"Dan heeft zij plan om haar te bekeeren," zeide Suzanna: "anders vat ik

het niet.--Foei! dat gij zoo slecht zijt geworden! Het spijt mij, dat ik

mij om uwentwille heb boos gemaakt op Henriëtte, die toch wel degelijk

gelijk had, dat zij u schuins aanzag."

"Maar wat heeft zij u dan gezegd?"

"Ik weet haast niet, waarom ik mij de moeite geve van het u over te

vertellen; want zij heeft mij niets gezegd dan hetgeen gij zeker zoogoed

weet als iemand. Ja! ik heb moeite genoeg gehad, om haar de woorden uit

de keel te halen: en toen zij eens sprak, had ik haar wel willen doen

zwijgen. Wel! zij heeft mij verteld, hoe gij bezoeken aflegt bij een

jonge juffer, die bij Heynsz woont, en die gij van uw reis hebt

medegebracht.--(Zij zou het zelve nooit geloofd hebben, indien zij u

niet te Muiden gearmd met die Juffer had zien loopen:) en hoe gij haar

daaromtrent met mooie praatjes gepaaid had:--en hoe Lodewijk van de

trappen gesmeten was en gij zijn knecht belet hadt hem bij te staan--en

nog heel veel, te lang om te vertellen: zoodat ik met een mond vol

tanden ben blijven zitten en de koets heb verlaten, zonder een woord ter

uwer verdediging te hebben kunnen uitbrengen."

"Het is gelijk ik dacht," zeide ik: "nu! de tijd zal mij wel

rechtvaardigen, al ben ik daar thans niet toe in staat."

"Ja! maar intusschen gaat Lodewijk met haar strijken en dan helpt u uwe

rechtvaardiging wat!"

"Dat is ook waar!" zeide ik, nadenkend: "en het is gek genoeg!--Want wat

baat het, of ik haar slechts een gedeeltelijke opheldering geef, en of

ik haar al vertelle, dat die Juffer, waarover zij zich bekommert, haar

eigen nicht is, en zoo weinig een ergerlijk gedrag leidt, dat mijn

godvreezende Tante zelve haar, met voorkennis mijns vaders, huisvesting

verleent?"

"Wat vertel je daar?" vroeg Suzanna, ten toppunt van verbazing.

"De loutere waarheid."

"Nu! dat gaat mijn begrip te boven: heb je nu niet alleen Tante, maar

ook Papa zelf een rad voor de oogen weten te draaien?"

"Waarlijk niet," antwoordde ik: en ik gaf haar een kort verslag van de

zaak, zooals die zich had toegedragen, alleen voor haar, gelijk voor

mijn vader, de aanleiding mijner kennismaking met den Heer Van Lintz

verbergende, daar ik die niet kon openbaren zonder te spreken van zijn

verblijf in de boerderij, die ik van gedachte was, dat hem wellicht

nogmaals tot toevlucht verstrekken kon.

"'t Is een raar avontuur," hervatte zij: "'t lijkt wel een roman. Maar

met dat al weet ik niet, of Henriëtte er wel volkomen door tevreden

gesteld zoude worden. Al is die Juffer haar nicht en de dochter van een

Graaf, daarom kon zij wel uw liefste zijn: 't is misschien een reden te

meer om haar jaloezie op te wekken. Ferdinand--man! ik kan u maar

slechten troost geven.--Ik wilde gaarne het zesdubbele parelsnoer, dat

ik van Grootje geërfd heb, tegen een streng breikatoen verruilen, dat

gij u niet in die malle historie gemengd hadt, die ons niets dan

verdriet veroorzaakt heeft. Papa heeft er al een week zoo zwart van

gekeken als de Reus in 't Doolhof: Mama is er ziek van: mijn geheel

humeur is er door bedorven: want wie heeft het hart om te schertsen met

zielsbedroefde lieden: gijzelf hebt een gezicht van een el lang en

Henriëtte zal misschien uit _desperatie_ met haar neef trouwen en haar

leven lang ongelukkig zijn.--Ik wenschte dat die Heer Van Lintz of van

Talavera, zooals hij heeten mag, op den heeten rooster zat."

