traden wij de achterdeur uit, den tuin door, waar zich niemand bevond,
en het boschpad op. Ik bemerkte, dat mijn tochtgenoot moeite had om
voort te wandelen, zoozeer was hij van zijn stuk, en bood hem
dienvolgens mijn arm aan, in mijzelven lachende om het zonderlinge spel
des noodlots, dat mij tot den geleider maakte van iemand, die aan mijn
vurigste wenschen den bodem had willen inslaan.
Gaarne had ik hem nadere uitlegging gevraagd van de woorden, die mij het
toeval had doen hooren; maar de zaak was van een te teederen aard, dan
dat ik die snaar dorst aanroeren, zonder daartoe een voegzame aanleiding
te hebben. Ik bemerkte, dat hij van zijn kant iets op het hart had, maar
niet wist, hoe het gesprek aan te vangen. Ettelijke reizen opende hij
den mond als om mij een vraag te doen: maar de woorden bleven hem in de
keel steken. Eindelijk scheen hij moed te vatten: en na een zwaren
zucht, bracht hij met een flauwe stem en nedergeslagen oogen het
navolgende uit:
"Ik kan niet van mijn verwondering terugkomen, dat ik den Heer Huyck,
den zoon van den Heer Hoofdofficier ... in betrekking zie met iemand,
die ... die...." hier scheen hij naar zijn woorden te zoeken.
"Onze verwondering is wederkeerig, Mijnheer!" zeide ik met een glimlach.
"O!" zeide hij, mij zijdelings aanziende, alsof hij op mijn gelaat wilde
uitvorschen of ik geloof hechtte aan zijne woorden: "met mij is het een
geheel ander geval. Ik heb ... hem vroeger gekend ... en zaken met hem
uitstaande gehad."
"Mijne kennis aan hem is niet van een oude dagteekening," zeide ik: "hij
kan echter gerust zijn wat mij betreft: ik zal hem niet verraden ... en
ook niet ongevraagd van uw bezoek spreken, indien UEd. dit eenige
gerustheid kan verschaffen."
"Neen! dat is ook beter," zeide hij, blijkbaar opgeruimd door mijne
betuiging: "ik heb deze _démarche_ om bestwil moeten doen.--Ik blijf
UEd. intusschen zeer verplicht:--het doet mij recht leed, dat ik mij in
de noodzakelijkheid gezien heb ... het vereerend aanzoek van Mijnheer
... af te slaan ... maar ... het geluk mijner nicht ... UEd.
gevoelt...."
"UEd. zal niet vergen," onderbrak ik hem, "dat ik juist de man zal zijn,
die gevoelen moet, dat uw nicht met een ander gelukkiger zal zijn dan
met mij."
"Geenszins," hervatte hij: "ik bedoelde maar ... ziet UEd ... ik kan mij
vooralsnog moeielijk over dit onderwerp uitlaten.--Over een paar jaren,
als zij mondig zijn zal, en dan nog vrij is, zal ik zeer gaarne uw
voorspraak bij haar zijn; maar vooralsnog...."
"Ik wil u niet verbergen," zeide ik, "dat ik zooeven in het opkamertje
hoorende spreken, een oogenblik aan de deur heb geluisterd en UEd. bij
die gelegenheid heb hooren zinspelen op een huwelijk tusschen uw zoon en
uw nicht."
"Gij hebt ons beluisterd!" zeide hij, sidderende en bleek van toorn
zoowel als van angst: "dat was zeer verkeerd van u, Mijnheer! ofschoon,"
voegde hij er bij, waarschijnlijk bedenkende dat ik meer kon gehoord
hebben dan hem lief was, en dat hij mij dus te vriend moest houden: "ik
kan het u niet kwalijk nemen; want UEd. hadt recht een weinig verwonderd
te zijn van ons daar te vinden. Nu ja! 't Is waar! Ik wilde u zulks
zooeven niet zeggen, om u niet te bedroeven. Dat huwelijk is altijd mijn
vurigste wensch geweest: en het zal, vleie ik mij, weldra voortgaan."
"Onmogelijk!" riep ik uit, geheel ternedergeslagen door deze
mededeeling.
