"En was deze de eenige reden zijner komst?" vroeg zij, het hoofd

langzaam buigende: "Ferdinand! Ferdinand! wat hebben uw ouders u gedaan,

om hen zoo te misleiden? wat beteekenen die gestadige gangen en

boodschappen naar en van dat huis van Heynsz? O! zoo gij wist, hoeveel

tranen gij mij kost, en hoe ik om uwentwille reeds twee nachten

slapeloos heb doorgebracht! zoo gij wist, hoe uw brave vader zijn leed

verkropt, en, wanneer ik vraag, wat hem deert, het hoofd schudt, en

alleen met een zucht antwoordt. Hoe zijt gij veranderd, Ferdinand! gij,

wien wij eens oprecht en vroom gekend hebben! Ach! het was niet zonder

reden dat ik opzag tegen die verre reize, die gij nog zoo jong en zonder

opzicht ondernomen hebt. Wij steunden op de vastheid van karakter en de

brave grondbeginselen, die wij, in onzen ouderlijken hoogmoed, ons

verbeeldden dat gij bezat. Maar bitter zijn wij voor onzen eigenwaan

gestraft. Helaas! gij waart nog te jong en onervaren! en gij zijt tegen

de verleiding niet bestand geweest. Het gebed, dat ik dagelijks tot God

voor u opzond, is niet verhoord geworden. Zeg mij, Ferdinand! zeg mij

toch, heb ik mijn zoon verloren?--Ach! ik was zoo innig verblijd over

uwe terugkomst: ik had mij zooveel genoegen van u voorgesteld:--en thans

zie ik, dat mijn blijdschap droefheid had moeten zijn."--Onder het uiten

dezer laatste woorden boog zij haar hoofd op mijn schouder neder en

weende bitterlijk.

Haar innige smart verscheurde mij de ziel, en ik was zelfs zoo onthutst

en ontroerd, dat ik in de eerste oogenblikken vruchteloos naar woorden

zocht, en niet anders doen kon, dan haar koude hand in de mijne te

klemmen, den arm om haren hals te slaan, haar bleek gelaat te kussen en

tranen van weemoed aan haar boezem te schreien. "Moeder!" zeide ik

eindelijk: "lieve moeder! matig uw verdriet."

"Ik zie ten minste," zeide zij, terwijl zij zich langzaam uit mijn

omhelzing losmaakte en zich naast mij nederzette: "ik zie, dat gij nog

niet geheel verdorven zijt, dat er nog hoop is op uw behoud; want uw

hart is nog vatbaar om getroffen te worden. O! beloof mij, dat gij den

verkeerden weg zult verlaten, dien gij zijt ingeslagen, dat gij alle

banden, die u aan dat slechte voorwerp verbinden, zult losscheuren: en

alles, alles zal vergeven en vergeten zijn: ik zal juichen en zeggen met

den vader uit de gelijkenis: "ziet! mijn zoon was verloren en hij is

wedergevonden."

"Maar," zeide ik: "ik betuig u, dat er geene banden te verbreken vallen:

dat ik door u, door mijn vader verkeerd word beoordeeld: dat...."

"En waarom dan uw gedrag niet opgehelderd? Wie heeft recht op uw

vertrouwen, op uw openhartigheid, zoo uw vader dit niet heeft? Hoe kunt

gij vergen, dat hij of ik geloof zouden slaan aan de ongerijmde en

nietige uitvluchten, waarmede gij uwe verkeerdheden poogt te bemantelen.

Ferdinand! wees niet verstokt in het kwade. Een gulle bekentenis, een

oprecht berouw zouden uws vaders rechtmatigen toorn ontwapenen; maar een

hardnekkigheid als de uwe moet hem verbitteren."

