"Ja, mij ook," zeide Henriëtte: "en wij zullen Mijnheer de verklaring

zijner woorden maar niet afvergen. Zie!" zeide zij, na eenige

oogenblikken zwijgens en met het blijkbaar inzicht om van gesprek te

veranderen: "'t is mij nog even of ik de beweging van het vaartuig

voel."

"Een gewone sensatie wanneer men op het water is geweest," zeide ik: "en

die van zelve wel slijten zal."

"Nu!" zeide Suzanna: "ik begeer die van mijn leven, noch in schijn, noch

inderdaad weder te ondervinden: ik denk als Poot: 't Is _varen_, maar

met groot _gevaar_: en zoo ik ooit trouw, zal ik de voorwaarde maken,

dat mijn man er geen boeier op nahoude. Ik zou geen oogenblik gerust

zijn."

"Dan moogt gij evenzeer de voorwaarde maken," zeide ik, "dat hij geen

rijtuig houde; want ik geloof, dat men, alles bijeenrekenende, meer

ongelukken met rij- dan wel met vaartuigen tellen zal."

"Dat leert mijne ondervinding niet," zeide Suzanna: "want ik heb wel

honderdmalen in een rijtuig gezeten en nog nooit eenig ongeluk gehad: en

voor de eerste reis dat ik op het water ben, loopt het zoo deerlijk af."

"Lodewijk zou u een tegenovergestelde ondervinding voorwerpen," zeide

Henriëtte: "hij is wel twintigmaal van 't paard gevallen en heeft, de

hemel weet hoe dikwijls, met de sjees omgelegen; terwijl deze rampspoed

de eerste is, die zijn jacht overkomt."

"'t Is dan zeer gracieux van zijnentwege," zeide Suzanna: "dat hij die

juist voor ons bewaard heeft."

Op dit oogenblik kwam de kamenier van Tante binnen, en verzocht, of

Mejuffrouw Suzanna even bij Mevrouw wilde komen.

"Ohé!" zeide Suzanna: "ik voorzie het al: de beschikkingen van den

maaltijd zullen mij worden opgedragen. Wat eet gij liefst, Jetje?--En

gij, Ferdinand?"

"Kom!" zeide ik: "maak maar dat gij boven komt: Tante wacht u immers."

"Aha!--Mijnheer wil gaarne van mij ontslagen worden! Nu! ik zal u

verlossen van mijn overtollig gezelschap: ik ga al."--En, een

spotachtigen blik op ons slaande, verliet zij het vertrek en liet ons

samen.

Wij bleven, gelijk veelal in dergelijke gevallen plaats heeft, een

geruimen tijd zwijgende over elkander zitten: ik, vast besloten

hebbende, mijn zielsverlangen te uiten, maar verlegen, hoe best het

onderhoud aan te vangen: zij, ten gevolge van dat fijne voorgevoel,

hetwelk aan alle vrouwen eigen is, vermoedende wat er in mij omging, en

ijverig voortwerkende met het hoofd voorovergebogen en de oogen stijf op

haar borduurwerk gevestigd; terwijl echter haar kleursverandering en het

zwoegen van haar boezem de onrust van haar gemoed verrieden.

Ik wilde beginnen mijn hartsgeheim te ontdekken, maar wist niet hoe: mij

dacht, ik kon toch niet zoo plompweg met de deur in huis vallen en in de

plaats van: "'t is mooi weer," tegen haar zeggen: "ik bemin u." Ik

vergat, dat tusschen twee gelieven, al spreekt men geen woord, het

onderhoud zijn loop vervolgt, de geest dezelfde gedachtenreeks bij

beiden doorloopt en langs dezelfde schakels voortgaat, zoodat indien

beiden na een uur zwijgens den mond opendeden, men tien tegen één zou

kunnen wedden, dat beiden hetzelfde woord zouden uitspreken; evenals

twee gelijkgestemde harpen, die hetzelfde akkoord uitslaan.

