vader in zijn kamer aan 't werk zat, en dat Suzanna met de jongere
kinderen een grachtje rondging, om de lieve vrouw over mijn
huwelijksplannen te onderhouden, en haar te bidden, mijn vader te
bewegen, om een bezoek bij den Heer Blaek af te leggen en hem voor mij
de hand zijner nicht te vragen. Mijn moeder luisterde naar mij met de
belangstelling, waarop ik wist te kunnen rekenen: maar toch kon ik aan
de eenigszins ontevredene uitdrukking van haar gelaat bemerken, dat het
medegedeelde haar niet volkomen welkom was. Ik was echter op zwarigheden
voorbereid en wist met de welsprekendheid eens verliefden al de
bedenkingen op te lossen, welke zij, zoowel uit de kortstondigheid
mijner kennismaking met Henriëtte, als uit ons gebrek aan fortuin wist
te putten. Het viel mij echter zwaarder dan ik gedacht had, haar te
overreden om mij haar hulp te beloven ter bereiking van een oogmerk,
dat, naar ik duidelijk gewaar werd, hare meer verhevene verwachtingen
teleurstelde. Want, welke moeder, zij moge overigens de nederigste en
verstandigste vrouw zijn, koestert geen inzichten en wenschen omtrent
haar kinderen, hooger en grootscher dan de wezenlijkheid kan
teweegbrengen? Eindelijk echter, toen zij vernam, dat ik mijn liefde
reeds verklaard had, en dat de zaak tusschen Henriëtte en mij zoo goed
als beklonken was, deed zij, zooals alle moeders zouden gedaan hebben:
zij omhelsde mij, en beloofde, mijn belangen te zullen voorstaan en bij
mijn vader bepleiten.
Den volgenden namiddag riep mijn vader, die aan tafel buitengewoon stil
en afgetrokken was geweest, mij met hem naar zijn kamer. Ik volgde
bevende als een misdadiger, die in het verhoor zal gaan; want zijn
gelaat stond strak en ernstig en voorspelde weinig goeds. Hij wees mij
zwijgend een stoel aan en zette zich over mij. Na een snuifje te hebben
genomen, begon hij aldus:
"Uw moeder heeft mij gezegd dat gij huwelijksplannen in 't hoofd hebt."
"Inderdaad, Vaderlief! En ik zou mij hoogstgelukkig achten, indien zij
uwe goedkeuring konden wegdragen."
"Gij hebt altijd een bedaard oordeel gehad, Ferdinand! en waart nooit
gewoon u te overijlen. Des te meer bevreemdt het mij, dat gij, nu het
den gewichtigsten stap uws levens geldt, u blootstelt, wegens
onberadenheid veroordeeld te worden."
"Ik hoop," zeide ik, "dat mijn keus mij voor een dergelijk vonnis
vrijwaart.
"Rechtuit gesproken, dat doet zij niet. Ik heb altijd veel goeds van de
bedoelde Juffer gehoord:" ('t is zonderling, dat vaders in een dergelijk
geval nooit den naam uitspreken, als waren zij bang dat daarin een
mystieke kracht lag opgesloten), "zij ziet er lief uit, en ik kan klaar
begrijpen, dat een jongmensch haar naar zijn zin vindt;--maar toch! een
meisje, dat gij nog den tijd niet hebt gehad te leeren kennen, zoo
opeens tot de gezellin uws levens te kiezen, dat is wat vlug, wat wild
geprocedeerd, en, zooals ik zeide, dat had ik niet van u verwacht."
