"Wel mogelijk! maar," beet ik hem in 't oor: "daar is zwaar weer

ophanden: en wij zeilen de bui vlak in 't vizier."

"_Vous croyez?_" vroeg hij, eenigszins van zijn stuk geraakt; "_ja en

effect!_ maar wij kunnen immers terstond ergens binnenloopen:

--intusschen! ik zal het hem vragen.--Zeg eens, Blaek!"

"Uit den weg!" riep Lodewijk, zonder op zijn woorden acht te slaan: "sta

mij niet in 't gezicht."

"Maar kijk dan voor u," zeide Reynhove, knorrig: "zie je de bui niet,

die daar aankomt?"

Maar Lodewijk, in stede van naar de bui te kijken, wendde keer op keer

het oog naar het andere vaartuig, dat, hetzij het scherper zeilde,

hetzij het beter bestuurd werd, ons meer en meer naderkwam.

"Is het waar? Vreest UEd. een bui, Mijnheer?" vroeg Tante, met

bezorgdheid, aan Reynhove: "ik smeek u, Mijnheer Blaek: laat ons dan

terugkeeren."

Maar Lodewijk antwoordde niets. Hij stond, bleek van spijt, op den

boeier te turen, die hem reeds op zijde was. Eenige jonge lieden, daarop

gezeten, wuifden met de hoeden ten teeken van overwinning, en de

eigenaar, die aan het roer stond, hief een glas wijn op en dronk

spottenderwijze onze gezondheid.

"Wacht! Ik zal u weerom salueeren met een flesch," schreeuwde Lodewijk,

woedend, en, naast zich tastende, greep hij de ledige wijnflesch en

smeet die met kracht naar het zegevierende vaartuig. Het werptuig

bereikte echter zijn bestemming niet; maar viel halverwegen in het

water; terwijl een schaterend gelach van den anderen boeier oprees en

deze mislukte poging eener machtelooze woede bespotte: al hetwelk

Lodewijk nog gramstoriger maakte.

"Foei Lodewijk!" zeide Henriëtte: "is dit nu handelen gelijk een

fatsoenlijk man betaamt?"

"Zij moeten niet denken, dat zij 't gewonnen hebben," zeide Lodewijk,

zonder acht te slaan op de afkeuring, welke zijn gedrag bij ons allen

gevonden had: "zie eens! zij minderen al zeil. Klaas! hou je goed! Wij

zullen hen wel weer voorbijraken."

"Zij minderen zeil," zeide ik: "en zij hebben gelijk ook; want zij

willen niet door de bui verrast worden. Het is onvergeeflijk van u,

Mijnheer Blaek! de dames aldus bloot te stellen om doornat te worden."

"Gekheid!--Wij keeren terstond terug.--Klaas! haal de kluiffok nog wat

aan. Hoezee! Wij halen hen in! Wij halen hen in, zeg ik. Hij heeft er

niet op gelet dat de wind gekrompen is.--Ja, voor-de-wind kan hij

zeilen; maar hij verstaat er niets van om met halvewind vooruit te

komen. Is dat een zeiler? Kijk, wat doet hij nu? Hij gaat ver... nog een

zeil strijken!--Hoezee! Wij zijn hem al voorbij!--Hij erkent zijn

minderheid! Lacht hem uit vrienden! nu is het onze beurt."

Vreemd genoeg, hoe weinig de jonge meisjes ook met Lodewijk ophadden, en

hoe ontrust zij een oogenblik te voren waren, scheen haar echter de nu

behaalde zegepraal te streelen, als deelden zij daarin: en zij schreven

aan Lodewijks bekwaamheid een overwinning toe, welke alleen aan de

meerdere voorzichtigheid van den bestuurder des boeiers te danken was.

Het was mij duidelijk, dat deze, tevreden met het bewijs zijner

meerderheid gegeven te hebben, en de bui ziende aankomen, zijn

voorzorgen genomen had: en de schippersknecht versterkte mij in deze

opvatting, door mij te verklaren, dat, zoo zijn Heer niet spoedig alles

bergen liet, het te laat zou zijn.

"En waarom zegt gij het niet?" vroeg ik, niet zonder ontsteltenis over

dit bericht.

