Daar zat ik vast. "Och! dat weet ik zelf niet," zeide ik: "daar lag mij

iets in 't hoofd, betreffende die Reefzeils."

"De moeder van Jetje was een Reefzeil," zeide Tante: "was het dat, wat

gij meendet?"

"Inderdaad?" zeide ik: "neen, dat wist ik niet. Maar was er met nog een

zuster?"

"Ja voorzeker!--Keetje Reefzeil! zij waren beiden mooi. Keetje en Letje:

de eene was een blonde en de andere een bruinet. Jetje, de blonde,

trouwde met den Heer Hendrik Blaek: en de goede man had er niet veel

pleizier van; want zij stierf in 't kraambed. Keetje, ja, die heeft het

niet best laten liggen: zij is het pad opgegaan met den Baron Van Lintz.

Dat is indertijd een fameuze historie geweest."

"Mochten zij dan niet trouwen?" vroeg ik, meer en meer belang stellende

in het verhaal.

"Zij had, geloof ik, weinig of niets," zeide Tante: "en Van Lintz ook

niet veel meer dan zijn gage als Luitenant bij de Marine. Bovendien was

hij Roomsch; maar dat alles hielp niet: hij wist haar te bepraten en

trok met haar het land uit. De familie zoude wel weer bijgedraaid zijn;

maar hij was deserteur: en dat was erger. Hij heeft zich een poos

sobertjes moeten generen, nu hier, dan daar--en vervolgens maar dat weet

gij zoogoed als ik--vervolgens is hij in Spaanschen zeedienst gekomen en

een groot Heer geworden: en nu is hij, geloof ik, dood of weg: althans

men heeft rare dingen van hem verteld. Hij is in ongenade vervallen, dat

is zeker, en toen verdwenen. De hemel weet: hij is misschien Turksch

geworden en Pacha met een half dozijn paardenstaarten; want ik geloof

dat hem de godsdienst ook wel om 't even zijn zoude, mits hij maar

voortkwame. Ik had laatst werk genoeg, om Van Baalen te beletten van

door te slaan, toen hij in tegenwoordigheid van den Heer Blaek en Jetje

over dat onderwerp begon. Zij heeft met de _folies_ van haar Tante niet

noodig. 't Was anders een aangenaam mensch, die Van Lintz: ik herinner

mij nog zeer goed, met hem menigmalen gedanst te hebben. Hij was _la

pluie et le beau temps_ in zijn tijd."

"Zijn dwaze stap verdient, dunkt mij, eenige verschooning," merkte ik

aan. "Er zijn zoovele van die adellijke Heeren uit de land-provinciën,

die alleen te Amsterdam komen om een rijk huwelijk te doen, en enkel op

geld zien. Hij werd ten minste door liefde gedreven en niet door zucht

naar schatten."

"Neen! die waren bij de Reefzeiltjes niet te zoeken," hernam Tante: "nu,

Hendrik Blaek is er ook om gebrouilleerd geraakt met zijn familie; want

hij was ook slecht bij kas en is te Cadix, of te Lissabon, weet ik het,

arm gestorven. Gij weet zeker, dat Henriëtte geheel afhangt van de

goedheid van haar oom ... en zij heeft wel reden om dankbaar jegens hem

te zijn; want al ware zij zijn eigene dochter, hij kon haar niet

teederder liefhebben en beter behandelen. Zij zal ook wel eindigen, denk

ik, van zijn wensch te vervullen en met haar neef te trouwen.--Waarom

zegt gij _hm_?"

"Heb ik _hm_ gezegd, Tante?"

"Ja neef! _Gij_ hebt gezegd _hm_! En waarom? Zoudt gij het zoo

bespottelijk vinden, dat zij Lodewijk nam of Lodewijk haar?"

"Wat zal ik u zeggen? Ik bespeur niet, dat zij veel werks van elkander

maken: en ik weet althans wel iemand, aan wien ik haar liever zoude

gunnen."

"_Quel est donc ce héros ou bien ce téméraire?_" vroeg Tante, mij scherp

aanziende: "gijzelf toch niet, hoop ik?"

"En al ware ik het zelf, Tante? Wat zou UEd. daartegen hebben?"

"Ferdinand!" zeide Tante: "gij jaagt mij een schrik op het lijf.--Niet,

of het is een lief meisje, maar wat zouden uw vader en moeder wel van

mij denken:--alsof ik u beiden had samen willen brengen. En uw vader zou

het zeker maar half goedkeuren; want zij heeft niets. Neen! dat zou ik

vooralsnog maar uit mijn hoofd stellen."

