"maar verbeeld u, daar dacht ik in het eerst geheel niet aan uw mislukt
aanzoek bij den Heer Blaek. Ik verwonderde mij reeds, dat gij alle drie
zoo stil en zoo zonderling waart. Maar om u de waarheid te zeggen, ik
zou haast denken, dat zij nogal instemt met de meening van haar oom:
want ik kan niet vinden, dat zij u bijzonder voorkomend behandelde."
"Dat heeft mij ook getroffen," zeide ik: "en ik was er verre af, mij op
zulk een koelheid te verwachten. Ik weet niet, waarmede ik haar
welwillendheid zoo op eenmaal verbeurd heb; en dat kwelt mij."
"Ik wil het wel gelooven," hernam zij: "maar gij moet u in deze
beproeving troosten met de gedachte, dat alles naar Gods wijzen wil
geschiedt en dat elke kleine teleurstelling tot bevordering van uw
eeuwig heil moet strekken. Maar om te komen tot hetgeen ik u zeggen
wilde: uw vader is gisteren bij mij geweest en heeft mij gewaarschuwd
tegen die lieden, die bij Heynsz wonen. Hij zegt, dat de man onder een
valschen naam bij mij gekomen is: en de dochter is, naar hij gelooft,
ook van dezulken, tegen wie ik op mijn hoede moet wezen. Het rechte
wilde hij niet zeggen; maar hij verwees mij tot u om nadere uitlegging
van zijn woorden. Wat is daarvan? Is dat Juffertje wezenlijk zoo slecht?
dan heb ik mij in haar bedrogen; want ik zag haar aan voor zulk eene
"die rein van harte was ende yverig in alle goede wercken.""
"Ik weet van haar niets kwaads," antwoordde ik, verheugd van te
ontwaren, dat mijn vader zijn vermoeden omtrent mij ten minste niet aan
Tante had medegedeeld: "en wat haar vader betreft," vervolgde ik,
"Helding heeft mij verhaald, dat hij vertrokken is."
"Ja," hernam zij: "dat heeft mij uw vader ook verteld: doch dat is ook
al wonderlijk in zijn werk gegaan; want hij is, volgens het zeggen van
uw vader, eergisteravond met de nachtschuit heengegaan en te
Nieuwersluis er uitgestapt en er niet weder ingekomen: maar verdwenen,
niemand weet waarheen.--Dus wil ik maar zeggen, ofschoon ik mijn naaste
niet veroordeelen mag, dat daar toch iets achter schuilt. 't Is een
wonder, zooals uw moeder laatst aanmerkte, dat Heynsz zulke lieden bij
zich heeft ontvangen."
"Inderdaad!" zeide ik: "maar zooals ik zeide: ik weet van beiden geen
kwaad: ofschoon ik beken, dat het mij aangenaam zijn zal, niets meer van
hen te hooren; want sedert mijn terugkomst alhier kan ik mij niet
bewegen of ik ben gedwongen, over hen te hooren spreken; het is of zij
mijn booze geesten zijn, die mij in wezenlijkheid of in verbeelding
altijd en overal vervolgen."
Ik had deze woorden nauwelijks geuit, of zij werden bevestigd. De deur
ging open, en Amelia trad binnen.--Men moet weten, zoo men het niet
reeds heeft opgemerkt, dat mijn goede Tante altijd voor iedereen te huis
was: en dat haar meiden dus nooit iemand aandienden; maar elk, wiens
gezicht zij eenmaal gezien hadden, dadelijk naar boven stuurden.
Wij waren alle drie onthutst. Amelia was echter de eerste, die de
verrassing te boven kwam: en zelfs geloof ik, dat mijne tegenwoordigheid
haar bemoedigde.
"Mejuffrouw!" zeide zij, zich tot Tante wendende, eer deze nog het
vermogen had van haar toe te spreken: "ik kom als smeekeling tot u. Ik
heb, in deze groote volkrijke stad, niemand op wiens goedwilligheid ik
staat kan maken, buiten u--en uw Heer Neef," voegde zij er blozende bij:
"ik weet, dat mijn komst en mijn verzoek onbescheiden zijn:--en ik zal
het u niet euvel duiden, zoo UEd. mij ongetroost terugzendt; maar u
niettemin dankbaar blijven voor het goede, mij bewezen."