"Ik moet bekennen," zeide ik, "dat uw beschuldiging veel grond heeft;
maar ik neem de vrijheid, u te doen opmerken, dat ik, door een samenloop
van toevallige omstandigheden, gelegenheid heb gehad, haar karakter te
leeren kennen en waardeeren. Toen ik haar voor het eerst ontmoette op
den koepel van Guldenhof, trof mij haar beschaafde toon, haar
ingetogenheid en minzaamheid: later op Heizicht vond ik een nieuw
behagen in haar ongedwongen en toch recht fatsoenlijken omgang:--en op
het jacht, in de ure des gevaars, kreeg ik eerbied voor haar
beradenheid, haar kalmte van geest en godsdienstzin. UEd. zult mij
toestemmen, dat die weinige dagen mij beter hebben in staat gesteld, een
oordeel over haar te vellen, dan dat ik haar jaren lang op gastmalen en
danspartijen ontmoet had."
"Daar is wat van aan:--en met welk oog ziet zij u aan?"
Ik verhaalde aan mijn vader de omstandigheden van mijn onderhoud met
Henriëtte.
"Ik had niet verwacht," hernam hij, "dat gij een dergelijken stap zoudt
doen, alvorens uwe ouders daarover te raadplegen."
"Ik betuig u, mijn vader!" zeide ik, "dat het volstrekt mijn voornemen
niet was, toen ik naar Heizicht vertrok, mijn liefde te verklaren; doch
na hetgeen op het jacht was voorgevallen, kon ik niet nalaten te
spreken."
"Intusschen zie ik niet, dat gij nog ver gevorderd zijt."
"Niet!--daar ik de zekerheid heb, dat mijn aanzoek aan Henriëtte niet
onverschillig is?"
"Goed! maar zij heeft u te kennen gegeven, dat haar oom zijn toestemming
waarschijnlijk zal terughouden:--en ik moet u betuigen dat ik niet
anders zeggen kan, of de man zal gelijk hebben ook. Zoolang zij nog
minderjarig is, zou hij zeer verkeerd handelen, alle meer schitterende
uitzichten, die zich voor haar zouden kunnen opdoen, te vernietigen,
door haar weg te geven aan iemand, wiens fortuin slechts in
verwachtingen bestaat;--want gij weet het, wat ik u kan medegeven is
weinig of niets."
"Ik verlang ook niet," zeide ik, "dat de Heer Blaek terstond in een
huwelijk toestemme. Zoo hij slechts verlof geeft, dat ik zijn nicht
oppasse, en zoo 't heet, nadere kennis met haar make: ziedaar alles, wat
ik voor het oogenblik vergen kan."
Mijn vader haalde de schouders op. "Na hetgeen gij met de Juffer
gesproken hebt," zeide hij, "hebt gij mij in een zekeren zin wel in de
noodzakelijkheid gebracht om acces voor u te verzoeken. Ik zal den Heer
Blaek belet doen vragen."
"Vader!" riep ik, uitgelaten van blijdschap: "uw goedheid is grooter dan
ik verdien. Hoe zal ik dat vergelden?"
"Stil," zeide hij: "verheug u niet te spoedig en bouw geen
luchtkasteelen; want het antwoord van den Heer Blaek kon die wel opeens
vernietigen.--Intusschen, ik moet het u zeggen, de mededeeling van uw
liefde heeft mij in zeker opzicht genoegen gedaan. Ik was inderdaad
bezorgd, dat gij andere dingen in uw schild voerdet, en dat uw
afgetrokkenheid in de voorgaande week een andere, min verschoonbare
oorzaak had.--Doch ik hoor Heynsz de trap opkomen:--_ianitor ante
fores_: ga nu heen:--ik beloof u, hedenavond nog zal ik aan den Heer
Blaek schrijven."
Ik kuste vurig de hand mijns goeden vaders, en na aan mijn moeder en
Suzanna den stand van zaken te hebben medegedeeld, snelde ik met een
opgeruimd gemoed naar het kantoor. Bij mijn terugkomst in den
familiekring, verhaalde mijn vader mij, dat hij aan den Heer Blaek had
geschreven, en dat deze geantwoord had, hem den volgenden avond te
zullen afwachten.