Hier werd ons onderhoud, hetwelk voor mij geene zeer troostrijke wending

begon te nemen, afgebroken door Suzanna, die van een hoogte, welke zij

met Henriëtte beklommen had, ons toeriep:

"Komt toch hier; men heeft hier zulk een heerlijk uitzicht."

Wij versnelden onzen tred en stonden welhaast bij de jonge dames, om met

haar het bevallige natuurtooneel te bewonderen, dat zich beneden ons

vertoonde. Aan de eene zijde strekte zich, zoover het oog kon reiken,

als een gebloemd tapijt, de golvende vlakte uit, waarvan de eentonigheid

werd afgebroken door enkele partijen eikenhakhout, dat reeds hier en

daar de gele najaarskleur bij net malsche groen van het Augustusloof

vertoonde. Ten Zuidwesten vertoonden zich de torens van Naarden, en

verder op die van Weesp en Muiden; terwijl Amsterdam slechts even door

een grauwen nevel zichtbaar was. Oostwaarts lag het bevallige Huizen en

daarachter het netgebouwde Blarikum; en ten Noorden liep de heuvel

glooiend af tot de plek, waar de Zuiderzee zijn voet kwam bespoelen:

verscheidene vaartuigen van allerlei grootte en soort kruisten

elkanderen en in de verte over de stille oppervlakte der wateren:

naderbij lagen eenige visschersbooten en kon men de visschers

onderscheiden, die hun netten in zee wierpen. Eindelijk, kort aan den

wal, lag een rijk verguld en nieuw opgeschilderd speeljacht ten anker,

waarvan de rijzige mast en de nette tuigage zich scherp en luchtig

afteekenden tegen het groene water en de heldere lucht daarachter.

"Ik geloof waarlijk, dat daar het jacht van Lodewijk is," zeide

Henriëtte, na eenigen tijd daarop gestaard te hebben.

"Is hij een liefhebber van zeilen?" vroeg ik.

"O! Lodewijk heeft alle liefhebberijen van dien aard," antwoordde zij:

"maar het zeilen is een hartstocht bij hem. Hij blijft somwijlen dagen

achtereen op het water."

"Het schijnt een aardig gebouwd vaartuig," zeide ik: "zeker gaat het er

goed door."

"O! het moet een eerste snelzeiler zijn: althans volgens het zeggen van

Lodewijk."

"Hoe! Zijt gij er zelve nooit op geweest?--Of houdt gij niet van

zeilen?"

"Hij heeft mij nooit verzocht om mede te gaan."

"Dat geloof ik wel," zeide Suzanna: "die Heeren hebben veel te veel pret

onder elkander, dan dat zij er dames zouden bij vragen."

"Het schijnt, dat hijzelf aanboord is," hernam ik: "althans daar komt

iemand op het dek."

"Inderdaad! ik herken hem," zeide Henriëtte; "maar hij heeft nog een

paar Heeren bij zich. Zie eens: zij richten hun kijker op ons."

"Wel! dat is niet het gekste, dat zij doen kunnen," zeide ik.

"Wat gaan zij nu uitrichten?" vroeg Tante, een groote drukte aan boord

gewaarwordende.

"Zij maken de sloep los," zeide ik: "pas op! zij komen ons nog

verrassen."--En inderdaad, wij zagen drie personen achtereen in de sloep

springen en met kracht naar wal roeien.

"Kijk! zou Lodewijk waarlijk eens galant worden en ons komen verzoeken,

zijn bodem te bezichtigen?" vroeg Henriëtte.

"Inderdaad!" zeide Suzanna:

_".... et jusqu' aux bords que la mer vient laver

Sur son vaisseau tout pret il vient nous retrouver;_

Ik herken uw neef; maar wie zijn die twee andere Heeren?"

"Ik weet het waarlijk niet," antwoordde Henriëtte: "hij heeft somtijds

zulke rare kennissen. Maar ja: de een is, geloof ik, de Heer Weinstübe,

een associé van een Duitsch kantoor: den anderen ken ik niet."

Wij waren intusschen den heuvel afgegaan en naar de zeezijde

opgewandeld. De drie Heeren sprongen op het strand, maakten hun sloep

vast en kwamen met haastige schreden naar ons toegetreden.

"Hoe, zijt gij het?" riep Lodewijk, toen hij, dichterbij gekomen, ons

herkende.

"Zoo! Het is dan geen bezoek, dat gij ons kwaamt geven?" vroeg

Henriëtte.

"Wij hadden dames gezien," antwoordde Lodewijk, "en kwamen hooren, of

zij ook lust hadden eens aan boord te komen."

