Er zijn weinige ontmoetingen lastiger, dan die tusschen twee personen,

waarvan de een kort te voren den anderen een gewichtig verzoek heeft

afgeslagen. Beiden maken bij die gelegenheid een gek figuur, vooral

wanneer zij overigens van denzelfden stand in de maatschappij zijn en

elkander vroeger op een gemeenzamen voet gezien hebben, zoodat er

althans eenige woorden van beleefdheid gewisseld moeten worden. De een

is dan bang, dat er op het verzoek zal teruggekomen, en dat hem

verklaring of uitlegging zijner handelwijze zal afgevergd worden: hij

vreest, zoo hij te beleefd is, bij den anderen hoop te verwekken op

iets, dat toch niet verwezenlijkt kan worden, en hij wil toch niet, door

lomp te zijn, nieuwe en onnoodige reden tot misnoegdheid verwekken:--de

ander is evenmin op zijn gemak; want bij den wrevel, dien men in hem

over de geleden weigering veronderstellen moet, wil hij niet te beleefd

zijn, uit angst dat men hem van laagheid verdenken zal, en toch wil hij

ook niet, door gebrek aan beleefdheid, de goede kansen, die hij

misschien nog hebben mocht, ten eenenmale verspelen. In mijn geval kwam

hier nog de onaangename omstandigheid bij, dat ik niet wist, of den Heer

Blaek het geval met zijn zoon ten huize van Heynsz bewust was, en zoo

ja, op welke wijze hem zulks voorgesteld was en of ik mij deswege al of

niet moest verontschuldigen.

Hoe dit ware, het bleek mij duidelijk, dat mijn tegenwoordigheid hem

alles behalve aangenaam was. Hij beantwoordde mijn groet met een stijve

buiging, nam geen notitie van den Zaankanter, zette zich, haalde een

zakboekje voor den dag en doorliep eenige papieren, welke hij daaruit

nam. Dit gold zooveel als een wenk, dat hij in geen onderhoud verlangde

te treden: en ik hervatte dus mijn vorige houding, zonder acht op hem te

slaan.

Op deze wijze verliep er een vrij onaangenaam kwartieruurs, en ik

voorzag, dat mijn toestand nog lastiger zou worden, wanneer de derde

man, die zich in 't vertrek bevond, en wiens tegenwoordigheid ons

wederzijdsch stilzwijgen nog eenigszins wettigde, zou binnengeroepen

worden, en ik mij alzoo met den Heer Blaek alleen bevinden. Weldra

scheen dat oogenblik te zullen komen. Ik hoorde de schel van den Notaris

klingelen, den Klerk de trappen ophollen en kort daarop weder beneden

komen, om dengenen, wiens audiëntie was afgeloopen, uitgeleide te doen,

en een nieuwen bezoeker op te roepen. Werkelijk werd de deur van het

vertrek geopend en de stem van den Klerk noodigde Kneel Poppes uit, hem

te volgen.

De Zaankanter rees op, mompelde een goeden avond tegen ons en volgde den

Klerk naar boven. Terzelfder tijd hoorde ik den man, die van boven

gekomen was, zeggen: "met uw verlof! ik heb mijn parapluie in de

zijkamer laten staan."--De spreker trad binnen: en tot mijn spijt

herkende ik in hem niemand anders dan Amelia's vader, met zijn

scharlaken rok en zijn bril.

Hij herkende mij insgelijks, gelijk ik uit een schier onmerkbaar

gefronsel zijner wenkbrauwen opmaakte. Om zijn parapluie te krijgen, die

in een hoek van het vertrek stond, moest hij den Heer Blaek voorbij, die

nog altijd in dezelfde houding was blijven zitten en geen acht op hem

scheen te slaan. Voor hem gekomen, bleef de Heer Bos even staan, hield

het oog op hem gevestigd, deed een stap achteruit en zeide toen met een

duidelijke, doch zachte stem:

"Jacobus Blaek!"

"Frederik Van Lintz!" riep deze, verbleekende, terwijl hij opsprong en

zijn bekende van vroegere jaren met een blik van verbazing en schrik

aanstaarde.

