verontschuldiging niet verdragen kon: "Jan Pergens lag warm en wel
binnen Muiden, toen het zware weer begon: en dat hadden wij ook kunnen
doen."
"Wat reutel je Klaas?" zeide Lodewijk, zich omkeerende, op een barschen
toon: "bemoei je met je werk en niet met ons discours, of je krijgt je
paspoort op staanden voet."
"Mijn paspoort!" herhaalde Klaas, zich ter zijde begevende: "hm! er zal
op 't jacht in de eerste weken toch niet veul te verdienen vallen."
"Nu Mijnheer Blaek!" zeide Tante: "gedane zaken hebben geen keer, en het
beste is, dat wij alle verwijtingen maar daarlaten."
"Te meer," zeide Henriëtte, "daar Lodewijk al genoeg gestraft is: want
hij zal zijn jacht ook niet even gemakkelijk aan de overzijde van den
dijk krijgen als het aan deze zijde gekomen is."
"Neen!" zeide Reynhove: "tenzij er een aardbeving kome, die het weder
teruglanceert."
"Ja!" bromde Lodewijk: "jelui hebt goed spotten. Hoe ik het hier vandaan
krijg, weet Joost."
"Mij dunkt," zeide ik: "wij moesten liever zien, hoe wij zelf hier
vandaan komen. Op wat hoogte zijn wij zoowat?"
"Wij zullen een heel eind beoosten Muiden zijn," zeide Lodewijk: "wij
konden verd.... nergens ongelukkiger te land komen: wij zijn een half
uur van alle bewoonde plaatsen af: en het wordt zoo donker, dat men niet
zien kan welken weg men op moet."
"Dat is zeker ongelukkig," zeide ik: "maar wij kunnen toch niet hier
blijven: en ik geloof zelfs, dat eenige beweging goed zal doen aan de
dames en de slechte gevolgen voorkomen, die koude en nattigheid
teweegbrengen."
"Ik zal gaarne de dames accompagneeren," zeide Reynhove: "maar ik moet
alleen remarqueeren, dat het in de kajuit droog is, en dat zij buiten
geëxponeerd worden om nog meer doornat te worden."
"Ja dat mag zoo zijn," zeide Henriëtte: "maar ik voor mij zal van harte
gaarne loopen:--indien echter Mevrouw Van Bempden het afkeurt...."
"Ik doe alles liever, dan langer in dit noodlottige jacht te blijven,"
zeide Tante: "Kom! terstond maar opgewandeld! Wij zullen toch wel ergens
te land komen."
"Vergezelt gij ons?" vroeg ik aan Lodewijk, "of blijft gij aan boord?"
"Ik heb altijd gehoord," zeide Lodewijk, "dat de kapitein het laatst aan
boord moet blijven; maar zoo gijlieden ergens aankomt, stuur mij dan in
's hemels naam wat vertrouwd volk, om hier den boel te bewaken."
"Ik zou u gaarne van dienst zijn," zeide ik: "maar gij gevoelt, dat ik
de dames niet verlaten kan."
"En ik evenmin," zeide Reynhove: "eerst moeten de dames en _lieu de
sureté_ zijn: zij hebben waarlijk bij nacht niet te veel aan de
assistentie van ons beiden: en zoo gij ons Klaas met de lantaren wildet
medegeven, ware zulks, geloof ik, niet te veel geëxigeerd."
"En wie zal mij dan volk gaan halen en hier brengen?"
"Wel, stuur Weinstübe op kondschap uit," zeide Reynhove: "maar dat is
waar ook:_ où diantre est-il?_"
"Ja! waar is Weinstübe?" riepen wij allen, onszelven het verwijt doende,
dat wij hem niet eerder gemist hadden.
"De hemel beware ons!" zeide Tante: "ik hoop niet dat hij overboord is
gevallen!"