"Wel ja!" zeide hij: "dan was mijn paspoort geschreven: je kent Meneer

niet."

"Dan zal ik het zeggen," zeide ik: "Mijnheer Blaek! ik weet niet, of gij

al dan niet een weerkenner zijt; maar ik vraag u nogmaals, of gij die

opkomende bui niet bemerkt? Laat toch strijken. Wilt gij de dames aan

gevaar blootstellen?"

"Gevaar!" riepen allen, onthutst zich naar achteren dringende.

"Och! wat gevaar!" zeide Lodewijk: "wij zullen eenvoudig terugkeeren:

en, voor de bui er is, zijt gij aan de hoeve terug.--Wenden Klaas!"

Maar het was te laat! Toen hij wenden wilde, weigerde het vaartuig aan

de beweging van het roer te gehoorzamen en bij-de-wind te draaien. Op

ditzelfde oogenblik deed zich een dof gegons hooren over de oppervlakte

van het water: de zee, nog kort te voren zoo helder, werd zwart en vuil

van kleur, alsof een onderaardsche beweging het water beroerd had:

donkere, laaghangende wolken sloten zich aan het zwerk ineen, en de

beide oevers waren in een oogenblik achter een dicht gordijn van regen

verborgen, terwijl de wind, plotseling omschietende, met zulk een geweld

in de zeilen voer, dat het vaartuig over één kant ging en stellig zou

omgeslagen zijn, indien niet de sterk gespannen touwen aan stukken waren

gesprongen. Een algemeene kreet van ontsteltenis deed zich hooren.

Lodewijk werd bleek als een laken en een krachtige vloek bestierf op

zijn lippen.

"Ach! mein Kot!" zeide Weinstübe: "set mihr aus: ich wil er aus. Ich wil

nicht langer hier pleiben."

"'t Is niets!" zeide ik, de dames wenschende gerust te stellen; "wij

hebben het ergste al geleden. Alle man aan 't werk: dames! gaat in de

kajuit!"--En, te gelijk mijn best doende, hielp ik Klaas om de einden

touw te kappen waar de gescheurde zeilen in smalle reepen en strooken

nog aan bleven fladderen. Reynhove, die bij ongeluk een verkeerd touw

had aangegrepen, werd door den schippersknecht op zijde gestooten en

liep heen en weder, met de verlegen houding van iemand, die gaarne van

dienst wil zijn, maar niet weet op welke wijze.

De bui was intusschen meer en meer genaderd, en weldra viel de

stortregen op het dek. De dames, hoewel in de kajuit geborgen, waren ook

daar niet veilig voor het water, dat als een cascade de trappen

afstroomde. Weinstübe was insgelijks naar binnen gevlucht en prevelde al

de gebeden, die hij in zijn leven geleerd had. Lodewijk stond in sombere

verslagenheid bij het roer en Reynhove zag mij aan alsof ik er wat aan

doen kon. Wij waren allen tot het hemd toe nat; ofschoon Lodewijk het

voordeel had van een duffelsche jas, die hij dadelijk had aangeschoten.

"Wat zoudt gij nu denken, dat het beste ware?" vroeg ik aan Klaas, op

wiens doorzicht ik in dit geval meer vertrouwen stelde dan op dat van

zijn meester.

"Ja!" zeide bij, om zich heenziende: "te Muiden kunnen wij niet komen.

't Zal best wezen, dat wij aan de overzij een opperwal zoeken en daar

ten anker blijven tot het opklaart."

Tot mijn genoegen keurde Lodewijk het voorstel goed. Wij heeschen een

fokje op, en het gelukte ons, na een paar gangen te hebben gedaan, een

goede ligplaats te bereiken, waar wij het anker uitwierpen en nu aan het

eind van onzen kabel slingerden, dat het een lust was om te zien.

Dit alzoo geschikt zijnde, ging ik naar de deur der kajuit, om te

vernemen, hoe de dames het maakten: "hoe is het daar binnen gesteld?"

vroeg ik.

"Kom in," riep Suzanna: "'t is hier een lief huishouentje."