Eindelijk, toen de pauze een geruimen tijd had geduurd, en ik reeds

bedacht begon te worden dat Suzanna terug zou komen eer ik nog een woord

gesproken had, hervatte ik het gesprek daar, waar wij het gelaten

hadden.

"Wij spraken daar van ongelukken met rijtuigen en schepen.--Daar ligt al

een zeer troostrijk denkbeeld voor mij in opgesloten."

"Voor u? en hoe dat?" vroeg zij, zonder de oogen op te slaan, terwijl

mijn onbeduidend gezegde haar een kleur als bloed aanjoeg.

"Omdat," zeide ik, "ik geen rij- noch voertuig houd, en dus minder dan

anderen in de gelegenheid ben om ongelukken daarmede te krijgen."

Nu had die fraaie, zoogenaamde troostgrond, wel beschouwd, noch zin noch

slot: want, ofschoon geen speeljacht hebbende, had ik niettemin den

vorigen avond tot het getal der schipbreukelingen behoord; en ik reed

dikwijls genoeg, zoo niet in mijn eigen, dan toch in eens anders

rijtuig; maar het ging mij, zooals het zelfs verstandiger lieden bij

dergelijke gelegenheden gaat, ik sprak, zonder dat het mij schelen

konde, wat ik zeide, mits ik maar aanleiding vond om tot het punt te

komen waar ik wezen wilde: en deed evenals de jager, die, het wild

navolgende, er weinig om geeft, of hij een gebaand pad inslaat en

veeltijds door heggen en struiken kruipt of over slooten en dammen

springt om zijn doel te bereiken. Henriëtte nam dan ook de moeite niet,

mijn argument tegen te spreken; maar deed er het zwijgen toe: zoodat ik

mij genoodzaakt zag, op denzelfden toon voort te gaan.

"En ik geloof niet, dat ik ooit een speeljacht of een rijtuig bezitten

zal."

Dezelfde stilte.

"Ik geloof, dat men zeer gelukkig kan zijn zonder een van beide."

Dezelfde stilte: maar haar lieve vingertjes begonnen te beven, alsof zij

bespeurde, dat ik weldra duidelijker spreken zoude.

"En gij, Mejuffer!" vervolgde ik, niet minder bevend: "gelooft gij

insgelijks ... ik meen: zoudt gij gelukkig kunnen zijn ... zonder

rijtuig ... zonder al die gemakken, waaraan gij thans ... aan het huis

van uw oom ... gewoon zijt geraakt?"

Dit was een vraag: en hier diende een antwoord op. Dit antwoord was

echter datgene, hetwelk altijd gegeven wordt, wanneer men schroomt of

zich ongehouden acht, rechtstreeks of onbewimpeld te antwoorden.

"Dat weet ik niet ... dat is _betrekkelijk_."

"Vergeef mij," zeide ik: "mijn vraag was misschien onbescheiden. Maar,"

vervolgde ik, opstaande, en mij nevens haar plaatsende, met de eene hand

op de tafel en de andere op den rug van haar stoel: "indien ik die vraag

doe, 't is omdat bijaldien uw hart gehecht ware aan die genoegens, welke

de rijkdom alleen kan verschaffen, ik schromen zoude, u een verklaring

te doen, die...." hier zweeg ik een oogenblik en begon nog harder te

beven. Zij bleef stip op haar werk zien, beurtelings, rood en bleek

wordende.

"Gij hebt mij gisteren," vervolgde ik, "toen wij ons in levensgevaar

bevonden, eenige woorden toegesproken, welke ik nimmer vergeten zal en

die mij ook thans nog als hemelmuziek in de ooren ruischen. Ik zou

echter geene gevolgtrekkingen durven maken uit hetgeen wellicht

aanleiding vond in de ontroering van het oogenblik en in den staat van

opgewondenheid, waarin wij toen verkeerden. Maar zoudt gij thans, bij

bedaarder zinnen, mij vergunnen, aan die woorden een uitlegging te

geven, welke mij voordeelig ware?"

