paardenmarkt leeren kennen en heb niet kunnen weerstaan aan zijn
pressante invitatie, om eenigen tijd bij hem te komen passeeren."
Mijn vader keek eenigszins strak; maar hervatte spoedig met minzaamheid:
"ik twijfel niet, Mijnheer! of uw verblijf bij den Heer Blaek is genoeg
berekend om u allerlei genoegens te doen smaken: ook wil ik hem zijn
gasten niet aftroggelen. Intusschen, zoo UEd. eens een dag vrij zijt en
den gewonen pot bij ons voor lief wilt nemen, wees dan zoo goed daarvan
gebruik te maken. UEd. zult ons altijd welkom zijn."
"O ja, Mijnheer!" zeide mijn moeder: "maar vergeet niet, dat het geen
Haagsche festijnen zijn, welke wij u kunnen verschaffen."
"UEd. heeft te veel goedheid," zeide Reynhove: "zijt geassureerd dat ik
er met het grootste plaisir van profiteeren zal, en mij feliciteer, van
zoo wèl in eene estimabele familie als deze geaccueilleerd te zijn."
Na eenig verder onderhoud stond Reynhove op en nam afscheid. Toen hij
vertrok, deed ik hem uitgeleide. Zoodra wij in de gang waren, nam hij
mij bij de hand: "Ik had nog een verzoek aan u," zeide hij: "maar ik
dorst er daarbinnen niet mede voor den dag komen: uw ouders zijn zulke
deftige lieden: ik was bang, dat zij mij railleeren zouden. Ik zal u
zeggen, wat het geval is. Ik beweerde gisteren tegen Blaek, dat ik met
mijn Engelschman naar Haarlem en terug zoude rijden in zeven kwartier;
hij pretendeert hetzelfde te kunnen doen met de harddravers, die hij van
den Heer Van Baalen gekocht heeft: en daaruit is een pari ontstaan, wie
onzer het eerst den weg heen en weder zoude afgelegd hebben. Wij moeten
dit morgennamiddag beslissen: te vijf uren rijden wij af aan de
_Tweehonderd Roe_. Hebt gij lust om het te komen zien en naderhand een
glas wijn te blijven drinken?"
"Ik dank u," antwoordde ik, "ik moet aan 't kantoor zijn. Er is een
schip van ons, dat op zijn vertrek staat, en dat geeft mij veel
drukten."
"Het spijt mij," zeide hij: "nu, _au revoir_ dan."
Hij vertrok en ik keerde in de huiskamer terug, bij mijzelven denkende
dat Reynhove wel gedaan had, zijn voorstel niet te doen in
tegenwoordigheid mijner ouders, bij wie een harddraverij contrabande
was. Toen ik binnentrad was mijn moeder bezig, mijn vader in 't
vriendelijke te beknorren, dat hij dien vreemden Heer, bij zijn eerste
bezoek, zoo de les gelezen had.
"Kom! kom!" zeide mijn vader: "ik zou het niet gedaan hebben, indien ik
niet de overtuiging bezat, dat bij dien knaap een goede grond ligt en
dat de kern beter is dan de schil. 't Is maar jammer, dat hij met dien
Lodewijk Blaek omgaat."
"En dat hij zooveel Fransche woorden bezigt," zeide mijn moeder.
"Dat is Haagsche stijl," zeide ik: "en hij doet het niet erger dan
anderen."
"Hij zal nog veel te leeren hebben, eer hij de tale Kanaäns spreekt,"
zeide Tante Letje.
"En gij Santje! Hoe denkt gij over onzen nieuwen kennis?" vroeg ik,
bemerkende dat Suzanna, tegen haar gewoonte, stil was: "hoe bevalt hij
u?"
"O! ik vind hem zeer naar mijn zin," antwoordde zij: "gij weet, ik hou
veel van kapellen, en duizendschoonen, en gouden torren, en palmpaschen-
en pinksterbloemen en al wat blinkt en sierlijk is."
"Dat is geen bepaald antwoord op mijn vraag," zeide ik: "hij verdient
volgens de getuigenis van vader, niet verward te worden met die
pronkers, wier eenige verdiensten in hun mooien rok bestaat."