"Ikzelf!" zeide Van Lintz: "ik zie dat gij, in spijt mijner vermomming,

mijn stem nog herkent."

"Maar hoe durft gij...? Lieve God!... bedenk toch...." en de Heer Blaek

scheen hem door een zijdelingschen blik te willen doen opmerken, dat zij

zich niet alleen bevonden.

"O! dat is niets!" zeide Van Lintz, met een glimlach: "de Heer Huyck zal

mij niet verklappen:--en bovendien, ik heb geene keuze en moet de

gelegenheid, nu zij zich voordoet, bij de haren vatten. Er kon voor mij

geene gelukkiger ontmoeting zijn dan deze; want ik had al op de middelen

gepeinsd om een onderhoud met u te hebben."

"Met mij! en wat kunt gij mij toch te zeggen hebben?... Maar spreek toch

zacht om 's Hemels wil! Bedenk, dat uwe veiligheid...."

"Die hangt van u af. Gij alleen kunt mij helpen: gij zult dit doen om

onzer oude vriendschaps wille: om den wille van onzen braven broeder,

die in den Hemel is."

Ik zag, dat de Heer Blaek opnieuw van kleur verschoot. "Zwijg toch, bid

ik u," fluisterde hij: "ik wil u immers gaarne helpen; maar laten wij

ergens anders gaan dan hier!" En hij haalde zijn zakdoek voor den dag om

de zweetdroppelen af te vegen, die langs zijn voorhoofd dropen.

Ik trad nader. "Vergeeft mij, Mijne Heeren!" zeide ik: "ik wil niet

onbescheiden zijn. Ik zal wel even in het voorhuis gaan en u gelegenheid

geven, te zamen te praten. Men zal mij wel zoo aanstonds roepen."

"Ach! wat helpt dat?" vroeg de Heer Blaek, terwijl hij zijn angstige

blikken beurtelings van mij op Van Lintz liet wandelen: "Mijnheer Huyck

heeft toch reeds te veel gehoord!--Hoe kan men zoo onvoorzichtig zijn!"

"En wat is er toch," vroeg Van Lintz, terwijl hij met gekruiste armen

tegen den wand stond, "waarover gij u bekommert? Wie toch in de wereld

kan het u kwalijk nemen, dat gij eenige woorden wisselt met een ouden

kennis, met den zwager van uw broeder? De Heer Huyck weet, zoogoed als

gij, dat ik vogelvrij verklaard ben: en het had slechts van hem

afgehangen, het had hem slechts één woord gekost, om mij mijn vrijheid,

en bijgevolg mijn leven te doen verliezen: maar hij heeft dat woord niet

gesproken, en zal het ook niet spreken.--Van zijnentwege heb ik dus

niets te vreezen: en ik vertrouw, dat hij het u ook niet kwalijk zal

nemen, indien gij mij hoe eerder hoe beter hier vandaan helpt."

"Integendeel!" zeide ik, met overhaasting--"het verblijf van den Heer

Van Lintz, of zooals Mijnheer heeten mag, en dat vervloekte geheim,

hebben mij reeds last en onaangenaamheden genoeg veroorzaakt, en ik zal

den Heer Blaek uiterst dankbaar zijn, indien zijne bemoeiingen daar een

einde aan maken."

"Alzoo," zeide Van Lintz, glimlachende: "zoudt gij u van het bewaren van

ons geheim ontslagen rekenen, wanneer ik eens van hier ware."

"Ongetwijfeld!" antwoordde ik: "dat was immers de afspraak?"

"Voorzeker!" zeide Van Lintz: "maar het zou den Heer Blaek wellicht

onaangenaam zijn, indien men wist, dat hij eenig aandeel in mijn

ontkoming had."

"Waarom zou ik dit uitbrengen?" vroeg ik: "ik hoop, dat de Heer Blaek te

goede gedachten van mij heeft, dan dat hij mij voor een verklikker zoude

aanzien."

"Voorzeker!" zeide Blaek, in blijkbare verwarring: "ik heb uitmuntende,

ik heb de beste gedachten ter wereld van den Heer Huyck; maar,"

vervolgde hij tegen Van Lintz: "is het hier een plaats, om over uwe

zaken te spreken? Kom met mij, naar mijn huis, of...."