Hier lichtte Henriëtte de oogen op en zag mij aan met een engelachtigen

blik, maar terstond weder voor zich ziende: "ik durf mij vleien," zeide

zij, "dat ik toen bedaard was en geen bewijs van opgewondenheid gegeven

heb. Wat ik dus toen zeide...."

"Blijft gij dat ook thans gestand doen?" vroeg ik, in verrukking, haar

bij de hand vattende en mij over haar schouders neerbuigende.

Zij beantwoordde mijn handdruk en liet terzelfder tijd het hoofd tegen

mijn arm nedervallen. Maar weldra richtte zij zich weder op, en, het

hoofd schuddende, zeide zij met een weemoedigen blik: "Kom! ik ben een

zottin. Verschoon mij, Mijnheer Huyck! Het is beter, dat wij dit

onderwerp niet verder aanroeren ... en zelfs, dat wij elkanders

gezelschap vermijden."

"Hoe!" riep ik uit, verbaasd en terneergeslagen: "gij geeft mij de

zoetste hoop en tegelijker tijd, in één adem, wilt gij mij die weer

ontnemen.

"Ik gevoel dat ik verkeerd heb gehandeld," zeide zij: "maar ik beschouw

u als edelmoedig genoeg om geen misbruik te maken van een oogenblik van

zwakheid. Uw woorden hadden mij verrast...." (Met allen eerbied

gesproken, ik geloof dat dit een weinig bezijden de waarheid was) "en ik

heb niet welgedaan die zoo onbedachtzaam te beantwoorden."

"Niet welgedaan," herhaalde ik: "door aan de inspraak van uw gevoel

gehoor te geven liever dan aan die van de koele rede? Doch, ik zie niet

in, waarom deze beide in dit geval in tegenspraak behoeven te zijn. Zoo

uw hart, door de beantwoording mijner liefde, mij tot den gelukkigsten

der stervelingen maken wil, begrijp ik niet, welke gewichtige gronden de

rede daartegen kan inbrengen."

"Ik ken u nog sinds zeer kort," zeide zij: "en niet genoeg, om te weten

of het gevoel van ... voorkeur, dat ik u toedraag, behoorlijk te

rechtvaardigen is!"

"Indien dit zoo is, wil ik de hoop niet opgeven," zeide ik: "want ik ben

overtuigd, dat de narichten, die men over mij zoude willen inwinnen,

niet zoo geheel tot mijn nadeel kunnen uitloopen."

"Ik geloof u, Mijnheer!" hernam zij, het hoofd schuddende, met een

droefgeestige uitdrukking op het gelaat, die mij bewees, dat zij de ware

reden van haar terughouding niet vermeldde: "maar toch!..."

"Welnu!" wat kan er meer zijn? Ik bid u, verzwijg uwe zwarigheden niet:

ik vlei mij, dat, zoo gij mij slechts wederliefde schenken wilt, ik in

staat zal zijn alle andere bedenkingen te overwinnen."

"Ik hang van mijn oom af," zeide zij, de oogen nederslaande: "en ik

twijfel, of hij...."

"Hoe!" zeide ik: "zou hij iets tegen mijn persoon of familie kunnen in

te brengen hebben? Of is het mijn gebrek aan fortuin, dat mij in den weg

zoude staan? 't Is waar, rijk ben ik niet; maar ik ben thans deelgenoot

eener bloeiende firma en hoop weldra in staat te zijn, eene vrouw, wel

niet op een weelderigen, maar toch op een ordentelijken voet te kunnen

onderhouden."

"Mijn oom zal dat nimmer willen," herhaalde zij: "en ook dan zelfs,

wanneer ik mondig en mijn eigen meesteresse ware, zou ik nimmer iets

doen, hetgeen hem mishagen kon, hem aan wien ik alles verschuldigd ben

en dien ik eeren moet als een vader, ja meer dan een vader: want hij

heeft mij welgedaan, zonder daartoe gehouden te zijn."

"Men kan het hem ten minste vragen," zeide ik: "geef mij slechts uwe

toestemming om mijn vader te verzoeken met den Heer Blaek te spreken:

dat is al wat ik verlang."

