"Wel!" zeide Velters: "UEd. weet dan, op welke lage wijze de Heer

Lodewijk Blaek mij misleid heeft. Hij dacht voorzeker, dat, omdat ik in

zekere opzichten van zijn vader afhankelijk ben, hij met mij zou kunnen

handelen gelijk de leeuw met zijne jachtgezellen; maar, toen ik de ware

toedracht der zaak vernam, zegevierde mijn verontwaardiging boven alle

andere bedenkingen en liep ik naar een Advocaat om raad te vragen. Deze

stelde mij voor oogen, hoe dwaas het zou zijn tegen een vermogend man te

procedeeren, ik, de aarden pot tegen den ijzeren. Zijn taal overreedde

mij: ik besloot, hoe ongaarne ook, mijn wraakzucht op te geven, en dacht

aan de zaak niet meer; dan, hedenmorgen vroeg ontving ik een

uitnoodiging om mij aan het kantoor van den Heer Hoofdschout te

vervoegen. Ik kwam daar op den bepaalden tijd, meldde mij aan en werd

terstond bij uw Heer vader binnengelaten, waar ik ook den schelmschen

Jaspersz vond, die nu, door de scherpe ondervragingen van den Heer

Hoofdschout gedrongen, alles moest opbiechten. Uw Heer Vader vroeg mij

toen, of ik mijn geld terugbegeerde, dan of ik vreesde, dat zulks mij

nadeel in mijne betrekking zoude doen. Ik aarzelde een oogenblik; doch

de zucht om te toonen, dat geene vrees voor geldelijke schade mij

verhinderde mijn recht te zoeken, en de hoop, dat alle eerlijke lieden

mijne partij nemen, en mij daarom hunne klandizie niet ontzeggen zouden,

deden mij besluiten, aan Z.-Ed.-Gestr. te antwoorden, dat ik mijn geld

gaarne terug zou bekomen. Toen Z.-Ed.-Gestr. dit hoorde, gelastte hij,

dat de Heer Lodewijk, die mede ontboden was en in een ander vertrek

toefde, zou worden binnengeroepen. Hij kwam en stond eenigszins

beteuterd geloof ik, van mij en Jaspersz daar te zien. Uw Heer vader

stelde hem op een treffende wijze het schandelijke van zijn gedrag voor

oogen en besloot met hem te zeggen, dat hij de som terug moest geven of

de gevolgen van een proces wegens oplichterij afwachten. De jonge Heer

bromde en pruttelde wel wat; doch beloofde eindelijk zulks te doen. Hij

liet zich bij die gelegenheid ontvallen, dat UEd. het zeker waart, die

den Heer Hoofdschout tegen hem had opgezet door de zaak te

verdraaien.--Daaruit nam ik aanleiding om UEd. te houden voor dengenen,

die mijne voorspraak bij Z.-Ed.-Gestr. waart."

"Gij hadt het beiden mis," zeide ik: "de Hoofdschout behoeft niet door

zijn zoon onderricht te worden, om te weten, wat er omgaat: en er is

geene voorspraak bij hem noodig om hem rechtvaardig te doen handelen."

"Maar dit is niet alles," vervolgde Velters: "in 't heengaan herhaalde

de Heer Lodewijk, dat hij zeer wel wist, aan wien hij dit alles te

danken had, en dat niets dergelijks hem verwonderde van iemand, die hem

in een vreemd huis lokte, om hem te mishandelen."

"Hoe! meende hij mij?" riep ik uit, ontsteld en verontwaardigd tevens.

"De Heer Hoofdschout vroeg hem terstond, wat die woorden te beduiden

hadden, en zeide, dat, zoo hij een klacht had in te brengen, al ware die

tegen zijn eigen zoon gericht, hij daarmede dan terstond voor den dag

moest komen. De Heer Blaek scheen zich nu een wijl te bedenken, en zeide

vervolgens, dat hij de zaak liever blauw blauw zoude laten."

"Dat geloof ik wel," hernam ik: "hij kan door laster mij meer nadeel

doen dan door een loyale aanklacht."

"Vervolgens," zeide Velters: "vroeg hem Z.-Ed.-Gestr., wie hem

gisteravond, ten huize van den Portretteur Heynsz van de trappen

gesmeten had, en of UEd. dat gedaan had."