"'t Is stellig waar: de jonge lieden beminnen elkander: en ik verlang
niets zoozeer als hun beider geluk. Geloof mij, mijn waarde Heer Huyck!
stel die neiging uit uw hoofd. Er zijn genoeg schoone meisjes in onze
Nederlanden, en die beter door de fortuin bedeeld zijn dan mijn
nicht.--Maar ik bid u, doe geen verdere moeite: ik zal nu zelf mijn weg
wel vinden."
Wij waren op dit oogenblik het hakhout uit en aan een binnenweg gekomen,
waar ik op eenigen afstand het rijtuig van den Heer Blaek zag staan: en,
zelf oordeelende dat hij mijn geleide niet verder noodig had, keerde ik,
na wederzijdsche groete, langs den weg terug dien ik gekomen was.
"Gij ziet," zeide Van Lintz, toen ik bij hem in het opkamertje was
teruggekeerd, "dat ik, bij gebrek aan een betere, mijn oude schuilplaats
weder heb moeten opzoeken."
"Ik zie het," antwoordde ik, het hoofd schuddende: "maar ik vrees, dat
zij niet lang meer veilig zijn zal. Gij behoeft het hoofd aan de andere
zijde slechts buiten te steken, om u te overtuigen dat het hier geen
eenzame plaats meer is: en morgen komen hier nog meer gasten."
"Ik zal hunne komst niet afwachten," zeide Van Lintz.
"En hoopt gij waarlijk ongemerkt te ontkomen?" vroeg ik: "Heynsz heeft
ongetwijfeld uw gangen laten nagaan: en zoo hij u niet eerder heeft doen
vasthouden, is het, omdat hem nog onbekend was, dat de Heer Van Beveren
en de Graaf Van Talavera één persoon waren; maar thans weet hij dit: en
ik twijfel er niet aan, of hij zal zijn onbedachtzaamheid hersteld
hebben en geene middelen verwaarloozen om u niet weder te laten
ontsnappen."
"Ik weet het," hernam hij somber: "ik speel een schaakpartij met tien
kansen tegen ééne, dat ik mat gezet worde; en toch, zoolang mijn Koning
nog één vak open vindt, zal ik het spel niet gewonnen geven. Zoo echter
mijn vervolgers niet voor morgen hier zijn, loopen zij groote kans van
het nest ledig te vinden:--en dan tart ik hunne nasporingen."
"Gij verlaat dus dit land?"
"Voor altijd, zoo ik hoop. Ik heb er waarlijk geen genoegzame
verplichtingen aan om het te betreuren."
"En uw dochter?"
"Zij zal ... mij volgen, hoop ik," antwoordde hij zuchtende.
"Weet gij, waar zij zich tegenwoordig ophoudt?"
"Ik weet dit; en, wanneer gij het eenmaal oorbaar vinden zult, dank dan
uw waardige tante uit mijnen naam voor hetgeen zij aan een ongelukkige,
verlatene wees heeft gedaan.--Wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik ben u
ook grooten dank verschuldigd, want ik weet het, mijn verblijf, en dat
mijner dochter vooral is u de bron geweest van vele onaangenaamheden. Ik
wenschte ook eenmaal iets voor u te kunnen doen."
Ik zweeg eenige oogenblikken. Ik had hem willen vragen, welk groot
belang hij toch stelde in het huwelijk van Henriëtte met haar neef,
welke laatste hem toch geene redenen had gegeven om zijne partij te
nemen; maar een gevoel van bescheidenheid weerhield mij. Ik begreep dat
er onder dit alles een geheimenis school, waar Henriëtte in gemoeid was,
maar tevens dat ik daarmede niets te maken had. Terwijl ik aldus stond
te peinzen, hielp Van Lintz zelf mij op den weg:
"Gij hebt ongetwijfeld zooeven het een en ander van ons gesprek
gehoord?"
"Dat heb ik," antwoordde ik: "ik beken het tot mijn schande; maar ik was
zoo verbaasd van u te zien; dat...."
"Gij behoeft u niet te verschoonen: vromer lieden dan gij zijt zouden de
verzoeking niet weerstaan hebben. En wat hebt gij vernomen?"
"Niet veel," antwoordde ik: "het was mij omtrent, of gij Chaldeeuwsch
spraakt, zoo geheimzinnig waren uw woorden."