"Hoor! ik wil oprecht met u zijn," zeide zij, "en u niets verzwijgen.

Mijn oom heeft zich vast in 't hoofd gezet, dat Lodewijk mij trouwen

moet. Tot nog toe (moet ik zeggen gelukkig voor mij?) stemmen vader en

zoon niet overeen in hun wenschen: anders weet ik waarlijk niet, wat ik

zou moeten doen. Zoolang Lodewijk dus nog ongehuwd blijft, zal mijn oom

zijn hoop niet laten varen, en ieder aanzoek afwijzen, dat hem om mijn

hand gedaan wordt."

"Dus zou ik dan moeten wachten, tot Mijnheer Lodewijk goedvindt, zich in

den echten staat te begeven, of op te stappen?--Mij dunkt toch, dat uw

oom, bespeurende, dat gij over en weer geen geneigdheid gevoelt om zijn

plannen te bevorderen, niet dwaas genoeg zal zijn, om die vol te willen

houden. Hij heeft u en zijn zoon beiden lief: en zal uw beider ongeluk

toch niet willen. Mij dunkt, ik zou mij sterk maken, hem zulks aan zijn

verstand te brengen."

"Ik vrees, ik vrees," zeide Henriëtte; "maar ik heb er in zooverre niets

tegen, dat gij het beproeft," voegde zij er bij met een betooverenden

lach.

"Heb dank voor deze vergunning," zeide ik, haar hand met vurigheid aan

mijn lippen brengende: "laat nu gebeuren wat wil, eenmaal toch zullen

wij vereenigd zijn."

Op dit oogenblik ging de deur open. Wij stoven verschrikt uit elkander

en zagen, tot onze niet geringe ontsteltenis, de Heeren Blaek, vader en

zoon, binnentreden. De eerstgemelde scheen onze verwarring niet te

bespeuren; althans hij toonde daar niets van: maar terstond naar

Henriëtte toegaande, omhelsde hij haar hartelijk en vroeg haar of zij

reeds van den schrik bekomen was, en of zij zich niet ongesteld

gevoelde.

"O!" zeide zij: "ik ben zoo wel, of er niets gebeurd was."

"Ik weet niet, Nichtje!" zeide Lodewijk, die intusschen ons beiden met

een spotachtigen blik beschouwd had; "maar mij dunkt als men u wel

aankijkt, gij ziet er toch wel wat ontdaan uit. Laat eens zien,"

vervolgde hij, haar hand nemende: "gij beeft er waarlijk nog van."

"In allen gevalle," zeide ik, niet zonder eenige verontwaardiging: "zou

het geen wonder zijn, indien Mejuffrouw de gevolgen van dien

noodlottigen avond nog ondervond."

"Zoo, vriend Huyck," zeide Lodewijk, als zag hij mij eerst nu: "wel

gerust?--Ja! 't was een ongelukkig geval. Maar wie drommel kan het

helpen? Ik lij er het meest bij! En hoe heeft die stoffel van een

Weinstübe het toch gemaakt? Jongens! wat zat de vent in de benauwdheid!"

"Ik ben uw dienaar, Mijnheer!" zeide de oude Heer Blaek zich buigende:

"wij waren eens komen vernemen naar de gezondheid van de dames: en

tevens moet ik u mijn dank betuigen voor de spoedige mededeeling.

Lodewijk dient ook zijne verontschuldigingen te maken:--hij heeft gewis

wat onvoorzichtig gehandeld; doch, zooals hij zegt, hij lijdt er het

meeste bij: want het zal geen kleintje kosten om het jacht weer in 't

water te krijgen:--en er zullen wel wat reparatiën aan moeten gedaan

worden ook."

"En verhaal ons eens," zeide Henriëtte, "hoe is het u verder gegaan?"

"O!" antwoordde Lodewijk: "men heeft mij wel lang genoeg laten wachten;

maar eindelijk kwam er toch volk opdagen, en toen heb ik Klaas bij 't

jacht gelaten en ben naar Guldenhof getrokken en terstond, zoodra ik

gekleed was, was het wederom inspannen om hierheen te rijden."