Weinstübe werd overal gezocht: doch vruchteloos: nergens, noch in de
kajuit, noch in 't vooronder was hij te ontdekken. Sommige onder ons
meenden zich te herinneren, dat zij hem, een oogenblik voordat wij over
den dijk geraakten, nog aan de voorplecht hadden zien staan: en wij
konden niet nalaten de gevolgtrekking op te maken, dat hij te dier
gelegenheid over boord was geslagen en zijn dood in de golven gevonden
had. Hoe gek en lastig de vent ook ware, het was toch een schrikkelijke
gedachte, onzen reisgenoot verloren te hebben door een zoo noodlottig
toeval, hetwelk evenzeer elk onzer had kunnen treffen. Er was echter
niets aan te herstellen: en deze gebeurtenis versterkte zelfs de
begeerte der dames om hoe eerder hoe beter het tooneel van zooveel
treurigs te verlaten. Ten einde zij echter een geschikte plaats zouden
vinden om af te stappen, liet ik mij overboord glijden en zocht nu welke
plek de droogste ware en tevens de naastgelegene om den weg te bereiken,
die beneden langs den dok liep. Nauwelijks echter had ik een oogenblik
rondgeloopen, of ik hoorde een flauwe stem kort bij mij, die
erbarmelijke klaagtonen aanhief, welke ons de wind en de regen tot nog
toe waarschijnlijk hadden belet te hooren.
"Wie is daar?" riep ik, zonder in de duisternis eenig voorwerp te kunnen
onderscheiden: "Klaas! licht eens bij. Hier in de buurt is iemand, die
angstig kermt."
"God beware ons!" riep Klaas, die niet geheel vrij was van bijgeloovige
denkbeelden: "als het de geest maar niet is van dien armen mof."
"Om 't even!" zeide ik: "wij moeten het toch onderzoeken."
Klaas vatte echter moed en, met een brandende lantaren gewapend, liet
hij zich naast mij afzakken. Wij vernamen nu nog duidelijker het gesteen
en een flauwe stem liet deze woorden kort bij ons hooren:
"Ach lieber Gott! zum hulfe! Iek pin todt."
"'t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest," zeide ik, op het geluid
afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen
Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af
tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar
gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een
raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn
tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem
een roeispaan toe en trokken wij hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk
toegetakeld voor den dag kwam en nu aan den kant te beven stond als een
juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. Wij raadden hem,
zoo het hem zijn krachten toelieten, met ons mede te gaan en zich warm
te loopen, daar er toch aan boord geen gelegenheid was, om hem van
andere kleederen te voorzien.
Nu werd de trap uitgezet op de geschikst bevondene plaats: en de dames
verlieten het vaartuig; waarna wij Lodewijk, hoezeer tegen zijn zin,
alleenlatende, ons gezamenlijk op weg begaven, vooruitgelicht door
Klaas, die in de eene hand de lantaren droeg, en in de andere een
roeispaan om den grond te polsen en te zorgen, dat wij niet van den weg
afdwaalden. Na hem volgden Henriëtte en Suzanna: dan ik, Tante
geleidende: en vervolgens Reynhove met een tweede lantaren: terwijl
Weinstübe hompelend en strompelend zich achterna sleepte. Het was geen
gemakkelijk noch aangenaam werk, alzoo door de modder te ploeteren,
ofschoon de wind tot ons geluk merkelijk verminderd was en de dijk ons
eenigszins beschutte; maar het was stikdonker; terwijl een fijne regen
den grond zoowel als onze kleederen doorweekte.
Wij hadden ongeveer een kwartieruurs voortgesukkeld, en ik bemerkte, dat
Tante, hoe goed zij zich ook poogde te houden, hoe langer hoe minder in
staat was om voort te gaan en al zwaarder op mijn arm leunde. Zij was
uitgeput van angst en vermoeidheid en liep slechts werktuiglijk voort.
Eindelijk bleef zij geheel staan met den uitroep: "o wee! daar verlies
ik mijn schoen!"
"Hou op!" riep ik, tot hen die voor mij waren:--en de trein stond stil.
"Tante is haar schoen kwijt," zeide ik: "waarachtig, de weg is al te
slecht. Is er hier geen woning in de nabijheid?"
"Als je nog een amerijtje geduld heit," zeide Klaas: "daar gunter aan
den weg zie ik een lichtje."