"Gij zult zien," zeide Suzanna zachtjes, "dat zij ons onbekend zouden

verzocht hebben, en ons niet willen hebben, nu zij weten wie wij zijn."

"Maar was hiendert das?" vroeg een van Lodewijks kameraden in zijn

platduitschen tongval, terwijl hij de jonge meisjes beurtelings op een

vrij onbescheiden wijze aanzag: "zoo je ze kent, kottorie! tes te peter,

dan oef je te kennisch niet te machen."

"Stil, zeide Lodewijk, hem aanstootende: "Mevrouw Van Bempden, uw

dienaar: ik stel u den Heer Weinstübe voor, en den Heer Reynhove.--Mijne

Heeren! Mevrouw Van Bempden, mijn nicht Blaek, Mejuffrouw Huyck."

"Mefrouw fon Pempten!" herhaalde Weinstübe, terwijl hij dadelijk een

zeer nederigen toon aannam en een menigte strijkages maakte: "ick pin

zeer verheugd, die eere te heppen. Wie faart de familie?"

"Ik hoop," zeide Reynhove, terwijl hij insgelijks, doch op een meer

hoffelijke wijze zijn compliment maakte, "dat de dames ons toilet zullen

excuseeren. Wij konden ons op deze charmante rencontre niet verwachten.

Ik ben waarlijk gedesespereerd er zoo genegligeerd uit te zien."--Onder

het uiten dezer laatste woorden maakte hij de bovenste knoopen los van

zijn net gemaakte visscherskiel en vertoonde daardoor een keurig hemd,

met prachtige kanten gegarneerd; terwijl hij de andere hand aan zijn das

bracht, als wilde hij de aandacht vestigen op een kostbaren ring, die

zijn vinger versierde, en op den juweelen gesp, waarmede de strop was

vastgemaakt.

"Ach noe ja!" zeide Weinstübe: "die dames sollen ons kenadik bardon

schenken wollen: 't is waraftig onze schuld nicht. Herr Plaek sagte: "da

sind tamen: wollen wir ons combliment machen kaan." Aber wier woesten

nicht, dat er eine so achtbare keselschaft da ware."

"Dat valt u dan tegen," zeide Suzanna.

"Hoe vaart uw vader, Mijnheer Blaek?" vroeg Tante.

"Klagend en hypochonder, Mevrouw! de oude deun. Hebben de dames ook

trek, om mijn vaartuig eens te zien?" vroeg hij vervolgens, op een toon,

die wel te kennen gaf, dat hij deze uitnoodiging alleen deed, omdat hij

niet wel anders kon.

"Dat zal ons wat lang ophouden, vrees ik," zeide Tante: "wij moeten naar

de boerderij terug en dan naar huis."

"Wel Mevrouw!" zeide Reynhove: "'t zou immers een al te groote cruauteit

in u zijn, ons niet te permitteeren van zulk een aangename sociëteit te

profiteeren."

"'t Is solk aen schones wetter," zeide Weinstübe: "en Plaek kan oe

immers weer afzetten waar je woelt. We motten toch weer nach Amsterdam

mit ten abend."

"Welnu! wat zeggen de jonge dames er van?" vroeg Tante: "ik ben wit

papier."

Ik vleide mij, dat zij bedanken zouden; maar het scheen, dat beiden een

groot verlangen hadden om het jacht te zien (een begeerte, die ik toen

allerbespottelijkst vond) en na elkander een wijl aangekeken en met de

oogen geraadpleegd te hebben, gaven, eerst Henriëtte en toen Suzanna te

kennen, dat zij niet ongenegen waren, om van het vriendelijk aanbod van

den Heer Blaek gebruik te maken.

"Komaan dan maar, hoe eer hoe beter," zeide Lodewijk, terwijl hij den

arm aan Tante Van Bempden bood; en eer ik nog gereed was, het voorbeeld

te volgen, had zich die hatelijke Mof van Henriëtte, en Reynhove van

Suzanna meester gemaakt, terwijl ik volgde, het jacht en zijn geheele

equipage voor Sint-Felten wenschende.

Wij stapten in de sloep, die ternauwernood groot genoeg was, om ons

allen te bevatten, en werden door Lodewijk en Reynhove met kracht naar

het vaartuig geroeid. Alvorens wij dit echter betreden, zij mij een

korte uitweiding vergund over de twee nieuwe personages, met wie ik bij

deze gelegenheid kennis maakte.