"Nu hoop ik, Papa!" zeide Suzanna, "dat UEd. toch niet vergeten zult, al
de goede hoedanigheden van Ferdinand op te tellen, ten einde den Heer
Blaek te overtuigen, dat hij aan niemand anders zijn nicht beter kan
besteden, dan aan hem."
"Gij zoudt weldoen, mij die op een lijstje te geven," zeide mijn vader:
"misschien mocht ik er sommige vergeten."
"UEd. zoudt kunnen beginnen, hem het lofdicht van Helding te laten
lezen," zeide Suzanna."
"_Carminibus confide bonis_," zeide mijn vader: "maar Ovidius *beweert
nergens, dat men ook op prulverzen vertrouwen moet."
"Nu!" hernam Suzanna: "dan most UEd. het over een anderen boeg wenden en
vooreerst hem prijzen wegens het buitengewoon doorzicht, dat hij aan den
dag legt door zoo, in vier of vijf dagen, welke hij met haar heeft
doorgebracht, zich in staat te bevinden om al de voortreffelijke
hoedanigheden te ontdekken, waarmede Jetje Blaek begiftigd is."
"Ik zou die snaar maar niet aanroeren," zeide mijn moeder, het hoofd
schuddende: "ik vrees, dat de Heer Blaek al wel uit zichzelven de
opmerking zal maken, dat die liefde al vrij spoedig is opgekomen."
"In de tweede plaats," vervolgde Suzanna: "moet UEd. hoog opgeven van
Ferdinands zelfvertrouwen, hetwelk hem vrijmoedigheid geeft om, hoewel
hijzelf niets bezit, een Juffer te vragen, die ook niets heeft, in de
vaste overtuiging, dat hij spoedig fortuin zal maken."
"Och, gij maakt weer paskwillen," zeide mijn moeder, "maar al heeft
Ferdinand nu niet veel, hij is toch niet geheel zonder vooruitzichten:
en, zooals ik mijn schoonzusters ken, vlei ik mij, dat zij wel iets
zullen bijbrengen, om hem in staat te stellen, zijn huishouding te
beginnen."
"Wel ja!" zeide Suzanna: "wat zou men niet voor zulk een lief neefje
doen?--Nu! ik zal eens zien, of ze in de bos voor hem blazen; want zij
zullen voor mij vast niet minder doen, en dan weet ik, ingeval ik eens
gevraagd worde, waar ik op rekenen kan;--maar laten wij niet
afdwalen:--UEd. moet verder zijn standvastigheid roemen in het bewaren
van 't geheim, 't geen zich daaruit bewijzen laat, dat hij aan niemand,
zelfs aan mij niet, die hem toch nog met goeden raad had kunnen dienen,
iets van zijne liefde heeft laten blijken."
"Dat was juist zoo lofwaardig niet," zeide mijn moeder.
"Ga maar voort," zeide ik tot Suzanna: "ik ben nu best gestemd om
geplaagd te worden."
"Wel, gij zoudt mij haast doen zwijgen," hernam zij: "want in dat geval
heb ik er weinig eer van.--Voorts moet Papa breed uitweiden over de
welsprekendheid, die gij bezit, en waarmede gij zoo in een wip het hart
van een onschuldig maagdelijn veroverd hebt, zoodat gij zeggen kunt als
César: ik kwam, zag en overwon."
"Ik weet niet," zeide mijn vader: "of het juist veel voor het oordeel
van de Juffer bewijst, dat zij haar jawoord zoo spoedig aan dien Sinjeur
gegeven heeft."
"Foei Willem!" zeide mijn moeder: "hoe kunt gij zoo iets zeggen."
"Och! 't is maar één paar bedorven," zeide Suzanna: "maar gij moet
denken, Papa, dat Jetje ook niet te streng veroordeeld moet worden. Zij
kan haar vrijers wel tellen: en dewijl haar neef, die bullebak, haar
toch niet hebben wil, doet zij zoo mal niet, de gelegenheid bij de haren
te pakken. Ik weet, helaas! zelve bij ondervinding, dat de liefste,
beminnelijkste, aardigste, geestigste meisjes, zonder geld, vruchteloos
op den uitkijk zitten, en als Mevrouw Blauwbaard roepen: Anna! zuster
Anna! ziet gij niets komen?"
