"Met genoegen," zeide Lodewijk: "indien Huyck mij naar behooren excuus

wil vragen voor de onbehoorlijke taal, die hij zich tegen mij heeft

veroorloofd."

"Ik geloof," zeide ik, "dat mijne uitdrukkingen gematigd genoeg zijn

geweest, en kan geene verschooning vragen voor hetgeen ik op goede

gronden gezegd heb. Dit alleen wil ik verklaren, dat ik geen oogmerk

had, u te beleedigen, maar alleen de eer van Mejuffrouw uwe nicht tegen

alle blaam te handhaven."

"Die reparatie moet u genoeg wezen, Blaek!" zeide Reynhove: "kom! wees

geen kind en begin geen dispuut, waardoor gij u-zelf een ridicule zoudt

geven.--De eer van een jong meisje is een teeder punt en behoort niet

zoo lichtvaardig onder een glas wijn gecompromitteerd te worden."

"Ach ja!" zeide Helding, terwijl Lodewijk, hoezeer onwillig, het glas

aannam, dat Contour hem opdrong: "de eer van een meisje is een teeder

punt. Och! mijn Klaartje! mijn Klaartje! wanneer men zoo los over u

sprak, niemand zou het voor u willen opnemen!"--Hier liepen de tranen

den man, wien de wijn in een aandoenlijke stemming gebracht had, langs

de wangen.

"Wat ist das!" vroeg Weinstübe: "wat hebje te hijlen und te lamenteeren?

Trink liever een schlok, dan dat je zoo staat te balken."

"Och! mijn waarde Heer!" zeide Helding, terwijl hij den aangeboden

roemer al snikkend ledigde: "Ik kan nooit over een lief meisje hooren

spreken, of ik denk om mijn arme dochter, die ook eens zoo braaf en goed

was, en thans ... och! och!--Mijnheer Lodewijk zal zich wel herinneren,

welk een braaf, beminnelijk schepseltje het was, alvorens een schelm

haar ... och! och!"

"Ik!" zeide Lodewijk, terwijl hij bleek werd, hetzij door de uitwerking

van den wijn, of uit eenige andere oorzaak: "wat weet ik van uw dochter

af?... Doch ja!... ik herinner mij ... zij is het pad opgegaan,

nietwaar?"

"Ja Mijnheer!" antwoordde Helding, blijkbaar door de woorden van

Lodewijk beleedigd, en hem aanziende met een vrijmoedigen blik; want de

kracht des wijns had de afstanden tusschen hen gelijkgemaakt: "zij is

het pad opgegaan: en ik kan het zonder blozen zeggen; want ik heb haar

altijd het goede voorgehouden en liefgehad:--en haar schande komt

alleen op den schelm neer, die haar bedorven heeft. Ziet Mijne Heeren!

ik ben maar een oude, afgeleefde vent; maar indien ik den verleider

wist, die mijn geluk verstoord heeft: ik zou hem opzoeken en in 't

aangezicht slaan. Neemt het mij niet kwalijk, Mijne Heeren! Gij zijt

allen nog jong en neemt het misschien zoo nauw niet; maar indien gij

nadacht, hoe uwe onbezonnenheid iemands geluk voor eeuwig kunnen

verstoren, gij zoudt over zulke onderwerpen niet schertsen. Och! Ik zou

al die verzen, welke UEd. geprezen hebt, met vermaak op het vuur gooien,

indien ik daardoor slechts mijne arme dochter terughad."

Helding had op dit oogenblik iets ernstigs, iets waardigs in zijn

houding: het gevoel van eigenwaarde, dat anders bij hem sluimerde en hem

elken hoon lafhartig deed slikken, was opgewekt geworden nu het zijne

dochter gold: de wijn had hem vrijmoedigheid geschonken om zich te

uiten, en de beschroomde, laffe, kruipende tafelschuimer had in mijn oog

iets eerbiedwekkends verkregen.--Het was echter niet meer dan een

flikkervlam, bestemd om even spoedig te zijn uitgedoofd als zij ontstaan

was.