"Ga zitten, Juffertje!" zeide Tante, die aan de buitengewone ontroering,
welke op Amelia's wezenstrekken zichtbaar was, wel bespeurde, dat zij
door geen onbeduidende oorzaak tot haar gedreven werd: "ik help gaarne,
wie ik kan: want dat is ons voorgeschreven: maar wilt gij ook iets
drinken? Gij ziet er zoo ontdaan uit. Is u een ongeluk overkomen?"
"Wil ik mij niet liever verwijderen?" vroeg ik, weinig trek gevoelende
van opnieuw in Amelia's belangen gemoeid te worden: "Mejuffrouw heeft u
wellicht iets in 't geheim te zeggen."
"Neen, blijf nog wat hier, Neef!" zeide Tante, die, geloof ik, bevreesd
werd om zich met Amelia alleen te bevinden: "en krijg dat fleschje met
die droppeltjes eens uit het hoekkastje, en de waterkaraf.--Toe! drink
eens, arme ziel! gij zijt waarlijk geheel van uw stuk."
"Ik dacht niet, dat ik nog vatbaar was voor een diergelijke ontroering,"
zeide Amelia: "ik heb grootere tegenspoeden en bekommernissen, dan die
ik heden ondervind, moedig doorgestaan; maar nooit ook, neen, nooit te
voren had ik een vernedering ondergaan als deze. Ik heb de
wederwaardigheden der wereld met gelatenheid gedragen;--maar ik was niet
geboren om mij door een ellendige spion te zien beleedigen, als ware ik
een schandvlek mijner kunne."
"Wat is er gebeurd?--Wie heeft u beleedigd?" vroegen Tante en ik, bijna
gelijktijdig.
"Wat hij gezegd heeft," zeide Amelia, "doet er niets toe: zijne
uitdrukkingen zijn misschien te verschoonen: hij is niet gewend met
beschaafde lieden om te gaan: hij kon mij zijn huis uitzetten: hij is er
meester in en heeft daar het recht toe; maar het is laag en
onverschoonlijk van hem mij te beleedigen, op een oogenblik, dat ik
alleen en van elk verlaten ben.--Ik kan, ik mag niet langer onder zijn
dak blijven;--maar waarheen zal ik mij wenden?--Gij alleen Mejuffrouw,
gij kunt mij helpen. O! ik bid u, wijs mij een wijkplaats aan bij
eerlijke lieden, waar ik mijn intrek nemen kan. Ik zal er niet lang
vertoeven, ik beloof het u.--Geld ontbreekt mij niet: ik verlang niet
als een verblijf, hoe klein ook, waar ik rust kan vinden en voor alle
bezoeken veilig mag zijn."
"Ja!" zeide Tante: "dat is nu goed en wel; maar er worden zooveel rare
dingen van uw vader en u verteld, dat ik eerst nog wel wat naders van u
dien te vernemen, eer ik u bij anderen recommandeer."
"Daar zult gij gelijk aan hebben, Zuster!" zeide een stem achter ons.
Wij wendden alle drie het hoofd om:--en mijn vader trad de geopende deur
binnen. Hij was, gelijk ik naderhand vernam, naar de woning van Heynsz
gegaan om met Amelia te spreken; doch, daar zij juist vertrokken was,
haar op den voet gevolgd, en kort na haar de opene voordeur bij Tante
ingetreden.
Geheel verschillend was de indruk, welke zijn plotselinge verschijning
op ons waakte. Tantes gelaat helderde op: en het was te zien, dat de
komst van haar broeder haar uit een machtige verlegenheid redde: Amelia
zag hem aan zonder schrik, maar met verwondering en ongerustheid, en als
vermoedde zij, dat het van dien man afhing hoe haar lot zou beslist
worden. Wat mijzelf betreft, ik was geheel uit het veld geslagen; want
ik voorzag niet slechts nieuwe onaangenaamheden voor mij, en verkeerde
uitleggingen van mijn tegenwoordigheid daar ter plaatse; maar ook beefde
ik voor Amelia; en alleen de kennis, die ik van mijns vaders strikte
eerlijkheid bezat, boezemde mij eenige hoop in.