"Gij gevoelt," zeide de Heer Blaek tegen Henriëtte, "dat Lodewijk zich

geen oogenblik rust wilde gunnen, voor hij vernomen had, hoe het met

zijn lieve nicht was gesteld."

Onder dit praten kwam Suzanna weder binnen, met de boodschap aan de

Heeren, dat Tante eenigszins vermoeid was, doch meende op te staan om

hen te ontvangen. Het ontbrak nu niet aan stof tot gesprek, waartoe al

de gebeurtenissen van den vorigen avond weder werden opgehaald. Na

verloop van eenigen tijd kwam Tante ook beneden, en kort daarna reden

mijn ouders, die vroeg in den morgen door Reynhove bericht van het

gebeurde bekomen, en, niet weinig bekommerd, dadelijk rijtuig besteld

hadden, Heizicht binnen. Ik zal hier van de blijdschap des wederziens

niet gewagen, die men zich licht kan voorstellen: en even van de

gesprekken, welke dien dag gevoerd werden en waarvan de reeds verhaalde

gebeurtenis het hoofdonderwerp uitmaakte. Ik was vermoeid en verveeld

van zoo dikwijls over hetzelfde te hooren praten, en bovendien belette

mij de verliefde stemming, waarin ik mij bevond, behoorlijk aandacht te

schenken aan hetgeen er gesproken werd.

Het was mijn oogmerk geweest, met Suzanna den volgenden morgen

vroegtijdig weder naar Amsterdam te vertrekken: de komst mijner ouders

bracht echter eenige verandering in ons plan teweeg: en, daar zij twee

plaatsen in hun rijtuig open hadden, werd er goedgevonden dat wij beiden

na den eten met hen zouden terugkeeren; een schikking, waar niet veel

tegen in te brengen viel; hoezeer Tante zich bitter beklaagde, dat men

haar juist nu, nadat zij zulk een schrik had gehad, zoo alleen liet

(want Henriëtte zoude ook den volgenden dag vertrekken); dat dit niet

vriendelijk of beleefd was, enz. Intusschen wisten wij allen zeer goed,

dat zij van den schrik reeds genoeg bekomen was, en inderdaad liever

alleen wenschte te zijn, om op haar gemak al de toebereidselen te kunnen

maken voor de feestviering, welke zij voornemens was, veertien dagen

later ter gelegenheid van den jaardag mijner moeder, op Heizicht te

geven, en waarmede haar levendige verbeelding reeds sedert lang werkzaam

was geweest.--De tweede persoon, die reden had om zich over de

bespoediging van ons vertrek te beklagen, was ikzelf: want ik zag mij

daardoor teleurgesteld in het aangenaam vooruitzicht om nog dien avond

in het gezelschap door te brengen van haar die ik liefhad. Men begrijpt

echter, dat ik mijn verlangen om te blijven niet aan den dag dorst

brengen, vreezende, zoo ik daarvan sprak, mijn zielsgeheim te verraden,

hetwelk ik, gelijk verliefden gewoonlijk doen, mij verbeeldde, dat ieder

reeds in mijn oogen lezen kon. Alleen een droevige blik, op Henriëtte

geworpen, en een handdruk, die meer dan gewoonlijk beteekende, bij ons

vertrek, moesten haar doen weten, hoeveel mij dit afscheid kostte:--en

ik geloof mij niet bedrogen te hebben, zoo ik, toen wij reeds in het

rijtuig gezeten waren en het laatst vaarwel over en weder klonk, een

traan in hare oogen meende te zien glinsteren.