"Hoe mijn vader wist dit reeds?----maar waarover verwonder ik mij?"

"Mijnheer!" zeide Blaek toen: "ik beschuldig voor alsnog niemand; maar

uw zoon heeft zich niet zoo gedragen, gelijk ik van een fatsoenlijk man

verwachtende was. Zoo UEd. mijn knecht verkiest te hooren, zal deze u

zeggen, dat uw zoon hem verhinderde mij ter hulpe te komen, terwijl een

ander mij in de borst greep en mishandelde."

"Die ellendige!" riep ik: "voorzeker, als de zaak op die wijze wordt

voorgedragen, moet mijn handelwijze vreemd en berispelijk schijnen."

"Z.-Ed.-Gestr. antwoordde niet; maar, na zich een korten tijd bedacht te

hebben, zeide hij: "Mijnheer Blaek! wij zullen deze zaak nader

onderzoeken: en hoe dat onderzoek afloope, wees verzekerd, dat wij UEd.

recht zullen doen wedervaren."--Daarmede kreeg de Jongeheer zijn

afscheid.--Maar toen kwam er nog wat, en ik vrees daarbij verkeerd

gehandeld te hebben. Uw Heer vader vroeg mij, zoodra wij alleen waren,

of ik UEd. kende. Ik antwoordde toestemmend." "Ja!" zeide Z.-Ed.-Gestr.:

"ik weet, gij hebt te zamen een avond bij Monsieur Helding doorgebracht.

Vergun mij, u eene vraag te doen. Is UEd. het niet, dien hij naar huis

heeft gebracht?"--"Ed.-Gestrenge!" antwoordde ik, eenigszins verwonderd;

"die eer heb ik niet gehad: uw zoon is vroeger vertrokken."

"Ach!" zeide ik: "daar begint de straf van mijn logen."

"Het ernstig gelaat van uw Heer vader," vervolgde Velters, "liet geen de

minste verandering bespeuren: en toch was het mij, toen hij mij zeide,

dat ik afgedaan had, alsof zijne stem mij te kennen gaf, dat hij

ontevreden was: en ik gevoelde, dat ik UEd. een kwaden dienst gedaan

had, door de waarheid te spreken. Dit smertte mij:--maar ik mocht toch

niet liegen:--en nu meende ik, ware het best, UEd. vooraf te waarschuwen

van het voorgevallene, ten einde UEd. in staat te stellen, van naar

bevind van zaken te handelen."

"Het is waar," zeide ik, na eenig stilzwijgen, "gij hebt mij een

slechten dienst gedaan; maar God beware mij van te wenschen, dat gij om

mijnentwille aan de waarheid zoudt hebben te kort gedaan. Ik heb,

ofschoon om bestwil, mij met een logen moeten behelpen, en dien er thans

de gevolgen van te dragen.--Maar wij naderen ons huis! laten wij hier

afscheid nemen: het zou ook u in onaangenaamheden kunnen wikkelen, zoo

men ons thans bijeen zag. Geloof, dat ik u dankbaar blijf voor den

dienst, mij door u bewezen:--al is die dienst genoegzaam geweest, om mij

mijn eetlust voor dezen middag te benemen."

Velters verliet mij en ik kwam in een vrij onaangename stemming te huis.

Nauwelijks dorst ik de oogen opslaan toen ik binnentrad: mijn vader was

ernstig en sprak weinig: mijn moeder zuchtte, zag mij nu en dan met een

weemoedigen blik aan, en ik kon duidelijk aan haar gezwollen oogen

bemerken, dat zij geweend had. Mijn zuster Suzanna deed in den beginne

eenige pogingen om het gesprek gaande te houden; doch zij bemerkte

alras, dat zij zich vruchtelooze moeite gaf, en onze afgetrokkenheid,

althans die van mijn moeder en de mijne, waarschijnlijk toeschrijvende

aan verdriet over het mislukken mijner vrijage, hield zij af en zweeg;

zoodat ons middagmaal, zonder de kinderen, die nu en dan hun stem

verhieven, veel op een Trappisten-vergadering zoude geleken

hebben.--Zoodra het nagebed was gedaan, rees mijn vader op en zeide tot

mij, dat het hem aangenaam zoude zijn, mij een oogenblik te spreken,

indien namelijk mijn kantoorzaken--"of andere bezigheden," voegde hij er

op een schamperen toon bij, "mij den tijd tot een kort onderhoud

vergunden."