"Dat juist niet," zeide ik: "ik ware dubbel tevreden, zoo hij maar

Staatsminister in Spanje gebleven ware, zoodat ik nooit van den man

gehoord had als uit de couranten. Gij hebt gelijk intusschen; maar het

is niet genoeg te weten, hoe mal het er voor mij uitziet, wij dienen ook

op een middel te peinzen, om de kwade gedachten weg te nemen, die men

van mij heeft. Met Vader en Moeder zal dit wel schikken: gij hebt kunnen

zien dat zij mij over tafel weder vriendelijk behandelden, als

vanouds;--maar hoe of ik Henriëtte van mijn onschuld overtuig, weet ik

waarachtig niet. Ik ben bij haar belasterd: en de laster is als de

houtskool; verbrandt hij niet, hij maakt toch zwart.--Alleen spreken kan

ik haar niet en zoo ik haar schrijf, ben ik niet zeker, dat mijn brief

in hare handen komt:--en al kon ik haar spreken of schrijven, hoe zal ik

mijn gedrag kunnen rechtvaardigen, zoolang ik haar de drijfveeren mijner

handelingen niet geheel kan blootleggen?--'t Is voorwaar om ...

tureluursch te worden: Ik weet niet waarom ik, die alles behalve

_singulier_ of _excentriek_ verlang te schijnen, en nooit eenigen smaak

in romans heb gehad, tot mijn beproeving in zulk een maalstroom van

avonturen moet geslingerd worden, die zoo romanesk zijn en zoo verward

door elkander woelen, dat ik er mij op 't laatst niet meer weet uit te

helpen, en somtijds denk, dat alles maar een benauwde droom is, waaruit

ik t' avond of morgen ontwaken zal."

"Ja! dat is alles heel onaangenaam," zeide Suzanna: "maar het baat niets

of gij daar over redeneert en gij verspilt alzoo den kostelijken tijd

althans tegen mij, die toch niet kan beoordeelen of het al dan niet uw

schuld is, dat gij er zoo in zit.--Wat nu Henriëtte betreft, ik zou haar

wel kunnen schrijven;--maar gij dient mij voor te zeggen, wat.--Of nog

beter, schrijf gij haar:--dan zal ik het adres op den brief zetten;

anders loopt gij nog gevaar, dat hij u ongeopend terug wordt gezonden."

"Ja! zeide ik: "gij hebt gelijk: schrijven moet ik: en waarom zoude ik

er tegen opzien? Ik heb mij niets te verwijten en behoef slechts tijd te

vragen om mij te verantwoorden. Men weigert dit aan een misdadiger voor

de rechtbank niet: en waarom zou mij dit verzoek worden afgeslagen?--Ik

weet wat ik te schrijven heb."

"Zoudt gij niet eerst een kladje maken," vroeg Suzanna: "eer gij Mama's

beste papier gebruikt?" (zij zag, dat ik een voor mij staande

portefeuille opnam) "en wil ik ook heen gaan?"

"Neen Santje! blijf maar;--wanneer men een minnebrief te schrijven

heeft, dan zal men dralen en peinzen en kladjes maken en vreezen nog,

dat stijl en uitdrukking ongenoegzaam zullen zijn om de liefde te

schetsen, die men gevoelt, en het hart der beminde te vermurwen; maar

wanneer het er op aankomt, zijn naam als eerlijk man te handhaven, dan

behoeft men slechts ronde, onbewimpelde waarheid: dan heeft men geen

fraaie keus van woorden, geen sieraden noodig. Geef mij dat papier; ik

zal u laten lezen, wat ik geschreven heb."

Ik plaatste mij aan de tafel en schreef den navolgenden brief, waar ik

geen woord van veranderde:

"Mejuffrouw! uwe meening was gegrond, en uw oom heeft mijn aanzoek om

uwe hand afgeslagen. Het voegt mij niet de redenen zijner handelwijs te

onderzoeken; maar zoo deze mij getroffen heeft, nog sterker trof mij

hedenmorgen uwe koele houding te mijwaarts, welke ik, vergeef mij mijn

openhartigheid, verre was van te verwachten, omdat ik weet, die niet te

verdienen. Toen ik op Heizicht afscheid van u nam, streelde ik mij met

de gedachte, dat UEd. mijn oprechte liefde niet hadt versmaad; deze

gedachte maakte mijn hoogste geluk uit en deed mij ook het antwoord van

den Heer Blaek met meer gelatenheid dragen; daar ik mij troostte met het

denkbeeld, dat de tijd en mijn standvastige trouw eenmaal over zijne

weigering zouden zegevieren, wanneer UEd. bij dezelfde gevoelens bleeft,

welke UEd. omtrent mij koesterdet. Thans echter vind ik u geheel te

mijnen opzichte veranderd: en wel, gelijk ik van mijn zuster verneem,

ten gevolge van omtrent mij loopende geruchten, welke UEd. voor waarheid

aanneemt. Uw oom zou het mij ten kwade duiden, indien ik tegen zijn wil

u over mijn liefde onderhield; doch hij kan nimmer wraken, dat ik de pen

opneme ter verdediging van mijn goeden naam. Ik mag vooralsnog, daar het

mij niet vrijstaat, geheimen van derden te openbaren, u de aanleiding

niet ontvouwen mijner kennismaking met zekere Juffer, met welke UEd. mij

eens te Muiden gezien hebt: ik kan u alleen herhalen, dat mijn

betrekking met haar geheel onschuldig is, en dat ik voor haar geen ander

gevoel heb, dan achting voor haar zielshoedanigheden en medelijden met

haar ongeluk. Die Juffer is thans, met voorkennis mijns vaders, bij mijn

Tante Huyck gehuisvest, die stellig geene lieden bij zich zoude

ontvangen, wier gedrag berispelijk was.--Wat verder den laster betreft,

dien men omtrent mij heeft geuit, ik weet, aan wien ik dien moet

toeschrijven, en tevens, dat alleen de eer van uw naastbestaande te

zijn, den lasteraar beveiligt voor de welverdiende straf, welke ik hem

anders had toegedacht.

"Nog eene vraag, Mejuffrouw! Zoo UEd. nog argwaan tegen mij mocht

voeden, schort, bid ik u, slechts veertien dagen lang uw oordeel op: als

die verstreken zijn, houd ik mij overtuigd, dat het mij licht zal

vallen, mij van alle blaam te zuiveren, en u te overtuigen, dat ik niet

onwaardig ben mij te noemen enz."

"En denk je, dat dit stuk veel zal uitwerken?" vroeg Suzanna, toen ik

haar den brief had laten lezen: "mij dunkt in hare plaats zoude ik niet

bijzonder gesticht wezen met die achting en dat medelijden, die gij voor

uwe _protégé_ gevoelt. Dat is wel geen liefde; maar het grenst er toch

machtig na aan."

"Aan u zou ik misschien anders schrijven," zeide ik, lachende: "maar

Henriëtte zal, naar ik vertrouw, het op zijn waren prijs weten te

stellen, dat ik de _reputatie_ van een onschuldig meisje zoowel als de

mijne verdedig.--Heeft zij mij lief, dan zal zij mij gelooven en nadere

ophelderingen afwachten: doet zij dit niet, dan is het ook een teeken,

dat zij mij niet bemint:--en dan zal ik haar miskenning met meerdere

gelatenheid dragen."

Suzanna nam nu de verzending van den brief op zich, en ik begaf mij naar

het kantoor.

In de dagen, welke er tusschen dit gesprek en den jaardag mijner moeder

verliepen, viel niet veel voor, dat des lezers belangstelling waardig

is. Van drie omstandigheden echter moet ik melding maken: de eerste was,

dat de Kapitein Pulver uitzeilde en mij door zijn vertrek wat meer

ruimen tijd liet: de tweede, dat Heynsz, wiens betrekking tot de

Justitie nu door het babbelen van Helding spoedig algemeen bekend was

geworden, en die alzoo niet langer in 't geheim van dienst kon zijn, een

openbare bediening verkreeg. Een der Onderschouten was kort te voren

gepensionneerd geworden en Heynsz werd benoemd om dien post voorloopig

te vervullen, met toezegging, dat hem een dadelijke aanstelling geworden

zoude, zoodra het hem gelukt zoude zijn den zich nog altijd

schuilhoudenden Graaf van Talavera aan de Justitie over te leveren.