"Naar uw huis?" herhaalde Van Lintz: "neen dat niet! Het zou wellicht uw

zoon niet zeer aangenaam zijn, mij te ontmoeten, na de les, die ik hem

gisteravond gegeven heb."

"Hoe! wat!--Zijt gij die Heer Van Beveren, met wien hij die affaire

gehad heeft?... doch gij hebt gelijk; mijn huis is ongeschikt;... maar

ga toch met mij: ik zal een veilige schuilplaats voor u uitdenken. Wij

zullen dat in het rijtuig overleggen. Mijnheer Huyck zal wel zoo goed

willen zijn, mij bij den Notaris te willen verontschuldigen, door hem te

zeggen, dat ik geen tijd had ... of wat hij verkiest."

"Wel! het zij zoo!" hernam Van Lintz: "Mijnheer Huyck! Ik zeg u nog geen

vaarwel; want het schijnt, dat ons noodlot ons, 't zij wij willen of

niet, telkens weder in aanraking wil brengen: en wij zullen elkander

waarschijnlijk nog wel eens ontmoeten."

"Nog slechts één raad neb ik u te geven," zeide ik: "haast u! want een

uur verwijl kan u noodlottig zijn: en daarvan althans kan ik u de

verzekering geven, dat het huis van Heynsz voor u tegenwoordig een

onveilige schuilplaats is."

"En UEd. belooft mij, van deze ontmoeting niet te zullen spreken," zeide

Blaek, zich naar mij toewendende en mij de hand krampachtig drukkende,

terwijl Van Lintz mij met een hoofdknik voor mijn raad bedankte.

"Ik heb u reeds gezegd, dat ik geen verklikker ben," antwoordde ik met

eenigen trots: "en ik herhaal u, wat ik eenmaal aan den Heer Van Lintz

zeide, dat ik slechts dan zal spreken, wanneer mijn plicht het gebiedt."

Ik weet niet of de Heer Blaek zich met deze belofte volkomen tevreden

stelde; doch hij diende er wel genoegen mede te nemen: de beide Heeren

vertrokken en ik zag hen een oogenblik daarna gezamenlijk wegrijden:

waarheen, was mij onbewust.

Weinige oogenblikken daarna kwam de Zaankanter de trappen weder af en

werd ik bij den Notaris binnengelaten.

Ik zal mijn geschrijf niet nutteloos vermeerderen met een verslag te

geven van hetgeen ik met den Heer Bouvelt verhandelde: want hoe dikwijls

zijn naam ook in den loop mijns verhaal genoemd is, en welken invloed

hij onwetend en middellijk uitoefende op de gebeurtenissen, welke ik te

boek stel, zijn deel daaraan was echter van een ondergeschikten of

liever van een verwijderden aard, en hij was in zekere opzichten te

vergelijken met den kaarsenmaker van den Schouwburg, die de verlichting

bezorgt en zonder wien het spel niet vertoond, althans niet gezien zoude

worden; maar die zelf nimmer ten tooneele treedt.--Voor hen echter, wier

nieuwsgierigheid eenigszins door het voorafgaande geprikkeld en thans

teleurgesteld is, wil ik er wel bijvoegen, dat de Notaris Bouvelt een

klein, schraal ineengedrongen ventje was van ongeveer zestig jaren, met

een ziekelijke, saffraangele tronie, een baard van zes dagen en een

knijpbril op den neus, een slaapmuts op het hoofd en een servet daarover

heen; een gebloemde japon met een roode sjerp aan 't lijf, dat lijf

gedoken in een met sits bekleeden leunstoel en de in pantoffels gestoken

voeten rustende op een koperen stoof: dat hij gezeten was achter een

breede tafel, vol schrifturen, akten, drankfleschjes, contracten,

cachoutdoosjes, schepenkennissen en likkepotjes: en dat hij na een vrij

langdurig gesprek, hetwelk hij door herhaalde hoestbuien meer dan eens

gedwongen was af te breken, erkende, dat zijn oudste klerk gedwaald had,

en de akten naar mijn zin of liever naar dien van den Heer Van Baalen

veranderde.