"Is 't nog ver?" vroeg Tante: "ik kan waarachtig niet verder voort en ik
zal u liever hier tegen den dijk blijven wachten."
"Dat zal ik nooit dulden," zeide ik: "'t ware om te besterven. Maar zoo
de Heer Reynhove mij zijn rotting wil toesteken, zie ik wel kans om u
voort te helpen."
Reynhove was dadelijk bereid en gaf zijn licht aan Weinstübe, waarop
wij, ieder een einde van den rotting nemende, Tante verzochten daarop te
gaan zitten en haar armen om onze schouders te slaan. Op deze
geïmproviseerde draagbaar, die zeker niet van de gemakkelijkste was,
droegen wij haar verder voort, niet zonder vrij wat te struikelen en
dikwijls op te houden. Nog kan ik het mijzelf niet verklaren, hoe het
mogelijk was, dat wij op den smallen weg, waar wij telkens tot de enkels
toe inzakten en gedurig uitgleden of afweken, niet honderdmalen met onze
vracht zijn omgerold: en ik beken, dat ik recht in mijn schik was, toen
wij eindelijk voor een boerenhek stonden, hetwelk naar een boerderij
geleidde, en dat ik het ongastvrij hondengeblaf met welgevallen
begroette.
Nu hielden wij allen stil voor het geslotene hek, en Klaas, een
stentorstem opzettende, begon uit al zijn macht te schreeuwen: "heidaar!
boer! boer!"
Wij ontvingen echter op dit eerste geroep geen ander antwoord dan een
nog gevaarlijker gehuil en gejank van de honden. Wij begonnen dus allen
eenparig mede te schreeuwen, elk zijn best, en de honden des te harder
te blaffen, alsof wij wedijverden, wie hei meeste leven kon maken: en
het was een geweld, dat men op een uur afstands had kunnen hooren.
Eindelijk werd er een deur in de boerenwoning ontsloten en zagen wij
licht door de opening schemeren. Wij zwegen allen, als door een
gelijktijdig gevoel van hoop en verwachting overvallen,
"Wat wil jelui? Wat is er?" vroeg een stem.
"Schipbreukelingen!" riep de een. "Kunnen wij opkomen?" vroeg een ander.
"Eilieve hoor eens!" schreeuwde een derde. "Goed volk!" riepen wij
eindelijk, allen te gelijk.
De persoon, die in de deur stond en wiens donkeren omtrek alleen wij
tegen den verlichten muur achter hem konden onderscheiden, deed geene
beweging om te naderen en scheen besluiteloos. Toen verzocht ik mijn
tochtgenooten wat stil te wezen, en, mijn stem verheffende: "kom eens
hier, goede vriend!" riep ik: "gij kunt een goede fooi verdienen, zoo
gij ons helpen wilt."
Het woord fooi maakte blijkbaar indruk: de persoon kwam naar buiten, en,
ofschoon wij hem door de duisternis weder uit het oog verloren, hoorden
wij aan het geklos zijner klompen, dat hij ons naderde. Maar toen hij,
naar onze gissing, halverwegen den afstand tot het hek gekomen was,
bemerkten wij, tot onze bittere teleurstelling, dat hij eensklaps met
een vervaarlijken kreet terugkeerde en vrij wat sneller dan bij zijn
aankomst den weg naar huis nam, en de deur achter zich toesmeet.
"Dat zal hem de duivel leeren," zeide Klaas: "wij motten er toch
binnen."
"Kan dit hek niet geforceerd worden?" vroeg Reynhove.
Het hek was wel voorzien en de sloot te breed om er over te springen;
maar bij onderzoek bemerkten wij, dat er kans was om op zijde van het
hek om te klimmen en ik stelde voor aan Klaas, dit gezamenlijk te doen.
"Om Gods wil, doe het niet, Ferdinand!" zeide Tante: "zoo de honden u
eens aanvielen."
"Geen nood Tante! zoo wij in Friesland waren, waar de honden altijd
losloopen op de werf, dan zou ik weinig zin in de expeditie hebben; maar
in dit gewest liggen zij meestal vast."