Ik trad af. Een akelig en tevens walgelijk schouwspel wachtte mij. De

tafel was omgeworpen met alles wat er opstond, en de vloer met pot- en

glasscherven bedekt. Tante zat, of liever lag op den grond uitgestrekt,

bleek als een doek van zeeziekte, met de kleederen bemorst door het

instroomende water. Henriëtte zat naast haar op een voetenbankje en

ondersteunde haar het hoofd, terwijl Suzanna een paar servetten had

samengefrommeld, die zij als een dweil bezigde om den vloer wat te

boenen. Wat den Duitscher betrof, deze had, sedert wij ten anker lagen

en dus oogenschijnlijk buiten gevaar waren, met bidden opgehouden en lag

zoolang hij was op de rustbank, met het gezicht in een stapel kussens

gedompeld.

"Wat zou onze Aagt wel zeggen, als zij mij zoo aan 't werk zag?" vroeg

Suzanna: "maar hoe is het? liggen wij ten anker? En waar ergens zijn

wij?"

"Wij liggen bezuiden Durgerdam, kort bij den dijk," antwoordde ik: "is

Tante niet wel?"

"Tante mag wel zeggen: _Qu' allais-je faire dans cette galère?_" zeide

Suzanna: "en dat nog wel om onzentwil."

"Welk een ongelukkige reis!" zeide Henriëtte: "is UEd. niet doornat,

Mijnheer Huyck?"

"Zooals UEd. ziet, Mejuffer!" zeide ik: "en ik ben waarlijk eenigszins

beschaamd, mij aldus aan u te vertoonen."

"Net alsof het de eerste reis ware, dat Jetje u met een nat pak ziet,"

zeide Suzanna. Henriëtte glimlachte even: maar haar lach had iets

droefgeestigs en de blik, dien zij op mijn zuster wierp, scheen aan deze

te verwijten, dat zij in zulk een oogenblik schertsen kon.

"Maar lieve Ferdinand!" vervolgde Suzanna, bij wie de spotzucht geen

hartelijkheid uitsloot: "gij zult waarlijk ziek worden. Moet gij nu in

die doornatte kleederen blijven?"

"_Comme c'est malheureux!_" zeide Reynhove, die nu insgelijks

binnentrad: "en dat wij de dames zulk een fataal moment geprecupeerd

hebben."

"Mijnheer Blaek weet allerliefste partijtjes te geven," zeide Suzanna:

"jammer maar, dat zij zoolang duren."

"Maar wat doet gij dan toch, Mejuffrouw?" vroeg Reynhove. "Permitteer

mij, dat ik den knecht roepe om den boel hier wat in orde te

brengen."--En weg was hij.

"Die is ten minste beleefd," zeide Suzanna, en wierp een zijdelingschen

blik op Weinstübe.

"Ja! dat is ook waar," zeide ik, den onbeschoften knoet naderende:

"Mijnheer!" zeide ik, hem op den schouder tikkende: "zoudt gij zoo goed

willen zijn, uwe plaats aan de dames af te staan?--Mijnheer!"

Eerst op de tweede uitnoodiging gaf Weinstübe teekenen van leven. Hij

lichtte even het hoofd op en zag mij aan met een versuften blik en een

open mond.

"Kom Mijnheer!" zeide ik: "als er dames in 't gezelschap zijn, zult gij

toch wel de beleefdheid hebben, de rustbank niet voor u alleen te

nemen."

"Ach Kot! ich pin so krank," zuchtte hij, met de oogen draaiende als een

schelvisch, die op het strand ligt.

"Dat is wel mogelijk, zeide ik: "maar die dames zijn ook niet wel:" en

zonder meer plichtplegingen te maken, nam ik hem bij de kraag met de

eene en om het midden met de andere hand en wentelde hem van de bank af;

waarna ik, mijn natten rok uittrekkende en mijn mouwen opstroopende,

Tante optilde en op de ontruimde plaats nederleide, nadat de jonge

meisjes de kussens weer wat hadden opgeschud. Beiden namen nu naast haar

plaats en poogden haar toestand zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Wat

Weinstübe betrof, hij bleef liggen waar hij neergekomen was, met de

ongevoeligheid van een zeeziek mensch. Weldra keerde Reynhove met Klaas

terug, welke laatste nu knaphandig den boel opredderde.