* * * * *

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

HETGEEN LANGER DAN HET VOORGAANDE, EN NIET MEER OF MINDER BELANGRIJK

WEZEN ZAL.

Ik was met een eenigszins luchtiger gemoed van den Notaris teruggekeerd

dan ik bij het heengaan bezat; want de aanwezigheid van Van Lintz daar

ter plaatse had mij doen vermoeden, dat hij de papieren, in welke hij

zooveel belang scheen te stellen, en waarom hij eerst zijn dochter naar

Amsterdam gezonden had en vervolgens zelf gekomen was, eindelijk had

ontvangen en dus geene reden meer bezat om langer in een stad te

vertoeven, waar zijn verblijf hem aan gevaar blootstelde; terwijl aan

een anderen kant de weinige woorden, tusschen hem en den Heer Blaek

gewisseld, mij alle hoop gaven, dat deze zich het lot zijns voormaligen

bekenden zou aantrekken en de noodige middelen in het werk stellen, om

hem over de grenzen te helpen: en, hetzij dit gelukte, hetzij Van Lintz

betrapt werd, ik voorzag, dat in beide gevallen het oogenblik niet verre

meer af was, waarop het mij vergund zou zijn te spreken. Hierbij nog

kwam, dat, even gelijk een minnaar in de kleinste zwarigheid reden vindt

tot bittere ongerustheid en angst, zoo ook de geringste straal van hoop

door hem als de morgenstond eener blijde toekomst verwelkomd wordt: en

de omstandigheid alleen, dat de Heer Blaek mij om geheimhouding verzocht

had van hetgeen er tusschen hem en Van Lintz was voorgevallen, een

omstandigheid, welke hem alzoo in zekere opzichten aan mij verplichtte,

was genoegzaam om mij met de hoop te streelen, dat hij goede gedachten

van mij opvatten zoude, en zich, ingevalle Lodewijk en Henriëtte

afkeerig bleven van het door hem gewenschte huwelijk, niet langer

ongenegen zoude toonen, mijn zielswensch te vervullen. De ondervinding

had mij toen nog niet geleerd, dat verplichtingen van dien aard bij hem,

die ze aangaat, geene genegenheid, maar enkel vrees en zelfs een zekere

afkeerigheid ten opzichte van den verplichter doen ontstaan.

Den achtermiddag van den volgenden dag zat ik op mijn kamer te werken,

toen Helding bij mij werd aangediend. Wrevelig, dat opnieuw iemand uit

dat noodlottige huis van Heynsz zich bij mij vervoegde en door zijn

komst versche aanleiding tot vermoedens wekken kon, beknorde ik de meid,

die hem gezegd had, dat ik thuis was, en stond een oogenblik in beraad,

haar met de boodschap weg te sturen, dat ik bezigheden had en niemand

kon afwachten. Bij eenig verder nadenken echter en gedreven door de

hoop, dat Helding wellicht een welkome tijding zoude brengen, veranderde

ik van besluit en gaf last, hem bij mij te laten.

Hij verscheen dan ook weldra, nam, na eenige buigingen, plaats, en

verhaalde mij, dat hij, vernomen hebbende op welke wijze ik hem thuis

had gebracht, mij daarvoor zijn dank kwam betuigen.

"Wat zal ik u zeggen, Mijnheer Huyck!" zeide hij, eenigszins verlegen en

zijn hoed tusschen de handen draaiende: "ik had wat diep in 't glaasje

gekeken; maar _insanivimus omnes_, gelijk wij op de Latijnsche school

zeiden. Intusschen, ik kan het haast niet verklaren, hoe ik zoo weinig

_compos mentis_ was. 't Is waar, ik had wat hard geloopen: en dan wil

men wel zeggen, dat men daardoor vatbaarder is voor den invloed van

Bacchus.--En dus: van den wijn alleen kan het niet gekomen zijn."

Ik kon niet nalaten, te glimlachen, want ik kende de waardij van

dergelijke verschooningen. Aan welke reden men ook de dronkenschap,

waarin men verkeert, toeschrijve, de wijn heeft er nooit geen schuld

aan.

