weg zijn opgegaan als de witvoet."
"Dat ware altijd een laatste uitkomst," zeide Lodewijk, lachende: "ja!
van dat ouwe dier ben ik zeker wél afgekomen."
"Van den witvoet?" herhaalde Reynhove, met verbazing.
"Wat was dat?--Eilieve vertel eens!" vroegen de Officiers: "heb je nog
geld aan dat oude beest verdiend?"
"Ja kottorie!" zeide Weinstübe: "laat Plaek dat eens vertellen: je houdt
waaraftig je pijk fast fan 't lachen, as je 't hoort."
"Wel, luistert dan," zeide Lodewijk, zijn glas inschenkende, waarna hij
zich, met de handen in de vestzakken, achterover in zijn stoel wierp en
de houding aannam van een ouden gediende, die een treffelijke krijgsdaad
gaat verhalen: "Gijlieden kent Jan Velters van de Leliegracht, die in de
wandeling Jan Rijstenbrij wordt genoemd?"
"Een best goed kalf van een jongen," zeide Contour: "'t is nog zoowat
een brok van een neef van mij: wij plachten hem altijd te foppen, toen
hij klein was: maar er was geen eer met hem te behalen; de sul liet zich
alles doen."
"Ik heb hem een paar reizen ontmoet," zeide ik: "hij kwam mij voor een
beleefd, werkzaam mensch te zijn, wien niets ontbreekt als een betere
gezondheid en wat ruimer middelen."
"Ja!" zeide Weinstübe: "recht zoo! 't is een khale rot; maar hij werkt
koet: hij petient ons wel als makelaar: en ik moet zeggen, hij is altijd
bront en oblizant."
"Juist zoo!" zeide Lodewijk: "welnu!--Gij hebt allen dien witvoet van
mij gekend: een goed en deugdzaam paard in zijn tijd; maar die nu mooi
oud, gebroken en hardademig was, en zoo blind, dat ik al last had
gegeven om hem dood te schieten.--Maar of ik blij ben, dat ik het niet
gedaan heb.--Verleden week, moet gij weten, zit ik bij den ouwe in zijn
kamer; daar komt mij die Jan Rijstenbrij met zijn bleeke tronie
aangewandeld, met een pak papieren onder den arm, van een graf, dat de
ouwe in de Westerkerk voor zich had laten koopen."
"Jongen!" viel de luitenant Reekalf in: "heeft de ouwe plan om op te
stappen? Dat zou je goed komen, vriendje?"
"Dat zou het net," zeide Lodewijk, terwijl Reynhove een blik van
verontwaardiging op den Officier wierp: "nu:--de knaap zag er zoo
ontdaan uit van de kleine wandeling, die hij gemaakt had, dat de ouwe
hem verzocht te gaan zitten en hem vroeg, hoe hij het al zoo maakte:
"niet te best," was het antwoord: "ik ben verleden week naar Leiden
geweest om Professor Boerhave te raadplegen: en die heeft mij het
paardrijden aanbevolen."--"Zoo!" zeide mijn vader: "en heb je zijn raad
al gevolgd?"--"Ja Mijnheer!" was het antwoord van Velters: "ik heb al
een tochtje of wat gedaan met paarden uit de rijschool: ik wenschte wel,
dat ik een goed mak beestje in eigendom kon krijgen; doch ik weet niet
hoe er aan te komen. Veel geld er voor uit te geven schikt mij niet: en
ik ben bang, dat zij mij in den nek zullen zien; want ik heb er geen
verstand van."--Toen kwam mij de witvoet voor den geest: ik trok af,
liet onzen maat zijn zaakjes met den ouwe af handelen en wachtte hem aan
de voordeur af: "Zeg eens, Sinjeur Velters!" zeide ik, toen hij aftrok:
"jij woudt gaarne een mak beestje hebben, nietwaar?"--"Jawel, Mijnheer
Blaek!" zeide hij.--"Nu man! zoo weet ik er een voor je," zeide ik. "Er
staat er nog een bij Jaspersz op stal: dat is net je gading. Zij zullen
er misschien wat veel voor vragen; maar met loven en bieden komt men
ver: en ik zal je de vriendschap doen, en gaan met je om te zorgen, dat