"Volstrekt niet," hernam zij: "want hij draagt bovendien een bijzonder
nette pruik en keurige lubben en een schitterenden diamant aan zijn
das.--Het portret van den saletjonker uit den _Verliefden Poëet_ van
Buysero is volkomen op hem toepasselijk:
'k Zag nooit netter van mijn leven:
Wel driemaal op een dag werd hem schoon goed gegeven.
Geen kreukje zag men in zijn kleeren, en, om recht
Te gaan, 't was in dien tijd een keuning van een knecht.
Hij wou zijn handen maar in rozewater wasschen.
Men heeft zijn leven zoo geen man een pruik zien passen.
En zijn handschoenen, ho! die waren klaar Jasmijn."
"Santje! Santje!" zeide ik: "biecht zuiver op; want ik bedrieg mij zeer,
of die Hagenaar heeft een goed oog op u; en zoo gij iets tegen hem hebt,
is het beter, dat hij maar spoedig daarvan kennis bekome; anders zal hij
het u nog lastig genoeg maken."
"Santje heeft volkomen gelijk, dat zij het met een Jantje van Leiden
afmaakt," zeide mijn moeder: "een jong meisje moet zich nooit uitlaten
over een Heer: het mocht haar naderhand berouwen."
"Juist zoo!" voegde mijn vader er bij: "want de oude spreuk zegt
terecht, dat men met zijn spot naar bed gaat."
Met deze grap was het onderhoud over Reynhove besloten en wij vervielen
langzamerhand weder tot de zwaarmoedige stemming en de stilte, waaruit
zijn bezoek ons voor een poos gered had.--Mijn zuster zelfs, anders zoo
levendig en opgeruimd, deed geen moeite om het gesprek gaande te houden,
en zat in gepeinzen verdiept: 't zij dat haar genegenheid voor mij haar
de slechte uitkomst van mijns vaders pogingen evendiep had doen gevoelen
alsof het haar eigene zaak geweest ware: 't zij dat werkelijk het bezoek
van Reynhove een bijkomende aanleiding tot overdenking had opgeleverd.
Eindelijk vroeg mijn moeder, onder andere onverschillige zaken, aan
Tante Letje, of zij de Juffer nog gezien had, die bij Heynsz aan huis
woonde?
"Wel ja!" antwoordde Tante: "heeft Neef u niet verhaald, dat hij haar
tot mijnent ontmoet heeft?"
Allen zagen mij aan en mijn vader zelfs met een ernstigen blik. Ik
gevoelde terstond, hoe verkeerd ik gedaan had, van deze toevallige
ontmoeting niet te reppen; daar ik nu van achteren den schijn op mij
laadde, als had ik die opzettelijk verzwegen.
"'t Is waar!" zeide ik: "ik had het vergeten ... ik had het hoofd zoo
vol. Ook heb ik niet gedacht, dat er iemand belang in stelde."
"Nu! die jonge Juffer stelt dan wel belang in u," zeide Tante in haren
eenvoud des harten: "zij is nog tweemalen sedert dien tijd bij mij
geweest, en heeft mij telkens naar u gevraagd, Neef!--Een zoet meisje,
dat moet ik zeggen: jammer maar, dat zij Roomsch is. Haar vader had mij
heden ook bezocht, om mij te bedanken voor de vriendelijkheid, die ik,
zoo hij zeide, voor zijn dochter gehad had. Een beleefd mensch die Heer
Van Beveren, dat moet ik zeggen."
"Van Beveren!" herhaalde mijn vader, die met aandacht naar de woorden
zijner zuster geluisterd had: "waar hoort die man te huis?"
"Te Deventer!" antwoordde Tante: "doch hij schijnt hier welbekend;
althans hij heeft mij over vele lieden gesproken en wist bijna aller
betrekkingen."
"Te Deventer! zoo!" herhaalde mijn vader, nadenkend: "en heeft u die
Heer Van Beveren geen geld ter leen gevraagd?"
"Neen Broeder! En hij zag er ook niet uit als iemand, die geld behoefde.
Hij was goed gekleed en had het geheele voorkomen van een man, die in de
groote wereld leeft."