"Ei zoo, Santje!" zeide ik: "ik wist niet dat gij er zoo over dacht.
Hebt gij zulk een haast om getrouwd te zijn?"
"Oho! hadt gij hoop, mij als een oude vrijster te zien sterven, en
rekent gij al op mijn erfenis voor uwe kinderen?
Op potgeld, rente, kustinghbrieven;
En schimmelpenningh, lang vergaert,
En spaerpot uyt myn mont gespaert?--
zooals Vondel zegt:--Och jongenlief! Stel dat maar uit uw zinnen: het
zou de bloeien toch uit de hand vallen: en ze zouden hun vingers aan
Tantes geld wel niet blauw tellen. Maar Vaderlief! zeg mij toch eens,
wij hebben er laatst ook over gesproken, Ferdinand en ik: hoe komt de
oude Heer Blaek toch zoo schrikkelijk en geweldig rijk en zijn nichtje
zoo arm?--heeft Jetjes vader er den boel wezenlijk doorgelapt, gelijk
men verhaalt?"
"Gij vraagt mij meer dan ik u zeggen kan," antwoordde mijn vader: "Ik
ben ambtshalve genoeg gedwongen om in de geheimen van anderen te
dringen, zoodat ik mij daar uit nieuwsgierigheid zelden over bekommer.
Wel weet ik, dat zoowel Jacobus als Hendrik Blaek weinig vermogen
bezaten: zoo zelfs, dat zij beiden, eens weduwnaars zijnde, het
vaderland hebben verlaten om hun fortuin elders te beproeven. Den eenen
is dit gelukt: de andere is gestorven eer hij tijd had gehad, iets te
vergaderen."
"Hij moet wel schrikkelijk veel geld hebben, die oom Blaek," zeide
Suzanna: "althans zijn zoontje maakt nogal vertering, zonder dat het hem
schijnt te hinderen."
"Lodewijk Blaek heeft geld van zijn eigen," zeide mijn moeder "maar wat
bekommert ge u daarover kinderen! het geld maakt iemand immers niet
gelukkiger: uw vader en ik zijn nooit lieden van vermogen geweest en wij
hebben toch genoeglijke dagen te zamen gesleten. Ik heb, dat beken ik,
wel eens gewenscht, dat uw vader niet verplicht ware, een zoo drukke
bediening waar te nemen als hij doet, en dat hij wat meer tijd overhad;
maar zonder werkzaamheden zou hij zich ook ongelukkig voelen."
De komst van mijn jongere broeders en zusters, die zooeven door den
cijfermeester verlaten waren en nu het vertrek binnenstoven, deed het
gesprek hier afbreken, en er werd dien avond over dat onderwerp niet
meer gerept.
Men kan licht beseffen, dat ik den daaropvolgenden dag weinig rust of
duur had en den Hemel dankte, toen de werkzaamheden aan het kantoor des
avonds waren afgeloopen, en ik, hoewel met een beklemd gemoed, mij naar
huis kon spoeden, alwaar ik mijn moeder en zuster, benevens tante Letje,
die mede in 't geheim was, gezeten vond, insgelijks in pijnlijke
verwachting de terugkomst mijns vaders verbeidende.
Er verliep echter nog een goed half uur, alvorens wij de bekende schel
hoorden overgaan. Ons aller hart klopte hevig bij zijn binnentreden;
maar toen wij hem aanzagen, stond zijn gelaat zoo strak, dat de vraag:
"wel! hoe is het afgeloopen?" ons op de lippen bestierf en wij elkander
zuchtend aankeken.