Het scheen, dat zijn zedenpreek Lodewijk en zijn vrienden weinig

aanstond; althans de eerste deed weldra het voorstel, om de paarden te

gaan zoeken: en ik nam deze gelegenheid waar, om den dichter te

beduiden, dat wij nu lang genoeg gebleven waren en het tijd werd om naar

huis te gaan. Na een korte tegenstribbeling liet hij zich gezeggen, en,

afscheid van het gezelschap genomen hebbende, verlieten wij de herberg.

* * * * *

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN ONZE HELD IN NIEUWE ONAANGENAAMHEDEN WORDT GEWIKKELD.

Ik had nog nauwelijks twintig stappen stadwaarts gedaan, toen die zelfde

Helding, die even te voren zoo verstandig gesproken had, mij plotseling

bij den arm nam: "het is toch zonde en jammer," zeide hij: "te moeten

aftrekken, zoolang er nog zulke goede wijn in de flesch is."

Ik zag hem aan: de oogen puilden hem uit het hoofd: en een misstap, dien

hij op dat oogenblik deed, en waardoor hij bijkans tegen mij

aantuimelde, deed mij overtuigend zien, dat hij dronken was, althans

door den plotselingen overgang uit den warmen koepel in de lucht,

bevangen geraakt.

"Hou u maar bedaard, vriend Helding!" zeide ik: "en laat ons

voortstappen, zonder de menschen te dwingen van naar ons te kijken."

Wij wandelden verder op, en ik deed mijn best, den sukkel voort te

krijgen, die bij elken stap tegen mij aankwakte en met de beenen al de

bewegingen maakte van een schaatsenrijder. Het begon gelukkig al te

schemeren, en er waren weinig menschen meer voor de herbergen; maar ik

schaamde mij toch om met een dronken man de poort in te komen. Reeds had

ik een paar keeren stilgestaan en rondgezien naar iemand om een rijtuig

te bestellen, toen tot mijn blijdschap Reynhove met twee der Officieren

ons achterop kwam geloopen. Ik wenkte hen toe en zij hadden niet veel

moeite om te zien hoe de zaak geschapen stond. De Hagenaar bood mij

terstond zijn hulp aan; doch de beide anderen, die waarschijnlijk haast

hadden, wenschten ons in 't voorbijgaan pleizierige wandeling en stapten

voort, zonder zich wijders over ons te bekommeren. Reynhove nam nu

Helding bij den anderen arm en op die wijze gelukte het ons, hem tot in

de poort te krijgen. Op het Haarlemmerplein gekomen, bestelden wij een

slede en pakten onzen maat, die zoo gedwee als een schaap was en nergens

meer besef van had, daarin, terwijl wij gearmd naast het voertuig voort

bleven wandelen. Ik vroeg aan Reynhove, hoe het met zijn paard gesteld

was.

"O!" zeide Reynhove: "het is zoo gezond als een visch. Ik laat het uit

precautie op stal staan; moest hij morgen weer aan den gang, hij zou aan

de blessen van Blaek desnoods een zeshonderd roe vooruit geven; want,

wat die betreft, ik geloof niet, dat hij er ooit weer mede zal kunnen

rijden."

"Dit is dan," zeide ik, "een weddenschap geweest, waar niemand bij

gewonnen heeft: gij zijt het geld kwijt, en Blaek een paar brave

paarden."

"Hij verliest er meer bij dan ik," zeide Reynhove, lachende.

"Ik zie niet, dat zulks u eenigen troost kan geven, dat twee edele

schepselen buiten gebruik raken en het wellicht met den dood bekoopen;

terwijl zij buiten deze dwaasheden den eigenaar tot nut en genoegen

hadden kunnen strekken."

"_Ma foi!_ het is hun lot! waar zijn de harddravers voor, anders als om

te loopen? Gij zult toch een echt nationale gewoonte als de

harddraverijen niet willen condemneeren?"

