochter, mijn eenig kind, en was

eenmaal het sprekende beeld van haar nu zalige moeder--en Goddank! dat

deze niet geleefd heeft, om haar schande te zien--ofschoon, indien de

brave vrouw was blijven leven, zij wellicht ons kind weerhouden had van

den slechten weg op te gaan; want daartegen kan een vader toch zoo niet

waken als een moeder doet;--och! het is misschien grootendeels ook mijne

schuld, omdat ik het kind niet genoeg heb gadegeslagen of te mal met

haar geweest ben:--ik had haar zoo lief: en als ik haar maar eens weer

bij mij heb en zij berouw toont, dan zal zich alles wel weer schikken en

wij zullen nog blijde dagen samen beleven."

Deze en dergelijke redenen had Helding overvloedig de gelegenheid mij te

herhalen, gedurende onzen overtocht, die ruim vier en twintig uren

duurde, daar wij den wind vlak tegen hadden en dus genoodzaakt waren

gedurig te laveeren: en, ofschoon zijn stof tot onderhoud dus noch

gevarieerd noch opbeurend was, hoorde ik hem echter liever over dit

onderwerp spreken, hetwelk ten minste van zijn goed hart getuigde, dan

dat ik gedwongen ware geweest, hem over poëzie te hooren redekavelen of,

wat erger was, naar het opzeggen zijner dichterlijke voortbrengselen te

moeten luisteren.

Het was ongeveer 's namiddags zeven uren toen wij Harlingen bereikten.

Reeds gedurende den overtocht had ik aan Helding den raad gegeven, om

zich dadelijk bij de Overheid te vervoegen en van deze assistentie te

verzoeken tot het doen zijner nasporing: daar ik met reden beducht was,

dat de lieden, bij wie zijn dochter inwoonde, zwarigheid zouden maken in

haar vertrek te bewilligen, en misschien voorgeven, dat zij nog schulden

had, of andere dergelijke voorwendselen oprapen, of ook haar verborgen

houden: en daar ik dien avond toch niets beters te doen had, bood ik aan

hem te vergezellen; een voorstel, 't welk hij dankbaar aannam,

overtuigd, dat mijn naam en tegenwoordigheid meer klem aan zijn verzoek

zouden bijzetten. Na alvorens met een visschersman, dien ik had doen

ontbieden, een akkoord getroffen te hebben om mij den volgenden morgen

met het krieken van den dag naar Terschelling over te brengen, verliet

ik met Helding de herberg, waarin wij onzen intrek genomen hadden, en

vergezelde hem bij den Schout, die zich dadelijk tot medewerking geneigd

betoonde en ons een dienaar medegaf, met last om ons behulpzaam te zijn

in onze nasporing en zoo men zwarigheid maakte, partijen voor hem te

brengen. Minder gunstig echter viel ons bezoek in het wijnhuis uit, waar

wij tot bescheid bekwamen, dat de persoon, die wij zochten, wel sedert

drie weken daar aan huis had verkeerd, doch sedert een paar dagen met

een varensgezel, die een oude bekende scheen, was afgetrokken. Deze

tijding sloeg, gelijk men denken kan, den armen Helding geheel ter

neder; want behalve de teleurstelling in zijn verwachting, was het voor

hem bij den bekrompen staat zijner geldmiddelen, geheel geen aangenaam

vooruitzicht, om, ter verdere nasporing zijner dochter, nieuwe uitgaven

te moeten maken, die wellicht even vruchteloos zouden besteed zijn als

die, waartoe hij reeds was verplicht geweest. Ik gaf echter den moed

niet zoo ras verloren, maar ging voort met de lieden in het wijnhuis te

ondervragen, en gaf hun zelfs te kennen, dat ik nog eenigszins de

echtheid hunner berichten bleef wantrouwen.

"Zoo jou me niet 'elooven wilt," zeide eindelijk de waard, terwijl hij

op een der lieden wees, die in zijn voorhuis onder hun gelag

bijeenzaten: "daar zit Janke Sikkes, die heeft hen zelf met zijn schuit

weg 'ebracht."

Ik zag om en herkende den visschersman, dien ik voor den overtocht had

besproken. Deze, hoorende wat het geval was, rees op en bevestigde de

verklaring van den waard, er bijvoegende, dat hij de jongelui naar

Terschelling had overgebracht.

"Indien dit zoo is, vriend Helding!" zeide ik: "dan behoeft gij den moed

nog niet te laten zakken: en daar het gelukkig toeval wil, dat ik juist

denzelfden weg op moet, dien onze vluchtelingen hebben genomen, zoo kunt

gij de reis kosteloos met mij maken; en tenzij de vluchtelingen het

zeegat uit zijn, kan het niet missen, of wij moeten het verloren schaap

terugvinden."

"Och!" zeide Helding, op een zwaarmoedigen toon: "ik vrees, het zal wel

weer vruchteloos zijn;... maar desniettemin zal ik met dankbaarheid van

UEds. vriendelijk aanbod gebruik maken;... want ik heb juist op zoo een

verre reis niet gerekend, en het zou mij licht aan geld ontbreken om

verder te gaan. Hoever licht dat land wel, daar zij is heengegaan?"