je niet beetgenomen wordt.--Daar was onze man over de huizen, gelijk gij
denken kunt. Wel tienmalen zeide hij, hij wist niet, waar hu zooveel
beleefdheid aan verdiend had: _enfin_! 't was aandoenlijk om zijn
dankbaarheid te zien.--Ik sprak met hem af, hij zou den volgenden morgen
tegen zeven uren bij Jaspersz op stal komen, om het beestje te zien, en
dan zou ik er ook wezen. Nu! gij kunt denken, wat er gebeurde: ik
dadelijk naar stal, stuur den witvoet bij Jaspersz, ga zelf den man
spreken en zeg hem zijn les voor. Den volgenden morgen kom ik met opzet
wat later: daar stond onze maat al sedert een kwartier bij het beest,
met Jaspersz, die hem er al de fraaie hoedanigheden van aanprees, alsof
er nooit een beter een zadel op den rug had gedragen. Jongens! ons
Veltersje was zoo blij, dat ik kwam; want hij wist niet meer wat te
zeggen.--"Zoo!" zeide ik: "vriend Velters! heb je den knol al eens
geprobeerd?"--"Neen Mijnheer!" antwoordde hij: "en ik weet niet, of hij
mij wel lijken zou; want, naar Jaspersz zegt, moet het beest al mooi
wild en vurig wezen: en dat lijkt mij niet; maar Mijnheer!" vervolgde
hij, terwijl hij mij zachtjes ter zijde trok' "heeft het paard niet een
ingezonken rug? dat is immers een gebrek?"--"Hm!" zeide ik: "dat
hindert, niet, wanneer het gezadeld is; anders, mooi staat het niet,
daar hebt gij gelijk in;--maar wij zullen eens zien. Haal het beestje
maar eens uit, Jaspersz!--Jongens!" fluisterde ik Velters in, terwijl
Jaspersz het beest liet opzadelen: "zie je wel hoe zuur of Jaspersz
kijkt, dat ik meegekomen ben? hij weet wel, dat hij je nu niet kan
foppen, al wou hij."--Dat alles slikte vriend Rijstenbrij op als zoeten
koek. Toen het paard nu buiten stond, ik er op en reed er wat mede de
laan op en neder, nu stappende, en dan weer op een hand galopje:--want
ik was bang dat hij er in 't geheel niet mede voort zou komen, zoo ik
het hem eerst berijden liet. Toen het beest wat los en lenig was
geworden, verzocht ik hem mijn plaats te nemen. "Wel! wat zeg je er
van?" vroeg ik, toen hij een keer of wat heen en weer was geweest. "Mij
dunkt, het loopt vrij aardig," zeide hij: "maar zou het niet wat te gauw
moe zijn? Het zweet staat hem een duim dik op het lijf."--"Ja!" zeide
ik, "dat dunkt mij ook, Jaspersz!"--"Och Mijnheer!" zeide deze, terwijl
hij een groote pruim tabak in den mond stak, om niet te lachen: "dat is
van de heetigheid; het beest is in geen zes dagen van stal
geweest."--"Maar!" zei Velters wederom, die toch minder onnoozel was dan
ik dacht: "struikelt het niet nu en dan wel eens?"--"Dan heb je hem niet
goed op den toom gehouden," zeide ik: "toen ik hem reed heeft hij niet
gestruikeld."--"En hoe oud is het beest wel?" vroeg hij alweer. "Ja,"
zei Jaspersz: "piepjong is hij niet meer; maar Monsieur Velters verkiest
ook geen heel jong beestje; meer dan een jaar of acht zal hij toen wel
niet halen."--"En," vroeg ik, "wat moet dat juweel nu gelden?"--"Honderd
dukaten," antwoordde Jaspersz: "en daar valt niets af te dingen. Ik heb
er nog gisteren vijfhonderd gulden voor geweigerd aan Mijnheer
Zadelhoff, dien Mijnheer kent."--"Honderd dukaten!" herhaalde ik op een
toon van verontwaardiging, terwijl ik bij mijzelven lachen moest om het
scheef gezicht, dat Velters zette: "wel dat zou de duivel!--Neen man!
mij dunkt fl 400 is een mooi bod--of althans--Monsieur Velters moet het
weten: maar ik voor mij zoude niet gaarne meer geven."--"Neen zeker!"