"Troost u, Monsieur Helding!" zeide ik: "wij waren allen min of meer

onder den invloed van Bacchus."

"Ja," hernam hij: "dat is wel mogelijk: 't was anders goede wijn:

misschien wel wat sterker dan ik gewoon ben. Het spijt mij intusschen

recht; want ik heb daardoor wellicht aanleiding gegeven, dat het

gezelschap spoediger opgebroken is, dan anders het geval zou geweest

zijn. Het was jammer! wij zaten zoo genoeglijk bij elkaar, en die

Officieren waren aardige Heeren en schenen vrij wat kennis en smaak te

hebben in de poëzie.--Zij wisten wat iemand toekwam."

"Dat hebben zij ten uwen opzichte getoond," zeide ik.

Hij zag dit als een compliment aan en lachte witjes--"O verblinding der

vleierij!" dacht ik bij mijzelven.

"Maar," vervolgde hij: "ik heb tot mijn leedwezen gehoord, dat de Heer

Lodewijk bij ons aan huis zoo leelijk is te pas gekomen!"

"Dat is hij," antwoordde ik: "maar het zal beter zijn, dat onderwerp

maar niet aan te roeren."

"UEd. heeft gelijk," zeide hij: "ja, het is wat onbegrijpelijk: er

gebeuren buitendien meer rare dingen bij ons aan huis. Wie had het ooit

kunnen denken? Die Heer Van Beveren...."

"Welnu?" vroeg ik, nieuwsgierig om te vernemen, wat er nu weer gebeurd

was.

"Wel," vervolgde hij: "om met Vader Vondel te spreken:

Hy trock al heimlijck af en zonder eenigh teecken

Van wapen of trompet."--

"Hij trok weg!" riep ik: "Goddank!"

"Met de noorderzon verhuisd," hernam hij, eenigszins verwonderd over den

uitroep van blijdschap.

"En zijn dochter?"

"Neen die is er nog," antwoordde hij: "maar zij zal niet lang meer

blijven: althans Heynsz wil haar niet in huis houden."

"Niet? En wat is er dan voorgevallen?" vroeg ik, eenigszins minder in

mijn schik met dit tweede bericht.

"Dat zal ik UEd. verhalen. Ik was gisteravond bij mijn buurjuffer op een

kommetje koffie genoodigd; want UEd. moet weten, zij verzoekt mij nog

wel eens 's avonds ... en ik heb er altijd vrij entrée ... een eer, die

aan alle Heeren niet gegund wordt. He! he! he!"

"Ja!" zeide ik: "ik begrijp, dat zij zwak voor u heeft."

"Nu! dat is tot daar aan toe," hernam hij: "maar het is in allegevalle

niet in haar te misprijzen, dat zij niet te ijdel is om met een oud man,

als ik ben, wat te keuvelen en zij vindt er smaak in, als ik haar nu en

dan eens een versje voorlees."

Ik was eenigszins verwonderd over dezen smaak van Amelia: maar bij

verder nadenken begreep ik, dat zij, in de afwezigheid haars vaders, na

het voorgevallene liever niet alleen was, en dat het gezelschap van

Helding, al was het niet onder de belangrijkste te stellen, haar toch

altijd eenige gerustheid moest inboezemen.

"En was haar vader niet te huis?" vroeg ik.

"Dat is het mooie," antwoordde hij, glimlachende: "ik zat moerziel

alleen met haar, in _viezevie_, zooals de Franschen zeggen, en ik had

een pijp opgestoken:--ik zou haar juist mijn gedichtje op het Kuiltje

gaan voorlezen, dat aan de Messieurs zoo beviel, weet UEd.?"

"Ik weet al?--En toen?"