Mijn vader plaatste zijn hoed op de tafel en nam zwijgend plaats.
"Ik zie het al," zeide ik: "het aanzoek is niet gunstig opgenomen."
"Ziehier in substantie waarop het antwoord is nedergekomen. De Heer
Blaek heeft mij zeer beleefd ontvangen, en betuigd, dat een verbintenis
met onze familie hem zeer zou vereeren. Maar, volgens zijne meening
rustte er, ten opzichte zijner nicht, een nog zwaardere verantwoording
op hem dan er bestaan zoude, ingeval de Juffer zijn dochter geweest
ware.--Zoolang zij nog minderjarig was, kon hij, als haar voogd, zijn
toestemming niet geven tot een huwelijk met iemand zonder middelen: zij
was nog te jong en te onbedreven om zelve te kiezen: hij kende u
volstrekt niet;--en hij moest u dus verzoeken alle verdere pogingen om
zijn nicht te zien of te spreken te laten varen, tot zij meerderjarig
was en zelve gerechtigd een keus te doen."
"Hoe! mag ik zelfs de kennis niet onderhouden?--Dat is toch wat hard en
onbillijk."
"Veroordeel den Heer Blaek niet," zeide mijn vader: "ik kan hem zoo
groot ongelijk niet geven: hij is aan God verantwoording schuldig van
het lot zijner nicht, en hij behoort voor haar te waken. Gij hebt haar
reeds alleen gesproken, uw liefde verklaard en antwoord van haar
ontvangen; hij mag, nu hij het aanzoek afslaat, de hernieuwing van
dergelijke pogingen niet toestaan."
"Hij bewaart haar zeker voor zijn lieven Lodewijk," zeide Suzanna
wrevelig: "maar zoo zij dien neemt, wil ik haar nooit meer zien."
"Kom! omhels mij, Ferdinand! en troost u," zeide mijn goede moeder: "de
tijd baart rozen: zoo gij haar wezenlijk blijft liefhebben en gij haar
mede niet onverschillig zijt, kan alles nog terecht komen."
"Rechtuit gezegd," zeide mijn vader: "is het misschien beter zoo:--gij
zult nu gelegenheid hebben om uw hart te beproeven en te ontdekken of
het alleen een voorbijgaande neiging dan wel een duurzame, oprechte
liefde is, die u bezielt. Het is voor u, ik beken het, een
teleurstelling; maar het is nuttig en heilzaam voor ons, zwakke
stervelingen, beproevingen te ondervinden en die standvastig te leeren
dragen."
Ik zweeg en zag voor mij; want hoe waar en verstandig ook de woorden
mijns vaders waren, het was van mij toch op het oogenblik niet te
vergen, dat ik er mede instemde. Ik zette mij mistroostig neder: ook de
overigen waren weinig tot vroolijkheid gestemd: en de avond zou vrij
treurig zijn afgeloopen, had niet een onvoorzien bezoek ons eenige
afleiding geschonken.
Het was namelijk Reynhove, die zich liet aandienen: wij konden niet
nalaten, hem te ontvangen, daar men hem reeds gezegd had, dat wij te
huis waren; ofschoon wij, althans in de eerste oogenblikken van
gedachten waren, dat hij zijn tijd al zeer verkeerd uitkoos. Hij werd
dan binnengelaten, en zijn ongedwongen, vroolijke zwier leverde een zoo
sterk contrast op met de donkere, betrokkene gezichten der aanwezigen,
dat hij in het eerst geen aangenaam denkbeeld van onzen huiselijken
kring kan hebben opgevat.
"Ik kan niet mankeeren," zeide hij, na eenige strijkages, mij te komen
informeeren naar de gezondheid van Mejuffrouw Huyck. Ik hoop, dat UEd.
geene _suites_ van die fatale historie hebt ondervonden.
"Volstrekt geene," antwoordde Suzanna: "en het eenige, wat er mij van
bijblijft, is een vast voornemen om niet weder met zulke wilde zeilers
scheep te gaan."