Mijn vader zag eerst Amelia, en vervolgens mij met een navorschenden
blik aan. Zij sloeg de oogen niet neder; maar rees op, en haar gelaat
nam die uitdrukking van hoogmoed aan, welke haren vader zoo eigen was en
die ik ook vroeger in haar had opgemerkt. Zij was blijkbaar geraakt over
hetgeen zij als een onbeleefdheid beschouwde. Tante was de eerste, die
het stilzwijgen brak: "Gij komt juist bijtijds, Broeder!" zeide zij:
"deze is de Juffer, waarover ik u gesproken heb."
"Ik zie het," zeide mijn vader: "jonge dochter!" vervolgde hij, zich tot
Amelia wendende: "het smart mij, in iemand van uw jaren en voorkomen
zooveel verstoktheid te vinden. Hoe hebt gij u kunnen verstouten, u in
te dringen bij een eerbiedwaardige Juffer, terwijl gij bij u zelve
bewust moest zijn, dat uw ware plaats in het spinhuis is."
"Mijnheer!" riep Amelia, op een toon van hevige verontwaardiging,
terwijl zij het hoofd ophield met een waardigheid, die een koningin eer
zoude hebben aangedaan: en toen, zich naar mij toekeerende: "wie is die
man?" vroeg zij.
"Het is mijn vader!" fluisterde ik: "om Godswil...."
"Welnu!" ging zij voort: "zeg dan aan uwen vader, dat ik van zijnentwege
een andere behandeling had verwacht. Zoo iemand zonder opvoeding, gelijk
Heynsz, mij beleedigde, ik dacht niet, dat de Heer Huyck een dergelijke
handelwijze zou navolgen."
"Ik zoude u aanraden, een toon lager te zingen," hernam mijn vader: "ik
ben heusch jegens een met lompen bedekte vrouw, wanneer haar gedrag
betamelijk is; maar ik zou ook aan een Vorstin mijn verachting toonen,
wanneer zij handelde zooals gij."
"Vaarwel Mejuffrouw!" zeide Amelia, even met het hoofd buigende en zich
willende verwijderen.
"Blijf!" zeide mijn vader, op dien toon van gezag, dien elk wie hem
hoorde gedwongen was te eerbiedigen: "en wees liever dankbaar jegens
mij, dat ik u niet door mijn dienaars voor mij op het Stadhuis heb laten
brengen, maar hier ben gekomen om u te ondervragen: en bedenk, dat een
rondborstige bekentenis u meer nut zal doen dan het aannemen eener
ongepaste fierheid."
Amelia bleef midden in het vertrek staan, de armen over elkander
geslagen, de oogen vlammende van spijt en de lippen stijf gesloten;
terwijl haar geheele houding aanduidde, dat zij alleen toegaf aan dwang,
maar besloten had, geen antwoord op de tot haar gerichte vragen te
geven.
"Ik weet zelfs niet," vervolgde mijn vader, eenigszins verwonderd over
een dergelijke minachting van zijn gezag, waaraan hij weinig gewend was,
"of ik nog wel zooveel inschikkelijkheid jegens u betoond zoude hebben,
indien het niet ware geweest om den wille van dien onrechtvaardige
daar!" (hier wees hij op mij:) "ik moet bekennen, hij heeft zijn
affecties wèl geplaatst."
"Hoe!" riep Amelia uit, terwijl de uitdrukking van haar wezen opeens
veranderde en zij mij met een blik van verwondering aanzag.
"Ik versta u niet," vervolgde zij, mijn vader met angstvalligheid
aanziende.
"Gij verstaat mij niet?" vroeg mijn vader, zelf verwonderd over de
plotselinge verandering in haar gelaat.
Ik achtte het oogenblik geschikt om er tusschen in te komen: "Mejuffrouw
kan u niet verstaan," zeide ik: "want er is hier geen quaestie
hoegenaamd van affecties."
"Wacht tot men u het woord geeft, eer gij u in het gesprek mengt," zeide
mijn vader, met een gestrengen blik: "is uw samenkomst hier ook
toevallig, evenals al het vroegere? Gij hebt voor altijd mijn vertrouwen
verbeurd."
"Vader!" zeide ik: "ik verzeker u...."
"Vertrek!" zeide hij: "ik wil niets meer hooren."