"Volstrekt niet," hernam ik: "maar de paarden, welke men daartoe bezigt,

worden er uitdrukkelijk toe bestemd, en door een gestadige oefening

bekwaam gemaakt om het lang uit te houden en sterke beweging te doen

zonder nadeel voor hun gezondheid: en bovendien bereden door lieden, die

de noodige zorg dragen, dat zij zich niet boven hunne krachten

inspannen. Wat ik veroordeel, zijn die bijzondere weddenschappen,

waarbij welopgevoede lieden zich met rostuischers gelijk stellen, hun

paarden slaan, mishandelen en bederven, en per slot slechts een schralen

roem inoogsten. Ik geloof, dat ik mij des te vrijer jegens u aldus mag

uitlaten, omdat ik bespeurd heb, dat gij, uit liefde voor uw beest, en

om het niet te bederven, de kans der overwinning verspeeld hebt. Doch

juist dit toont aan, dat gij althans voor dergelijke grappen de man niet

zijt. Om die mede te doen, moet men beginnen met alle gevoel van deernis

uit te schudden."

"Ik geloof, dat gij gelijk hebt," zeide Reynhove: "_mais que

voulez-vous_?"

"Gij althans," vervolgde ik, "zoudt niet handelen, gelijk Blaek gedaan

heeft ten opzichte van Velters. Gij ziet waar die

paardekoopers-zedenkunde toe brengt."

"Ik verzeker u," zeide Reynhove, "dat, toen ik kennis maakte met

Lodewijk, ik hem voor een bon _compagnon_ aanzag, die wellicht zijn

gebreken had, maar rond en voor de vuist was;--maar hij is mij erg

tegengevallen:--en dan de manier, waarop hij over zijne _cousine_

spreekt!--foei!--_Apropos_! is het een indiscretie, u te vragen, of gij

_vues_ op haar hebt?"

"'t Is nu de tijd niet, daarover te spreken," antwoordde ik, ongenegen

hem tot mijn vertrouweling te maken.

"Integendeel!" hernam hij: "en gij behoeft voor mij niet te vreezen:--er

zal tusschen ons geen rivaliteit bestaan.--Maar wat kan de reden zijn,

dat haar oom zoo geweldig op een huwelijk tusschen haar en Lodewijk

gesteld is, en zich daar zoo zonderling en dringend over uitlaat?"

"Heeft hij dat in uw bijzijn gedaan?" vroeg ik, verrast.

"Aha!--die vraag is een antwoord op hetgeen ik zooeven vroeg:--In mijn

bijzijn? _mieux que ça_, tegen mijzelven, vriendlief!"

"Hoe dat?"

"Luister eens. In den gepasseerden nacht lag ik gerust op mijn bed, toen

opeens de deur van mijn slaapkamer wordt opengedaan: "wie is daar?"

vraag; ik.--Geen antwoord.--Ik ga overeind in mijn bed zitten, en zie:

daar nadert mij een lange gestalte, blootsvoets en 't lijf in een

nachtjapon gewikkeld, met een slaapmuts op au een kaars in de hand, die

naar mij toetreedt. Het was de oude Heer Blaek."

"Inderdaad! En wat kwam die u vertellen?"

"Daarnaar was ik niet minder nieuwsgierig dan gij. "Mijn God! Mijnheer

Blaek! Wat is er gebeurd?" vroeg ik.--Maar hij, zonder mij te

antwoorden, zette de kaars op de tafel, en, een stoel nemende, plaatste

hij zich aan het hoofdeneind van mijn bed. Toen bemerkte ik eerst, dat

hij een slaapwandelaar was."

"En hij sprak met u?"

"Hij nam mijne hand tusschen de zijne, en toen, mij met een gelaat vol

angst aanziende: "om Gods wil, Lodewijk!" zeide hij: "maak uw ouden

vader niet ongelukkig. Heb medelijden met mij. Geef mij de rust mijner

ziel weer en neem Henriëtte tot vrouw. Ik heb heden weer een aanzoek

voor haar afgeslagen.""

"Hij zeide dit?"

"Ik herhaal u zijn eigen woorden: "O! Wist gij," vervolgde hij, "wat het

zegt, jaren lang de folteringen des gewetens te gevoelen, en slechts één

middel tot herstel van het misdrijf te kennen. Het is in uwe macht mijn

Lodewijk! mij de rust terug te geven. Ik heb u altijd uwen wil laten

doen;--ik heb u wellicht te veel liefgehad: ja! God weet het: veel te

veel:--doe gij dan het eenige, wat gij voor mij doen kunt.""

"Onbegrijpelijk! En welk geheim kan het zijn, dat hem zoo zwaar op het

hart ligt?"