Ik betuigde, dat ik tot zijn dienst was en volgde hem met een kloppend

hart naar zijn studeervertrek. Aldaar gekomen, nam hij plaats en

verzocht mij te gaan zitten, met een plechtigheid, die mij tot een

slecht voorteeken strekte van hetgeen volgen zoude. Zijn gelaat stond

strak als gewoonlijk: maar, behalve dien trek van ernst, was er in de

bijna onmerkbare beweging van het oog en in de opgetrokken hoeken van

den mond een uitdrukking van droefheid te lezen, die getuigde, dat zijn

ziel meer leed, dan hij verlangde dat zou opgemerkt worden.

"Mijnheer!" zeide hij, na mij gedurende eenige oogenblikken te hebben

aangezien, als had hij in het diepste mijns gemoeds willen lezen: "ik

begin zeer goed te begrijpen, dat de Heer Blaek uwe verdere kennismaking

met zijn pupil niet heeft willen toelaten: en het doet mij leed, dat ik

mij door de gebeden uwer goede moeder tot den dwazen stap, dien ik deed,

heb laten bepraten."

"Hoe dat, Vader?" vroeg ik, bevende: "een dwaze stap!... Ik begrijp u

niet."

"Ik prijs den voorzichtigen man," vervolgde mijn vader, "die het hem

toevertrouwde pand niet wil overgeven aan iemand, wiens gedrag niets dan

ongunstige waarborgen oplevert voor het toekomstig geluk zijner gade."

"Mijn gedrag!" herhaalde ik, verblijd over de gedachte, dat ik mij ten

minste van die zijde onschuldig gevoelde: "wat kan de Heer Blaek mij te

verwijten hebben?"

"Hoe, Mijnheer!--Iemand, die zich niet schaamt, op den dag zijner

terugkomst bij zijn ouderen, den dag, waarop zijn hart alleen vervuld

behoorde te zijn met reine en betamende gedachten aan het geluk, dat hem

te beurt viel, van zijns vaders huis en zijne betrekkingen in gezondheid

terug te zien, die, zeg ik, op zulk een dag zich niet schaamt, een

_maitres_ met zich te brengen en te kameren! die gedoogt, dat zijn vrome

en niet ergdenkende Tante in kennis komt met een slecht voorwerp: die,

om zijn bezoeken bij haar te bewimpelen, mij wijs maakt, dat hij

nachtwandelingen met Velters doet: die, van een dronkenmanspartij

terugkeerende, een mede-vrijer van de trappen laat smijten!...

quem frangere postes

Non pudet, et rixas inseruisse iuvat.

Gij ziet dat ik van alles onderricht ben... en die, onder de bedrijven,

zich nog inbeeldt, dat hij aanspraak op de hand van een fatsoenlijk

meisje kan maken!--Ferdinand! Ferdinand! hoe diep zijt gij gevallen!

Tantane te, fallax! cepere oblivia nostri?"

"Vader!" zeide ik, met zooveel bedaardheid als ik machtig kon blijven:

"Van al wat UEd. daar opnoemt is er slechts ééne aantijging, waarop ik

schuld bekennen moet:--namelijk, dat ik u voorgelogen heb betreffende

mijn wandeling met Velters.--Wat mijn kennis betreft aan de Juffer, die

bij Heynsz logeert,--deze schaam ik mij niet. UEd. hadt mij beloofd,

daarnaar niet meer te vragen."

"Dit had ik gedaan, omdat ik een vast vertrouwen stelde in uw

oprechtheid en in uw godsdienstig gevoel.--Maar nu gij eenmaal, en gij

bekent het zelf, mij bedrogen hebt in één punt, hoe wilt gij dan, dat

ik, in het overige, staat make op de woorden van iemand, _quem non

periuria terrent_? Is het nu mijn plicht niet, als vader, die zijn zoon

moet terughouden, wanneer hij hem met rassche schreden den weg ten

verderve ziet inslaan, en als Hoofdschout, die voor de goede orde in de

stad moet waken, een perk te stellen aan dergelijke ongeregeldheden?"