Ik zuchtte en maakte mij gereed om aan dit bevel te gehoorzamen; toen
Amelia, die, gedurende deze woordenwisseling, ten prooi was geweest aan
eene hevige gemoedsbeweging en beurtelings rood en bleek geworden was,
zich tusschen mij en de deur in plaatste: "Toef een oogenblik!" zeide
zij; "Ik weet niet," vervolgde zij, tot mijn vader sprekende: "waar ik
van beschuldigd worde; maar slechts dit moet ik voor den alwetenden God
betuigen, dat uw zoon zich de geringe kennis, die hij aan mij heeft,
noch de diensten, welke hij mij bewees, behoeft te schamen: dat zijn
handelwijze edel, menschlievend en onberispelijk was, en dat alleen
vuige laster een valsche uitlegging aan zijn gedrag kan geven."
Er lag zulk een toon van waarheid in de woorden, die zij gesproken had:
het geluid van haar stem, thans ontdaan van die bitterheid, welke er te
voren in lag, had iets zoo treffends en overtuigends: een zoodanige
edelaardigheid was over haar wezen verspreid, dat mijn vader er van
getroffen werd. Gewoon, om in de geheime plooien door te dringen,
waarachter het bedrog zich verbergt, en het ware van het valsche te
onderscheiden, twijfelde hij niet, of Amelia, al ware zij dan in zekere
opzichten schuldig, was echter niet de vrouw, welke men had
afgeschilderd. Hij dacht een oogenblik na, wenkte mij toe, dat ik
blijven kon, en vroeg toen snel aan Amelia:
"Hoe is uw naam?"
"Amelia," antwoordde zij, haar vorige houding van behoedzamen argwaan
hernemende.
"Uw familienaam?"
"Voor het oogenblik draag ik geen anderen naam dan Amelia."
"En uw vader dan?--Hij heeft zich Van Beveren doen noemen; maar dat is
zijn naam niet: hoe heet hij?"
"Hijzelf zal best in staat zijn u daarop te antwoorden."
"Goed! Maar hij is hier niet. Waar bevindt hij zich thans?"
"Ik heb mij altijd gewacht zijne gangen na te gaan," antwoordde Amelia:
"ik laat zulks aan anderen over," voegde zij er bij op een scherpen
toon.
"Gij schijnt dit onderwerp niet te willen behandelen," zeide mijn vader:
"en ik kan het in u niet misprijzen, dat gij uw vader niet verraden
wilt. Maar gij zult niet aarzelen, hoop ik, mij te antwoorden
betreffende hetgene u-zelve aangaat. Waar hebt gij mijn zoon leeren
kennen?"
Amelia zag mij even zijdelings aan, en antwoordde toen op een bedaarden
toon: "hij zal het u waarschijnlijk zelf verhaald hebben."
Ik dacht één oogenblik, maar ook slechts één oogenblik, dat mijn vader
het gewone hulpmiddel zoude bezigen om aan beschuldigden een _confessie_
af te dwingen; namelijk: door hen te doen gelooven, dat hun
medeplichtige reeds bekend heeft. Maar, hetzij dat hij te oprecht van
harte was, om tot dergelijke listen zijn toevlucht te nemen, hetzij dat
hij begreep er geen baat bij te zullen vinden, na de gevatheid, waarvan
Amelia reeds blijken gegeven had, hij schudde het hoofd en zeide:
"Jonge dochter! Ik moet u vaderlijk en met nadruk tevens herhalen, dat
gij uw zaak slechts verergert door uw hardnekkigheid. Gij komt met mijn
zoon, niemand weet van waar, in de Naarderschuit: gij verlaat hem te
Amsterdam: doch ontvangt later herhaaldelijk bezoeken van hem: uw vader
komt en verdwijnt weder van hier gelijk een schim, en draagt een naam,
die blijkbaar valsch is. Er hebben ten uwent onbetamelijke tooneelen
plaats:--moet dit niet geschikt zijn, om vermoedens tegen u op te
wekken?"
Van deze gansche toespraak had Amelia blijkbaar slechts één punt met
opmerkzaamheid aangehoord, namelijk: dat ik haars vaders geheim had
bewaard,
"O!" zeide zij: "Mijnheer! uw zoon heeft edel, heeft braaf gehandeld!