"Waar is de Heer Blaek?" vroeg ik, eenigzins verwonderd, dat Lodewijk

niet opdaagde.

"Die zit in 't vooronder," antwoordde Reynhove, "zijn pijp te rooken en

een glaasje brandewijn te drinken: en, in 't passant gezegd, wij mochten

ook wel iets nemen tegen de nattigheid. Ik geloof, dat onze vriend wat

confuus is over hetgene gearriveerd is en zich niet aan de dames durft

presenteeren."

"Hoelang zullen wij hier nog moeten blijven?" vroeg Suzanna.

Ik haalde de schouders op: "zoolang de storm duurt, kunnen wij hier niet

vandaan," zeide ik: "en vooreerst schijnt het weer niet te zullen

bedaren."

"Neen," zeide Klaas: "en als wij hier vroeger vandaan kwamen, zou het

fout wezen; want dan gingen wij zoo zeker tegen den overkant als

tweemaal twee vier is: en dan bleef er geen spaander van het heele jacht

over. Ja! Ja! daar zijnder hier wel met een minder windje naar den

kelder 'egaan."

"Een aangename consolatie," zeide Reynhove.

"Ziezoo!" vervolgde Klaas tegen de dames: "nou doe jelui zelvers k

'ereis ondervinding op, dat het niet allemaal pleizier is aan boord. Nou

dat's tot daaraantoe.--Ja, nou wou jelui wel een zoopie brandewijn

hebben (dit tegen ons:) Ik 'loof dat er nog wel wat in 't

lakkeurkeldertje wezen zei."

Dit zeggende haalde hij een fleschje voor den dag: en Reynhove en ik

verkwikten ons met een paar goede teugen.

"Mot je ook niet wat hebben, Sinjeur!" vroeg Klaas, Weinstübe

schuddende: "of ben je er vies van?"

Weinstübe poogde op te staan; maar nauwelijks had hij zich half

opgericht, of het vaartuig onderging zulk een schok, dat hij weder

achterover tuimelde; terwijl Klaas, onder den uitroep van: "God help

ons! het anker:" de kajuit uitvloog. Reynhove en ik snelden hem na. Het

was maar al te waar: wij waren van ons anker geslagen en dreven nu voort

waar de wind en de golven ons heenvoerden.

Op het dek ontmoette ik Lodewijk: en nooit zal ik de uitdrukking

vergeten, welke zijn verwilderde oogen en bleeke gelaatstrekken in dit

oogenblik vertoonden: "vervloekte boeier!" riep hij: "wij zijn naar de

w....!" En staroogende bleef hij vooruit zien, zonder eenig bevel te

geven.

Op dit oogenblik voelde ik een hand, die mij op den schouder gelegd

werd. Ik keerde mij om. Het was Suzanna, die met Henriëtte de kajuit had

verlaten: en sprakeloos van angst schenen zij mij met de oogen omtrent

de hoegrootheid van het gevaar te ondervragen. Ik drukte aan beiden de

handen: mijn antwoord bestond uit een schouderophalen: waarna ik mij tot

Klaas wendde, die tegen zijn Heer stond te spreken, zonder dat deze

eenige acht op zijn woorden scheen te geven.

"Klaas!" riep ik: "wat moet er gedaan worden?"

"Lensen op 't fokje," antwoordde hij: "en zooveel mogelijk van wal houen

en in 't open vaarwater trachten te komen."

"Welnu! doe dat," zeide ik: "en ik zal terwijl op het roer passen."

Maar het was te laat: de wind had ons reeds te dicht op de kust

gedrongen: nauwelijks had Klaas de fok geheschen en ik de roerpen

losgemaakt, of het vaartuig raakte grond, en het roer, de zandbank

ontmoetende, gaf mij een slag tegen de beenen, dat ik op het dek

nederkwam.

"Ferdinand! Mijnheer Huyck!" riepen de beide meisjes, met een angstigen

gil toeschietende; en ik voelde vier zachte handjes, die mij poogden op

te helpen.