In het naar huis gaan was ik stil en afgetrokken, zoo zelfs dat Suzanna

mij daarover bespotte; ik had echter twee zeer goede verschooningen

gereed, namelijk: slaap en vermoeienis, welke mijn goede moeder

alleszins geldig vond: en ik bekwam alzoo verlof om niet te spreken en

mij tot slapen te zetten. Suzanna, die, niettegenstaande zij er mij mede

gebruid had, zelve toch eenigszins de uitwerking der doorgestane

vermoeienissen voelde, begon weldra te gapen en te knikkebollen, en

raakte, zoodra het donker was, in een diepe rust; zoodat ik nu volle

vrijheid bekwam, om, met geslotene oogen en in een hoek van het rijtuig

gedoken, mij over te geven aan mijn verliefde droomen, welke

langzamerhand in werkelijke droomen overgingen; zoodat ik, toen wij de

Weesperpoort binnenreden, in een gerusten slaap lag gedompeld.

* * * * *

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HETWELK EEN VERVOLG IS OP HET VIER-EN-TWINTIGSTE.

"Dat zijt gij gelukkig ontkomen," zeide de Heer Van Baalen, toen hij mij

den volgenden morgen op het kantoor begroette: "gij hadt waarlijk tot

spijs voor de visschen kunnen verstrekken;--belieft het u dezen brief in

te zien, die gisteren met de Hamburger post is aangekomen."

"In waarheid," antwoordde ik, den brief aannemende: "het is eene

bijzondere bewaring Gods!" en ik doorliep vluchtig het blad, dat ik in

handen had.

"Men wil wel zeggen," vervolgde hij, "dat die Jongeheer Blaek de rechte

man niet is, om een jacht te besturen!--Is UEd. niet van oordeel, dat

wij die commissie zeer goed kunnen volbrengen?"

"Mij dunkt, dat de risico niet groot is," antwoordde ik op de laatste

vraag. "Ja Mijnheer! Het is eigenlijk een gewaagde onderneming, met hem

te gaan zeilen," was mijn bescheid op de eerste.

"Neen voorwaar!" hernam hij: "ik heb ook in mijn jongen tijd een boeier

gehad; maar ik ben er vroeg mede uitgescheiden: ik trof nooit goed weer:

de spullen waren altijd onklaar: ik kon nooit een geschikten helper

krijgen: ik was altijd ongelukkig in al dat soort van ondernemingen.

Maar, om die commissie te volvoeren, wenschte ik gaarne een meer

ijverigen makelaar te nemen dan die De Wijs is:--ik heb nogal die nota

niet ontvangen, waar ik laatst over sprak.--Bovendien ben ik stellig

onderricht, dat hij somtijds zaken voor zichzelf doet: en de zoodanigen

wil ik niet gebruiken. Zij, die zaken voor zich doen, moeten die van hun

patroon noodwendig verwaarloozen."

"Wat dunkt UEd.," zeide ik, mij mijn vriend van de dichteren-vereeniging

herinnerende: "zoo wij Velters gebruikten?"

"Hm! hm! Hij is niet onknap, en heeft een goeden wil, maar hij is wat

jong."

"Des te ijveriger zal hij zijn en des te minder eigenwijs."

"Dat moet ik u toegeven;--maar er is nog iets anders:--hij rijdt te

paard:--en ziedaar iets ongehoords voor een makelaar."

"Niet anders als zeer vroeg in den morgen," zeide ik: "en op voorschrift

van zijn dokter;--maar ik geloof niet, dat iemand hem ooit in gezelschap

met anderen heeft zien rijden."

"En dan," vervolgde Van Baalen: "wat het ergst van alles is, hij maakt

rijmpjes.--Hoe wil er nu ooit een degelijk en bruikbaar mensch van

groeien?"

"Wel!" zeide ik: "dat bewijst alleen, dat hij te veel ledigen tijd

heeft. Hij is waarlijk niet onknap: en, zoo ik er eenigszins over durf

oordeelen, dan heeft hij veel kennis van zaken en een helder, gezond

verstand. Verschaffen wij hem werk, dan zal hij dat rijmen vanzelf wel

laten varen."