"Ik behoef u niet te vertellen, Zuster?" zeide mijn vader, "dat de
duivel zich somtijds in een engel des lichts verkleedt, om zijn
oogmerken te bereiken. Ik zou u aanraden, wat voorzichtig met die lieden
te zijn."
"Hoe dan: weet gij eenig kwaad van hen, Broeder?" vroeg Tante, met
eenige bezorgdheid.
"Niet het minste; maar ik wil dat toch eens onderzoeken ... er is toch
iets, dat mij vreemd voorkomt."
"Gij zult toch niet denken, Willem!" zeide mijn moeder: "dat Heynsz
verdachte lieden zal herbergen?"
"'t Is zeker, dat zulks nogal grappig zoude wezen," hernam mijn vader:
"maar gij hebt gelijk en uw aanmerking is juist.--En Zuster! sprak de
dochter van dien Heer zoo belangstellend over Ferdinand?"
"Och Vader!" zeide ik, alle vermoedens wenschende af te wenden: "Tante
zal de zaak waarschijnlijk een weinig vergrooten. Zij en ik zijn
misschien de eenigen, die Amelia behalve haar huisgenooten kent."
"Ei! heet zij Amelia?" vroeg mijn vader: "gij schijnt reeds vrij
familiaar met haar te zijn, om haar zoo bij haar doopnaam te noemen!"
Ik zag, dat Suzanna bleek werd en ik merkte dat ikzelf een kleur over
mijn onvoorzichtige uitdrukking kreeg. Mijn Zuster, waarschijnlijk om
mij uit de verlegenheid te redden, zei met een gemaakten lach:
"'t Zal een prinses zijn, die incognito reist; en prinsessen worden
nooit anders als bij haar voornamen genoemd."
"Dat is zeker," zeide ik, moed vattende, "dat ik haar doopnaam beter
weet, dan haar familienaam; maar overigens is onze kennis al zeer gering
en ik verlang die niet nader aan te knoopen, hoe lief zij ook wezen
moge."
"Niet?" zeide Tante: "en gijzelf, Neef! hebt haar zoozeer tot voorspraak
gestrekt, toen ik haar wilde verstooten."
"Wel Tante! Wat zal ik u zeggen? Uw goedheid spoorde u aan, haar, die u
onbekend was, bij u te ontvangen: en mijn hart zeide mij dat de leer,
die zij beleed, haar aanspraak op uwe bescherming niet verminderde. Dat
is alles."
Mijn vader zag mij aan, schudde bedenkelijk het hoofd, nam een snuifje
en verwijderde zich om in zijn vertrek te gaan arbeiden: zoodat, zeer
tot mijn genoegen, het gesprek over Amelia en haren vader hierbij rusten
bleef.
* * * * *
ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN GELEERD WORDT, HOE MEN BEST OUDE PAARDEN VERKOOPT, EN JONGE
BEDERFT.
Het was gelukkig voor mij, bij de stemming, waarin ik mij bevond, dat
het ophanden zijnde vertrek van Kapitein Pulver mij vrij wat bezigheid
aan 't kantoor verschafte en daardoor buiten de mogelijkheid stelde om
mij over te geven aan mijn leedwezen over de ondervonden teleurstelling.
Al had de arbeid geene andere nuttigheid als deze, dat hij den geest
bezig houdt en belet het verdriet te gevoelen, dan nog zou hij als een
weldaad voor het menschdom moeten beschouwd worden. En boven alle andere
zijn, in gevallen, wanneer de ziel ontroerd en geschokt is, de
zoogenaamde dorre eentonige werkzaamheden, welke ons beroep verschaft,
verkieslijk boven die, welke een meer aanlokkende zijde hebben en
waarbij de verbeelding mede in 't spel gebracht wordt. Wijsbegeerte en
fraaie letteren mogen op den duur kalmte en vertroosting aan den geest
bieden: haar beoefening zoude ik vergelijken bij die van de
gezondheidskuur, waarvan de invloed, hoe heilzaam ook, eerst later
gevoeld wordt; beroepsbezigheden zijn als de pijnstillende opium of de
blaartrekkende pleister, welke de kwaal niet wegnemen, maar ons beletten
die te gevoelen.