"Hebt gij u bezeerd?" was beider gelijktijdige vraag.

"'t Is niets," zeide ik, opkrabbelende: "maar ik houd het ervoor, dat

wij aan den grond zitten."

"Vier voet!" zeide Klaas, den peilstok uitwerpende: "wij zitten secuur

vast ook: Mijnheer Blaek! zouden wij niet een schot doen?"

Lodewijk gaf geen antwoord; maar in zijn zakken tastende, scheen hij den

sleutel van de kruitkast te zoeken. Eindelijk, na eenige oogenblikken,

welke zoovele uren schenen, bracht hij een sleutelring te voorschijn en

begon, met bevende handen, sleutel voor sleutel te hanteeren. Ik zag,

dat het hem nooit zoude gelukken, dien, dien hij hebben moest, van de

overige te onderscheiden, en, hem den geheelen bos uit de handen

rukkende, zeide ik tegen Klaas: "volg mij! waar bewaart Mijnheer zijn

kruit?"

Klaas bracht mij in de kajuit. "Het kruit zit in het kastje onder die

bank," zei hij.

"Tante!" zeide ik: "het spijt mij, dat ik u moet lastig vallen; maar wij

moeten hier binnen wezen:" en meteen lichtte ik Tante met kussens en al

op en ontsloot het kastje.

"Zijn wij aan wal?" vroeg zij met een flauwe stem.

"Ach! jounge! kellner!" riep Weinstübe, die weder wat bijgekomen zijnde,

in een hoek tegen den wand aanzat: "pring mij wat matera en een

pescheitje. Ich pin zoo vlauw."

"Wij hebben wel tijd, om Mijnheer madera en beschuitjes te bezorgen,"

zeide ik, wrevelig, terwijl ik de ammunitie voor den dag kreeg. Van het

noodige voorzien, keerde ik met Klaas op het dek terug, die zich hierop

met Reynhove (welke laatste daarvoor beter berekend was dan ik) met het

laden van het geschut belastte. Toen verzocht ik de meisjes dringend,

weder naar binnen te gaan, daar zij onnoodig in den weg stonden en zij

bij Tante meer van dienst konden zijn dan op het dek. "Ikzelf zal u het

voorbeeld geven," zeide ik: "mijne hulp zoude hier toch niets baten en

ik moet Tante waarschuwen tegen hetgeen er gebeuren zal."

Wij keerden dan terug in de kajuit. "Tante!" zeide ik, haar weder op de

rustbank helpende: "schrik niet: er zal meteen geschoten worden; wij

moeten een sein geven, dat wij aan den grond zitten."

"O God!" zeide zij, even het hoofd oplichtende: "moeten wij hier

omkomen?"

"Ik hoop voorwaar van neen," antwoordde ik, mijn best doende om een

opgeruimd gezicht te zetten: "wij bevinden ons hier niet op een

onbekende kust noch bij een onbewoond land. Er zwerven hier altijd

zooveel visschers rond, dat het wel wonder zoude zijn, indien men ons

niet bespeurde."

"Ach Kot! 't zal wel de laatste maal seijn, dat ich op 't water kom,"

zeide Weinstübe.

"Kom," zeide ik: "Sinjeur Weinstübe! Wees een man. Wat drommel! als het

niet was om het ongerief, dat zulks aan de dames veroorzaakt, zoude ik

mij, wat mijzelven betreft, niet verlegen maken."

"Vloek maar niet," zeide Suzanna: "daar is het nu geen tijd toe."

"Meent gij dat oprecht, hetgeen gij zegt, Mijnheer Huyck!" fluisterde

Henriëtte, terwijl zij mij ernstig aanzag: "meent gij stellig, dat er

geen gevaar is?"

Ik werd rood en sloeg de pogen neder, terwijl ik op Tante wees.

"Er is gevaar," ging zij voort, altijd op denzelfden toon sprekende, "en

gij wilt het maar verbloemen om ons niet ongerust te maken. Maar!" en

hier blonk een traan in haar oog: "wanneer een oogenblik ons de

eeuwigheid kan doen ingaan, is het dan geoorloofd een ijdele gerustheid

voor te wenden, en ons af te trekken van die gedachten, welke ons op

zulk een gewichtig tijdstip betamen."