"Ik weet het niet; en ik was liever de kamer uitgeloopen dan op een

zoodanige wijze de confident te worden van iemand, aan wiens huis ik

hospitaliteit geniet.--De slapende vervolgde: ""gij weet het niet,

waarom ik zoo sterk op dat huwelijk insisteer. En gij zult het ook nooit

weten dan in de ure mijns doods. En die zal niet ver meer verwijderd

zijn, indien gij aldus voortgaat, mijn beden te weerstreven.""

"Schrikkelijk! En wat toch kan het zijn, dat hier achter schuilt."

"Het tooneel begon mij te vervelen. Ik trok mijn hand los, en kroop zoo

dicht tegen den wand, dat ik buiten zijn bereik lag. Hij tastte nog

eenige oogenblikken naar mij, zuchtte toen diep, rees op, nam den

kandelaar en trok af gelijk hij gekomen was."

"Ik zou dit geval maar niet rondvertellen," zeide ik: "hetgeen u gezegd

is, was niet voor uwe ooren bestemd, en openhartig gezegd, steekt er

niet een soort van misbruik van vertrouwen in, het aan derden mede te

deelen?"

"Dat zegt gij nu gij 't weet," zeide Reynhove, lachende: "maar gij hebt

gelijk, en ik zou het u ook niet verhaald hebben, dacht ik niet, dat het

u interesseeren kon en u den sleutel geven van het refus, dat gij

geleden hebt. Aan Lodewijk echter heb ik gemeend het te moeten zeggen,

die er hartelijk om heeft gelachen, en gezegd, dat hem dergelijke

bezoeken zoo dikwijls gebeurden, tot hij eindelijk de resolutie had

genomen, van zijn deur te sluiten, wanneer hij naar bed ging. Ik geloof,

dat ik zijn voorbeeld volgen zal voor de weinige dagen, die ik nog denk

te blijven; want ik ben niet op de herhaling dier visites gesteld en zou

wellicht meer hooren dan mij aangenaam was."

"Denkt gij spoedig weer naar Den Haag te gaan?"

"Ik geloof van ja: ik verlang met die Blaeken niet intiem te worden: en

bovendien, uw vader heeft mij een goeden raad gegeven: en het zal den

mijnen aangenaam zijn, indien ik mij in deze of gene carrière begeef.

Voor mijn vertrek echter, kom ik stellig nog eens ten uwent aan."

Wij spraken nu over onverschillige zaken, totdat wij ons aan de deur der

woning van Heynsz bevonden. Mijn oogmerk was om, ten einde de

gelegenheid te vermijden van Amelia opnieuw te ontmoeten, onzen patiënt

aan Heynsz over te leveren, en dezen de verdere bezorging op te dragen.

Doch de huisheer was uit: en daar de meid natuurlijk geen kans zag, om

Helding, die gevoelloos als een blok in de slede lag, naar de derde

verdieping te sjouwen, zagen wij ons wel genoodzaakt deze taak zelven te

aanvaarden. Juist op het oogenblik, dat wij den poëet uit de slede

tilden, kwam Lodewijk aangeloopen, gevolgd van zijn bediende. "Zoo!"

zeide hij: "zijt gij daar eindelijk? Ik heb mij in 't zweet geloopen, om

u in te halen. Gij vergeet, dat ik ook bij de grap hoor."

Dit zeggende, pakte hij mede een been van Helding aan; doch ik bemerkte

dadelijk, dat zijne hulp ons weinig baten zoude, want hij waggelde zelf,

en had allen schijn van onder den invloed van den wijn te handelen. Ook

liet hij, zoodra wij den beschonkene de benedentrappen opgesjouwd

hadden, dezen los, en ging op het portaal zitten. Intusschen sleepten

wij Helding hooger op; maar ik had in 't voorbijgaan gemerkt, dat de

deur van Amelia's kamer even was geopend geworden, en dat haar vader,

waarschijnlijk ongerust over het buitengewoon gedruisch, om het hoekje

gekeken had. Lodewijk, die misschien ook niet zonder doel was

achtergebleven, had hem ook bespeurd, was weder opgestaan en de kamer

van Amelia binnengetreden. Ik zag dit met een zwenk.