"O!" antwoordde ik, met moeite een glimlach onderdrukkende over de

geographische kennis, welke de man ten toon spreidde: "wij hebben wel

geen voordeeligen wind; maar toch, morgen met den namiddag zullen wij er

wel zijn."

Wij verlieten de kroeg en gingen na het nuttigen van een goed avondmaal

vroegtijdig ter ruste, ten einde den volgenden morgen op het afgesproken

uur bij de hand te zijn. Wij waren dan ook op den bestemden tijd aan

boord en hadden weldra aan de haven van Harlingen vaarwelgezegd. Janke

Sikkes was met het vaarwater bekend sedert zijn geboorte af; en,

aangevuurd door de hoop op een goede belooning, deed hij zijn uiterste

best om ons op de spoedigst mogelijke wijze naar ons bestemmingsoord te

voeren. Onderweg poogden wij nog eenige berichten bij hem in te winnen

omtrent den persoon, die Klaartje op reis vergezeld had; hij wist ons

weinig dienaangaande te vertellen; alleen zeide hij, dat de jonkman een

knap slag van een kerel was, die de zeemanskunst goed scheen te verstaan

en zelf eens mede een hand aan 't werk geslagen had; maar dat hij zich

over zijn naam of betrekking niet had willen uitlaten, en dat het

meisken ook weinig gesproken had, maar den geheelen overtocht zeer

bedroefd en _mankeliek_ was geweest.

Het was ongeveer middag, toen wij het eiland in het gezicht kregen. Het

was een dier schoone, warme dagen, welke men meermalen in de eerste

helft van September geniet; en hoewel de wind nog uit den Noorderhoek

woei, was hij echter eenige streken meer naar het Oosten geloopen, en

deden alle voorteekenen zich op, dat wij meer bestendig weer zouden

krijgen, dan wij tot dusver hadden gehad. Niet onbevallig deed zich

weldra het dorp West-Terschelling, met zijn hoogen Brandaris, aan ons

voor: en zijn roode, door de zon beschenen daken, tusschen het groen der

lindeboomen, staken vroolijk af tegen de witte duinen, die ten Noorden

aan het eiland ten bolwerk verstrekken; terwijl een menigte loods- en

visschersschuiten, die in de haven lagen, of af- en aangingen, het

tooneel verlevendigden. Ten Noordwesten liet zich, op eenigen afstand,

tusschen de ver vooruitstekende zandbanken, een half op zijde liggend

wrak zien, dat reeds van masten en tuigage ontdaan was, en hetwelk ik

aan den nieuwgeschilderden, naar ons toegekeerden spiegel, voor de

(ditmaal zoo _onfortuinige_) _Fortuin_ herkende.

Aan de haven gekomen zijnde, zagen wij, hoe reeds een groot gedeelte der

jeugdige bevolking, welke ons van verre had zien aankomen, ons van het

strand en van het havenhoofd stond te verbeiden met de nieuwsgierigheid,

welke de komst van vreemdelingen vooral op zeedorpen pleegt te

verwekken, en nu met de handen in den zak onze ontscheping aangaapte. Ik

zag echter onder den hoop ook enkele meer bejaarde inwoners, en het was

tot een dezer laatsten, dat ik mij wendde om te vernemen, of zij ook

wisten waar Kapitein Pulver te vinden was.

"Wijs deuzen Heeren den weg eens naar Geurt Reynszen," zeide de man

tegen den naastbijstaanden knaap: en deze, na ons nog even te hebben

aangekeken, sloeg zonder overhaasting den gullen zandweg in, die naar

het dorp bracht. Wij volgden onzen wegwijzer, geleid door de gansche

jonge bevolking, die zich om ons heen drong, als had zij in last bekomen

ons op te brengen. Enkelen draafden vooruit om bericht van onze komst te

brengen, en dit had ten gevolge, dat wij weldra Kapitein Pulver in

persoon ons te gemoet zagen komen.

"Wel patroon!" riep de man uit, toen hij mij gewaarwerd: "ben je daar

warempel zelf komen aanwaaien: dat is een leelijke _interval_ met ons

schip!--Het spijt mij danig van de ouwe _Fortuin_: en ze heeft 'er naam

slecht gedragen: 't Is jammer van de kostelijke verf, die er nog aan

gespendeerd is; maar, niemand kan 't helpen, zooals de man zei, toen hij

zijn vrouw van de trappen gegooid had. 't Is dan ook een boos weertje

geweest: een wind, dat geen vier heerenknechts een mand met bruidsuikers

tegen een sluis zouden opgetrokken hebben; en raakt men in dat gindsche

vaarwater maar eenmaal grond, dan is het: zie er van af, en wij mogen

nog onzen Lieven Heer wel danken, dat er niemand bij omgekomen is, als

twee geiten, die verzopen zijn. Ondertusschen, patroon! 't Is mij lief,

je wel te zien."

"En hoe staat het met het schip en de lading?" vroeg ik. "Is er veel

schade."

Ferdinand Huyck · 第 42 / 51 段