Eindelijk, ten derde, Suzanna ontving een briefje van haar vriendin,

waarin deze, in zeer korte bewoordingen, te kennen gaf, dat zij mijn

brief ontvangen had, en wel gelooven wilde, dat men mijn gedrag in een

ongunstiger licht stelde dan het verdiende; doch dat, wetende hoezeer

haar oom, wien zij alles verschuldigd was, tegen onze nadere

kennismaking was, plichtmatig begreep te moeten handelen door mij te

doen verzoeken, alle verdere moeite ten haren opzichte te staken en mij

mijn woord teruggaf. Deze harde taal sloeg mij geheel ter neder; maar ik

begreep, dat er voor 't oogenblik niets tegen te doen was: en dat ik

moest afwachten of wellicht de tijd in de gezindheid van den Heer Blaek,

om mij zijn nicht te ontzeggen, of in hare gezindheid om zijn wil op te

volgen, eenige verandering teweeg mocht brengen.

Een dag vroeger dan dien, waarop het verjaarfeest te Heizicht zou

gevierd worden, vertrok ik derwaarts, ten einde mijn Tante Van Bempden,

op haar verzoek, in het maken van eenige voorloopige schikkingen

behulpzaam te zijn.--Ik vond Tante in blakenden welstand, en, als naar

gewoonte, het zeer volhandig hebbende. Nauwelijks gunde zij zich den

tijd mij welkom te heeten, maar liep het huis op en neder en in en uit,

en riep, nu de keukenmeid, om nog eenige veranderingen in de ordonnantie

van het maal te maken: dan weder de linnenmeid, om met haar de

benoodigde tafellakens en servetten te krijgen en af te tellen: dan de

kamenier, om haar de bloemen te helpen schikken, die hijgende

tuinknechts rusteloos in potten en manden aanbrachten: dan weder de

werkmeid, om de stoeptrappen nog eens over te doen, die de tuinknechts

met hun beslikte schoenen hadden vuilgemaakt. En dan liep zij weder naar

den moestuin om den tuinman te zoeken, en hem nog eenige bevelen te

geven of te vernieuwen: er moest nog hulst wezen voor guirlandes, en nog

spergetakken voor de vazen, en nog ijs uit den ijskelder: en er moesten

paden geschoffeld, waar het gezelschap door wandelen zou: en het plein

moest opgeharkt worden: en de haag van de groote allee gesnoeid, en het

water van den achthoekigen vijver schoongemaakt:--en dan ging zij naar

den stal en onderzocht of de leidsels wel wit en de paarden wel gerost

en het koper en zilver der tuigen wel glanzend waren: en of er niets aan

de rijtuigen haperde, en of de zadelmaker de kussens der zittingen nieuw

opgevuld en de nieuwe zweepen had gezonden: en of het galon om de hoeden

der koetsiers en der palfreniers was vernieuwd:--en dan werd zij weder

binnengeroepen om een twist te beslechten tusschen haar tegenwoordigen

knecht en haar vroegeren, die getrouwd, maar voor dit feest overgekomen

was om zijn hulp te verleenen: en waarvan de eene beweerde, dat het oude

olie- en azijnstel met de drakenkoppen, en de andere, dat het nieuwe met

de laurierbladen moest gebruikt worden: en dan was het weer wat anders,

dat haar tegenwoordigheid vereischte.

"Wel Neef!" zeide zij, toen zij eindelijk een weinig door de drukte heen

was, of liever, toen het koffie-uur der boeren en de schofttijd der

werklieden, een _parenthesis_ in de beslommeringen van den dag

daarstelden: "het verheugt mij dat gij komt. Mijn hoofd loopt om: en ik

weet niet hoe ik met alles nog klaarkomen zal. Wat hebben wij een weer

gehad in den verloopen nacht. Ik heb geen oog toegedaan en dacht, dat

het heele huis omwoei. Het is dan vrij buiig en onstuimig van 't jaar:

gelukkig, dat het nu wat bedaard is, anders zou de partij geheel

mislukken! want uw ouders komen zoo zelden buiten, dat, als zij mij eens

de eer aandoen van op Heizicht te verschijnen, het ook niet is om den

geheelen dag in huis te zitten."