"Nu, _fiat_! UEd. heeft zijn zaak zoowel bepleit, dat ik er niets verder

tegen kan inbrengen. Zijn vader was bovendien een braaf man, aan wien ik

veel verplichting heb gehad.--Wij kunnen het beproeven.--Zien wij

verder: Willem Bartelsz. en Co. te Enkhuizen schrijven, dat zij op ons

trekken zullen. Eilieve! Mijnheer Wijdveld! Hoe staat onze rekening met

dat huis?--Mij dunkt, wij moeten reeds in avans voor hen zijn."

"Zoo is het, Mijnheer!" zeide de Boekhouder, het folio opslaande.

"Daar zal over geschreven dienen te worden," zeide Van Baalen: "dat kan

zoo niet gaan."

"Heeft UEd. geen vertrouwen op de lieden?" vroeg ik.

"Hoor, mijn waarde Heer Huyck! Vertrouwen is een goede zaak en buiten

die kan men geen handel drijven: maar _ne quid nimis_! zooals wij op de

school plachten te zeggen. In de negotie moet men zelfs zijn eigen vader

niet te veel vertrouwen schenken: dat is een vaste regel: hou u daaraan.

Niet of de firma Willem Bartelsz en Co. staat ter goeder naam en faam:

en ik zou gaarne een dik pak wissels op haar bezitten, door een solide

huis getrokken;--maar alles kan mee- en tegenloopen: en ik heb er

zoovelen in mijn leven zien vallen, die zoo vast schenen te staan als

het stadhuis.--Monsieur Snijders! zijt gij bij den Notaris Bouvelt

geweest?--En hoe luidde de boodschap?"

"Ja, Mijnheer!" antwoordde de kantoorbediende: "En het briefje was meer

geruststellend: de patiënt heeft een redelijken nacht gehad en bevindt

zich iets beter."

"Nu! dat verheugt mij," zeide Van Baalen: "zou hij er waarlijk bovenop

komen? Er zou ook veel aan den man verloren zijn geweest.--Hij bezit het

vertrouwen van de halve stad, ja van menigeen buiten de stad:--ik geloof

zelfs, dat men weinig handelskantoren zoude vinden, die zulke

uitgebreide relatiën hebben als hij."

"De Hemel geve dat hij spoedig herstelle!" dacht ik bij mijzelf: "dan is

het te verwachten, dat mijn geheimzinnige vriend Bos ook spoedig klaar

komt en opdrost."

Die naam van Bouvelt had intusschen opnieuw een snaar aangeroerd, welke

een reeks van herinneringen deed ontstaan, en ik had werk om behoorlijke

aandacht te schenken aan hetgeen mijn Compagnon mij verder mededeelde.

En toen ik eindelijk, aan mijn lessenaar gezeten, mij tot den arbeid

zoude begeven, zag ik mij opnieuw buiten staat om een behoorlijke

oplettendheid te wijden aan datgene, waar ik mij mede bezig moest

houden, en schenen de letters, die ik voor mij had, zich telkens te

vereenigen om geen anderen naam aan mijn oogen voor te stellen, dan dien

van Henriëtte Blaek.

Ik schaamde mij echter, niet over mijn liefde, maar over den invloed,

dien een hartstocht over mij uitoefende: en ik vormde het besluit om

niet langer uit te stellen mijn ouders met het gebeurde bekend te maken.

"Het is," dacht ik, "alleen de onzekerheid, welke mij het werk moeielijk

maakt. Is eens mijn lot op deze of gene wijze beslist, dan zal ik kalmer

zijn en weer in staat mijn plichten naar behooren te vervullen."

Hoe zegende ik het geluk, een moeder te bezitten. Want men gevoelt het,

het was voor haar, dat ik in de eerste plaats mijn hart wenschte te

ontboezemen. Zij, dit wist ik, zou mij met verschoonende deelneming

aanhooren; zij zou wat in mijn hart omging op rechten prijs stellen: zij

zou mij ten voorspraak strekken bij een vader, dien ik liefhad en eerde,

maar die wellicht mijn liefde af zou keuren, of als een voorbijgaande

neiging aanzien, bestemd om even spoedig te verdwijnen als zij was

opgekomen.

Ferdinand Huyck · 第 31 / 51 段