zei Velters, die bleek van angst was: "en zelfs fl 400 is wel een
honderd gulden boven mijn prik; ik ben geen man van de Nieuwe
Heerengracht, zooals Mijnheer Blaek." Toen trok ik hem op zij; "hoor,"
zeide ik, "'t is wel wat duur; maar in uwe plaats betaalde ik liever wat
meer voor een goed paard, dan dat je een knol koopt, die u in den steek
laat." Hij zat er deerlijk in, maar dorst niet teruggaan:--en om het
maar in korte woorden te vertellen, na veel over en weer praten werd de
koop voor fl 450 gesloten: en onze vriend trok af, na herhaalde
dankbetuigingen voor al de moeite, die ik mij gegeven had; terwijl
Jaspersz hem achternariep, dat hij nu een beest had, waar hij de wereld
mee uit zou rijden. 't Kan wel waar zijn ook; want vandaag of morgen
rijdt de blinde knol den Amstel met hem in."
"Nu! die was heerlijk!" riepen de Officieren; "vierhonderd vijftig
gulden voor een knol, die het doodschieten nauwelijks waard is.--Nu! dat
verdient zoo'n beunhaas. Wat behoeft hij ook te rijden? Je hebt je dan
recht dapper gehouden."
Ik zag met genoegen, dat Reynhove niet instemde met den lof, welken de
overigen Lodewijk toezwaaiden; maar, evenals ik, stilzweeg en het hoofd
schudde. Wat mij betrof, ik was verontwaardigd over een zoo schandelijk
bedrog, te minder verschoonbaar, omdat het gepleegd was tegen iemand,
die er zich bij geen mogelijkheid tegen hoeden kon: en, wat mij nog meer
ergerde, was de onbeschaamde wijze, waarop men zich nog dorst
verhoovaardigen en lofspraak vergen op een daad, die mijns oordeels een
geeseling waardig geweest ware. Ik kon mij eindelijk ook niet meer
bedwingen; maar, niet gezind mijn gedachten ongevergd te uiten, bij
lieden, die mij niet verstaan zouden, vergenoegde ik mij met de vraag,
wat de arme Velters toch wel gezegd had, toen hij naderhand ontdekte,
hoe deerlijk hij bedrogen was geworden.
"Bedrogen!" herhaalde Lodewijk, mij schuins aanziende: "vergun mij u te
zeggen, Mijnheer Huyck! dat dit een uitdrukking is, welke ten dezen niet
te pas komt. Gij meent ongetwijfeld--toen hij bemerkte, dat ik hem bij
den neus had gehad."
"Indien gij oordeelt, dat deze laatste uitdrukking zachter is," zeide
ik, koeltjes, "dan heb ik er vrede mee: de beteekenis blijft toch
dezelfde."
"Toen hij het bemerkte," vervolgde Lodewijk, zonder schijnbaar aan mijn
woorden te hechten, "toen zag hij, dat hij zijn geld kwijt was, en daar
bleef het bij. Denk je, dat hij zoo gek is, zich te beroemen, dat men
hem beet heeft gehad?--Of dat hij zou durven klagen over mij? en gevaar
loopen mijns vaders gunst en de mijne te verbeuren?"
"Des te erger," zeide Reynhove, met warmte: "ik zou het u pardonneeren,
indien gij dezen of genen maquignon had gedupeerd, of wel een cavalier,
gelijk gij zijt, die u satisfactie kon vragen; maar dat gij abuseert van
de goede trouw eens mans, die van de affaire geheel ignorant is en
bovendien van u dependeert, dit is geen nobele manier van ageeren."
Ik knikte goedkeurend bij deze redeneering, die mij zeer behaagde, al
was zij in onzuivere taal gesproken. Wat Lodewijk betrof, hij toonde
zich ten hoogste gebelgd over hetgeen hij een beleediging noemde: en er
zou twist ontstaan zijn, indien de overigen er zien niet tusschen
gevoegd hadden en verzocht, het onderwerp daar te laten.
"Hei ho!" riep nu opeens Lodewijk: "wie komt daar aan?--Lucas Helding,
zoo waar ik leef! blazend en zweetend als een narrepaard. Hier!"
schreeuwde hij, tegen de ruiten tikkende: "hier vriend Helding! hier
moet gij wezen! Toe vrienden! ziedaar een heerlijk voorwerp om ons mede
te vermaken. Wij moeten hem binnenroepen en besissen."