"Ja lieve Tante!" zeide ik: "het heeft boos gewaaid: het ziet er erg

genoeg uit voor Pulver, die pas is uitgezeild: en hij kon wel een

geduchte averij krijgen."

"Spreek daar niet van," hernam Tante: "gij zoudt mij al het genoegen,

dat mij dit feest belooft, gansch en gaar bederven:--niet, dat ik over

de schade zoozeer treuren zoude; maar te denken, dat wij hier warm en

wel zitten en ons vermaken, terwijl die arme zeelieden, die hun leven

wagen om ons schatten te bezorgen, met stormen en golven kampen! Sedert

dien akeligen tocht met Blaek heb ik een dubbel medelijden met die arme

zielen.--Maar met dat al moeten wij onzen tijd niet verwaarloozen. Gij

kunt, als gij eerst koffie met mij gedronken hebt, mij een groot

genoegen doen; zoo het namelijk niet te veel van u gevergd is."

"Ik kom hier om u behulpzaam te zijn," zeide ik: "en het spreekt dus

vanzelf dat UEd. vrijelijk over mij kunt beschikken."

"Best!" zeide zij: "Welnu: mijn plan was, het gezelschap hier te

ontvangen en dan terstond met ons allen naar de hoeve bij de oude Martha

te rijden, aldaar een _collation_ te gebruiken en voorts hier terug te

komen om te eten."

"Ziedaar een zeer goed plan," zeide ik: "en dat gehos heen en weder over

de heide zal het best geschikt zijn om aan het gezelschap een goede

digestie van het ontbijt en een vernieuwden appetijt voor het middagmaal

te geven."

"Juist! nu wenschte ik wel, dat gij eens naar de hoeve reedt en een oog

liet gaan over de daar gemaakte toebereidselen: want de timmerman, die

het bezorgen zoude, is een wijsneus, die alles zeker naar zijn kop en

niet naar mijne verkiezing zal willen doen."

"Naar de hoeve!" herhaalde ik, met een gevoel van onaangename

teleurstelling.

"Ja Neef!" hervatte zij, zonder zulks te bemerken: "gij kunt het bruine

sjeespaard nemen: dat is _à deux mains_; ik zou u wel laten brengen;

maar ik kan niemand missen. Gij zijt toch niet bang voor struikroovers?

Het is tegenwoordig hier volkomen veilig, heeft de Schout mij verzekerd:

en bovendien," voegde zij er schertsende bij: "de Kapitein van de bende

is immers een intieme van u?--Het verwondert mij nog, dat die vent niets

uit de zijkamer heeft medegenomen, toen hij u dat bezoek kwam geven, dat

gij mij nooit geheel hebt opgehelderd."

"En wat moet ik aan de hoeve verrichten?" vroeg ik, om Tante maar

spoedig van het onderwerp, dat zij aanroerde, af te brengen.

"O! heel wat. Ik heb het alles opgeschreven, vooreerst opdat ik, en ten

tweede opdat gij het niet vergeten zoudt. Ziehier de lijst. Ik hoop dat

er niets aan ontbreken zal.--Maar zeg mij toch even, wat is dat voor een

geschiedenis met dat Juffertje, dat Tante Letje bij zich aan huis heeft

genomen? Is dat werkelijk een Freule van Lintz?"

"O Tante-lief!" antwoordde ik: "dat is een geschiedenis, veel te lang om

u thans te verhalen: vraag mij daar eens over, als wij geheel op ons

gemak zijn."

"Ook al goed! dan zal ik geduld hebben.--Maar Ferdinand-lief! wat hebt

gij u gehaast met die vrijerij met Jetje Blaek. Ik had u immers ook

gezegd, dat daar nooit iets van zou komen.--Hadt gij mijn raad maar

gevolgd en haar intijds uit uw zinnen gezet, dan hadt gij u die

onaangename teleurstelling bespaard. Het spijt mij wel van achteren, dat

ik u te zamen in kennis gebracht heb.

"Ik herinner mij niets van uwe waarschuwingen, Tante-lief!"

"Niet! weet gij ons gesprek niet meer op het strand, eer wij Lodewijk

Blaek ontmoetten? Toen zeide ik immers reeds: zet dat uit uwe gedachten.

Maar goeden raad vergeet men gauw."