"Maar vader," zeide ik, "had mij beloofd zijn oordeel te zullen

opschorten, tot zich het oogenblik zoude opdoen, waarin ik hem een

volkomene, geheel voldoende opheldering zoude kunnen geven. Dat

oogenblik nadert met rassche schreden. En dan, geloof mij, dan zal mijn

gedrag u in een ander licht voorkomen, dan het thans doet. Waarom dan

ook niet een weinig op mij vertrouwd, wanneer ik u mijn onschuld betuig

en u verzeker, dat gij zonder billijke oorzaak tranen stort?"

"Is dat geheim dan zoo diep, zoo vreeselijk," vroeg mijn moeder, "dat

gij het ook aan mijnen boezem niet kunt uitstorten? Ach! het zou u

goeddoen, en mij ook, Ferdinand! want, hoe fraai uw woorden ook zijn, ik

ben nog niet gerust. Misschien misleidt gij uzelf: er moet stellig eenig

kwaad, iets verkeerds zijn bij een geheimenis, die men aan eene moeder

niet kan openbaren."

"Lieve moeder!" zeide ik, de hand drukkende, die zij mij vleiende

toestak: "geloof mij, mijn vurigste wensch op dit oogenblik zoude wezen,

om mij aan uw hart te storten en u alles te ontdekken.--Ja, ik gevoel,

dat zoo gij langer bleeft aandringen, ik de kracht niet zoude hebben, u

weerstand te bieden: dat ik, tot welken prijs dan ook, de bron uwer

tranen zoude willen drogen. Maar zoo ik nu sprak, zou ik een

woordbreker, en bijgevolg een schurk zijn;--en dat toch wilt gij van uw

zoon niet maken?"

"Het kan dan niet anders," zuchtte mijn moeder: "neen, een woordbreker

moet gij niet worden:--alleen maar begrijp ik niet, waartoe dergelijke

dwaze geheimen dienen. Ik zie niet, dat iets, dat goed en ordentelijk

is, behoeft verborgen te blijven. Misschien dwaal ik, en heb ik geen

ondervinding genoeg, maar ik kan het mij maar niet voorstellen."

Zij sprak wel waarheid, die goede moeder, want nooit had haar geest of

haar verbeelding eene gedachte gekoesterd, welke zij niet zou hebben

durven openbaren; en haar reine ziel was een spiegel, waarin zij ieder

vergunde te lezen.

"In allen gevalle," vervolgde zij, "hoop ik, dat die oplossing spoedig

moge plaats hebben; want ik zou ziek worden van die onzekerheid; en

dan," terwijl zij mij den brief toereikte, "hier is een uitnoodiging van

uw Tante Van Bempden tegen Zaterdag over acht dagen, om mijn verjaardag

op Heizicht te komen vieren: ik had mij veel genoegen van die partij

voorgesteld;--maar nu weet ik waarachtig niet of ik het wel aanneem; ik

kan met geen opgeruimd hart aan tafel zitten en de gelukwenschingen der

gasten ontvangen, zoolang dit geval niet is opgehelderd."

"Gij zijt onbillijk, lieve moeder!" zeide ik: "waarlijk, gij zijt

onbillijk tegen mij. Ik kan beseffen, dat deze zaak u hindert; maar

dewijl ik u mijn woord heb gegeven, dat uw bezorgdheid ijdel is, mocht

ik toch hopen, dat gij nog vertrouwen genoeg in mij zoudt bezeten

hebben, om met eenige kalmte den loop der gebeurtenissen af te

wachten.--Voorheen, lieve Moeder! was het genoeg, dat ik u eenmaal iets

verzekerde, om er u de vaste overtuiging van te geven. Heugt het u nog,

toen eens de _girandolle_ in de zaal aan gruis was gevallen, en iedereen

beweerde, ik moest het gedaan hebben; want ik had den ganschen morgen in

de kamer gezeten en niemand buiten mij was er geweest, dat gij toen

zeidet: "neen! Ferdinand heeft het niet gedaan; hij zegt het zelf"--En

zou ik sedert dien tijd zoo veranderd zijn, dat er op mijn woord geheel

niet meer te bouwen ware?"