"Ik ben wel te beklagen," zeide ik: "te meer, omdat mijn verdediging zoo

gemakkelijk mogelijk zou zijn, indien mij niet een heilige, maar

noodlottige plicht het spreken verbood."

"Het is genoeg, Mijnheer!" zeide mijn vader, oprijzende: "ik weet

dergelijken kinderpraat op zijn waarde te schatten. Voortaan zullen uwe

gangen worden nagegaan, daar kunt gij op rekenen. Als vader zal ik zorg

dragen, dat gij mijn eerlijken naam geen verdere schande aandoet: als

Hoofdschout zal ik waken, dat gij de goede orde in deze stad niet weder

verstoort.--Gij hebt afgedaan: ik wil u niet langer ophouden."

"Neen, mijn vader!" riep ik uit, oprijzende en hem de hand drukkende,

die hij niet gaf noch terugtrok, maar bewegingloos in de mijne liet:

"zoo kunnen wij niet scheiden: ik moet ten minste de hoop medenemen, dat

UEd. eenmaal mijn gedrag beter beoordeelen zult."

Hier werd aan de geheime deur getikt: het was het sein van Heynsz.

"Wacht een oogenblik!" riep mijn vader, snel het hoofd omwendende: "maar

neen!" vervolgde hij, zich bezinnende: "het is beter zoo!--binnen!"

Hij ging weer zitten. Heynsz trad de kamer in en zag mij eenigszins

verwonderd aan.

"Ga gerust uw gang," zeide mijn vader: "gij kent mijn zoon. Welk nieuws

is er?"

Heynsz nam zijn boekje en begon te lezen:

"N°. 1. De zielverkoopers op den Zeedijk hebben opgelicht twee knapen,

die bezopen kwamen uit een nachthuis. Het zijn lichtmissen, daar niets

aan is bedorven en die geteekend zijn met een zwarte kool."

"Om 't even!" zeide mijn vader: "er moet huiszoeking gedaan worden bij

dat volkje, en de beide knapen zoowel als de zielverkoopers morgen voor

mij gebracht worden.--Verder!"

"N°. 2. De zoon van de Weduwe Lette is geprest door de zielverkoopers

van de O.-I. Compagnie. 't Is wel jammer! Zulk een oppassende

jongen:--de eenige kostwinner zijner moeder!"

"'t Is jammer!" herhaalde mijn vader, het hoofd schuddende: "maar hier

valt niets aan te doen. Zorg mij de woonplaats der Weduwe en hare

bestaansmiddelen te doen weten. Het is niet meer dan billijk, dat de

O.-I. Compagnie haar onderhoude, nu zij haar haren zoon neemt."

Ondanks de kwellingen, die mij bezig hielden, kon ik niet nalaten, een

onaangename gewaarwording te gevoelen bij de gedachte, dat gewone

zielverkoopers streng gestraft werden, terwijl de menschenroof, voor

rekening der Compagnie gepleegd, onverhinderd zijn gang mocht gaan: en

ik had een zucht over voor de arme Weduwe, aan wie men het verlies van

een zoon met een geldelijke schadeloosstelling zoude denken te

vergoeden.--En dan nog was ik verzekerd, dat het niet de Compagnie, maar

mijn vader zoude zijn, van wien zij die aalmoes zoude bekomen.

Heynsz vervolgde zijn lijst:

"N°. 3. Men is voornemens te bestelen hedenavond het pakhuis van de Wed.

Pietersz en Comp. Een der dieven heeft zich laten opsluiten daarin, en

zal de klokke 12 uren zijn makkers daar binnenlaten."

"Wij zullen zorgen," zeide mijn vader, "dat zij er niet alleen hun maat,

maar ook nog een behoorlijk aantal dienaars in vinden."

"N°. 4. Het gouden horloge van den slachter Fleischhauer is terugbekomen

bij Mozes Nathans. Hij had het van Fleischhauers eigen zoon gekocht, die

van zijn vader zeker te weinig ontvangt om te verslempen."