Dit zeggende, was ik reeds aan de andere zijde, en, door Klaas gevolgd,
wandelde ik op het woonhuis aan; doch nauwelijks hadden wij eenige
schreden gedaan, of het bleek ons, dat men van binnenshuis deze schennis
van het grondgebied had bespeurd; want een raam werd opengeslagen en een
hoofd kwam voor den dag.
"As jelui niet gauw maakt, dat je wegkomt," werd ons toegeschreeuwd,
"zel ik er op losbranden, in dat geval!"
"Maar hoor dan toch eens!" riep ik: "wij zijn geen dieven: wij...."
Hier werd mijn rede op een zeer onaangename wijze afgebroken door het
afgaan van een vuurroer, dat de man aan het venster in de hand hield.
Gelukkig trof het schot geen van ons beiden; maar het baarde niettemin
een grooten schrik bij ons gezelschap, dat een angstig gegil aanhief. Ik
besloot echter nog eene poging te doen, en, mij achter een boom
stellende, waar ik schootvrij meende te zijn, riep ik wederom:
"Wees toch voorzichtig. Het is Mevrouw Van Bempden van Heizicht, die aan
het hek staat: en ik ben Huyck van Amsterdam."
"Wat zeg je?" hernam de stem van boven: "Mevrouw Van Bempden! scheer je
ze wat? ja, in dat geval, wil ik ereis zeggen...."
"Ken je mij niet, Roggeveld!" riep ik; want ik herkende nu duidelijk de
stem, die mij al in den beginne niet vreemd was voorgekomen: "ik ben
Huyck! geloof mij toch: Mevrouw Van Bempden staat daar buiten."
"Wel, wie heit van zijn leven!" riep hij "verakskeseer mijn
onbeleefdheid. Ik kom zoo bij je."
"'t Is warempel 'elukkig ook, dat de man je kent," zeide Klaas: "aêrs
hadden wij nog werk 'ehad het hum aan zijn domme verstand te brengen."
Ondertusschen riep ik hun die buiten stonden toe, dat zij maar gerust
zouden wezen en dat er hulp zoude komen opdagen. Niet lang duurde het
ook of de voordeur ging weder open en Roggeveld trad te voorschijn en
kwam naar ons toe, terwijl zijn vrouw, zijn knecht en een paar meiden
nieuwsgierig aan de deur hieven staan.
"Wel wie heit van zijn leven!" herhaalde Roggeveld, naar ons toekomende,
"ik heb jelui ummers niet 'eraekt?--Nou! 't was maer los kruit, wil ik
ereis zeggen; maer ik dacht niet aêrs, of het dieven waren, in dat
geval."
"Dat had uw knecht wel anders kunnen gewaarworden, indien hij niet was
gaan loopen."
"Jae! Kees dacht, 'et waren spoeken: en jelui ziet er ook al pover uit,
hoor."
Ik kon den man geen ongelijk geven; want op den afstand, waarop wij ons
bevonden, leverden zij, die buiten stonden, vooral de dames, die, zooals
ik vroeger verhaald heb, tafellakens hadden omgeslagen, bij het
twijfelachtige licht der lantaren een vrij kluchtige vertooning op, en
de schrik van Kees kwam mij vrij natuurlijk en verschoonhaar voor.
Het hek werd ontsloten, en terwijl wij ons ongeval in korte bewoordingen
aan Roggeveld mededeelden, bracht deze ons naar zijn woning. Ik laat aan
mijn lezers over zich de uitroepen voor te stellen van: "wel kijk ereis:
Heere bewaar ons! lieve tijd! wel jemenie! wie heit zoo iets meer
beleefd!" en diergelijke, die het Roggeveldsche gezin deed hooren bij
het vernemen dezer wederwaardigheden.
"Nou vraag ik je reis," zeide de vrouw van den huize, terwijl zij haar
best deed om een goed vuur aan den gang te krijgen, "wat of die rijke
lui zich al in gevaar begeven, en op zee gaan uit plezier, wanneer zij
warm en wel te huis kunnen zitten."