Hoe! Hij heeft zich aan verdenking blootgesteld! Hij heeft zich het
misnoegen der zijnen op den hals gehaald! Hij heeft zich den laster
prijsgesteld om onzentwille!--Ach!" vervolgde zij, zich tot mij
wendende: "beschuldig mij niet van onedelmoedigheid, van ondankbaarheid,
zoo ik in mijn zwijgen volharde en u niet zuivere van de blaam, die men
op u ... en ook op mij geworpen heeft. Maar God weet het--ik mag niet
spreken."
"Gij zult des Heeren naam niet ijdelyck misbruycken!" mompelde Tante
Letje, het hoofd schuddende.
"En nu, Mijnheer!" zeide Amelia tot mijn vader: "laat mij naar de
gevangenis, naar het spinhuis brengen: gij hebt er de macht toe en ik
ben buiten staat u te weerstaan. Maar ik verklaar het u, ik heb geen
kwaad bedreven; en het zal u eenmaal, als gij later van mijne onschuld
overtuigd zult zijn, in de ziel grieven, dat gij mij hard en
onrechtvaardig behandeld hebt. Ziedaar dan die Nederlanden, die
gewesten, geheel de wereld door als de zetel der Burgervrijheid beroemd.
Men vervolgt, men bespiedt, men vonnist zonder reden een onschuldig
meisje, wier eenige misdaad is, dat zij haar ongelukkigen vader
liefheeft en niet aan zijn vijanden verraden wil."
"Neen Mejuffer!" zeide mijn vader op een zachten toon: "zoo gij
onschuldig zijt, hebt gij ook voor geen straf te schromen. Ik zal u geen
vragen meer doen. Verre zij het van mij, een dochter te willen gebruiken
tot werktuig om haar vader in de handen der Justitie te leveren. Maar
zulke vreemde en geheimzinnige omstandigheden hechten zich aan uw
verblijf alhier, dat ik u niet kan vergunnen, deze stad te verlaten,
alvorens die zijn opgehelderd. Gij kunt zelve uw verblijf kiezen en zult
daar tegen alle u onaangename bezoeken beveiligd worden. Het zal dus van
uw vader zelf afhangen, den duur van dat verblijf te verlengen of te
verkorten."
Op dit oogenblik trad de dienstmaagd binnen en gaf mijn vader een
briefje, hetwelk een onbekende gebracht had, met last om het
onmiddellijk aan Z.-Ed.-Gestr. te overhandigen. Hij las het: zijn gelaat
teekende verwondering; hij zag Amelia oplettend aan en zeide toen op
halfluiden toon:
"Hoe is het mogelijk, dat ik niet vroeger op dat denkbeeld gekomen ben?
Zij is haars vaders evenbeeld. Lees dit briefje, Ferdinand! Misschien
zult gij, na de inzage daarvan, u onbezwaard vinden van te spreken."
Ik las het briefje, dat van den volgenden inhoud was:
"Wel-Edel-Gestrenge Heer: zooeven geeft kleine Simon mij de stellige
verzekering, dat de Heer Van Beveren niemand anders is als de Graaf van
Talavera, dien wij zochten. Te denken, dat die persoon zoolang bij mij
aan huis gewoond heeft, zonder dat ik vermoeden op hem had! Hij moet
echter in 't net loopen; want er zijn overal wakers uitgezet.--Ik
verblijve met diepen eerbied
Uw Ed.-Gestr. Nederige Dienaar
HEYNSZ."
"Ik vermoedde dit," zeide ik, hem het geschrift teruggevende: "maar ook
deze mededeeling verleent mij nog geene vrijheid, om u de aanleiding
onzer kennismaking te verhalen. Eerst als hij of gevangen, of in
veiligheid is, zal ik mogen spreken."
"Zoo!" zeide mijn vader op een koelen toon: en toen zich omwendende, nam
hij Amelia opeen hoffelijke wijze bij de hand.
"Zuster!" zeide hij tegen Tante Letje: "ik stel u de Freule Van Lintz
voor, de dochter van Keetje Reefzeil, die gij u herinneren zult."
"Mijnheer!" riep Amelia uit, verbleekende en mijn vader vol angst
aanziende.