"De Jood en de jongeling beiden zullen een plaats in 't Spinhuis

bekomen. Geen genade voor een zoon, die zijn vader bedriegt.--Is er

niets meer?--Niets van den Vliesridder?"

"Niets: ofschoon hij zich naar alle gedachten nog hier, of in de buurt

moet ophouden; want er is weer geld voor hem uit de Bank gelicht, gelijk

onze spion bij de Bank mij verteld heeft. Het is onbegrijpelijk, dat wij

hem niet op het spoor komen."

"Vrij onhandig zeker: en zoo ik u niet beter kende, Heynsz, zou ik

waarachtig denken, dat de Vliesridder u omgekocht heeft.--Is er niets

meer?"

"Niets, Ed.-Gestrenge! buiten eenige zakkenrollerijen op den

Haarlemmerweg gisteravond gepleegd, bij gelegenheid eener harddraverij."

"Niets anders?"

"Waarlijk niets," antwoordde Heynsz, zijn zakboekje naziende.

"Niets?--Ei! Ei! dan is het mijne beurt," zeide mijn vader, hem scherp

aanziende: "N°. 1. Er heeft gisteravond ten huize van Zacharias Heynsz

een twist plaats gehad, ten gevolge waarvan de Heer Lodewijk Blaek van

al de trappen is gesmeten.--Monsieur Heynsz, die zoo goed bekend is met

al wat in de stad omgaat, schijnt dus niet te weten, wat er in zijn

eigen huis gebeurt."

"Edel-Gestrenge!" stamelde Heynsz, terwijl hij mij verlegen aanzag: "met

uw permissie. Die zaak heeft gehad geen gevolgen. Ik achtte het niet

waardig de moeite, daarvan te spreken."

"Dat staat u niet te beoordeelen. Wie heeft aanleiding tot dat rumoer

gegeven? Nu! kijk mijn zoon maar niet aan.--Antwoord zonder omwegen."

"Edel Gestrenge! Ik weet waarachtig weinig of niets van de zaak af. Ik

was niet te huis, en dacht, toen ik vernam wat er had plaats gehad, het

ware best, dergelijke gevalletjes, waar jongelieden van de eerste

familiën in betrokken zijn, maar niet te fijn uit te pluizen."

"Zoo! dus denkt uwe wijsheid, dat er een andere schaal bestaat, waarin

de eerste, als waarin de mindere klasse behoort gewogen te worden?--Maar

ik ben nog niet ten einde.--N°. 2. De gezegde Zacharias Heynsz geeft

huisvesting aan verdachte personen, en schaamt zich niet oogluikend te

dulden, dat zekere Juffer, die een kamer tot zijnent betrokken heeft,

bezoeken ontvangt van jonge losbollen."--Hier zag mijn vader mij

veelbeteekenend aan.

"Met uw verlof, Edel-Gestrenge! kan ik kwaad denken van een Juffer, die

is vereerd geworden door UEd. Gestrengen zoon met zijn bezoeken, en

bekend is bij Mejuffer uwe zuster? En bovendien, wat heb ik er mede te

maken, sedert haar eigen vader gekomen is en mede bij mij inwoont? Laat

elk zorgen voor de zijnen. Ik kan den man geven geen ongelijk, zoo hij

gooit den Heer Blaek van de trappen, omdat die dringt in zijne kamer.

Elk moet wezen vrij in zijn huis."

"Voorzeker!" zeide mijn vader. "Hoe heet uw logeergast ook?"

"De Heer Van Beveren uit Deventer."

"N°. 3. Zacharias Heynsz huist iemand, die zich Van Beveren uit Deventer

noemt, zonder te onderzoeken, of er een zoodanige persoon bestaat.

Intusschen kan ik hem verzekeren, dat, volgens mijn berichten, zoodanige

naam en zoodanige persoon te Deventer onbekend zijn."

"Onbekend!" herhaalde Heynsz, met verbazing: "en de Notaris Bouvelt

heeft mij nog wel aanbevolen die lieden."

"Pas maar op," zeide mijn vader: "is, _qui fugitivum celavit, fur est_.

Maar misschien zal mijn zoon u den waren naam van die personen wel

kunnen aan de hand doen."