"Ja Ferdinand!" zeide, zij, mij met aandoening omhelzende: "ik geloof u;

want het zou al te afschuwelijk zijn, indien ook deze betuigingen valsch

waren: en echter," vervolgde zij, mij met een weemoedigen blik

aanziende: "gij hebt onlangs een weinig ... gedraaid." Het goede mensch

wilde niet zeggen: _gelogen_. "Maar spreken wij daar niet over," voegde

zij er bij, ziende, dat ik rood werd en haar smeekend aanzag: "dat was

voor het eerst en voor het laatst, nietwaar? O! zeg mij, dat het voor 't

eerst en voor 't laatst was: ik heb er behoefte aan, dit te

gelooven.--Ach! zonder die noodlottige misleiding had ik u nooit

verdacht."

"Moeder!" zeide ik: "gij beschaamt mij te recht: ja! dat was voor 't

eerst, en, God is mijn getuige, het zal ook voor 't laatst zijn. Daar!

deze kus moge u tot bevestiging strekken dat ik deze belofte heilig

houden zal."

"Dat wensen ik," zeide zij: "nu, wij zullen dan het geval laten zooals

het is, en ik zal trachten, mijne bekommernissen te overwinnen. Zoo ik u

verkeerd beoordeeld heb, gij zult het mij niet kwalijk nemen, nietwaar?

Ach! gij weet niet, hoe teeder een moeder aan haar kind gehecht is, en

hoe vele angsten haar hart benauwen, wanneer zij slechts veronderstelt,

dat het van den rechten weg zoude kunnen afwijken."

Hier droogde de beste vrouw haar tranen af, en verliet mij, meer gerust

te mijnen opzichte, dan toen zij gekomen was.

Dienzelfden avond ontvingen wij een afscheidsbezoek van Reynhove, die

aan mijn vader meer omstandig kwam mededeelen hetgeen hij mij reeds met

een paar woorden gezegd had, dat hij naar Den Haag ging en moeite zoude

doen om _geëmployeerd_ te worden.

Er was, had hij gehoord, een bediening opengekomen, waaraan geen

onbelangrijke werkzaamheden verbonden waren, en hij hield zich

overtuigd, dat zijn vader, zijn besluit vernemende, zich daarover

verheugen zou en alle pogingen in het werk stellen, om hem zijn doel te

doen bereiken. "Ik heb," zoo eindigde Reynhoves verhaal, "lang genoeg

als een _oiseux_ meubel rondgeslenterd en UEd. heeft mij doen zien dat

het tijd wordt, iets degelijks bij de hand te nemen."

Het behoeft niet vermeld te worden, dat het voornemen van Reynhove door

mijn vader hoogelijk goedgekeurd werd: mijn moeder wenschte hem

insgelijks allen voorspoed op zijne voornemens: Suzanna zeide lachende:

"Ik weet niet, Mijnheer Reynhove! maar mij dunkt, het zal u vreemd

voorkomen, den dag op een bureau door te brengen met over allerlei

vervelende schrifturen te gapen, en

Omschanst te zitten met papieren,

Die door de slaafsche zinnen zwieren.

Mij dunkt ik zie u daar zitten met een groote pen achter 't oor, een

morslap vol inktvlakken op de rechtermouw, en een aschgrauwen overrok

aan, waar de kantoorlucht niet meer uit te kloppen is."

"Ik zie wel, dat gij nooit naar Den Haag geweest zijt, Santje!" zeide

ik: "gij stelt u de kantoren aldaar voor, gelijk dat van een

Amsterdamsen koopman, waar het licht door de lantaren van de

binnenplaats invalt en men te drie uren al bij de kaars moet zitten.

Neen! ginds gaat het vroolijker toe: men zit in ruime, luchtige kamers,

en de groote bezigheid bestaat er, in de courant te lezen, en te praten

over de nieuwtjes van den dag en om het uur eens een pen te versnijden."