Intusschen werd de breede raad gespannen, wat er te doen stond. Ik
stelde voor, dat, indien Roggeveld de noodige ligging bezorgen kon, de
dames zich hoe eerder hoe beter te bedde zouden begeven, terwijl wij
Heeren den nacht bij het vuur zouden doorbrengen. Tante had niets in te
brengen tegen het eerste gedeelte van mijn voorstel; maar vroeg of er
intusschen niet iemand zoude kunnen gaan naar Heizicht of naar de hoeve
van de oude Martha, om haar rijtuig te zoeken en te zeggen dat men haar
afhalen kwam.
"O!" zeide ik, "er valt nog veel bovendien te beredderen: maak maar
eerst, dat gij in bed komt: dat is nu het voornaamste."
De dames begrepen, dat dit inderdaad de verkieslijkste partij was en
verwijderden zich met de vrouw en de dochters van den huize: terwijl wij
ons, zoodra het vuur goed brandde, om den haard sloten en op Engelsche
wijze, naar een recept van Reynhove, die er zich goed op verstond, van
brandewijn, water en suiker ons een verwarmenden drank bereidden,
terwijl wij ons langzamerhand van schoenen en bovenkleederen ontdeden en
die op de warme plaat voor het vuur lieten drogen.
"Nu hebt gij ons nog niet verhaald, Weinstübe!" zeide Reynhove, toen wij
een poos gezeten hadden, "hoe gij daar in die sloot zijt gearriveerd."
"Wat sol ich er lang ofer braten?" zeide Weinstübe: "ich stond an de
foorblecht, und da kingen wir den dijk ober: und ich dacht zo, wir
kingen nach de blitz: und ich fiel und ich hield mihr selbst an ein tauw
fest: und die tauw schlingerde mit mir, und ich fiel pijten poord: und
ich dacht das ich versaufen waar: aber nein: ich lag in 't gras. Und ich
stund op und ich dacht: dat tijfelsche schip komt ofer mich hin, und so
lief ich voraus, und ich sakte bis de oren in eine modderschloot und da
lag ich zu sportelen, und zu dreien, und zu schreien; aber da waar
niemand, die mihr achtte."
"Ik geloof inderdaad," zeide Reynhove, "dat uw positie verre van amusant
was; maar laat u raden, Weinstübe, en vertel dat gedeelte uwer
lotgevallen aan niemand over. Het is waarlijk al te vernederend, om,
wanneer men zulk een schoone kans heeft geloopen in de open zee te
verdrinken, slechts in een stinksloot te land te komen."
Terwijl Reynhove op deze wijze voortging met Weinstübe te plagen, wendde
ik mij naar Roggeveld, en vernam of er ook gelegenheid ware, iemand,
zoowel naar het gestrande vaartuig, als naar Oud-Naarden of
's-Gravenland te zenden: en op deze punten ingelicht zijnde, vroeg ik
aan de beide Heeren, wat hunne verdere voornemens waren. Nadat ieder
zijn meening en verlangen geuit had, werd alles dienovereenkomstig
geregeld en bepaald, en ik wilde juist de vrouw van Roggeveld roepen om
van het afgesprokene aan de dames kennis te geven, toen zij de keuken
binnenkwam en mij berichtte dat Tante mij wenschte te spreken. Ik volgde
haar naar een opkamertje met twee bedsteden: in de eene zag ik Tante
zitten, die het nachtgewaad der boerin aan 't lijf had en bezig was een
kandeeltje te drinken. Op de andere bedstede, waarvan de gordijnen waren
dichtgeschoven, durfde ik slechts een zijdelingschen blik te slaan.
"Hoe bevindt gij u, Tante?" vroeg ik, mij tot haar begevende.
"Dat schikt wel," antwoordde zij: "en ik ben blijde, dat ik in bed lig.
Maar hoor eens, Ferdinand! Ik vrees, dat men op Heizicht doodelijk
ongerust zal wezen."
"Dat vrees ik ook, Tante!"
"En ik ben bang, dat men boodschappen naar Amsterdam en naar Guldenhof
en de Hemel weet waar verder zal sturen, en overal alles in rep en roer
brengen."
"Dat is niet onwaarschijnlijk."