Nu herinnerde ik mij dit gesprek zeer wel; ofschoon ik die enkele

woorden, bij die gelegenheid aan Tante ontvallen, niet zwaar geteld had;

dewijl zij geene redenen ter wereld had aangevoerd, om aan haar advies

eenige klem bij te zetten. Ik vond echter beter, ook dit punt te laten

rusten, en na een haastig ontbijt gebruikt te hebben, spoedde ik mij

naar stal, zadelde den bruin en draafde de heide over en den weg op naar

de mij te welbekende boerderij.

Ik vond ook daar geene geringe drukte. Overeenkomstig de bevelen van

Tante was men er bezig met latten te slaan, die van boom tot boom liepen

en waarover zeildoek gespannen moest worden om een tent te vormen, in

welke het gezelschap den volgenden dag zou onthaald worden en tegen de

ongestadige luimen van het najaarsweer beveiligd zijn. Na aan den

opzichter over dit werk den wil van Tante, gelijk ik dien op de

medegebrachte lijst vond uitgedrukt, nogmaals herhaald, en mij overtuigd

te hebben, dat de man haar bedoelingen volkomen begrepen had en geheel

niet van plan was om, gelijk zij vreesde, alleen zijn eigen hoofd te

volgen, zag ik het tweede artikel na, dat ik te volbrengen had. Het

luidde, dat ik aan de oude Martha moest vragen, of de stal genoeg

opgeruimd was om al de paarden in te bergen, die er den volgenden dag

zouden komen. Ik riep de oude vrouw dus, die al dadelijk met een

bedremmeld gelaat naar mij toe kwam geloopen, en mij blijkbaar onthutst

vroeg wat er van mijn dienst was.

"O!" zeide zij, zoo ras zij verstaan had, wat ik van haar verlangde:

"daar kan Mevrouw gerust op wezen: de stal is kant en klaar: en ik heb

schelen Thijs en Peer Govertz al besproken om een handje te kommen

helpen, want nou men zeun weg is en weg blijft, zit ik, och arm!

allienig voor het werk.--Heit Meneer nog wat te belasten?"

"Wacht!" zeide ik, mijn lijst bij de hand nemende: "nummer drie: zien of

de tafels en de banken gekomen zijn.--Ja! die staan ginder

reeds:--_nummer vier: vragen aan Martha, wie haar helpen zal, koeken te

bakken?_--Ja wie zal dat doen?"

"O! heere men tijd! maakt Mevrouw zich daar ook al verlegen om? Wel! dat

zou ik allienig wel of kennen, al kwam jelui met je vijftigen. Maar daar

is rooie Els van Crailo en 'er zuster, die hebben men al beloofd, als

dat ze kommen zellen. O! an hulp zel het niet ontbreken, er zel volks

'enoeg wezen. Als er zoo wat rijkdom bij mekaar is, hoeft men nooit om

menschen verlegen te zijn.--En kostelijke koeken zel ik bakken, dat

beloof ik je."

"Dat behoeft gij mij niet te verzekeren," zeide ik, lachende: "ik heb

die immers al eens bij u geproefd en weet hoe ze smaken."

"'t Is waar ook," zeide zij met een bezorgd gelaat: "Meneer heit men

toch niet verklapt, hoop ik?"

"Wees niet bang,"--zeide ik: "mits het maar niet weder gebeure.

--_Nummer vijf: nazien hoeveel stoelen er op de boerderij zijn, en of

die nog bruikbaar zijn._--Dat zullen wij eens gauw gaan kijken," zeide

ik, naar de woning snellende, terwijl ik in mijzelf lachte om de tot in

alle kleinigheden afdalende voorzorgen van Tante. Nauwelijks was ik

echter in de keuken, of Martha kwam mij, met zooveel snelheid als haar

oude beenen het haar vergunden, achterop geloopen:

"Wat wil Meneer?" vroeg zij: en zij sloeg onwillekeurig een angstigen

blik naar het trapje, dat naar het opkamertje leidde.

"Juist!" zeide ik, haar blik volgende: "daar boven moet ik wezen. Ik

meen, dat daar stoelen staan."

"Om Gods wille: Meneer! maak mij niet ongelukkig!" zeide zij, met een

gesmoorde stem en de handen wringende: "hij is weer hier."