"Niet veel, maar toch wat, nietwaar?"
Ik was op het punt van hem mijn verwondering te kennen te geven over
hetgene Blaek hem verteld had nopens de wederzijdsche liefde van
Lodewijk en Henriëtte: maar eene bedenking wederhield mij. Zooveel had
ik uit het gesprek opgemaakt, dat daarvan het stilzwijgen scheen te
zullen afhangen van Van Lintz omtrent iets, hetwelk Blaek bedreven had
en dat het licht niet zien mocht: en met dat stilzwijgen moest weder de
hulp gekocht worden, die Blaek hem bewees. Ik achtte dus mij zelven
ongeroepen, mijne meening omtrent die voorgewende _inclinatie_ der
jongelieden te uiten en daardoor de bedoelingen van Blaek bij Van Lintz
verdacht te maken, en misschien aanleiding te geven tot een twist, die
voor beiden noodlottig zijn konde. Dit stilzwijgen van mijne zijde,
hoewel het uit een edelmoedige oorzaak voortsproot (want ik behoefde
noch Blaek noch zijn zoon te ontzien), was echter in het vervolg de
middellijke oorzaak van het verlies van twee menschenlevens.
"Ik herhaal u," zeide ik, "dat ik niets van ulieder gesprek heb
begrepen. Alleen heeft het mij verwonderd, den anders vrij hooghartigen
Heer Blaek zoo beangst te zien."
"Nietwaar?" vroeg Van Lintz: "Ja voorwaar! het moet al een vreemd
schouwspel zijn geweest voor een derde, den rijken Heer van Guldenhof,
den trotschen Amsterdamschen koopman, wiens woord meer gewicht heeft dan
de manifesten van een half dozijn Duitsche Mogendheden, te zien blozen
en sidderen voor den blik van een armen zwerver, die reeds in zes of
zeven Staten ter dood veroordeeld is, wien de speurhonden der Justitie
nazitten, of hij een huisbreker ware, en die nauwelijks een plek kan
vinden, waar hij het hoofd ter ruste kan leggen. Maar hij weet het, de
rijke man, dat ik slechts één woord heb te spreken om hem ellendiger te
maken dan de arme zwerver ooit worden kan.--Genoeg hiervan: het is niet
mijne hand, die zonder noodzaak het gordijn zal opentrekken wanneer
alles tot nog toe samengeloopen heeft om het dichtgeschoven te houden.
Daarom, mijn jonge vriend! vergeet wat gij gezien--en ook wat gij mocht
gehoord hebben."
"Ik wilde, dat ik alles kon vergeten, wat mij in de laatste weken
gebeurd is," zeide ik zuchtende: "maar het wordt laat: ik moet
vertrekken, mijne tegenwoordigheid alhier zoude tot vermoedens kunnen
aanleiding geven:... vertoon u toch niet buiten--en hou zelfs, zoo ik u
raad schuldig ben, u ver van het raam: er kon zoo licht een oog van uit
dien tuin naar binnen dringen.--Wat zeide ik u?"
Beiden hadden wij gelijktijdig in den tuin gekeken: en beiden hadden wij
de gluipende oogjes van Simon den marskramer op ons gevestigd gezien van
achter de heining, waar hij tegen leunde. Wij traden terug en zagen
elkanderen aan. Toen ik nogmaals aan 't raam kwam, was hij verdwenen.
"Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen," zeide ik: "morgen, wellicht
dezen avond nog is het huis omringd."
"Ik heb hem herkend," zeide Van Lintz: "het is dezelfde Jood, die mij
vroeger te Utrecht achtervolgd heeft en wien ik toen verschalkt heb.
Welnu! waarom zoude het wij thans niet weer gelukken?--Dan ik ben wars
van nieuwe listen in 't werk te stellen. Ware het niet om mijn dochter,
ik had mij reeds overgeleverd aan hen, die mij zoeken."
"Ik kan u," zeide ik, "bij ons afscheid dan niets beters toewenschen,
dan dat ik u morgen hier niet meer vinden moge."