"Wel! hoor mij dat jongmensch eens aan," zeide Suzanna: "die praat over

kantoren en maakt vergelijkingen, en denkt, dat hij het recht heeft om

aardigheden te zeggen, omdat hij een blauwen Maandag in den handel is.

Denk je dan, Ferdinand! dat men in Den Haag niets uitvoert, omdat men er

juist niet den geheelen dag lettertjes zit te kladden en sommetjes zit

te maken, trots den besten schooljongen?"

"Mejuffrouw neemt het zoo goed voor Den Haag op," zeide Reynhove, "dat

ik er niets weet bij te voegen. Maar is het mogelijk, dat UEd. daar

nooit geweest is?--Mij dunkt, de familie moest daar eens eenige dagen

komen passeeren: het zoude mij een innige volupteit zijn, u rond te

leiden en het interessantste te laten zien."

"Ja, indien UEd. dat van papa gedaan kon krijgen," zeide Suzanna, "dan

zou ik u voor den welsprekendsten man uit de Zeven Provinciën houden:

maar daar is geen kijk naar."

"Wacht maar," zeide mijn vader: "als ik eens oud word, en op mijn

muiltjes ga leven, dan zullen wij eens zien wat wij doen."

"Ja!" hernam Suzanna: "als ik zoo lang moet wachten, dan zal ik zelve al

wel te hokvast geworden zijn, om nog uit te vliegen. Wat zijn de mans

toch gelukkig! daar heb je Ferdinand, die is half Europa al rond

geweest, en ik, die evenzoo goed recht had iets anders te zien, ik zal

misschien mijn leven ten einde zien loopen, zonder ooit in Den Haag te

zijn geweest."

"Den Haag zou er het meeste bij verliezen," zeide Reynhove, "maar, als

ik vragen mag: waarom zoude uw broeder u daar niet heenbrengen? dan had

UEd. een Mentor van ondervinding bij u."

"Een mooie Mentor!" riep Suzanna uit: "ik bedank u hartelijk. Wel ja!

met een Broeder te reizen is ook wel een laatste toevlucht! Weet UEd.

dan niet, Mijnheer Reynhove! dat van al de meisjes op den aardbodem er

geene is, waarover men zich minder bekommert, dan over eene zuster?"

"Daar laat gij u onvoorzichtig uit, Santje!" zeide ik; "ik wilde u juist

voorstellen, u in het volgende voorjaar eens derwaarts te brengen; maar,

nu ik dat hoor, zal ik er wel deugdelijk op passen."

"O! Mejuffrouw meent het niet," zeide Reynhove: "ik recommandeer u

ernstig aan, bij die goede intentie te volharden. Het zal u wel

bevallen, en wij zullen alles in 't werk stellen om u een goed accueil

te procureeren."

"Gij ziet, Mijnheer wil ons volstrekt in Den Haag hebben," zeide ik.

"Dat wil ik," zeide Reynhove: "of liever, want het zoude inconvenant

zijn, van mijn wil te praten, ik wensch het vurig."

"Ja," zeide Suzanna: "om als een berenleider met ons rond te loopen en

ons aan de menschen te toonen als iets nieuws, al roepende: "_kijkt!_

menschen! _kijkt!_ Hier heb je den nieuwbakken Amsterdamschen koopman

van het mannelijk geslacht, met zijn zusje, een onnoozel ding, dat nog

van geen toeten of blazen weet. Ja! denk je, dat ik niet weet, hoe men

ginds met onze kleeding en manieren den spot drijft?"

"UEd. is het toch niet, die voor spotternij beducht kan zijn?" vroeg

Reynhove.

"Die kan je in uw zak steken, Santje!" zeide ik.

"Volstrekt niet," zeide Reynhove, eenigszins verlegen over de

uitlegging, die ik aan zijn woorden gaf, "ik bedoelde alleen te zeggen,

dat Mejuffrouw boven alle bespotting verheven is."