"O wee!" zeide ik tegen Reynhove: "laten wij ons haasten: anders komt er

gekheid daar beneden."

Wij legden dan ook, zonder verderen omslag te maken, den snorkenden

Helding op zijn bed, en stoven de trappen weer af. De deur van Amelia's

kamer stond open: zijzelve zat aan haar werktafel, bleek van schrik en

met de handen krampachtig saamgevouwen. Haar vader stond midden in het

vertrek, met de armen over elkander geslagen, en staarde Lodewijk aan,

die nauwelijks op de beenen staan kon en al vloekende uitriep:

"Nu zie ik het eindelijk, Juffertje!--Al wil je mij niet tot galant, gij

ontvangt toch visites van Heeren.--Voor Huyck blijft de deur niet

gesloten, en wie is deze snaak? Zeker de betaalmeester en chef! He?"

"Blaek!" riepen Reynhove en ik, hem van weerszijden bij de hand nemende:

"Stel u toch zoo niet aan.--Ga met ons!"

"Met uw verlof!" zeide Bos: "is deze de Heer Blaek, die de

onbeschaamdheid heeft gehad, aan mijne dochter schandelijke voorstellen

te doen?"

"Uw dochter!" herhaalde Lodewijk, een oogenblik verrast: "nu ja! wat

doet het er toe?" vervolgde hij met zijne gewone onbeschaamdheid: "ik

heb haar rijk willen maken: en zoo gij een verstandig man zijt, zul je

er niets tegen hebben. Er steekt immers geen kwaad in, op een mooi

meisje te verlieven?--En zij neemt ook presenten aan, al houdt zij zich

fijn."

"Wacht!" zeide Bos: en meteen, een lade openhalende, kreeg hij het

doosje met juweelen voor den dag en stak het Lodewijk tusschen vest en

hemd; waarna hij, zonder er een woord bij te voegen, hem met de andere

hand een heftigen slag in 't aangezicht gaf.

"Mijnheer!" zeide Reynhove, onthutst: "wij zullen wel zorgen, dat hij u

niet incommodeert: maar zoo gij hem slaat, laten wij hem los."

"Mijne Heeren!" zeide Bos, op een bedaarden toon: "hij bekomt niet als

het honderdste deel van hetgeen hij verdient; en het is hoog noodig, dat

hij eens leere, hoe hij hier in 't vervolg ontvangen zal worden."

"Gij zult het mij betalen," brulde Lodewijk, pogingen aanwendende om

zich los te rukken: "houdt mij niet vast, lamme, valsche vrienden die

gij zijt! Pieter! mijn zweep! ik wil dien schoft mores leeren."

En Pieter, die geen haar beter was dan zijn Heer, stormde binnen en kwam

met opgeheven zweep op Bos aan. Ik sprong tusschen beiden; maar zag mij

hierdoor genoodzaakt, Lodewijk los te laten, die, zich nu ook van

Reynhove bevrijdende, als een razende Roeland op Bos toeschoot. Maar

deze, hem zonder schroom afwachtende, greep hem met de eene hand in de

das en met de andere in den gordel, droeg hem, ondanks zijn

tegenspartelen, de deur uit en smeet hem toen van al de trappen af.

"O God! wat zal het gevolg van dit alles zijn?" riep Amelia: "Mijnheer

Huyck! in 's Hemelsnaam!--Help hem toch aan 't bedaren."

"Ga uw Heer oprapen," zeide Bos, terugkeerende, tegen Pieter: "of ik zal

u denzelfden weg wijzen."

Pieter, hoewel anders een onbeschofte, ruwe kerel, en voor geen kleintje

vervaard, scheen echter ongenegen een nieuw bewijs uit te lokken van de

kracht des forschgespierden mans, die voor hem stond, en begaf zich,

zonder een tweede bevel af te wachten, naar beneden. Reynhove trad

nader: "is dit niet wat hard geprocedeerd, Mijnheer?" vroeg hij: "onze

vriend is een weinig beschonken, en...."

"En ik behandel hem als zoodanig," zeide Bos: "gij zult mij genoegen

doen, hem te volgen: ik verlang vrij op mijne kamer te zijn en van

bezoeken verschoond te blijven.--Mijnheer Huyck! een woord met u eer gij

gaat."