"En tevens kwam ik mij de eer procureeren," vervolgde Reynhove, "van
kennis te formeeren met den Heer en Mevrouw Huyck: een satisfactie,
welke ik mij tot nog toe had moeten refuseeren, en welke het gunstigste
resultaat is van dat facheus geval."
"Wij zijn zeer verplicht voor uwe goedheid," zeide mijn vader,
glimlachende: "het doet ons echter leed, dat er een zoo gewichtig
voorval noodig was, om ons de eer van uw bezoek te verschaften."
"De Heer Reynhove," merkte Suzanna aan, "kan met recht zeggen, dat hij
hier is komen aanwaaien; vermits hij zonder den storm niet hier zou
geweest zijn."
"Mejuffrouw drijft er den spot mede," zeide Reynhove, een weinig
verlegen: "en ik beken, dat ik mij verkeerd exprimeerde. Ik heb tegen
mijn eigen belang gehandeld, dat ik hier niet vroeger een visite ben
komen brengen; maar, ik declareer oprecht, dat zoodra ik aan Mejuffrouw
Huyck gepresenteerd was, ik het project geformeerd had, dat ik thans
effectueer." Dit zeggende, keek hij Suzanna zoo veelbeteekenend aan, dat
zij een kleur kreeg en dat mijn moeder enigszins bezorgd opzag.
"Men kan wel zien, dat Mijnheer uit Den Haag komt," zeide Suzanna, en
zag te gelijk haar moeder aan, als wilde zij zeggen: "heb geen
zorg."--"Wat mij betreft," vervolgde zij tot Reynhove: "ik blijf nooit
achterlijk, wanneer ik complimenten ontvang, en ik zal op mijne beurt
avoueeren, dat ik, hoewel eerst na den storm, het plan geformeerd had,
Mijnheer te bedanken voor de attenties, ons bij gelegenheid van het
ongeval getemoigneerd."
"Foei Santje!" zeide mijn moeder: "gij moet dit niet als een compliment
doen voorkomen. Het is niet meer dan plichtmatig dat gij Mijnheer
bedankt, en wij, als ouders, doen hetzelfde."
"Het weinige, dat ik verrichtte, meriteert geen _eloges_," zeide
Reynhove: "ik ben te gelukkig van in de occasie te zijn geweest, om de
dames eenige geringe diensten te kunnen bewijzen, en heb niets gedaan
als hetgeen ieder, die eenig gevoel van compassie en betamelijkheid
bezit, in mijne plaats zoude verricht hebben."
"Dat is een mooi compliment voor Weinstübe," zeide Suzanna.
"Ik kan het niet helpen," zeide Reynhove, "zoo hij geen beter
meriteert."
"Nu!" zeide mijn moeder, altijd geneigd om alles van de beste zijde te
zien: "hij is verschoonbaar: ik kan nog al vergeven, dat men bij een
storm anderen vergeet en alleen om zich zelven denkt. Aan wal zou hij
waarschijnlijk beleefder geweest zijn."
"Ik twijfel er aan," zeide Suzanna, het hoofd schuddende.
"En dan," voegde Tante Letje er bij: "ik ken den mensche niet; maar, een
zondaar zijnde, gelijk wij allen, zal hij misschien, toen hij de stemme
Gods hoorde spreken op de wateren, gedacht hebben, dat de ure des
oordeels over hem gekomen was, en zijn ziele hebben gewend tot boete en
bekeering."
"Dat is wel mogelijk," zeide Reynhove: "want hij heeft dien avond meer
gebeden gereciteerd, dan hij anders, geloof ik, in een jaar doet."