Ik keek uit! en inderdaad, daar kwam Helding voorbij, met den hoed in de
hand, en het gezicht zoo rood als een kalkoensche haan, terwijl hem het
zweet tappelings langs de wangen droop. Zoodra hij hoorde dat er getikt
werd, draaide hij het hoofd om, en zijn gelaat helderde op, bij den
aanblik van een volgeschonken roemer, dien Lodewijk hem voorhield. Ik
had den goeden man wel willen waarschuwen, tegen het gevaar, dat hem
bedreigde, maar het was te laat: hij was den tuin ingewandeld en stond
reeds op den drempel van den koepel te buigen.
"Wel poëet, kom binnen!" riep Lodewijk: "waar komt dat zoo vandaan? Maar
drink, eer gij antwoordt. Gij schijnt warm en hebt wat verfrissching
noodig."
"Veels te veel goedheid," zeide Helding, nadertredende en het hem
aangeboden glas met nieuwe buigingen aannemende: "uwe gezondheid
Heeren!--Ik was de slatuintjes eens rondgekuierd; ik dacht niet, dat ik
op weg naar huis nog kennissen zoude vinden."
"_Allons_! ga zitten," zeide Lodewijk, hem bij de schouders vattende en
op een stoel plakkende: "en drink nog reis. Zeker ben je weer aan 't
verzenmaken geweest onderweg. Toe! laat hooren; wat heb je bij je?"
"Is Mijnheer een dichter?" vroeg Contour, een blij gezicht zettende.
"Een dichter!" herhaalde Lodewijk: "_puf nou poëetjes! 't is de baas van
't gansche land!_ Is dat een vraag, of Lucas Helding een dichter is?"
"Is UEd. waarlijk die vermaarde Lucas Helding, wiens verzen mij zoovele
aangename uren hebben doen doorbrengen?" vroeg Contour, met een gemaakte
verbazing: "wel, ik had nooit durven droomen, dat ik het geluk ooit zou
hebben mogen smaken, van uwe kennis te maken. Gun mij, uwe gezondheid te
drinken."
"Te veel goedheid," zeide Helding, zijn glas op nieuw ledigende: "maar
hoe kan Mijnheer zoo bekend zijn met mijne gedichten, als ik vragen mag?
want ik heb nog nooit iets laten drukken, als eenige...."
"O Mijnheer!" zeide Reekalf, zijn kameraad in verlegenheid ziende:
"alsof wij geen kopieën van uw werken hadden;--maar mijn vriend is mij
vooruit geweest: gun mij thans ook de eer...." En er werd op nieuw
geklonken.
"Ik ben niet minder gecharmeerd van uwe kennis te maken," zeide
Reynhove. "Ich wil auch een klaasje wein mit UEd. trinken," zeide
Weinstübe. "Ik mag mij mede dat genoegen niet ontzeggen," riep Van
Ranst:--en Helding, hoezeer zich tegen die al te groote eer verzettende,
zag zich genoodzaakt met elk afzonderlijk een glas te ledigen. Zeker
deed hem de wijn naar meer smaken; want toen hij de ronde gedaan had,
verzocht hij mij uit zichzelven, de eer te mogen hebben, van ook met mij
te klinken.
"Ik kan u zeggen, mijn waarde Monsieur Helding!" zeide Contour, "dat er
geen dichter is, wiens verzen meer bij ons regiment bewonderd worden,
dan de uwe."
"Het gaat zooverre," zeide Reekalf, "dat twee Luitenants, een Vendrig en
drie Kornetten in arrest zijn gezonden, omdat het lezen uwer gedichten
hen het parade-uur had doen verzuimen."
"Wat praat gij van arrest," zeide Van Ranst: "ik ken er verscheidenen,
die zich moedwillig naar de provoost laten brengen, om op hun gemak uw
voortreffelijke dichtwerken te kunnen bestudeeren.
"'t Gaat zooverre," hernam Contour, "dat onze Kolonel laatst, in stede
van het commando te geven, een regel uit een uwer werken opzeide."
"Wij hadden bij ons een Cadet," zeide Reekalf, "wiens dood gij op uwe
rekening hebt."
"Zijn dood!" riep Helding in verbazing uit: "UEd. spot er mee."