"Wat zeggen de Heeren Blaek toch wel over uw spoedig vertrek?" vroeg

mijn moeder, een andere wending aan het gesprek willende geven.

"O!" antwoordde Reynhove: "den ouden Heer heb ik weinig gezien, en die

zal over mijne absentie niet treuren:--en wat Lodewijk betreft...." hier

zweeg hij opeens, en zag mij zijdelings aan.

"Wel!" zeide mijn vader: "ik hoop toch niet, dat gij kwade vrienden

scheidt?--ofschoon ik erken, dat gij beter gezelschap kunt kiezen."

"Neen," antwoordde Reynhove: "'t is maar: ik dacht, dat ik hem goed

kende, en ik zie alweder, dat ik mij in hem bedrogen heb.... ofschoon

deze reis strekt het niet tot zijn schande:--maar ik wil daar liever

hier over zwijgen.--Heeft UEd. al gehoord, dat zijn jacht weer in 't

water is gewerkt, ik zoude het voor een mirakel gehouden hebben; er zijn

toch knappe werklieden hier ter stede:--er is bijna niets aan het

vaartuig beschadigd en het zal met een kleine reparatie weer zoo goed

wezen, als ware er niets gebeurd".

"Er zijn lieden, wien alles medeloopt, tot zij eindelijk het lid op den

neus krijgen," zeide mijn vader.

Na nog een wijl gezeten te hebben, vertrok Reynhove. "Ik weet niet,"

zeide hij, toen ik hem uitliet, "wat ik van Lodewijk denken moet. Hij

was dezen middag louter attentie en beleefdheid jegens zijn cousine, die

heden voor een paar dagen in de stad is, en zeide haar meer _douceurs_,

dan zij anders in een jaar van hem hoort. Zij scheen er zelve verbaasd

over: wat dit voorspelt, weet ik niet; maar het zou mij niet

verwonderen, indien hij eens begon te beseffen, dat het tijd werd, wijs

te worden.--Men bemerkt de waarde van een schat ook nooit beter, dan

wanneer men gevaar geloopen heeft, dien te verliezen."

"In waarheid!" zeide ik: "wat gij mij daar vertelt bevreemdt mij. Ik kan

toch niet denken, dat hij inderdaad oogmerken op haar heeft."

"Noch ik," hernam Reynhove: "maar de zaak is waar en gij kunt er uw

profijt mede doen. Adieu."

Den volgenden dag had ik toevallig, door het afspringen eener

comparitie, welke ik had moeten bijwonen, een uurtje voor den eten vrij,

en Suzanna, die zich reeds menigmalen beklaagd had, dat zij niets aan

mij had, nam die gelegenheid waar om mij met haar naar Tante Letje te

tronen.

"Wel!" zeide deze, toen ze mij zag: "het is goed, dat gij komt, Neef! Ik

had u anders al een boodschap willen sturen. Ik wenschte u eens onder

vier oogen te spreken, wanneer het u gelegen komt."

"Ei! ei!" zeide Suzanna: "mag ik er niet bij wezen? "Nu! dan zal ik zoo

aanstonds maar optrekken: 't is toch hard, dat ik mijn cavalier zoo

spoedig weder verliezen moet: men heeft al moeite genoeg om hem te

krijgen."

"Neen! dat is juist de bedoeling niet," zeide Tante: "maar van avond of

morgen, als 't u belieft."--En zij zette daarbij zulk een statig gezicht

tegen mij, dat ik alweder ook van dien kant een donderbui voorzag.--Ik

was echter gedwongen mijn nieuwsgierigheid op te schorten, en wij zaten,

na eenig onderhoud over verschillende zaken, te luisteren naar het

verslag dat Tante ons gaf van een dierbare predikatie, welke zij in de

weekbeurt een paar dagen te voren gehoord had, toen wij een koets

hoorden stilhouden. Er werd aan de huisdeur gescheld: er kwam iemand de

trappen op: de deur ging open:--en Henriëtte Blaek stond voor onze

oogen. Zij was bevallig gelijk altijd: maar zag toch eenigszins

betrokken van uitzicht, en bleef, toen zij ons bemerkte, onthutst en

verlegen aan de deur staan.