"Verschoon mij," vervolgde mijn vader: ik had wellicht moeten zeggen:
Donna Amelia de Talavera.--Het smart mij, dat ik gedwongen ben, uw
vader, aan wiens groote verdiensten ik in vele opzichten hulde doe, te
moeten vervolgen. Maar de plicht, dien ik jegens hem te vervullen heb,
zal mij niet beletten, jegens u die menschlievendheid in acht te nemen,
waarop uw ongeluk aanspraak heeft. Waarin kan ik u van dienst zijn? Gij
hebt hier nog bloedverwanten van moeders zijde? Begeert gij dat ik u bij
hen breng en u aan hunne bescherming vertrouwe?
"Helaas!" zeide Amelia: "wie hunner zou zich willen ontfermen over de
rampzalige dochter des zwervers?--Neen! het is niet bij hen, die
wellicht mijn vader haten of verachten, dat ik een toevlucht zoeken zal.
Wijs mij een afgelegene, een veilige woonplaats aan, het zal slechts
voor weinig tijds zijn ... aan geld ontbreekt het mij niet:--en ik zal u
danken, Mijnheer!--maar niet bij bloedverwanten, die mij een genade
zouden meenen te doen."
"Hoor!" zeide Tante Letje, terwijl zij Amelia bij de hand nam: "gij zult
niet bij vreemden gaan, en ook niet bij Heynsz terugkeeren. Ik heb nog
plaats in huis: blijf bij mij inwonen: "gy sult bevinden, dat mijne
tente in vrede is:" gij kunt hier zoo stil leven als gij wilt en op uw
eigen kamer blijven, waar gij zon noch maan behoeft te zien, als gij
niet verkiest. Ik zal het aan de meiden zeggen, dat zij niemand bij u
laten, zonder hem aan te dienen."
"Bij u, mijn goede Juffrouw," zeide Amelia, zich schreiende over Tante
heenbuigende en haar omhelzende: "Ach! waaraan heb ik zooveel goedheid
verdiend?"
"Wel!" zeide Tante: "staat er niet geschreven: "ik was vreemdeling en
gij hebt mij geherbergd?" Gij neemt dus aan, nietwaar?"
"Bij wie zou ik liever komen, dan bij u, Mejuffrouw!" hernam Amelia:
"zijt gij de eenige niet, die u mijner hebt aangetrokken?"
"Dat is te zeggen," zeide Tante: "daar komt Neef de meeste eer van toe:
heugt het u nog, Neef?"
"Maar neen!" zeide Amelia, zich opeens bezinnende: "neen! dat kan toch
niet. In een onbedachte opwelling van erkentenis vergat ik, dat uwe
familie reeds onaangenaamheden genoeg om mijnentwille heeft gehad.
Neen!--dat kan waarlijk niet."
"En waarom dat niet?"--vroeg Tante: "van de familie zult gij geen last
hebben, noch de familie van u: ik heb u immers gezegd dat gij stil op uw
kamer kunt blijven."
"Ik eerbiedig de nauwgezetheid van de Freule," zeide mijn vader: "en
toch geloof ik, dat zij niet beter kan doen, dan uw voorstel aan te
nemen.--De wereld zal daaruit kunnen opmaken, dat de nadeelige
geruchten, die omtrent haar geloopen hebben en waaraan ikzelf geloof
hechtte, logenachtig zijn.--Voor 't overige zult gij Freule! hier geheel
vrij leven en niemand zal u kwellen met vragen of bezoeken."
"Neen!" zeide Amelia: "ook om uwentwille, Mijnheer Huyck! moet ik niet
bij uwe zuster blijven.--Zouden de menschen, die altijd liefst genegen
zijn het ergste te denken, u niet beschuldigen van te heulen met iemand,
dien gij vervolgen moet, door aan zijne dochter huisvesting bij uwe
naastbestaande te verleenen?"
"Uwe bedenking is vol juistheid," antwoordde mijn vader: "en zij doet
mijn achting voor u rijzen; want na de wijze, waarop ik u behandeld heb,
is het meer dan grootmoedig in u, bezorgdheid voor mijnen goeden naam te
toonen. Maar in dit geval zal ik de lieden, laten spreken en mij niet
storen aan wat zij verhalen. Uw goede naam is van niet minder gewicht
dan de mijne; en ik zie geen beter middel om dien te herstellen en alle
zotte praatjes te doen zwijgen, dan door het aannemen van het voorstel
mijner zuster."