"Ik ben geen verklikker," zeide ik, wrevelig: "en al wist ik de geheimen

van dien vreemdeling, het zou een laagheid zijn, die te openbaren. Dit

kunt gij niet eischen, mijn vader!"

Mijn vader zag mij lang en scherp in 't gezicht;--maar omtrent dit punt

althans was mijn geweten zuiver en wist ik, dat ik naar behooren

handelde en de oogen niet behoefde neder te slaan. Na een langdurig

stilzwijgen hervatte hij:

"Er schuilt hier iets achter, dat ik niet begrijp.--Intusschen,

Ferdinand! ofschoon ik vooralsnog wil gelooven, dat gij minder schuldig

zijt, dan ik waande, mag ik niet nalaten, zoodanige maatregelen te nemen

als de omstandigheden vorderen. Heynsz! gij zorgt, dat ik in alles van

de gangen uwer huisgenooten onderricht worde, en tevens houdt gij ook

mijn zoon in 't oog. Zoodra gij iets bespeurt, dat u verdacht voorkomt,

zult gij er mij van onderrichten. Bemerk ik, dat gij voor mij de minste

kleinigheid verzwijgt, dan heb ik voor 't vervolg uwe diensten niet meer

noodig."

"Hoe, mijn vader!" riep ik uit: "het is op een blooten schijn, dat UEd.

mij gelijkstelt met misdadigers, waarvan het ergste te wachten is. Ik

bid u, laat Heynsz nog een oogenblik blijven. Hij kan getuigen, of ik

meer dan driemalen te zijnen huize ben geweest, en of niet telken reize

Helding de oorzaak mijner komst was, terwijl slechts toevallige

omstandigheden mij met dien vreemdeling of zijn dochter in betrekking

gebracht hebben."

"Ik heb u reeds te kennen gegeven, dat ik mijn oordeel wederom

opschort," zeide mijn vader: "zoo gij onschuldig zijt, hebt gij niets

van een onderzoek uwer daden te vreezen: en zoo gij verkeerd gehandeld

hebt, welnu! gij zijt gewaarschuwd voor het vervolg.--Maar ik houd u

niet langer op: men zal u reeds wachten aan het kantoor."

Hier viel niets op te antwoorden: ik groette, verwijderde mij met een

beklemd hart en ging naar het kantoor.

"Aha!" zeide de Heer Van Baalen, zoodra hij mij gewaarwerd: "ik wachtte

u reeds met ongeduld. Gij moet mij en u zelf een dienst bewijzen, en

even naar den Notaris Bouvelt wandelen. Hij is beter, en ik weet, dat

hij reeds menschen gesproken heeft. Gij moet u niet laten afschrikken

door een afwijzende boodschap en u vooral niet tevreden stellen, zoo men

u zegt, dat de eerste Klerk u wel helpen zal."

"Naar den Notaris Bouvelt!" herhaalde ik: "en wat moet ik hem

vertellen?"

"Ziehier de zaak: hij heeft altijd onze volmachten opgemaakt op onze

vrienden van over zee. Heden heb ik die wederom als naar gewoonte

ontvangen: maar zoo het mij voorkomt zijn er abuizen in, en is men

althans, ik weet niet om welke reden, van het gewone formulier

afgeweken. Ziehier de stukken. Gij, die gestudeerd hebt, zult mij wel

kunnen zeggen, of ik gelijk heb."

"Dat is nog niet zeker," antwoordde ik: "want tusschen theoretische en

practische kennis bestaat een groot verschil. Een rechtsgeleerde, al is

hij een Bijnckershoeck, zal somtijds in dergelijke stukken een flater

over 't hoofd zien, die een kantoorklerk ontdekken zal.--Maar laten wij

de volmachten eens doorloopen."

Ik zette mij naast Van Baalen neder, terwijl deze mij, onder 't lezen,

de verkeerdheden aanwees, welke hij in de opgemaakte stukken meende te

vinden. Ik kon niet nalaten, mij, in de meeste opzichten, met zijn

gevoelen te vereenigen.