"Het zal zijn, gelijk het noodlot over mij beschikt heeft," antwoordde
hij, de schouders ophalende, en mij hartelijk de hand schuddende, knikte
hij mij een vriendelijk vaarwel toe, zonder er een woord meer bij te
voegen. Waarschijnlijk begreep of voorzag hij, dat wij ook thans niet
voor het laatst zouden afscheid nemen. Ik beantwoordde zijn handdruk,
en, de woning daarop verlatende, zette ik mij weder te paard en draafde
met dubbelen spoed naar Heizicht terug.
* * * * *
TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN OVERTUIGEND BEWEZEN WORDT, DAT DE BEHENDIGSTE VOGELAAR OOK WEL
EENS VOGELS LAAT ONTSNAPPEN.
De gasten, die Tante Van Bempden verwachtte, waren den volgenden morgen
op hun tijd aanwezig: het waren, behalve mijn ouders met al hun kroost,
Tante Letje en een half dozijn neven en nichten uit de stad, waarvan het
onnoodig zou zijn hier de afbeeldingen te geven, daar zij op alle
mogelijke neven en nichten geleken. De Heer Blaek (wiens nicht mede
genoodigd was, maar zich wegens onpasselijkheid had laten verschoonen),
Lodewijk Blaek, Van Baalen en eenige andere bijzondere vrienden van
Tante, zoo uit de stad als uit de nabuurschap, zouden onmiddellijk aan
de hoeve komen, zonder alvorens Heizicht aan te doen. Na de gewone
plichtplegingen en gelukwenschingen, welke de lezer zich best zal kunnen
voorstellen, kwamen de noodige rijtuigen voor. Aan elk werd volgens de
vooraf gemaakte regeling onzer gastvrouw, zijn plaats aangewezen, en zoo
begaven wij ons te gader naar de hoeve, waar wij, onder begunstiging van
een uitmuntend weer, ongeveer tegen twaalf uren met vrij hongerige magen
aankwamen. De Heer Blaek was bereids verschenen en wandelde in een
blijkbaar vrij onrustige gemoedsbeweging onder de eikeboomen op en
neder. Mijn vader bejegende hem zeer beleefdelijk; waarschijnlijk wilde
hij de koelheid goedmaken mijner moeder, die hem nog de slechte
ontvangst van mijn aanzoek niet wel vergeven kon. Terwijl men aan de
plichtplegingen bezig was, kon ik niet nalaten den blik nu en dan op de
woning te slaan, alsof ik op de muren lezen kon, of het den vervolgden
zwerver reeds gelukt ware te ontsnappen. Het was echter niet wel
doenlijk daaruit iets op te maken en het gelukte mij evenmin, uit de
gelaatstrekken van de oude Martha, die ik met twee meehelpsters door de
keuken op en neder zag trekken, iets anders te lezen, als dat zij het
zeer druk had met het bakken der beloofde koeken en het aanbrengen van
hetgeen verder noodig was voor het ontbijt.
"Ik heb u het leedwezen mijner nicht te betuigen, dat zij door een
lichte ongesteldheid verhinderd wordt, hier te verschijnen," zeide de
Heer Blaek tegen Tante Van Bempden, terwijl mijn ouders zich met eenige
nieuw aangekomene gasten onderhielden.
"Ik hoop dat die geene gevolgen zal hebben," antwoordde Tante, die zeer
wel begreep, hoe het met die voorgewende ongesteldheid gelegen was:
"maar mijn waarde Heer Blaek! ik hoor daar van; mijn koetsier, dat UEd.
uw rijtuig teruggezonden hebt. Het had immers hier zeer goed kunnen
blijven. Ik heb met opzet mijn neef gisteren nog hierheen gezonden, om
te zorgen dat er plaats gemaakt werd voor al de paarden, die er te
wachten waren."
"Ik wilde niet onbescheiden zijn," zeide Blaek, op halfluiden toon, als
vreesde hij, dat deze op zichzelf weinig beteekenende woorden zouden
verstaan worden: "ik heb het rijtuig naar ... Huizen gezonden: het is
daar ook zeer goed...." en tevens wierp hij mij een smeekenden blik toe,
die mij bevroeden deed, dat er meer achter deze schijnbaar nietige
omstandigheden zat en dat hij mijne hulp wenschte om hem uit de
verlegenheid to redden.