Maar toen ik, na afloop van het kantoor, weder te huis kwam, en de avond
te schoon was, om dien op mijn kamer door te brengen, terwijl de dames
uit waren, keerde mijn zwaarmoedigheid. "Kom!" dacht ik, na een wijl
gepeinsd te hebben: "ik heb op dit oogenblik geen grooter vijand dan mij
zelf en mijn gedachten: ik moet of werk hebben of bezigheid zoeken.
Waarom zou ik niet naar den Haarlemmerweg gaan en zien hoe de
weddenschap is afgeloopen?"
Dit besluit gevormd hebbende, begaf ik mij dadelijk op weg, wandelde de
singels om naar de Haarlemmerpoort en kwam ongeveer tegen half zeven ure
aan de Tweehonderd Roe; waar ik weldra vernam, dat de beide wedders te
vijf uren precies waren afgereden, en dus, bijaldien er geen ongeluk had
plaats gehad, welhaast moesten terug wezen. Een vrij talrijk gezelschap
zat in den tuin en voor de deur der herberg bijeen, met de wijnflesch of
bierkan voor zich, naarmate de staat hunner geldbeurs meerdere of
mindere uitgaven gedoogde: anderen wandelden langzaam den weg op en
neder, blijkbaar den uitslag des wedrens verbeidende; terwijl enkelen,
te paard of in hun chaisen gezeten, met hetzelfde oogmerk stapvoets op
en neder reden. Daar waren, onder dien toevloed van menschen, lieden van
elken rang of stand, vermogende renteniers, deftige kooplieden,
beunhazen, pikeurs, stalhouders en voerlieden; doch allen, op weinige
uitzonderingen na, _ridders van de zweep_: en de onderscheidene
gesprekken, welke hier en daar gevoerd werden, hadden overal slechts één
onderwerp, de edele rijkunst. De verdiensten der paarden van Lodewijk
Blaek, die bij allen bekend waren, werden overwogen: de groote feiten,
door hen verricht, in ai hun kleuren opgevijzeld; hun betrekkelijke
waarde vergeleken: de prijs, dien zij gegolden hadden, genoemd, enz.
enz. Wat het paard van Reynhove betrof, daarover dorst men een minder
beslissend oordeel vellen, vermits het slechts aan weinigen bekend was;
doch men was van gedachten, dat het, ofschoon uiterlijk van weinig
apparentie, echter droog en fraai was, en tot die soort van paarden
behoorde, welke niet bij uitstek snel loopen, maar een gestadigen gang
hebben en het lang uithouden zonder zich te vermoeien.
Ik keek ondertusschen rond, of ik niet hier en daar onder de menigte een
gezicht van een kennis zoude aantreffen; maar ofschoon ik met dezen en
genen, die mij van de beurs of van elders bekend was, een groet, of een
kort: "hoe vaart Mijnheer?" wisselde, zag ik niemand, met wien ik het de
moeite waardig achtte, een bepaald gesprek aan te knoopen. Daar ik eerst
aan de Academie, en toen buitenslands geweest was, had ik weinig
bekenden, althans onder dat slag van lieden, hetwelk zich hier
bevond.--Eindelijk, mij langs een hoopje begevende, dat nog
luidruchtiger en drukker was dan de rest, hoorde ik mij eensklaps bij
mijn naam noemen: en, mij omwendende, herkende ik Weinstübe, die met een
grooten roemer in de eene en een zweep in de andere hand, den redetwist,
waarin hij gewikkeld was, afbrak om mij aan te spreken.
"Huyck" riep hij: "foor wien wed jij?"
"Voor geen van beiden," antwoordde ik, mijn hoed even aflichtende, als
wilde ik mijn wandeling vervolgen.
"Nein! Pots tit und tat! Je komt er zoo nicht af! Je solt seggen voor
wien je pint. Wed jij tegen mich. Ik heb een sakkie sesthalven kewed op
de plessen van Plaeck: en er is niemand, die meer dan een sakkie
toepeltjes teugen houdt. Toe jij me nou de frundschap und neemt de
rest."
"Ik zou u gaarne dat genoegen doen," zeide ik: "maar ik wed niet zoo
maar in den wilde: de blessen van Blaek ken ik ternauwernood en het
paard van Reynhove in 't geheel niet: zoodat ik over hunne vergelijkende
waarde niet kan oordeelen."