Ik gevoelde mij beschaamd en diep getroffen. "Mejuffrouw!" zeide ik,

haar bij de hand nemende: "ik handelde om bestwil. Maar gij doet mij

mijn ongelijk gevoelen. Wat er ook gebeure, laat mij ten minste dezen

troost, dat gij niet ontevreden op mij zijt."

Zij antwoordde mij niet, maar drukte mij met aandoening de hand, en

toen, de hare wegtrekkende, veegde zij zich de oogen af en wendde het

gelaat om.

Op dit oogenblik ging het schot af.

"Mein Kot!" riep Weinstübe, opspringende: "Was ist das?"

"Dames!" zeide Reynhove, die terstond daarna binnentrad: "ik kom u

vragen, of gij ook prefereert in 't vooronder te zitten: niet, omdat het

_séjour_ daar zeer gerechercheerd is, maar omdat aldaar vuur aan ligt,

en gij er u warmer zult bevinden dan hier."

De dames zagen elkander aan: "wij danken u wel voor uwe attentie," zeide

eindelijk Suzanna: "maar wij zullen liever bij Tante blijven."

"Is er vuur aan?" vroeg Tante, met vaardigheid opstaande: "dan ga ik er

stellig heen, want ik verga hier van de koude."

"Ja!" zeide Weinstübe: "dan ka ich er auch heen: denn ich pin sehr

kaut."

"Met verlof," zeide ik tegen Tante: "dan moeten wij zien, dat wij u

tegen den regen beveiligen. De overtocht is wel kort; maar toch lang

genoeg om nat te worden."

Dit zeggende nam ik de tafellakens en hing die aan de dames als

regenschermen om. Weinstübe liep vooruit, zeker met het oogmerk om de

beste plaats voor zich te nemen. Reynhove en Suzanna ondersteunden Tante

en ik volgde met Henriëtte. Dan nauwelijks waren wij op het dek, of een

windvlaag kwam met zooveel geweld tegen ons aan, dat wij werk hadden om

ons op de been te houden. Te gelijk bespeurden wij dat het vaartuig op

zijde ging.

"O God!" zeide ik, Henriëtte aan mij vastklemmende: "indien ik u slechts

kon redden."

"Wij zijn in Gods hand," zeide zij met een onbeschrijfelijke

uitdrukking: "en toch," voegde zij er fluisterend bij: "het is mij,

alsof ik, met u zijnde, niets te vreezen had."

Een nooit te voren gekend gevoel doorstroomde mijn aderen op het hooren

dier woorden en vooral van den toon, waarop die werden uitgesproken: en,

midden in het ijselijke van onzen toestand, gevoelde ik mij gelukkig,

bij de gedachte dat ik weder bemind werd. En toch--want tot langdurige

overdenkingen bestond thans geen tijd--toch verzuimde ik tevens niet,

voor onze veiligheid te zorgen en klemde mij, op het voorbeeld der

anderen, aan het gangboord vast; in sprakelooze verwachting bleven wij

allen een oogenblik staan, en staarden op een geweldige golf, die op ons

afkwam als wilde zij het geheele vaartuig overstelpen. De uitwerking was

echter anders. De golf lichtte het jacht, als ware het een stuk kurk

geweest, van de zandbank af: wij werden bespat en gedurende eenige

seconden verblind van het schuimende water; en toen wij onze oogen weder

konden openen en voor ons uitzagen, bespeurden wij den dijk op geen

twintig voet afstand.

"'t is gedaan!" riep een stem uit ons midden.

Suzanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte

haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was

weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen.

Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het

door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotselings hield het

stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wij hoorden het

zeenat als grommende van rondom wegloopen;--maar toen wij, wanende dat

ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water

meer.

Het jacht was over den dijk heengeslagen en lag tegen de binnenste

helling in het slijk vast.

* * * * *

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VERMELDENDE HOE DAMES VOOR SPOKEN WORDEN AANGEZIEN, EN WAT DE

SCHIPBREUKELINGEN AL ZOO VERDER DEDEN OM EEN VERKOUDHEID TE VOORKOMEN.