"Wel Tante!" zeide ik: "hoe staat het er mede? Ik geloof, wanneer ik de
aangezichten van uw jongere gasten aanzie, dat zij zeer verlangende
zijn, om zich te overtuigen of de smaak uwer Gooische koeken beantwoordt
aan den aangenamen reuk, die uit gindsche keuken tot ons overwaait."
"Ja! ik wensch niets liever dan te beginnen," zeide Tante: "maar al de
gasten zijn nog niet aangekomen. Ik mis den jongen Blaek nog en den
vriend Van Baalen."
"O! wat mijn zoon betreft," zeide Blaek: "ik bid, dat UEd. om hem geen
complimenten maakt. 't Is zijn eigen schuld, indien hij niet op zijn
tijd past; en al komt hij wat later, er zal nog wel altijd iets voor hem
overschieten."
"Nu ja!--maar Van Baalen!" zeide Tante: "UEd. weet, dat indien wij
begonnen eer hij er was, hij zich den ongelukkigsten man van de wereld
zoude vinden."
"O!" zeide Suzanna, naderende: "dat zal hij in allen gevalle, 't zij gij
op hem wacht of niet."
"Het zou mij slecht staan het hem kwalijk te nemen, zoo hij wat later
kwam," zeide ik: "want er kunnen zoo licht kantoorzaken opgekomen zijn,
die hem beletten, zoo vroeg te vertrekken als hij had voorgenomen, en ik
heb hem vandaag alleen aan 't werk laten zitten."
"In dat geval," zeide Tante, "ware het misschien best, hem maar te
wachten, als de koetjes in de wei, etende en drinkende:--te meer, daar
ik den Heer Lodewijk ook zie aankomen."
Lodewijk reed inderdaad op dit oogenblik de werf op en trad ons weldra
met zijn gewone onbeschroomdheid nader. Hij bloosde niet, toen hij mijn
vader groette, maakte slechts een flauwe verontschuldiging bij Tante,
dat hij zoo laat kwam, sprak terloops een paar woorden met Suzanna, en
zeide mij vrij koeltjes goeden dag. Ik beken, dat mijn wedergroet ook
allesbehalve beleefd was; doch ik kon niet veinzen tegen iemand, die mij
zooveel verdriet berokkend had en wiens tegenwoordigheid mij al de
genoegens van het feest vergalde.
Daar de tijd van vertrek bepaald was en men niet om éénen genoodigde al
de overige kon laten wachten, liet Tante nu de koeken en het verdere
gedeelte van het ontbijt op tafel brengen. Wij namen onze zitplaatsen
onder het zeil en begonnen met graagte de smakelijke voortbrengselen van
Gooiland te betwisten aan de vliegen, die, door de strooplucht verlokt,
als echte tafelschuimers haar aandeel in ons maal kwamen opeischen. En
het waren niet alleen de vliegen; maar weldra kwamen ook de meer
gevaarlijke wespen, als de Harpijen vanouds, schrik en angst onder de
aanwezigen verspreiden: vooral hadden zij het op een mijner nichten
voorzien, die, van natuur van alle insecten afkeerig, elk oogenblik,
wanneer slechts eene dier onwelkome gasten haar bord of wijnglas
genaakte, gillende opsprong en zich vergeefs met haar servet van de
vervolging dier lastige wezens zocht te ontslaan. Suzanna zocht haar te
troosten, en beweerde, dat Tante die lieve diertjes alleen besteld had
om aan te toonen, dat de buitenvermakelijkheden ook haar schaduwzijde
hadden, en om aan de zoodanigen, die door de omstandigheden genoodzaakt
waren in de stad te leven, tevredenheid met hun lot in te boezemen. Op
deze kleine onaangenaamheden na, ging het maal vroolijk zijn gang en was
het gesprek vrij levendig geworden, toen een der bedienden mijn vader
naderde en hem zachtjes iets in het oor fluisterde, bij het vernemen
waarvan deze eenigszins donker keek, gelijk men doorgaans doet, wanneer
men uit een aangenaam gezelschap wordt opgeroepen tot de lastige
beslommeringen, die ambtsbetrekkingen met zich brengen.