"Wat!" mompelde ik: "is hij dan dwaas?"--En, schier onwillekeurig, maar

toch met behoedzaamheid, besteeg ik het trapje en zag door het

sleutelgat naar binnen, waar ik niet slechts Van Lintz, maar nevens hem

den ouden Heer Blaek herkende.

"Ik weet er waarachtig geen ander middel op om u hier ongemerkt vandaan

te krijgen," zeide de laatstgenoemde.

"Wij zullen er dan toe moeten besluiten," zeide Van Lintz: "in de hoop,

dat men mij voor dien tijd niet gevangenneemt."

"En gij belooft mij," hernam de Heer Blaek, "dat, ook al mocht dit

gebeuren, gij ...die ... de zaak ... niet zult uitbrengen."

"En waarom zou ik dat? Gij zegt immers, dat uw zoon en uw nicht elkaar

beminnen."

Ik had mijn hoofd reeds terug willen trekken; want ik schaamde mij den

luistervink te spelen; maar deze laatste vraag prikkelde mijn

nieuwsgierigheid te zeer, dan dat ik den trek kou weerstaan om het

antwoord af te wachten.

"Zij beminnen elkaar ... zij zullen een paar worden," zeide de Heer

Blaek: "gij zijt aan niets verbonden, zoo ik u bedrieg. Ik verzeker het

u. Vernietig toch dat ... dat noodlottige stuk.--Het kon in vreemde

handen komen ... geef het mij liever ... ik zal...."

"Neen! dat niet, Jacobus Blaek!" zeide Van Lintz, met een spotachtigen

lach: "als ik in veiligheid ben--en niet eer--zult gij het bekomen--en

het zelf kunnen verbranden. Ik weet, waaraan ik de hulp, die gij mij

bewijzen zult, dank moet weten--en ken mijn voordeel te goed om er

afstand van te doen, nu het mij dienen kan."

"Ach!" hernam Blaek: "gij zult er geen misbruik van maken: gij zult mij

niet met schande ten grave doen dalen. Ik help u immers zooveel in mijn

vermogen is ... ik heb zelfs meer gedaan dan ik u beloofd had: ik heb

naar Den Haag geschreven ... al mijn invloed zal ik aanwenden om de

vervolgingen te doen staken ... om onzer oude vriendschaps wille, maak

mij niet ongelukkig."

"Gij hebt mijn woord," zeide Van Lintz: "en dat moet u genoeg wezen:

morgen zal ik u verwachten. Tracht nu ongemerkt van hier te komen en de

plaats te bereiken, waar uw rijtuig u wacht. Ik zal Martha bellen om te

hooren of de uittocht veilig is."

Na het uiten dezer woorden verhief hij zijne stem om Martha te roepen:

ik aarzelde een oogenblik; doch bedenkende, dat Van Lintz toch van haar

zoude vernemen, dat ik er geweest was, besloot ik, zelf binnen te gaan,

wenkte der oude vrouw, die bevende achter mij stond, toe, dat zij wel

terug kon blijven, en opende de deur.

"De Heer Huyck!" riepen beiden, de een op een toon van verwondering, de

andere met een uitdrukking van schrik.

"Vergeeft mij, Mijne Heeren!" zeide ik, glimlachende: "zoo ik uw

bijeenkomst stoor. Maar ik ben hier door Mevrouw Van Bempden gezonden om

eenige toebereidselen te maken voor het feest van morgen, en ik had ook

in dit vertrekje iets te doen:--weinig dacht ik, dat het bewoond was."

"Ik beken," zeide Van Lintz, "dat ik mijn tijd slecht gekozen heb."

"Zoo de Heer Blaek," vervolgde ik, dezen aanziende, die vast beefde,

"zich wenscht te verwijderen, zonder dat het opzien bare, zal ik hem

gaarne een eindweegs vergezellen."

"UEd. is al te goed. Mijnheer Huyck," zeide Blaek, stotterende: "ik neem

uw vriendelijk aanbod dankbaar aan."

"Ik hoop u nog te zien als gij terugkomt," zeide Van Lintz, mij met zijn

doordringende oogen aanstarende.

Ferdinand Huyck · 第 40 / 51 段