"Ik wenschte daarom wel," vervolgde Tante, "dat Baas Roggeveld of iemand
van zijnentwege kon gaan zeggen, dat wij ons allen wel bevinden."
"Ik ben bereid er heen te rijden," zeide ik.
"Neen! dat wil ik volstrekt niet: gij behoeft u niet op nieuw aan
nattigheid en koude bloot te stellen."
"Laat dat aan mij over, lieve Tante! Gij zult toch niet langer verkiezen
hier te blijven dan tot morgenochtend, en wel eenig schoon goed willen
hebben, om behoorlijk gekleed te huis te komen."
"'t Is gelukkig juist Zaterdagavond," zeide de stem van Suzanna van uit
de andere bedstede: en zij liet er een half gesmoord gelach op volgen,
terwijl een ander stemmetje "st! stil!" fluisterde.
"Stil wat, meisjes!" zeide Tante: "wel foei!"
"Wilt gij eens weten, wat wij hebben afgesproken, onder uw welnemen,"
zeide ik: "Roggeveld zal zijn boerewagen inspannen, en daarmede zullen
Reynhove, Weinstübe en ik naar Muiden vertrekken."
"_Beau trio de baudets_," mompelde Suzanna.
"De Heeren zullen van daar hun weg wel vinden naar Amsterdam: en ik den
mijnen naar 's-Gravenland, vanwaar ik iemand naar de hoeve zal sturen,
om te zien of uw rijtuig zich daar nog bevindt."
"Goed overlegd," zeide Tante.
"En wat Klaas betreft, die zal, met al wie hier in de buurt kan
opgeloopen worden, naar zijn meester terugkeeren, ten einde hem de hulp
te bewijzen, die hij noodig mocht hebben."
"'t Zou ook jammer zijn, dat zij den armen jongen wegstalen," zeide
Suzanna.
"Nu! ik vind alles zeer goed geschikt," zeide Tante, "als gij dan maar
met Kaatje de kamenier overlegt: die weet, wat ons gezonden moet
worden."
"Dit zoo zijnde, wensch ik u een goeden nacht," hernam ik. Ik bleef
echter nog een oogenblik staan, en vroeg met een bevende stem:
"Hebben de jonge dames ook nog iets te gelasten?"
Ik bekwam in het eerst geen antwoord; maar er was eenige beweging, en
een dof gemompel achter de bedgordijnen. Ik stond zelf eenigszins
verlegen, niet wetende of ik gaan of blijven zoude. Opeens vertoonde
zich net hoofd van Suzanna tusschen de gordijnen door.
"Henriëtte vraagt, of gij niet een boodschap aan haar oom zoudt kunnen
zenden, die anders in ongerustheid zou wezen over zijn lieve zoontje."
"Ik was bevreesd om onbescheiden te wezen," fluisterde het lieve
stemmetje van Henriëtte: "maar UEd. zou mij zeer verplichten, Mijnheer
Huyck, indien het in uw vermogen ware."
"Ik neem dit stellig op mij," zeide ik, mij buigende.
"En dan verder," vervolgde Suzanna, "verzoekt Henriëtte, dat gij aan
Kaatje haar kapsel met rozeroode strikken vraagt, en haar kleed met de
fontanges en haar zijden keurs, en haar Brusselsche schoenen en...."
"Ik verzoek om verschooning, Mijnheer Huyck," zeide Henriëtte: "ik heb
niets van dat alles gezegd; zooals Kaatje 't schikt, is 't mij wel. Foei
Santje...."
"Foei Santje!" zeide ik op mijne beurt: en het schelmachtige gelaat
mijner zuster verdween weder achter de gordijnen;--waarop ik, de dames
nogmaals een goede nachtrust wenschende, mij naar beneden begaf.