"Kom binnen, Jetje-lief!" zeide Tante Letje: "daar doet gij wel aan,

kind! van mij eens te komen opzoeken."

"Uw dienaresse, Juffrouw Huyck!" zeide Henriëtte, terwijl zij nader trad

met het voorkomen van iemand, die een kloekhartig besluit neemt:

"verschoon mijn vrijpostigheid: de meid zeide, ik zou maar boven gaan:

ik wist niet, dat UEd. bezoek had. Ik kwam u het boek terugbrengen, dat

UEd. mij geleend heeft. Goeden morgen, lieve Santje! hoe gaat het u?" En

zij drukte met minzaamheid de hand van Suzanna. Wat mij betrof, ik

bekwam geen enkel woord: een nijging, zoo stijf en afgepast alsof zij

een onbekende gold, was alles, waarmede zij te kennen gaf, mijne

tegenwoordigheid te hebben opgemerkt: en hoewel een lichte blos haar

wangen kleurde, haar oogen teekenden koele onverschilligheid en geen

trek in haar gelaat veranderde. Suzanna en ik keken elkander aan: wij

wisten niet, waaraan die stijfheid toe te schrijven.

Ik ging een stoel voor haar krijgen; maar zij hield zich, of zij zulks

niet opmerkte en nam plaats op een anderen, die nevens haar stond.

"En hebt gij er smaak in gevonden?" vroeg Tante, het boek aannemende:

"heeft u de lezing nogal gesticht?"--Het waren predikatiën, ik weet niet

meer van wien.

"O ja! mijn waarde Juffrouw!" antwoordde zij: "het is een uitnemend

schoon werk: en mijn oom heeft de goedheid gehad er een exemplaar van

voor mij te koopen."

"Zoo! dat is goed. En hoe maakt het uw Heer oom?--Wèl?--Dat verblijdt

mij hartelijk. En hoe maakt gij het zelve, lieve Jetje? Mij dunkt, niet

zoo wel, als toen ik u de laatste reize zag."

"Integendeel, Mejuffrouw!" antwoordde zij: "ik ben wel, volkomen wel!"

en zij beet zich op de lippen.

"Neen waarlijk!" vervolgde Tante: "UEd. ziet er niet te best uit. Ik kan

het nogal begrijpen: de schrik van dat ongeval op zee bij dien storm zal

u nog door de leden zitten.--Nu! dat is al een gezegende bewaring

geweest! En wel mocht gij zeggen: "laet mij de watervloet ende laet de

diepte mij niet verslinden.""

"Gij hebt er toch geen nadeelige gevolgen van gehad, Mejuffrouw?" vroeg

ik.

"Neen Mijnheer!" antwoordde zij, op een koelen toon: "en ik doe mijn

best, om die gebeurtenis met al haar gevolgen uit mijn geheugen te

wisschen."

Ik was geheel uit de lijken geslagen door deze verklaring, waarvan ik

den zin maar al te wel begreep; en Suzanna keek haar vriendin aan, als

wilde zij zeggen: "hoe heb ik het met u?"--doch Tante, die de bedoeling

van Henriëttes woorden niet opmerkte, nam weder het woord:

"Dat is niet goed, Jetje-lief! Een zoo verschrikkelijke gebeurtenis en

welke zoo duidelijk aantoont, dat de Heere hen niet verlaat, die in nood

tot Hem roepen, moet gij niet moedwillig vergeten; maar zij moet u tot

een spoorslag strekken om uw leven toe te wijden aan Hem, die u behouden

heeft."

"UEd. heeft volkomen gelijk, Mejuffrouw!" zeide Henriëtte: "ik heb mij

slechts verkeerd uitgedrukt: ik gevoel zeer wel, welk een plicht van

dankbaarheid op mij rust en hoop dat nimmer te vergeten."