"Welnu," hernam Tante: "UEd. ziet, dat ik gelijk heb:"--en alzoo acht ik
het vergeeflijk niet alleen, maar zelfs betamelijk en lofwaardig in dien
Weinstübe, dat hij, vervuld zijnde van die dingen, welke dienstig zijn
tot de zaligheid, zich alleen bezighield met het noodige, en die
kleinigheden verwaarloosde, welke de wereld voorschrijft, maar die in
een zoo plechtig oogenblik niet meer zijn dan asch en drek."
Reynhove keek eenigszins zuinig bij het aanhooren van deze taal; maar
hij was te wellevend om er iets op te antwoorden; Suzanna beet zich op
de lippen, als wilde zij het stekelige antwoord bedwingen, dat haar op
de tong zweefde. Wat mij betreft, ofschoon hulde doende aan de
gevoelens, welke de woorden mijner Tante hadden ingegeven, ik kon niet
verdragen, dat Weinstübes gedrag op het jacht als lofwaardig voorgesteld
of ten koste van dat van Reynhove geprezen zoude worden, en vatte daarom
het woord op.
"Tante!" zeide ik: "neem mij niet kwalijk; maar ik moet een opmerking
maken. UEd. hebt menigmalen, in mijn bijzijn, die kluizenaars
veroordeeld, die wanen den hemel te zullen winnen, door zich af te
zonderen en hun leven met bidden te slijten, zonder van eenig nut voor
hun medemenschen te zijn."
"Dat heb ik," zeide Tante: "want er staat geschreven: Niet zij, die
roepen: "Heere: Heere!" maar zij die den wille des Vaders doen, zullen
het koninkrijk Gods beerven.
"Welnu," vervolgde ik: "op de groote levensreis zijn wij verplicht ons
leven zoodanig in te richten, dat het niet slechts tot onze heiligmaking
strekke, maar ook aan den naaste nut en voordeel aanbrenge. Is dit in
het algemeen waar, zoo is het zulks ook in bijzondere gevallen als op
onzen tocht met het jacht, dien ik een afschaduwing der levensreis durf
noemen, in zooverre als wij, reisgenooten zijnde, met moeilijkheden en
wederwaardigheden te kampen hadden. Nu, op dien kleinen tocht handelde
Weinstübe juist zoo, als de kluizenaars, die UEd. veroordeelt. Hij
vergat, dat er anderen met hem waren, zwakker en meer hulpbehoevend dan
hij, en in de plaats van hun nood te verlichten, bemoeide hij zich niet
met hen, maar strekte hun tot last en maakte hun toestand nog moeilijker
en onaangenamer. De Heer Reynhove daarentegen, die voorzeker, zoowel als
ik, met ernstige gedachten bezig was, bleef echter in het oog houden,
dat zijn welbegrepen plicht niet medebracht om op een bank te liggen
zuchten, maar wel om zijn reisgenooten te ondersteunen en op te beuren:
en zoo wij in die ure vergaan waren, zou hij met de zelfvoldoening
gestorven wezen, dat hij bij het opontbod werkzaam gevonden was."
"Zoo gij het op die wijze beschouwt, Neef!" zeide Tante, "dan hebt gij
gelijk: en dan had zeker die Duitsche Heer beter gedaan, zoo hij niet
alleen zelf gebeden had, maar ook de overigen in een lofwaardige
stemming had pogen te brengen."
"Mijnheer!" zeide Reynhove, mij met warmte de hand drukkende: "ik
declareer u op mijn eer, dat UEd. een perfect Advocaat zoudt zijn! maar
waarlijk! ik meriteer niet, dat UEd. met zulken lof spreekt van de
stemming, welke mij toen bezielde. Ik had een pressentiment, dat wij er
wel zouden afkomen; en dacht daardoor zeer weinig aan die zaken,
waarover ik had moeten denken, gelijk Mejuffrouw mij zeer juist doet
inzien. Ik schaam mij wel een weinig, dat te avoueeren; maar ik begeer
geene louanges, die mij niet toekomen."