Het gadeslaan der verschillende aandoeningen, welke ons na een zoo

wonderbare redding bezielden, zou aan den zoodanige, die, zonder in onze

gevaren gedeeld te hebben, eensklaps in het gestrande vaartuig

verplaatst ware geweest, een niet onbelangrijk schouwspel hebben

opgeleverd. In de eerste oogenblikken, en wel voordat men recht wist,

hoe men het had, heerschte er een soort van verbijstering, en waren wij

gelijk aan lieden, die, op een vreemde plaats geslapen hebbende, bij hun

ontwaken in de war zijn en eenig herinneringsvermogen moeten aanwenden,

alvorens zij zich kunnen bezinnen, waar zij eigenlijk zijn. Daarbij, het

was avond geworden: de wind en regen bleven aanhouden, en alles om ons

heen was in nevel en duisternis gehuld.

Voor zooverre ik mij herinner, was ik de eerste, die sprak: en de oogen

om mij slaande, om de dames te zoeken, die door den schok van mij

afgeraakt waren, riep ik in vervoering uit: "God lof! wij zijn gered!"

"Dat mag wel 'ezeid worden, bij 't walletje langs," zeide Klaas: "op

zoo'n rare manier ben ik nooit aan wal 'ekomen."

"Goddank! dat was boven verwachting!" riep Lodewijk; maar met deze

uitboezeming scheen hij zijn geheelen voorraad dankbaarheid te hebben

uitgeput; want, op het dek heen en weer loopende, begon hij bij

zichzelven te mompelen: "'t is een mooie winkel! hoe d.... krijgen wij

het jacht hier weer vandaan?"

De drie dames zeiden niets. Henriëtte en Suzanna hielden Tante omvat en

alle drie schenen in stille, eerbiedige overpeinzing verzonken.

Wat Reynhove betrof, zijn blijdschap was de luidruchtigste. Hij sprong

en danste over het dek rond, drukte Lodewijk, mij, de dames, zelfs den

schippersknecht, de handen, beurtelings lachende, zingende en weenende,

tot eindelijk zijn voet op de natte planken uitgleed en hij achterover

rolde, "'t Is niets," zeide hij, terstond weder opspringende: "het

gevaar is voorbij en wij zijn allen gesauveerd:" en hij begon van voren

af aan handjes te geven en elk in 't bijzonder geluk te wenschen met een

hartelijkheid en een uitbundigheid, welke merkelijk afstaken bij zijn

gewone geaffecteerde vormen, en bewezen, hoeveel guller en beter hij in

den grond zijns harten was dan hij oppervlakkig scheen te zijn.

"Maar waar zijn wij toch eigenlijk?" vroeg Tante.

"Op een veilige plaats, Tante-lief!" was mijn antwoord: "en waar wij op

de vreemdste manier ter wereld zijn aangekomen."

"Nu zal ik nooit meer lachen over den vreemden Jood, die zich

verbeeldde, dat hij met trekschuit en al over de brug heen getrokken zou

worden", zeide Suzanna, die haar vroolijkheid terugbekomen had.

"Mevrouw," zeide Lodewijk, die toch scheen te gevoelen, dat hij eenige

apologie noodig had, terwijl hij zich bij Tante vervoegde, "dat is

waarlijk gelukkig afgeloopen. Het doet mij recht leed, dat UEd. er zoo

ongelukkig bij te pas zijt gekomen."

"Ja Mijnheer!" zeide Suzanna: "Tante mocht u wel toevoegen, gelijk

Athalia tot Abner:

dans quel piège as-tu conduit mes pas?"

"Het schijnt," zeide Tante, met reden eenigszins gevoelig over de

handelwijze van Lodewijk, "het schijnt, dat Mijnheer Blaek weinig gewend

is dames aan boord te hebben."

"Ja Mevrouw!" vervolgde Lodewijk, eenigszins verlegen: "tegen 't weer

kan niemand; en wie had zich op zulk een onvoorzienen en geweldigen

storm kunnen verwachten?--Al had ik niet met dien boeier om 't hardst

gezeild, wij waren toch niet vrijgekomen."

Ferdinand Huyck · 第 29 / 51 段