Ik dacht er hiermede af te zijn; maar weldra had ik berouw, van maar
niet ronduit verklaard te hebben, dat ik in 't geheel niet wedde; want
nu kreeg ik terstond het loon voor mijne valsche schaamte.
"Laat je dat niet afschrikken, Mijnheer!" zeide een dikke vent, wien ik
naderhand vernam, dat een kastelein van den Overtoom, en een beroemd
paardenkenner was: die beestjes van Blaek loopen drommels goed, dat 's
waar; 't bennen poppetjes, daar niks aan mankeert: zoo rond as appeltjes
en as een zij zoo zacht in den bek, daarom niet; maar kijk! daar hebje
dien anderen: heb ik jou daar? het biest mag zoo mager wezen as het wil:
des te minder zit hem zijn vet in den weg:--en as je 't zoo ziet
afrijen, je zoudt zeggen: het slaat zien beenen deur mekaêr of het mal
was;--maar laat hem gerust zijn gang gaan: hij zal het uithouen op den
langen weg--en ze alle achter hem laten. Kijk!--het zakkie dubbeltjes
durf ik op hem resikeeren; en het past mijn en mijns gelijken niet om
meer te doen;--maar hou jij gerust de rest: 't zei je geen schaê doen;
zoowaar ik Krijn Jaspersz hiet."
"Ik wil het best gelooven," zeide ik: "maar in zoodanige gevallen ga ik
niet op goed geloof af, en dat zult gij mij niet kwalijk nemen. Gij
zoudt ook niet gaarne een paard koopen of er op wedden, zonder het
alvorens gezien te hebben."
"Nou, dat 's waar ook," zeide hij: "maar anders!... Ik heb de eer niet,
van Meneer parteklier te kennen, en ik weet niet, of Meneer verstand van
paarden heit; want anders ben je nog niet sekuur al heb je ze gezien:
dat heit die makelaar ondervonden, die laatst bij ons was, daar Blaek
die ouwe knol van hem an verkocht heit."
"Ja!" zeide Weinstübe, grinnikende: "dien heeft hij oud peet kehad."
"Zoo! heb je ook al gehoord van den moord van Parijs?--Nou! die goeie
man had het paard ook gezien en geprobeerd: en hij docht, dat hij wonder
wat kocht; maar jawel!--hij liet zich royaal weg een ouwen blinden knol
in de handen stoppen en mag den hemel danken, zoo hij er den volgenden
dag den nek niet mee gebroken heeft."
"Maar dat is niet veel beter dan stelen," zeide ik: "op deze wijze van
eens anders onnoozelheid partij te trekken."
"Hei ho! daar komen zij! daar komen zij!" riepen eenige stemmen. Alles
stoof op en keek den weg op; hoewel er nog niets te zien was, dan een
stofwolk, die aan deze zijde van het tolhek opsteeg.
Ongeduld, verwachting, hoop en vrees, waren op de aangezichten te lezen,
en men staroogde, alsof men den blik door het stof heen had willen laten
dringen, om te ontdekken, wie de overhand had. Het duurde echter niet
lang, of beide rijtuigen waren naast elkander zichtbaar, zonder dat men
nog door den afstand kon onderscheiden welk het eerste was.
"Zij zijn er waarachtig allebei!" riep de een,--"zij hebben mekaar goed
bijgehouen!" riep een ander.--"Nou! wat braatje nou van uithouen?" vroeg
Weinstübe aan Krijn Jaspersz.: "je ziet immers, dat de peesten an mekaar
kewaagd zijn. Heb je ook perauw? Sol je 't afmaken wille voor de helft."
"Patientie!" zei de kastelein: "de laatste loodjes wegen het zwaarst."
"De ruin is voor!" riep opeens een stem.
"Neen! neen!" zeide een ander: "de blessen winnen het."
"De blessen winnen het!" riepen onderscheidene stemmen. En inderdaad zag
ik nu ook, dat de twee paarden een eind dichter bij waren dan het eene;
ofschoon het rijtuig, dat door de eerstgemelden getrokken werd, wild
over den weg heen en weder slingerde, terwijl de sjees van Reynhove met
een gelijken gang vorderde.