"Dat is braaf van u gedacht, Mijnheer Reynhove!" zeide mijn vader, "en
doet u in mijne opinie rijzen. UEd. zal het misschien onbeleefd vinden,
dat ik u de eerste reis, dat UEd. ons met een bezoek vereert, zoo
onbewimpeld de waarheid zeg; maar ik moet u ronduit verklaren, naar het
weinigje, dat ik van u gezien heb, oordeelende, dat het van u afhangt,
een voortreffelijk mensch, en wat meer zegt, een godvreezend Christen te
worden."
"En ik, Mijnheer!" zeide Reynhove, "kan u van mijne zijde declareeren,
dat ik niets meer ambitionneer dan uwe goede opinie te meriteeren."
"Is UEd. niet een zoon van den Heer Ambrosius Reynhove, die lid is van
HH. Hoogmogenden?" vroeg mijn vader.--Reynhove boog.
"Wel! dat verheugt mij. Wij zijn nog te zamen aan de academie geweest.
Hij was een mijner beste vrienden."
"Hij heeft mij ook met hooge achting over UEd. gesproken," zeide
Reynhove, "en mij gechargeerd, UEd. zijne complimenten te brengen."
"Wij zeiden dikwijls onder ons," vervolgde mijn vader: "Reynhove zal nog
eens een aanzienlijk persoon worden; want toen reeds was hij de _primus
inter pares_ en de geboren Voorzitter van alle mogelijke
Studenten-commissiën.--En UEd., Mijnheer Reynhove! bekleedt zeker ook
reeds deze of gene betrekking?"
"Tot nog toe niet. Ik kan niet zeggen, dat ik die ooit zeer
geambitionneerd heb."
"Des te erger, Mijnheer!--Iemand van uwe jaren, die niet geheel van
bekwaamheden ontbloot is, behoort werkzaam te zijn, en niet te vergeten,
dat de Staat recht heeft op zijn arbeid en talenten:
_Hos ante effigies maiorum pone tuorum,_
Bovendien, de ledigheid is een duivelsoorkussen."
"Spreek toch niet zoo, Papa!" zeide Suzanna, die ik alreeds wegens haar
langdurig stilzwijgen bewonderd had: "'t Is uit klinkklare
edelmoedigheid, dat Mijnheer niets uitvoert."
"Uit edelmoedigheid, Mejuffrouw!" herhaalde Reynhove verbaasd.
"Wel ja," hernam zij: "er zijn zoovele arme slokkers, die niets bezitten
en naar een postje hunkeren, om er van te bestaan, dat de Heer Reynhove,
die rijk genoeg is, geen hunner daarvan berooven wil."
"UEd. is te goed, Mejuffrouw!" zeide Reynhove: "maar ook dezen lof moet
ik refuseeren; want ik beken, dat mij dit excuus nimmer voor den geest
is gekomen."
"Het zou bovendien geene verschooning zijn," zeide mijn vader: "zoolang
er eereposten genoeg zijn, die werk verschaffen en die men zonder
bezoldiging waarneemt. Ik ben overtuigd, Mijnheer Reynhove! dat uw vader
er over denkt gelijk ik."
Reynhove boog, niet wel wetende wat hij zeggen zoude.
"Maar ik vergeet," vervolgde mijn vader, "dat UEd. mij niet zonder reden
zoudt kunnen betichten mij te bemoeien met hetgeen mij niet aangaat.
Schrijf dit toe aan mijn post van Hoofdschout, die mij in de
noodzakelijkheid brengt van mij met eens andermans zaken te bemoeien."
"Ik schrijf," zeide Reynhove, "dit liever toe aan UEd. belangstellende
vriendschap en neem in die suppositie uwe raadgevingen met dankbaarheid
aan, gepersuadeerd, dat UEd. mij niets kunt zeggen dan hetgeen door mij
verdient gemoditeerd en betracht te worden."
"UEd. neemt het recht heuschelijk op," zeide mijn moeder: "mag ik
vragen, waar UEd. gelogeerd is?"