"Daar kwam net haar Papa thuis. "Wel Papa!" vroeg zij zoo: "is UEd.

geslaagd in uw bezoek?"--"Ja!" zeide hij: en toen haalde hij een dik pak

pampieren uit zijn rokzak en lei het op tafel. "Ik begon al ongerust te

worden over uw lang wegblijven," zei zij. "Ja!" zei hij, "ik heb nog een

ontmoeting gehad."--En toen keek hij mij zoo schuins aan van onder zijn

bril, alsof hij wilde zeggen: "pak je biezen."--"Ik was juist

voornemens," zeide ik, "aan de Juffer een gedichtje te gaan

voorlezen."--"Ga uw gang," zeide hij. "Monsieur Helding! en laat ik u

niet storen." Ik dacht, de man wil het toch eens hooren; maar daar kwam

niet van: hij haalde een _cassette_ voor den dag, opende het pak, dat

hij medegebracht had, nam eenige pampieren daaruit, die hij weder bij

zich stak, en verborg de rest in de _cassette_, zonder bij dat alles de

minste acht te geven op hetgeen ik voorlas."

"Dat was niet beleefd," zeide ik: "maar inderdaad, het scheen mij dien

avond op uw kransje reeds toe, dat die Heer geen rechten smaak vond in

de poëzie."

"Allesbehalve!--En toen ik gedaan had, in de plaats van toen het een of

ander te zeggen over mijn werk, of mij ten minste voor de genomene

moeite te bedanken, daar draait hij zich op eenmaal naar mij toe, en

zegt: "Monsieur Helding! als UEd. nog van een kommetje koffie gediend

blieft, zoo is het u gegund; maar drink het dan spoedig op: want ik heb

het een en ander met mijn dochter te onderhandelen."--"Och!" zeide ik:

"ik ben niet gaarne tot overlast; dan ga ik liever direct heen.--Want ik

was knorrig. Zie, ik ben doodgoed, maar ik heb niet graag, dat iemand

mij affronteert."

"En ging UEd. toen heen?"

"Nog niet: als UEd. hooren zal. Het mooiste moet nog komen. Terwijl ik

mij gereed maakte om te vertrekken en nog een kommetje aannam, dat

Mejuffrouw Amelia, die het, geloof ik, weer goed wou maken, mij

toereikte, daar komt Heynsz binnen en begint een praatje. "Zoo, Sinjeur

Heynsz!" zei de Heer Van Beveren: "UEd. komt juist van pas: ik moet

hedenavond nog de stad uit," ("ei! ei!" dacht ik) "en wilde u betalen,

hetgeen ik u tot heden schuldig ben, en u meteen verzoeken, zorg te

dragen, dat mijn dochter geene bezoeken meer tegen haar zin

ontvangt."--"Wel! wel!" zei Heynsz: "gaat UEd. heden nog op reis? Zeker

naar Deventer?" voegde hij er bij, met een spotachtig gezicht. De Heer

Van Beveren keek hem aan, als wilde hij zeggen: "dat zijn uwe zaken

niet."--"Wees maar zoo goed," zei hij: "mij uw briefje van verschotten

te geven: dan zal ik u betalen en de maand uit meteen."--"Hm! hm!"zeide

Heynsz: "mag ik u vragen of er nog meer Heeren van uw naam te Deventer

zijn?"--"Gij zijt nieuwsgierig van avond, Sinjeur Heynsz!" zeide de Heer

Van Beveren, met een gezicht alsof hij hem van de trappen wilde gooien,

"'t Is maar," vervolgde Heynsz: "omdat er lieden zijn, die beweren, dat

er nooit iemand van dien naam binnen Deventer bestaan heeft."--"Dat zou

al toevallig zijn," zei de andere: "men vindt die anders overal. Maar

Sinjeur Heynsz! wacht tot gij ten minste Onderschout geworden zijt,

alvorens mij met dergelijke onbescheidene vragen lastig te

vallen."--Daar had UEd. het gezicht van Mejuffer Amelia moeten zien: het

arme schaap werd zoo bleek als een doek. En Heynsz keek ook zuur, dat

beloof ik u; "Mijnheer!" zei hij: "gij moogt dan Van Beveren heeten of

niet, maar al ben ik geen Onderschout, zoo zou er toch een Onderschout

kunnen komen en u vragen doen, die u niet aangenaam waren."--"Sinjeur!"

zei de ander: "als er een Onderschout komt, zal ik hem antwoorden. Aan u

ben ik geen rekenschap verschuldigd. Indien gij werkelijk een zoo knap

verklikker waart als gij voorgeeft te zijn, zoudt gij mij terugbezorgd

hebben hetgeen Zwarte Piet mij ontstolen heeft, of mij althans

aanwijzing daarvan gedaan hebben." Ik sloeg de handen in elkander.