"Ik begrijp zeer goed, waaraan die abuizen moeten worden toegeschreven,"

zeide Van Baalen: "gedurende de ziekte van den Notaris heeft zijn eerste

Klerk die stukken gesteld, en Bouvelt, te zwak van hoofd om dat alles

over te lezen, heeft maar op goed geloof geteekend. Intusschen moet dit

geredresseerd, en wel spoedig; want Pulver wacht er op en kan zonder dat

niet vertrekken. Eilieve! wees dus zoo goed, en ga zelf naar den

Notaris. Het is beter dat UEd. er heengaat, dan ik of een ander; want uw

titel als Meester in de Rechten zal nog eenigen invloed bij hem hebben,

ingeval hij eens koppig ware en geen ongelijk wilde erkennen."

"Ik ga," zeide ik, "ofschoon ik geloof, dat hij nog meer deferentie

zoude hebben voor uwe opinie dan voor de mijne.--Maar UEd. zal mij een

parapluie moeten leenen: want ik zie, dat het frisch is begonnen te

regenen, sedert ik hier ben."

"Van harte gaarne.--Wil ik anders de koets ook laten inspannen."

"Ik dank u wel," zeide ik: "dat houdt maar op.--Tot straks; want ik zal

u bescheid komen brengen."

Ik ging dan op weg, bij mijzelven de zonderlinge grillen van mijn lot

overdenkende, waardoor alles, wat ik hoorde of verrichten moest, zich op

deze of gene wijze in verband stelde met den Heer Bos of zijne dochter.

Ik was niet ongelijk aan iemand, die zich in een sterrebosch bevindt,

en, welke laan hij ook insla, altijd den grooten boom of het standbeeld

voor oogen heeft, waar al de lanen op uit loopen. Met dat al gevoelde ik

eene zekere nieuwsgierigheid, om dien Notaris te zien, wiens naam ik in

de laatste dagen zoo dikwerf had hooren noemen, en aan wien ik niet

denken kon, zonder mij een machtigen toovenaar voor te stellen, die den

sleutel bezat der ingewikkelde geheimenissen, welke mij zooveel kwelling

veroorzaakten, en door zijn wil in staat zoude zijn, de ontknooping te

bewerken dier voor mij zoo lastige raadsels. Want dat dit bezoek,

hoezeer ten gevolge van zeer prozaïsche en alledaagsche

beroepsbezigheden afgelegd, wederom aanleiding zoude geven tot nieuwe

verwarring in het drama, 't welk ik onwillig medespeelde, daar aan

twijfelde ik geen oogenblik: en de uitkomst deed zien dat mijn

voorgevoel mij niet bedroog.

* * * * *

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VERMELDENDE WAT ER TEN HUIZE VAN DEN NOTARIS BOUVELT VOORVIEL.

De kantoorbediende van den Notaris, die mij de deur opendeed, liet mij,

nadat ik mijn naam en betrekking genoemd, en hem verklaard had, dat ik

zijn Patroon persoonlijk spreken moest, een zijvertrek binnen, hetwelk

tot spreekkamertje diende, en waar hij mij verzocht mijne beurt af te

wachten. Ik vond aldaar slechts één persoon aanwezig, wien ik aan zijn

duffelsch gewaad, aan zijn vierkanten lichaamsbouw, aan de stevige

wijze, waarop hij met de knieën wijd van elkander en de handen op de

knieën gezeten was, en vooral aan het in een bont geruiten doek geknoopt

pakje, dat tusschen zijn beenen lag, voor een Zaankanter, althans voor

iemand van de overzijde van het IJ herkende. Hij beantwoordde mijn groet

als een Chineesche Mandarijn, namelijk met een hoofdknik: en

vermoedende, dat er geen heil uit een onderhoud met dit lomp stuk

vleesch te halen ware, ging ik voor het raam staan, en keek, zooveel de

tegen de ruiten kletterende regen zulks gedoogde, naar de

voorbijgangers. Nauwelijks had ik eenige minuten aldaar doorgebracht, of

een rijtuig hield voor de deur stil, waarvan ik de kleur en livrei

spoedig genoeg herkende. Ik zag, nadat er gebeld en opengedaan was, den

Heer Jacobus Blaek uit het portier stijgen en een oogenblik later het

vertrek binnentreden.

Ferdinand Huyck · 第 36 / 51 段