"Volstrekt niet: hij wilde uw schrijftrant navolgen en heeft zich, uit
wanhoop over het mislukken zijner pogingen, een kogel door 't hoofd
gejaagd."
"Wel! is het mogelijk?" hernam Helding, de handen van verbazing in
elkaar slaande: "ik ben er waarachtig van ontsteld."
"Toe geschwind! trink tan tegen den schrik," zeide Weinstübe, hem
inschenkende.
"Voor den drommel," zeide Van Ranst: "ik, die hier zit, heb al zes
officieren van de Garde in tweegevecht overhoop gestoken, omdat zij
ontkenden, dat Helding de eerste dichter van het gemeenebest was."
"Hemel beware ons!" riep de goede Helding uit, verschrikt op zijde
schuivende; want Van Ranst, die een groote zwaarlijvige kerel was met
dikke knevels en bakkebaarden, zag er inderdaad vervaarlijk uit.
"UEd. is immers," hervatte Contour, "de maker van dat lieve dichtstukje
op ... hoe heet het ook?... "Eilieve, Reekalf! help mij eens op den
weg."
"Wel ja! van dat geestige gedichtje, dat wij te zamen lazen," zeide
deze.
"Welk bedoelt UEd.?" vroeg Helding, zijn oogen beurtelings van den eenen
naar den anderen kant wendende: "ik kan niet nagaan...."
"Wel! dat verliefde stukje," zeide Van Ranst: "ik heb het den vijfden
van mijn weerpartijders nog in de ooren geschreeuwd, toen ik hem den kop
gekloofd had: maar nu ben ik het waarachtig vergeten."
"Dat waar eine frolijke manier om hum naar de eeuwigkeit te promenieren
laten," zeide Weinstübe.
"Misschien," zeide Helding, "meent UEd. dat gedichtje op het kuiltje in
het kinnetje van Phyllis!"
"Juist!" antwoordde Contour: "'t geen aldus begint ... och! hoe begint
het ook weer?"
"Lief kuiltje!..." hief Helding aan.
"Juist: lief kuiltje.... Stilte, Mijne Heeren! Ga voort, mijn waarde
Heer Helding!"
"Ja! maak dat wij uit dat kuiltje komen," zeide Lodewijk.--En Helding,
die alles voor goede munt opnam, hief op deze wijze aan:
"Lief Kuiltje! waar de God der liefde in ligt verscholen,
Als in een zacht satijnen bed!...."
"Een satijnen bed.--Juist! recht poëtisch!"--viel Reekalf in.
"Van waar hij pijltjens schiet, die in het wilde dolen,
Maar treffen steeds, en gloeiend zijn als kolen,
Wier vier elk hart in vlammen zet."
"Precies!" zeide Contour: "er kwam van kolen in."
"Die kolen maken een _lumineux_ effect," zeide Reynhove.
"Wier vier het hart in vlammen zet."
herhaalde Reekalf: "wat is het aardig uitgedacht en geestig volgehouden:
_gloeiende kolen_ en _een vlammend hart_! Laten wij eens drinken, om
dien geweldigen brand te blusschen. Uwe gezondheid, Monsieur Helding!"
"Om u te bedanken, Mijne Heeren!" vervolgde hij: "maar het zal mijn tijd
worden, om huiswaarts te keeren."
"Ja!" zeide ik: "ik begin ook te vinden, dat het laat genoeg wordt. Wij
zullen een eindweegs samen gaan, vriend Helding!"
"Wel ja! Waarom niet den geheelen weg," zeide Lodewijk, mij spottend
aanziende: "dan kunt gij nog in 't voorbijgaan een bezoek afleggen bij
uw Dulcinea, die beneden hem woont.--Neen, neen! Wij gaan allen samen
heen."
"Ik heb geen Dulcinea, die beneden Helding woont," zeide ik, op een
ernstigen toon: "en gij, mijnheer Blaek! weet dat zoogoed als iemand."
"Nu! wij blijven ook niet lang meer," zeide Reynhove: "en wij gaan samen
heen; maar wij moeten toch het vervolg van het gedicht hooren."
"Kottorie neen!" zeide Weinstübe: "wou je nu al opkrassen? het mooie
moet nog ankomen."
"Wel, het zij zoo!" hernam ik: "maar dan gaan wij ook."