"Ja!" vervolgde Tante: "dat zware weer heeft al wat schade gedaan: daar

is, hoor ik, bij Colhorn een gat in den dijk geslagen en ik weet niet,

hoe vele duizenden dat aan herstellen kosten zal. Wel is dit wederom een

bezoeking des Heeren en een straf der ontrouwe gemeente, dat zij zulke

ongeloovige en bedrieglijke leeraars en herders beroept, gelijk nog

onlangs heeft plaats gehad in de verkiezing van den Sociniaanschen

Boterbloem, die mede een van dezulken is, "die ydelheyt spreecken ende

leugen sien, ende seggen: de Heere heeft gesproken; daer de Heere haer

niet gesonden en heeft: en daarom zeyt de Heere: ik zal hen door eenen

grooten stormwint in mijne grimmigheyt splijten ende daer sal een

overstelpende plasregen zijn in mijnen toorn, ende groote hagelsteenen

in mijne grimmigheyt, om dien te verdoen.""

"Heden Tante!" zeide Suzanna, met een onnoozel gezicht: "is het de

schuld van Ds. Boterbloem, dat de dijk doorgebroken is? Vader zeide, het

was de schuld van het Dijkcollege, dat met de Vijf Steden overhoop lag."

"En wat is dit anders," vroeg Tante, het gezegde mijner zuster ernstiger

opnemende dan het verdiende: "dan een bevestiging van hetgeen ik zeide?

Zijn dezen niet de mannen, "die ongerechtigheyt bedengken, en die quaden

raet raden in de stadt?--En zijn zij geen blinde leidslieden der

blinden, die de gemeente is haar afval voorgaan?"

"Ik geloof wel, dat UEd. gelijk heeft," zeide Suzanna: "want daar is de

Dijkgraaf Mr. Coenraad van Vlingerhoed, die draagt een bril: de

Secretaris, Jonker van Bitterenvleugel, is zoo bijziende, dat hij mij

laatst op een salet voor Tante Van Bempden aanzag: van de Heemraden

heeft er een de grauwe staar, de tweede is eenoogig, de derde is scheel,

en nummer vier is alle namiddagen zoo dronken, dat hij den weg naar zijn

huis niet alleen kan vinden.--UEd. zegt dus wel te recht, dat het een

blind college is."

"Nichtje!" zeide Tante, eenigszins geraakt: "hoe lange sult gij de

slechtigheyt beminnen, ende de spotterye begeeren." Wat gij zegt, is

bijwijlen zeer aardig; maar wanneer men ernstig spreekt, is het

gekscheren ongepast en onwelvoeglijk. Gij weet zeer wel, dat ik

geestelijke blindheid bedoel en met geene lichaamsgebreken spot, zooals

gij doet."

Suzanna keek eenige oogenblikken vrij zuur: ik zelf was een weinig

verwonderd geweest over haar uitdrukkingen; want, hoe geneigd ook om met

alles te schertsen, was zij nooit gewoon den spot te drijven met

ernstige zaken, of door hare gezegden iemand te ergeren en te

ontstichten. Ik schreef dan ook haar woorden aan de ware oorzaak toe:

namelijk aan wrevel over de koele handelwijze van Henriëtte jegens mij,

dien zij achter een voorgewende luchthartigheid wilde verbergen: en

waardoor zij, gelijk doorgaans in diergelijke gevallen plaats heeft,

scherp in stede van geestig werd. Zij gevoelde echter haar ongelijk:

"Tante!" zeide zij, na een oogenblik zwijgens opstaande en haar een kus

gevende: "vergeef mij: ik sprak zonder nadenken, gelijk mij wel meer

gebeurt. Ik ben ... ik heb iets dat mij hindert."--Hier begon zij te

schreien en zag Henriëtte aan met een verwijtenden blik.