Ofschoon met moeite, gaf Amelia eindelijk toe, en Tante gaf terstond
last, dat haar goed zoude gehaald worden; terwijl mijn vader een briefje
aan Heynsz schreef, met machtiging om het te laten volgen. Daarna namen
wij ons afscheid en lieten de beide dames alleen.
"Zij bezit denzelfden onafhankelijken geest, die haar vader altijd!
gekenmerkt heeft," zeide mijn vader, nadat wij een wijl zwijgend! over
de straat hadden geloopen: "ik beklaag haar; want, de Graaf moge zich
nog een wijl aan onze nasporingen onttrekken: hij moet toch eindelijk in
de val loopen: en wat zal dan haar lot zijn?"
"Gij zijt niet meer ontevreden op mij, Vader!" zeide ik, hem bij de hand
vattende.
"Ik begin te begrijpen, dat gij in een moeielijk praedicament hebt
gezeten; maar nog vat ik niet recht, waarom gij in uw zwijgen volharden
blijft, nu alles toch ontdekt is."
"Verschoon mij," zeide ik: "maar, zoo ik u zeide, hoe en waar ik met den
Graaf heb kennis gemaakt, zoude UEd. dan ook niet weten, hoe en waar hem
te vinden?"
"Daar is wat aan," antwoordde mijn vader, lachende: "welnu! ik zie uw
nadere ophelderingen te gemoet. Het doet mij in allen gevalle genoegen,
dat gij niet op dit meisje verliefd zijt."
* * * * *
EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN HET GEDRAG VAN MEJUFFROUW BLAEK TEN OPZICHTE VAN FERDINAND WORDT
VERKLAARD EN DE VADER VAN AMELIA WEDER OP DE PROPPEN KOMT.
Na het middagmaal riep ik Suzanna ter zijde: "wel!" vroeg ik: "zijt gij
iets te weten gekomen?"
"Ja voorzeker!" antwoordde zij: "ik heb schoone dingen van u gehoord,
Sinjeur! waarlijk, mijn vriendschap voor u heeft mij een zotte rol laten
spelen."
"Namelijk!"
"'t Lijkt zeker wel goed om twee koorden aan zijn boog te hebben; maar
in sommige gevallen is 't noch voorzichtig, noch verstandig; en zooals
Cats zegt:
"Twee op eenen tyt te vryen
Siet men selden wel gedyen."
"Wat wilt gij zeggen? Kom toch ter hoofdzaak!"
"En vertel mij eens, Ferdinand! die mamsel, die gij van uw reizen hebt
medegebracht, is zij een Hoogduitsche of een Italiaansche? Zij zingt
zeker heel fraai? En wat kost haar toilet u wel in de maand?"
"Oho!" zeide ik: "ik zie al, waar de knoop ligt. De laster is aan 't
werk geweest en heeft waar en valsch zoo fijn dooreengeklutst, dat zelfs
de Engelen aan het twijfelen zouden raken."
"Nu, antwoord dan!" zeide Suzanna: "ik, die een onnoozele Amsterdamsche
burgerdochter ben, heb geen verstand van die nieuwerwetsche Fransche
beschaafdheid. Zeg mij toch, hoe zoudt gij, indien de oude Heer Blaek uw
aanzoek had aangenomen, het hebben aangelegd, om zonder fortuin twee
huishoudens te verzorgen?"
"En hebt gij ook al aan die dwaasheden geloofd?" vroeg ik.
"Welke gronden zou ik kunnen aanvoeren, om het tegen te spreken.--Wat
deedt gij in dat huis?
_Prince, quelques raisons que vous me puissiez dire_,
_Votre devoir làbas n'a point du vous conduire_.
Maar het ergst van alles is, dat gij de onbeschaamdheid hebt gehad, dat
schepsel met een vroom onschuldig mensch als Tante Letje in kennis te
brengen: zoo die eens hoort, welk een lief persoontje zij aangehaald
heeft, dan geef ik geen duit voor uw aandeel in de erfenis."
"Dat zal zulk een vaart niet loopen," zeide ik glimlachende: "Tante weet
alles wat haar betreft en is best met haar tevreden."