"Is er eenige zwarigheid?" vroeg Tante Van Bempden, terwijl mijn moeder
angstig mijn vader aanzag, die oprees om zich te verwijderen.
"Ik ben dadelijk terug," antwoordde hij: "ik bid u, laat niemand zich
over mij bekommeren."--En hij ging naar den kant van de schuur.
Ik oogde hem bekommerd na; want een geheim voorgevoel, of liever de
opsomming van het vroeger voorgevallene, zeide mij, dat het opontbod
mijns vaders in verband stond met het opsporen van Van Lintz. En ik werd
niet weinig in mijn vermoedens versterkt toen dezelfde bediende mij een
oogenblik later kwam zeggen, dat mijn vader mij liet roepen.
"Wel zoo! vertrekt gij ook al?" vroeg Tante Van Bempden.
"_Le combat finira faute de combattans_,"
voegde Suzanna er bij: "de Heeren willen ons zeker een verrassing
bezorgen."
"'t Zou mij niet verwonderen," zeide ik, "indien er werkelijk een
verrassing plaats had." En ik wierp in 't heengaan een blik op den Heer
Blaek, die, met een gelaat zoo bleek als een doek, onbeweeglijk op zijn
plaats zat en de eene teug water voor, de andere na opdronk.
Ik vond mijn vader in de schuur, en bij hem een ander Heer, die mij
naderhand bleek Onderschout van Naarden te zijn: tegen over hen stond
Heynsz, die aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi scheen.
"Mijnheer!" zeide mijn vader, zoodra hij mij zag, op een gestrengen
toon: "kunt gij mij ook zeggen, waar zich de persoon bevindt, met wien
gij gisteren in de boerenwoning een geheim onderhoud hebt gehad?"
"Neen, vader!" antwoordde ik: "ik heb den man, dien UEd. waarschijnlijk
bedoelt, bij toeval hier ontmoet, daar ik een boodschap voor Tante
verrichtte, en weet niet waar hij gebleven is."
"Ik zeg Uw Ed.-Gestr., dat hij nog moet zijn hier," zeide Heynsz: "al
mijn maats, die hier in den omtrek de wacht hebben gehouden,
declareeren, dat zij hem niet hebben zien uitgaan: en de dienaars van
Gooiland declareeren het ook ... had ik maar kunnen vermoeden, wie die
Heer Van Beveren was!... maar wie kon ook veronderstellen, zoo iets?--Te
denken, dat de man, dien wij zochten, heeft gewoond veertien dagen lang
te mijnen huize! 't Is om te worden ijlhoofdig!--Maar hij moet gevonden
worden!"--En de goede man liep stampvoetende heen en weder, beurtelings
gekweld door de gedachte, dat men hem zoo had beetgenomen, en bemoedigd
door de hoop van den zwerver in zijn macht te krijgen.
"Juist! indien hij niet van hier is, moet hij zich hier nog bevinden,"
zeide de Naarder Onderschout, deze alleszins logische redeneering met
een veelbeteekenend hoofdknikken verzeld doende gaan: "wat dunkt u er
van, Heer Hoofdschout?"
"Ik ben het volkomen met u eens," antwoordde mijn vader: "en wij zullen,
geloof ik, best doen, het huis en de aanhoorigheden nog eens te
onderzoeken, terwijl de dienaars al de uitgangen blijven bewaken."
"_Hunc procul obscura latitantem parte videbis_. Wat u betreft," zeide
hij, mij aanziende: "gij zult ons vergezellen. Wij kunnen beginnen met
deze schuur."
De schuur werd van alle kanten doorsnuffeld: er was aldaar weinig
gelegenheid om iemand te verbergen. De ronde hield ons dus niet lang
bezig.--Van daar gingen wij de woning binnen. Martha, die voor het vuur
tusschen haar medehelpsters zat neergehurkt, liet van ontsteltenis den
inhoud van haar koekenpan over de plaat druipen, toen zij den
Onderschout met een barsche stem hoorde roepen: "waar heb je dien vent
verstopt, die hier dezer dagen gehuisd heeft?"
"Ik Meneer!" antwoordde zij, bevende: "ach God! ik ben een arme
weduwvrouw en leef hier eenzaam en alleenig, sinds men zeun mij verlaten
heit: zou ik hier iemand in huis 'ehad hebben?"