"Ik verlaat u, Mijnheer!" zeide Reynhove: "want ik erken, dat gij hier

meester zijt: maar permitteer mij om u te zeggen, dat ik hier toevallig

ben ingekomen, en wel, om een dispuut, dat ik vreesde, te preveniëeren:

en dat ik uwe forsche manier van ageeren jegens iemand, die zich niet

wel defendeeren kan, nimmer zal approbeeren."

"Al genoeg!" hernam Bos, met een beweging van ongeduld, en terwijl hij

hem de deur wees. Reynhove haalde de schouders op, boog zich voor

Amelia, gaf Bos zijn trotschen blik terug en vertrok.

"Wat is de aanleiding van dit tooneel?" vroeg Bos, zoodra hij weg was:

"ik had niet verwacht dat dergelijke onaangenaamheden herhaald zouden

worden."

Ik gaf hem een kort verslag van de oorzaak onzer komst en betuigde,

hoezeer het mijzelf speet, zonder opzet opnieuw in een geschil als dit

gewikkeld te zijn geweest.

"'t Is wel!" zeide hij: "ik geloof u: en ik ben overtuigd, dat ik niets

van den Heer Huyck te wachten had, als wat betamelijk en voegzaam is."

"De Hemel geve," zeide Amelia, "dat deze ontmoeting geene onaangename

gevolgen voor u hebbe."

"Dat ware van weinig aanbelang," zeide ik: "maar zij kan de aandacht der

Justitie trekken: en zoo Blaek, om zich te wreken, een beklag inlevert,

vrees ik, dat UEd. wellicht niet langer hier veilig zult zijn."

"Het is zeker, dat ons alles te duchten staat," zeide Bos: "maar het

baat mij niet, of ik angstig de toekomst inzie; ik heb mij in erger

gevaren bevonden, en mijn gestarnte heeft mij immer daaruit gered. Tot

nog toe schijnt men geen achterdocht tegen mij te voeden: en wellicht

heb ik slechts twee dagen meer noodig, om mijn zaken hier af te doen en

voor altijd dit land te verlaten."

"Vlei u niet te veel," zeide ik, het hoofd schuddende: "UEd. begaat

onvoorzichtigheden.--Of is het geene onvoorzichtigheid, aan de zuster

van den Hoofdschout een bezoek te geven?"

"Integendeel!" zeide hij: "niets is meer geschikt, om de vermoedens af

te wenden;--maar ik wil u niet langer ophouden. Vaarwel! En dat de Hemel

met u zij."

Ik vertrok. Op straat gekomen, zag ik de slede vertrekken, met den

bediende van Lodewijk er naast, terwijl Reynhove mij nog stond af te

wachten.

"Ik heb Blaek aangeraden, om van die équipage gebruik te maken," zeide

hij: "maar verhaal mij, bid ik u, wie is toch die Sinjeur daarboven, die

een paar vuisten heeft als een smidsgezel, en een houding als een

Burgemeester? Gij schijnt hem te kennen."

Ik was op deze vraag voorbereid, en antwoordde zonder aarzelen: "dien

Heer heb ik laatst op een dichterskrans bij Helding ontmoet: zijn

rechten naam weet ik u niet te zeggen."

"_Ma foi!_ hij heeft een schoone dochter, en ik begrijp licht, dat

Lodewijk er een kansje op wagen wilde;--maar in allen gevalle heeft de

oude Heer het toch wat erg gemaakt en ik zal het Lodewijk niet kwalijk

nemen, indien hij hem satisfactie vraagt wegens de geledene

injurie;--zoo namelijk die heer een man is, aan wien men, zonder zich te

compromitteeren, een uitdaging zenden kan."

"Lodewijk zal, hoop ik, verstandiger zijn," zeide ik, beschroomd over de

gevolgen, welke een zoodanige handelwijze, ook voor mij, zoude kunnen

met zich brengen: "hij is de oorspronkelijke beleediger geweest: en

niemand zou het toch kunnen goedkeuren, dat hij den vader voor den degen

eischte, omdat deze het voor zijn verongelijkte dochter had opgenomen."