"Hoera!" riep Weinstübe, met den hoed zwaaiende: "had je nu mijn
foorschtel maar aannemen willen. Het sakkie toeppeltjes is mein."
"Hoezee!" riep de menigte, en opende zich voor het rijtuig van Blaek,
die, met purper aangezicht, schreeuwende en juichende kwam aangereden.
Maar nauwelijks had hij de plek bereikt, als de uiterste grens van den
wedren bepaald, of een zijner paarden stortte en hij zelf tuimelde uit
de sjees. Hij was echter dadelijk weder op de been en werd nu door de
toestroomende liefhebbers met luid gegalm als overwinnaar begroet.
Reynhove was intusschen insgelijks aangekomen, mede vrij verhit en
ontdaan; doch zijn paard toonde slechts weinige blijken van vermoeidheid
en wettigde daardoor de lofspraak, daaraan door Krijn Jaspersz gegeven.
Alleen het schuim, waarmede het bedekt was, een korte hoest en een
trillende beweging van het lichaam, toen het stilstond, gaven bewijs dat
het hard geloopen had. Een lakei van Reynhove schoot dadelijk toe, dekte
het met een warm kleed en bracht het op stal met behulp van den
kastelein der _Tweehonderd Roe_. Ofschoon nu onze Hagenaar het onderspit
gedolven had, bleek mij echter dat de oordeelvelling van den
Overtoomschen kastelein juist geweest was; want de paarden van Blaek
hadden zich overloopen: het eene lag, zooals ik gezegd heb, op den grond
en scheen meer dood dan levend; het andere stond nog, doch hijgende als
een juffershondje en zoo onvast op de beenen, als ware het op het punt
van neer te storten. Met veel moeite deed men het gevallene opstaan, en
bracht men beide opstal.
"Jongen! dat is jammer!--Ik hoop, dat het den beestjes geen kwaad zal
doen! Zij hadden zich zoo mooi gekweten!--Je bent den ander toch
vooruitgebleven!--'t Mag wezen hoe 't wil: 't is beter, dat ze
crepeeren, dan dat die magere knol je voorbij ware gereden, enz.
enz."--Zoo klonken de troostredenen, die nu in ruime mate aan Lodewijk
werden toegevoegd; maar waar hij geen oor naar had, zoo grootsch was hij
op zijn overwinning; ofschoon hem die waarlijk een paar goede paarden
kosten zoude.
"Ik ben toch de baas gebleven!" riep hij Reynhove toe, met een
zegevierenden blik.
"Dat geloof ik wel," zeide deze, met spijtige bedaardheid: "gij waart
schier aan 't hollen geslagen: en ware uw paard niet gestort, dan zoudt
gij ze niet gearrêteerd hebben. Op zoo'n wijze zoude ik niet willen
triomfeeren."
"Heb ik het niet gezeid?" zeide Krijn Jaspersz: "'t is een bloot toeval
en meer niet, zoo de blessen eerst an zijn; maar ik vraag maar an
iedereen, of die prijs mooi gewonnen is? Ik heb gezeid, en ik blijf er
bij, dat de ruin op den langen weg beter loopt: en as Meneer hem niet
had willen sparen, was hij nog de baas gebleven."
"As! As!" herhaalde Weinstübe: "asch is verbrante tourf: en je pint toch
je toeppeltjes kwijt, man."
"Dat ben ik," zeide Krijn: "heb daarover geen zorg; maar dat belet niet,
dat ik op zoo'n manier geen weddenschap zou willen winnen."
Onder dit praten waren Reynhove en Lodewijk, door de omstanders heen, de
herberg binnengedrongen: en geen trek hebbende, om mij in dien wilden
boel te mengen, noch om langer naar de klaagliederen van Krijn Jaspersz
te luisteren, begaf ik mij naar den tuin, zette mij neder en bestelde
een roemer wijn, met oogmerk om na het gebruik daarvan huiswaarts te
keeren. Ik had nauwelijks eenige minuten gezeten en was, bij de algemeen
heerschende drukte, nog niet geholpen geworden, toen de waard in persoon
naar mij toekwam en mij uit naam van Reynhove vroeg, of ik hem en aan de
overige Heeren de eer aan wilde doen, mij bij hen te vervoegen.