Caspar Weinstübe was, gelijk ik naderhand kwam te weten, een gelukzoeker

geweest, gelijk Westfalen die jaarlijks overzendt naar Amsterdam. Hij

had die groote stad als een knaap van vijftien jaren betreden met een

schraal voorziene beurs, maar met het onverzettelijk voornemen, om die

te vullen: en hij had zijn doel bereikt langs die middelen, welke,

ofschoon toen meer zeldzaam, thans helaas! van jaar tot jaar meer

algemeen worden. Vijf jaar lang had hij op een klein kantoor gewerkt,

gekropen en honger geleden. Toen was hem een gering deel in de winsten

toegekend geworden en weldra bekwam hij, als loon voor zijn onvermoeiden

arbeid, de teekening _per procuratie_. Van deze had hij zich bediend om

zaken voor zichzelven te beginnen; de actiehandel was hem te stade

gekomen: het huis, waar hij deelgenoot in was, had tot tweemalen toe

moeten ophouden met betalen: maar hij zelf was na elk bankroet rijker

voor den dag gekomen, en bevond zich nu aan het hoofd van een

aanzienlijk vermogen en van een winstgevende zaak. Maar het was hem niet

genoeg, zijne wenschen bereikt en schatten verworven te hebben: hij

verlangde nu ook in de groote wereld ontvangen te worden: en dit was

voor hem te Amsterdam, waar de lijn van afscheiding tusschen de

verschillende kringen misschien scherper afgeteekend is dan in eenige

stad ter wereld, geen gemakkelijke zaak. Hij vond zich dan ook overal

teruggedrongen, zoo vaak hij het beproefde, de uitsluitende

gezelschappen der patriciërs binnen te dringen; maar hij gaf daarom den

moed niet verloren. Het spreekwoord zegt, dat de Arragoneezen, om een

spijker te slaan, geen hamer behoeven, maar hun hoofd gebruiken: en

Caspar Weinstübe deed voor de Arragoneezen niet onder. Hij wist zich aan

te sluiten bij jonge lieden, die, zooals Lodewijk Blaek, er minder op

zagen, met wie zij omgingen, mits het slechts liefhebbers waren van

rijden, rossen en geld verteren: en door middel van dezulken hoopte onze

Westfalinger langzamerhand met hooger standen in betrekking te geraken.

Dit middel was hem wel is waar vrij kostbaar; doch hij had sinds lang

vaarwelgezegd aan die taaie zuinigheid en ontbering, die hem tot ladders

hadden verstrekt om tot de fortuin te geraken: en hij wist thans zijn

geld even schoon te verkwisten, alsof hij het van zijn vader geërfd had.

Ofschoon niet misdeeld van eenige schranderheid, en zelfs vlug van

geest, zoo vaak het zijn geldelijk belang betrof, was hij in alle andere

zaken dom en onkundig gebleven, bezat geen manieren ter wereld, en was,

gelijk de meeste gelukzoekers, even trotsch en lomp tegen hen, die hij

als beneden zich beschouwde, als laag en kruipend tegen zijn

meerderen.--Het was voor hem om dit in 't voorbijgaan aan te merken, dat

Heynsz dat fraaie blazoen geschilderd had, waarvan vroeger gesproken is.

Wat den Heer Reynhove betreft, hoewel zijn onderhoud wat veel doorspekt

was met Fransche woorden, zijn toon en manieren waren echter die van een

fatsoenlijk man: en hetgeen hij zeide, zoo niet altijd even belangrijk,

was echter nooit dom of ongepast: ja, schoon hij vaak over beuzelingen

sprak, wel voorgedragen beuzelingen zijn, gelijk men weet, door de bank,

meer dan gesprekken over gewichtige onderwerpen geschikt, om in gemengde

gezelschappen aan iemand den naam van een aangenaam mensch te doen

verwerven. Hij was bovendien welgemaakt van persoon, keurig op zijn

kleeding, en dus in vele opzichten welkom bij de schoone kunne. Wat zijn

maatschappelijke positie betrof, hij had noch beroep noch affaire: doch

het had slechts van hem afgehangen in deze of gene politieke betrekking

geplaatst te wezen; daar zijn vader in zijne woonplaats 's-Gravenhage

een der hoogste ambten van de Republiek bekleedde. Hij had Lodewijk op

de paardenmarkten leeren kennen, waarvan beiden trouwe bezoekers waren,

en was op de uitnoodiging van dezen eenige dagen bij hem komen

doorbrengen.

* * * * *

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HETWELK AANTOONT, DAT MEN NIET NAAR DE OOST-INDIEN BEHOEFT TE VAREN, OM

SCHIPBREUK TE LIJDEN.