Welhaast was nu de boerewagen ingespannen en schokten en hotsten wij
naar Muiden, waar wij de halve stad in opschudding brachten. Ik zond
eenig volk aan Lodewijk tot bewaking van het gestrande vaartuig, en een
man te paard naar de hoeve van de oude Martha: ik nam afscheid van mijn
reisgenooten, terwijl Reynhove op zich nam mijne familie te Amsterdam
gerust te stellen, en, een fourgon nemende, reed ik naar 's-Gravenland,
waar, als men denken kan, niemand te bed was gegaan. Ik deelde aan de
kamenier de bevelen van Tante mede, schreef een briefje aan den Heer
Blaek, om hem in korte woorden met de toedracht der zaken bekend te
maken, en begaf mij vervolgens ter ruste. Ofschoon het gebeurde van den
avond wel geschikt was geweest, om mijn ziel te ontstemmen, en mij, in
het begin, de beeltenis van de verbolgen zee en het geteisterde vaartuig
en daartusschen dat van de beminnelijke Henriëtte gedurig voor de oogen
speelden, en hare liefdevolle woorden mij tusschen het geruisch der
golven en het gegier der winden in de ooren suisden, zoo zegevierde toch
eindelijk de vermoeidheid over deze kinderen van het brein en viel ik in
een diepen slaap, waaruit ik niet eerder ontwaakte, dat toen de bediende
mij kwam waarschuwen, dat het rijtuig van Heizicht teruggekomen en weder
met versche paarden bespannen was. Ik kleedde mij spoedig aan, ging naar
beneden, en vond de kamenier reeds met een half dozijn doozen, gereed om
mij te vergezellen. Wij begaven ons terstond op weg naar de boerderij
van Roggeveld: van waar de dames, na een haastig toilet, met ons
terugkeerden. Alle drie waren naar tijdsomstandigheden vrij welvarende,
alleen Tante klaagde over hoofdpijn, en ging dus, zoodra zij op Heizicht
kwam, weder naar bed; terwijl wij jonge lieden onze krachten poogden
terug te bekomen door het gebruik van een stevig ontbijt.
* * * * *
VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HETWELK OVER 'T GEHEEL VAN EEN VRIJ SENTIMENTEELEN AARD IS; DOCH VRIJ
SLAPERIG EINDIGT.
"Ik hoop," zeide Henriëtte tegen Suzanna: "dat de gezondheid van die
goede Mevrouw Van Bempden maar geen slechte gevolgen moge ondervinden
van dezen ongelukkigen tocht."
"Ik hoop het met u," zeide ik: "maar ik durf denzelfden wensch koesteren
met betrekking tot allen, die van de partij zijn geweest."
"Wel ja!" zeide mijn zuster: "neem den wensch zoo algemeen mogelijk: 't
zou jammer zijn u-zelf te vergeten. Gij doet zooals nicht Bender, die,
als zij gasten heeft, nooit zegt; "ik hoop dat het den vrienden," maar:
"ik hoop dat het ons wel zal smaken."
"Wat mij betreft," zeide ik, "ik ben niet van zout of van kraak
porselein en zal aan een nat pak of aan een weinigje vermoeienis niet
sterven."
"Ei kom!" zeide Suzanna: "gij praat als een held, en ondertusschen,
laatst, toen gij terugkwaamt van de reis, waart gij ook mooi ziek van de
bui, die gij op uw dak hadt gehad."
"Inderdaad?" vroeg Henriëtte, op een toon van bezorgdheid, die mij
verrukte: "dan zou het u toch waarlijk wel kwaad kunnen doen, Mijnheer
Huyck! van zoo kort daarna opnieuw aan zulk een weer te zijn
blootgesteld."
"Het zou hem kwaad doen," zeide Suzanna, haar napratende: "wel Jetje!
gij zoudt mijn broeder in den grond bederven. 't Is goed, dat gij mijn
zuster niet zijt."
"Dat zeg ik ook," zeide ik, Henriëtte aanstarende met een
veelbeteekenenden blik, die haar de oogen neer deed slaan.
"Ik moet zeggen, 't is al zeer beleefd," hernam Suzanna: "waar heb je
die fraaie complimenten leeren maken?"
"O!" zeide ik: "Mejuffrouw Blaek houdt niet van complimenten: en ik durf
hetgeen ik zeg staande houden, zonder wegens onwellevendheid veroordeeld
te worden."
"Dat loopt mij te hoog," zeide Suzanna.