"Neen!" zeide Tante, haar omhelzing beantwoordende: "ik weet het ook

wel, gij behoort niet tot de "spotters onreyne," waarvan in den eersten

Psalm gesproken wordt, noch ook tot de zoodanigen, die de bestraffinge

niet hooren."

"Zullen wij den Heer Blaek ook op het feest bij Tante Van Bempden zien?"

vroeg ik aan Henriëtte: ik dorst haar niet vragen, of zijzelve komen

zoude.

"Ik weet het niet, Mijnheer!" antwoordde zij, op de klok ziende, als

iemand, die vertrekken wil, maar het bezoek toch niet korter wil maken

dan de betamelijkheid vordert.

"UEd. komt toch, Tante?" vroeg Suzanna.

"Ik heb de noodiging aangenomen," antwoordde Tante, "ofschoon ik wel

gewenscht had, dat zuster Van Bempden een anderen dan den dag van

Zaterdag tot deze feestviering had uitgekozen. Het wordt somtijds laat:

en dan is men minder gestemd, den dag des Heeren behoorlijk te vieren."

"Ja! lieve Tante!" zeide ik: "dat is waar; maar UEd. zal met mij

instemmen, dat Mama niet wel haar verjaardag verzetten kon, en dat Tante

bovendien gebruik maakt van de gelegenheid, dat Papa eens uit kan gaan,

daar hij altijd in het midden van de week zoo bezet is."

"Ja dat weet ik," hernam Tante: "maar, naar mijn begrip ware het

voegzamer geweest, dat de plechtigheid ten huize uwer ouders had plaats

gehad; er zouden dan wel zooveel gasten niet hebben kunnen zijn; maar

mij dunkt, op een verjaarfeest behoort ook niemand buiten de naaste

bloedverwanten: en die had moeder wel kunnen bergen."

"Zeg dat maar niet, dat Mama het hoort," zeide Suzanna: "het goede

mensch treurt er al genoeg over, dat er om harentwille zooveel omslag

gemaakt wordt; maar Tante was er zoo op gesteld: en men begreep, dat de

groote en kleine kinderen zich buiten meer dan in de stad zouden

vermaken, enz."

Hier stond Henriëtte op. "Mejuffrouw Huyck!" zeide zij, na een wijl te

hebben geaarzeld, "UEd. zal mij verschoonen; maar ik mag niet langer

blijven: het is later dan ik dacht, en...."

"Wel heden! wilt gij nu reeds vertrekken?" vroeg Tante: "gij zit pas."

"Mijn oom wacht mij: wij eten vroeg, en na den middag weder naar buiten

te rijden: ik durf niet vertoeven."

"Rijdt gij naar huis, Jetje?" vroeg mijn zuster, opstaande, met de

houding van iemand, die een besluit neemt.

"Ja lieve!" antwoordde Henriëtte: "het is wat laat en uit den weg:

anders zou ik u voorstellen om u te huis te brengen; maar ik durf aan de

paarden van oom zulk een omweg niet te laten doen."

"Neen! dat behoeft ook niet," hernam Suzanna: "maar ik wil toch gaarne

een eind met u rijden: ik moet bij Carlin wezen om lint te koopen: dat

is toch in uw weg en gij kunt mij daar afzetten."

"O! zeer gaarne!" zeide Henriëtte, op een toon, die aanduidde, dat zij

het gezelschap van haar boezemvriendin voor deze reis wel zou kunnen

gemist hebben.

"Gij blijft toch nog wat, Neef!" zeide Tante: "dan kan ik u dadelijk

zeggen wat mij op het hart ligt."

"Ik ben tot uw dienst," zeide ik, terwijl Henriëtte afscheid nam en

Suzanna mij in 't heengaan een blik toewierp, die zooveel zeggen wilde,

als dat zij voor mijn belangen zoude waken. Met een zucht zag ik beiden

vertrekken.

Ferdinand Huyck · 第 38 / 51 段