"Wij zullen deze trap op moeten," zeide, zonder zich aan haar taal te
bekreunen, mijn vader, die mij al dien tijd in 't oog gehouden had en
bespeurd, dat ik bij 't binnenkomen een blik naar dien hoek had
geslagen.--Wij liepen allen naar boven; maar het opkamertje was ledig.
"Doorzoekt de bedsteden!" zeide mijn vader.
Heynsz ontsloot de deuren; maar daar achter was niemand te einden. Het
beddegoed was opgerold en de kussens in 't midden er boven op gelegd,
gelijk gewoonlijk geschiedt, wanneer men van de slaapplaats geen gebruik
maakt. Met dit oppervlakkig onderzoek echter niet voldaan, haalde Heynsz
den ganschen toestel over den vloer.
"'t Is een mooie boel, dien je maakt," zeide Martha, die ons gevolgd
was: "als je 't maar allemaal weer in orde brengt. Ik heb vandaag
warentig al drukten genoeg."
"Deze lakens hebben gediend," zeide Heynsz, met een zegevierenden blik,
terwijl hij aan de beide hoofdbeambten de kreukels deed opmerken.
"Nou jae," zeide Martha: "wat zou dat? Die lakens zijn ook 'ebruikt
'eweest; niet lang 'eleden, met kermis, heit men zuster in 't iene bed
'eslapen en men zusters zeun in het aere. Maar vertel het toch niet an
Mevrouw; ze mocht het temet kwalijk nemen."
Ondertusschen had Heynsz, al snuffelende onder de dekens, een
geëmailleerden gesp opgeraapt, gelijk die bij een stropdas gebruikt
worden.
"En deze gesp," vroeg hij: "behoort die ook al aan uw zuster?"
"Neen, an men zuster niet, maar an der zeun," antwoordde Martha, die
niet licht van haar stuk te brengen was: "die heittie op de Uitersche
kermis 'ekocht. Wat zel ie blij wezen as ie hem weerom heit."--En zij
stak de hand uit om dien terug te nemen.
"Hei! hei wat! dat gaat zoo niet," zeide Heynsz, terwijl hij den gesp
nader beschouwde: "dat is geen versiersel voor een boerenknaap. Wat zegt
Uw Ed.-Gestr. er van?"
"Het is als gij zegt," zeide mijn vader: "de boerenknapen zijn meer op
plomper fatsoen gesteld.--Intusschen, hier is de man niet, dien wij
zoeken. Zijn hier geen andere vertrekken in huis?"
Wij begaven ons verder. Alle kamers, zolders, kelders en hokken, zelfs
de hooibergen en houtstapels werden doorzocht; maar alles vruchteloos:
en wij bevonden ons weder op het plein, met de overtuiging, dat het
voorwerp der nasporing ontsnapt was.
"Ik dacht, dat uw dienaars beter wacht zouden gehouden hebben," zeide
mijn vader tegen zijn ambtgenoot.
"Sapperloot!" zeide deze: "Mijnheer Huyck! zij hebben het werk gedeeld
met uw eigen volk: en wie zijn plicht heeft verzuimd is moeilijk uit te
maken. En was die Jood, die hem gisteren hier zag, het mij maar terstond
komen zeggen, in de plaats van naar Amsterdam te gaan om het den Heer
Heynsz te vertellen, dan had ik hem gisteravond reeds laten pakken. Maar
dat helpt nu niet.--Jij, vrouwtje! hoor eens. Biecht nu eens oprecht,
anders zul je kennis met de boeien maken. Waar is de vent gebleven?"
"Och, mijn goeie Heer! Wat zal ik zeggen? Ik ben een arme weduwvrouw en
weet niets van 't geval af."
"Je kunt toch niet ontkennen, dat die Heer Van Lintz, of zooals hij
heeten mag, bij u gehuisvest heeft."
"Wat zou het mij baten," hernam zij: "al wou ik het ontkennen? Uw
Ed.-Gestr. gelooft mij toch niet. Maar al zei ik nou: ze binnen naar
Amsterdam: dan zou Uw Ed.-Gestr. ommers toch denken dat ik je foppen
wou."