"Ik bedank Mijnheer wel voor zijn beleefdheid," antwoordde ik: "het is
mij daarbinnen te vol en ik ga zoo aanstonds heen."
"Vol! Mijnheer!" herhaalde de waard: "wel neen! zij zitten maar metter
zessen daar gunter in den koepel: 't is zeker anders wel de gewoonte,
datter meer van de partij zijn, maar die Heer uit Den Haag valt nogal
grootsch en wil niet graag met anderen als met zijns gelijken
converseeren. Nou! 't is mij wel wat scha; maar wat zal ik zeggen?"
Ik keek in de richting, welke hij mij aanwees, en zag inderdaad, dat
Reynhove, Blaek, Weinstübe en een drietal Officieren, zich in een der
bij de herberg behoorende koepeltjes bevonden, dat voor hen was
vrijgehouden: en het gaf mij juist geen kwaden dunk van Reynhove, dat
hij niet verlangde met Jan en alleman te zitten.
"Nou, wat mot ik zeggen?" vervolgde de waard.
Ik had voorzeker wijzer gedaan, en mij vrij wat verdriet bespaard,
indien ik bij mijn voornemen gebleven ware en de Heeren alleen had
gelaten; maar eensdeels deed een misschien kwalijk gepaste schaamte mij
vreezen, dat Reynhove het euvel zoude opnemen, indien ik het voorstel
afsloeg; te meer, daar ik mij den vorigen dag verschoond had en nu toch
was komen kijken: en daarbij dreef een dwaze ijdelheid mij aan, om mij
geroepen te wanen, ten einde aan die liefhebbers een nuttige les te
geven. Kortom, ik stond op en volgde den waard naar het koepeltje, waar
onze Heeren onder de flesch bijeenzaten.
"Wel! ik moet zeggen," zeide Reynhove. toen hij mij zag: "het kost niet
weinig moeite de eer van Mijnheers gezelschap te bekomen. Gisteravond
verzoek ik u, en gij refuseert: vandaag verandert gij van idee, en dan
laat gij u nog bij de ooren trekken, om ons uw sociëteit te schenken."
"Ik houd niet van mij in te dringen," zeide ik: "en blijf slechts een
oogenblik."
"Wel, ik hoop van beter," hernam hij: "maar neem plaats: ik weet niet of
gij deze Cavaliers kent: de Heeren Contour, Reekalf Van Ranst,
officieren te Naarden in garnizoen." '
Ik boog mij en nam plaats.
"Wat is dat voor een bocht van wijn?" riep Lodewijk, die mij slechts
even met een hoofdknik had begroet: "Jan! haal anderen wijn: denk je,
dat wij zulke vergifte kost willen zuipen? Haal van den Klooster
Baserac: immers zoo de baas er nog van dezelfde heeft als laatst."
"Het heeft weinig gescheeld," zeide ik tegen Reynhove, "of gij hadt den
prijs behaald."
"'t Heeft genoeg gescheeld," zeide Lodewijk: "ja! laten zij maar komen,
die het tegen de blessen uithouden."
"Nu ja," zeide Reynhove, niet zonder wrevel over het bluffen van
Lodewijk: "indien ik mijn paard had willen ambimeeren, zooals gij uwe
beesten gedaan hebt, dan had ik u op Halfweg al vooruit kunnen zijn."
"Nu vraag ik aan elk verstandig mensch," zeide Lodewijk, met een luiden
lach, "of zulk een verschooning wel iets anders als een uitvlucht
is?--Wat duivel! die zijn paarden sparen wil moet niet wedden.--Wat zegt
gij er van, Weinstübe?..."
"Das ist recht," antwoordde deze: "onze freund Reynhove sol het auch
gaar nicht meinen wollen. Maar met dat al, zijn rein is ein gnap peestje
und loopt blaisierig: ich sol hum er nog een sakkie koeltens voor pieten
wollen."
"Wacht eerst, tot het te koop is," zeide Reynhove; "intusschen ben ik
gereed, zoo vriend Blaek wil, morgen weer tegen hem te rijden, tot aan
Guldenhof toe: en voor het dubbele geld."
"Of ik mal ware," zeide Lodewijk: "kom over veertien dagen eens weer,
dan zullen wij er nader over spreken."