"Dat is waar ook," zeide Reynhove: "en gij moet niet denken, dat ik het

gedrag van Lodewijk approuveer;--maar die andere, met zijn rooden rok,

heeft het toch ook wat erg gemaakt.... Enfin! het is zooals het is:--en

nu zult gij mij niet kwalijk nemen, dat ik u verlaat en naar mijn logies

ga: Lodewijk zou anders met reden klagen, dat ik hem geheel aan zijn lot

abandonneer: en ik zal toch al werks genoeg hebben, om hem te

apaiseeren.--Vaarwel!"

Wij namen afscheid: Reynhove volgde den weg, dien de slede gegaan was,

en ik trok naar huis. Waarschijnlijk droeg mijn gelaat eenige blijken

van de gemoedsaandoeningen, door het gebeurde bij mij verwekt; althans

mijn vader zag mij ernstig en mijn moeder enigszins bezorgd aan, terwijl

Suzanna, toen ik, zonder van de laatste ontmoeting te reppen, in korte

woorden verhaalde, dat ik in gezelschap met Blaek, Reynhove enz. geweest

was, mij verklaarde, dat zij mij op mijn verjaardag een zweepje en een

bokaaltje zoude present doen, aangezien ik bij mijn overige beminnelijke

hoedanigheden die van een rostuischer en een drinker scheen te willen

voegen. Mijn moeder zuchtte, en mijn vader zeide bij het scheiden:

"Ferdinand! teleurgestelde liefde kan somtijds tot dwaze stappen

vervoeren. Neem u in acht!"

* * * * *

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN LEELIJKE DONDERBUIEN BOVEN HET HOOFD VAN FERDINAND SAMENPAKKEN.

Den volgenden dag op de beurs zijnde, werd ik aangesproken door den

makelaar Velters, die, na met mij eenige woorden gewisseld te hebben

over de commissies, welke hij voor ons kantoor te verrichten had, mij

vergunning verzocht, mij een eind weegs huiswaarts te vergezellen. Ik

verbeeldde mij, dat er deze of gene verkooping ophanden was, waarbij hij

in aanmerking wenschte te komen en deswege mijn voorspraak verlangde: en

ik was niet weinig verwonderd toen hij, zoodra wij de beurs verlaten

hadden, mij vroeg of het mij hetzelfde was, de Pijpenmarkt om te loopen,

dewijl wij daar minder gedrang zouden vinden en meer ongestoord kunnen

spreken, dan op het Rokin of in de Kalverstraat.

"Is het zoo belangrijk?" vroeg ik, verwonderd over deze geheimzinnige

handelwijze: "waarom komt UEd. dan niet liever bij mij aan huis?"

"Verschoon mij," was zijn antwoord: "maar het is beter, dat ik met UEd.

spreek, voordat UEd. te huis zijt."

"Er is toch geen samenzwering ophanden," vroeg ik lachende, terwijl ik

aan zijn verzoek voldeed en met hem den stillen weg ging, dien hij

verkozen had. Nauwelijks waren wij op de Pijpenmarkt, of hij ving het

gesprek aan door mij met warmte te danken, voor hetgeen ik ten zijnen

behoeve gedaan had.

"Gij meent mijn voorspraak bij den Heer Van Baalen," zeide ik: "maar

lieve vriend! daarvoor hebt gij mij gisteren immers reeds aan de beurs

uw dank betuigd."

"Daarvoor kan ik nooit dankbaar genoeg zijn," zeide hij: "maar ik bedoel

een dienst van een anderen aard ... in die zaak over dat paard van den

Heer Blaek:--niemand als UEd. kan mij die hebben bewezen."

"Gij zijt misleid," zeide ik, "of ik begrijp u niet. Ik verklaar u, dat

ik eerst gisteravond kennis ontvangen heb van de geheele geschiedenis."

"Nu! dat is om 't even," zeide hij: "dat bewijst mij alleen, dat UEd.

niet rust, zoodra UEd. het onrecht verneemt, om het ook te herstellen."

"Gij spreekt raadsels," hernam ik, "en wekt mijn nieuwsgierigheid op.

Wat is er dan gebeurd? En welk onrecht is er hersteld?--In allen gevalle

is het buiten mijn toedoen geschied."

Ferdinand Huyck · 第 35 / 51 段