"Heynsz een verklikker!" dacht ik. "Hadt UEd. daar ooit gedachten op

gehad, Mijnheer Huyck?"

"Zoo eenigszins," antwoordde ik glimlachende: "en hoe liep dit af?"

"Wel! Heynsz werd zoo rood als een kalkoensche haan en antwoordde vrij

vinnig, en ik voorzag nog het oogenblik, dat Van Beveren, of zooals de

man dan heeten mag, hem bij de kladden zou krijgen. Maar hij scheen

opeens te bedaren, ging zitten, haalde een schuiertje uit den zak en

begon zich het poeier van den rok te borstelen of er niets gebeurd ware,

zonder verder eenig antwoord te geven. Toen zag Heynsz in, dat hij met

zijn drift niets won en begon een toontje lager: "hoor Mijnheer!" zeide

hij: "ik moet u waarschuwen dat gij een verdacht persoon zijt: en

daarom, zeg mij oprecht, wat gij hier verrichten komt. Als eigenaar van

dit huis, heb ik toch wel eenig recht, dit te vragen."--"Hoor, Monsieur

Heynsz!" zeide de andere: "ik betaal u als een eerlijk man de huur uwer

kamers, en ik weet niet, dat er iets tot mijn last is: en aangezien wij

in een vrij land leven, zoo zie ik niet, dat gij recht hebt, mij te

beletten te gaan, waar ik wil. Bovendien, mijn dochter blijft hier,

althans zoolang zij niet beter vinden kan. Ik ga dus hedenavond heen, en

gij kunt gerust uw spionnen uitzetten en mijn gangen laten nagaan; maar

thans, verzoek ik, van uw verder bijzijn ontslagen te worden. Gij zult

dan wel met mijn dochter afrekenen."--Heynsz scheen nu te begrijpen, dat

hij niet verder komen zou, mompelde wat binnensmonds en ging heen,

zoowel als ik:--en, zooveel als ik hedenmorgen vernomen heb, is die Van

Beveren met de nachtschuit naar Utrecht vertrokken."

"Ik wensch hem goede reis," zeide ik, eenigszins verbaasd over de

stoutheid en ondoorzichtigheid van Van Lintz, dat hij aldus vertrokken

was, met een gelegenheid, waarbij hij niet kon missen bespied en

achtervolgd te worden.

Het overige van ons gesprek was onbeduidend; althans het verdient hier

niet opgeteekend te worden. Voor Helding vertrok, bad hij mij, mijn

vader nog eens te willen herinneren aan de hem beloofde nasporingen

omtrent het lot zijner ongelukkige dochter.

"Dat wil ik gaarne doen," zeide ik: "maar het behoeft niet. Wat mijn

vader eens voorneemt en belooft, dat vergeet hij niet: heb dus maar

geduld, vriend Helding! gij zult de verlangde narichten bekomen. God

geve, dat zij tot een gelukkig einde mogen strekken."

Nauwelijks had Helding mij verlaten, en nog zat ik te peinzen over het

medegedeelde nieuws, toen de deur mijner kamer zachtjes openging en ik

in den tegenover mij geplaatsten spiegel mijn moeder herkende, die bleek

en bezorgd van uitzien, met langzame schreden naar mij toekwam.

"Was het Monsieur Helding niet, die daar uitging?" vroeg zij, terwijl

zij met de eene hand, waarin zij een open brief hield, op den rug van

mijn stoel leunde, en met de andere zich een traan uit het oog wischte.

"Dezelfde, Moederlief!" zeide ik, rood wordende.

"Wat had die nu weer te vertellen?" vroeg zij, met een ontevreden blik.

"Hij kwam mij bedanken, omdat ik hem laatst te huis gebracht heb, toen

hij te veel gedronken had."

Ferdinand Huyck · 第 37 / 51 段