"Als de Heeren het dan zoo verkiezen," zeide Helding: en hij vervolgde
aldus met zijn gedicht:
"Lief Kuiltje! zeg mij toch, indien gij 't kunt verhalen,
En prent het mij ter dege in,
Hoe zijt gij toch ontstaan? en wat toch deed u pralen,
Zoo schoon, als geen Apèl het beter konde malen,
In 't midden van die ronde kin?"
"Bravo! bravo!--Maar drink eens, Helding! dat opzeggen moet u vermoeien
na een zoo lange wandeling."
"In 't minste niet:--nu antwoordt het Kuiltje, Mijne Héeren!"
"Een sprekend Kuiltje! hoe geestig!"
"Toen Venus zelf 't gelaat, waarin men mij ziet prijken,
Door hare gunst te voorschijn bracht,
Deed zij haar eigen merk in alle trekken blijken.
Zij schiep die schoone verf, waarvoor de roos moet wijken,
Die oogen, vol van tooverkracht."
"'t Is onnavolgbaar!" galmde Reekalf uit.
"Dat geestig kopje, rijk versierd met blonde lokken,
Dien fijnen neus, zoo wel besneên,
Dien wenkbrauwboog, om 't oog zoo zuiver heengetrokken,
Dat mondje, slechts bestemd tot kussen en tot jokken."
"Foei! Jokte Phyllis?" merkte Reynhove binnensmonds aan.
"'t Komt zoo in 't rijm te pas," fluisterde ik hem toe.
"Jokken beteekent hier zooveel als schertsen," zeide Helding, aan wiens
nauwluisterend oor de aanmerking niet ontsnapt was. Hij vervolgde:
"Die tandjes, wit als elpenbeen,"
Toen zei zij: "aan mijn werk mag heden niets ontbreken.
En, als de moeder van de min,
Wil ik, hetgeen ik schiep, doen prijken met het teeken,
Dat elk herken." Zoo sprak ze, en drukte, al onder 't spreken,
Haar duimpjen in de kin."
Hier werd dit kreupele rijm vervangen door een algemeen concert van
toejuichingen, en zoovele gezondheden den maker gebracht, dat ik berouw
begon te gevoelen, van hem niet vóór het einde van het gedicht te hebben
medegevoerd, daar ik wel voorzag, dat hij den hem gespreiden strik niet
ontgaan zou. Vreezende bovendien, dat ook de overigen, terwijl zij hem
de laag gaven, zelven mede hun bekomst zouden krijgen, rees ik op en
wenschte nu de eerste gelegenheid te baat te nemen om te vertrekken, en,
zoo mogelijk, Helding mede te krijgen, toen het gesprek opeens een
wending begon te nemen, welke mij blijven deed.
"Wat ik bovenal admireer," zeide Reynhove, terwijl hij den dichter bij
zijn knoopsgat hield, "is de variëteit, respireerende in de differente
poësies, die gij aan Mejuffrouw Blaek hebt gedediëerd. Zeker heeft u het
sujet geïnspireerd."
"Ongetwijfeld, Mijnheer!" zeide Helding: "wie zou niet in heilig vuur
ontstoken raken, wanneer hij zulk een engel moet bezingen? Zouden wij
hare gezondheid niet eens drinken, Mijne Héeren?"
Ik gevoelde een hoogst onaangename gewaarwording, en het was mij, of de
naam van Henriëtte ontheiligd werd, dat men dien bij een gelegenheid als
deze dorst uitspreken. Dan ik had spoedig meer gegronde reden tot
ontevredenheid.
De gezondheid van Mejuffrouw Blaek werd gedronken, en die ellendige
Weinstübe voegde er bij: "dat is een gonditie, die onze frund Plaek zich
vooral wel zal aantrekken wollen. Immers; hoe staat es? Pin je al
keënkacheerd met haar? En wanneer sollen wir op je prijloft tansen?"
"Niet zoo mal," antwoordde Lodewijk: "zij is geen onaardig bekje en zou
wel willen, geloof ik; maar wij zullen er niet aan doen."
Ik gevoelde een innigen trek, om den pochhans op zijn gezicht te
trommelen--en bedwong slechts met moeite mijn toorn.
"Maar toch, Plaek!" zeide Weinstübe: "man sagt, der Her papa wil mit
alle kraft und keweld, dat je haar trauwen solt."
"Ja! dat heeft de ouwe zich in 't hoofd gezet, Joost weet waarom!
althans hij gunt haar aan geen andere."--Hier zag hij mij aan met een
schampere uitdrukking, die mij het bloed in 't gezicht deed stijgen:
"doch," vervolgde hij: "als ik ooit zoo gek worde om mijn vrijheid te
verkoopen, zal ik ten minste een half millioentje in ruil moeten hebben,
en geen kale rot, die op haar best," enz. Hier bezigde hij eenige
uitdrukkingen, te gemeen om herhaald te worden, maar die door Weinstübe
en de officieren met een luid gelach werden aangehoord.
Er had een hevige strijd in mijn binnenste plaats. Ik had te veel
eerbied voor Henriëtte, om haar op zulk een tijd en plaats en in een
dergelijk gezelschap tot onderwerp van een twist te doen strekken, en
haar partij te trekken tegen haar eigen bloedverwant: maar aan een
anderen kant was het in mijn oogen een ellendige laagheid, te dulden,
dat zij in mijn bijzijn tot onderwerp moest strekken van zulk
nietswaardig gesnap. Terwijl ik mijn denkbeelden zocht in orde te
schikken, ten einde aan Blaek mijn ongenoegen op een betamende wijze te
kennen te geven, kwam Reynhove mij voor en gaf mij daardoor de gezochte
aanleiding, om mij, zonder stof tot opspraak te geven, in het onderhoud
te mengen.
"Vriend Blaek!" zeide Reynhove: "gij doet verkeerd, aldus over uw
cousine te spreken: zij is een charmant meisje, en zou ook zonder geld
in staat zijn, iemand gelukkig te maken, die haar wist te appreciëeren:
en daar zijt gij de man niet naar."
"Dunkt u dat?" vroeg Lodewijk: "welnu! trouw haar dan zelf: en geluk er
mede."
"Het verwondert mij," sprak ik nu op mijn beurt, "dat de Heer Blaek op
een zoo losse wijze spreekt van een naastbestaande, die wellicht door
geene onzer jonge dames overtroffen wordt, en wier zedigheid althans
boven alle lofspraak verheven is."
"Wat weet gij daarvan?" vroeg Lodewijk: "omdat gij een paar keeren
alleen met de meid geweest zijt, en zij tegen u misschien de preutsche
gespeeld heeft, denkt gij, dat zij tegen een iegelijk zoo zijn moet.
Loop heen! wij weten, wat wij weten."
"Ik weet," zeide ik, "dat ik in twijfel sta, of ik uwe taal met den naam
van laster of met dien van kinderpraat moet bestempelen."
"Wat!" riep Lodewijk uit, terwijl hij opstoof van zijn stoel: "weet gij
wel wat gij zegt?"
"Niet alleen, dat ik het weet; maar ik ben bereid, het te herhalen, en
geen woord meer te verdragen ten nadeele van Mejuffrouw uwe nicht."
"En wie duivel heeft u opgedragen haar ridder te zijn?" vroeg Lodewijk:
"maar dat is hetzelfde: wij zullen elkander nader spreken, Mijnheer
Huyck!"
"Ik ben uw seconde, Blaek!" zeide Van Ranst, zich oprichtende, en de
breede borst omhoogzettende.
"Ja kottorie! dat kun je niet onder je laten, Plaek!" zeide Weinstübe.
"Wees toch zoo dwaas niet, Blaek! zeide Reynhove, tusschen beiden
tredende: "onze vriend Huyck heeft perfect gelijk. Gij hebt op een
impardonnable wijze van uwe nicht gesproken: en gij zoudt de zaak niet
amelioreeren, door er verdere suites aan te geven. Laat alles liever en
_état_ blijven, haar naam niet meer geprononceerd, en de quaestie
afgedronken worden."
"Ja!" mompelde Heldring: "dat is naar mijn hart gesproken, laat de
quaestie afgedronken worden."
"De Heer Reynhove heeft volmaakt gelijk," zeide Contour tegen Lodewijk:
"gij kunt niet vechten tegen iemand, die het opneemt voor uwe eigene
nicht."
"Ja! das ist auch waar," zeide Weinstübe: laten wij er maar nicht meer
over spreken und ein klaasje von frundschap trinken."