Zoodra wij het jacht hadden bestegen, liet Lodewijk het anker lichten en

alle zeilen bijzetten, ten einde gebruik te maken van een flauw zuchtje,

dat uit het zuiden woei en ons langzaam de kust langs tegen den stroom

opdreef. Lodewijk, die recht als een schipper uitgedost en met een kort

pijpje in den mond aan het roer post hield, scheen zich weinig over onze

tegenwoordigheid te bekreunen en liet aan zijn vrienden de zorg over om

ons de _honneurs_ van zijn vaartuig te doen. Reynhove had dadelijk met

voorkomende beleefdheid al de vouwstoelen uit de kajuit gehaald en zette

die op het dek neder, ten einde de dames plaats konden nemen, terwijl

Klaas, de schippersknecht, een tafel aanbracht en Weinstübe een paar

flesschen opentrok en de glazen inschonk. Waarschijnlijk wist hij niet

hoe anders het gesprek op een betamelijke manier aan te vangen en

begreep hij, dat het aanbod van een glas wijn daartoe de geschiktste

gelegenheid zoude verschaffen.

"Wol de Jiffrouw nicht een klaasje nemen?" vroeg hij aan Henriëtte, die

in stille aandacht de kust zat te beschouwen, die langzaam voorbijgleed:

"ik kan 't wel anpefielen: ofschoon ik an Plaek kezegd ep, dat hij nicht

aan 't peste gandoor isch. Niet of die witwe Pieter Plutz en Soonen

iesch ein gnappe fent; maar ie heeft keen koete gorrespondens: en wie

wil er nou mienderen wein trinken, as men de peste kriegen kan? Da iest

Peter Trauketropf, die hat koeten wein: und nicht meliert:--wel tierder,

ja!--dat ist waar; aber was kan das schelen, wie tier die wein iest as

tie maar goet iest?--fooral foor soon reike blitz als Plaek iest."

"Ik bid u, accepteer toch een glaasje, Mevrouw!" zeide Reynhove, zich

overeenkomstig de betamelijkheid eerst tot Tante wendende: "aan boord

mag zulk een offerte niet gerefuseerd worden; wanneer men zooveel water

om zich heen ziet, mag men wel wat wijn gebruiken om een _contrepoids_

te geven."

"Mijnheer schijnt wel te huis in de gewoonten aan boord," zeide Suzanna.

"Ja! ik heb altijd, van mijne jeugd af, veel van de marine gehouden, en

was er eigenlijk voor gedestineerd; maar ik had er dit tegen, dat de

meeste zeelieden zoo ruw en ongemanierd zijn, en het zou mij wat al te

veel gegeneerd hebben, mij naar hunne vormen te pliëeren."

"Maar dat zie ik volstrekt niet in," zeide Tante: "het is toch niet

noodzakelijk, dat men juist de manieren van het scheepsvolk aanneemt: ik

herinner mij zeer goed den Graaf Tromp, onzen gewezen buurman op

's-Gravenland: die had zeer beschaafde en hoffelijke manieren: en zooals

ik van mijn vader dikwijls gehoord heb, de Admiraal De Ruyter, die toch

uit een minderen stand was, had insgelijks een zeer ordentelijken toon

en was een vijand van vloeken en drinken."

"Tante heeft gelijk," zeide ik: "ik heb veel bulderbasten gekend, onder

de zeelieden; maar ook anderen, die tot een voorbeeld van; wellevendheid

hadden kunnen verstrekken en op wie het pek geen smet had

achtergelaten."

"O! dat wil ik niet niëeren," hernam Reynhove: "maar UEd. gevoelt, als

eenige stamhouder van mijn familie...."

"O! nu vat ik het," hernam Suzanna: "UEd. was van te goeden huize

misschien om met Jan en alleman om te gaan. Maar, om niet van zoovele

anderen te spreken, daar hadt gij b.v. den Heer Van Obdam, die was nogal

van een redelijk goede familie."

"Mejuffer schept er behagen in, mij niet te willen verstaan," zeide

Reynhove: "ik bedoel mijn stand niet, maar mijn betrekking als eenigen

zoon. Het zou een te groot _chagrin_ voor mijn ouders geweest zijn,

indien ik mij aan de gevaren van den zeedienst had geëxposeerd."

"Ja, dat is zeker waar," hernam Suzanna: "maar gelooft UEd. niet, dat

men op het land evenveel gevaar kan loopen, van 't hoekje om te gaan?

b.v. bij slempmalen, harddraverijen, en andere vermakelijkheden?"

Ik zag, dat Reynhove een kleur kreeg. Suzanna had juister getroffen, dan

zijzelve wist.

"En dan," vervolgde zij: "sterft men aan een galziekte tengevolge van

het lekker eten of drinken of breekt men zijn nek door van zijn

harddraver af te tuimelen, er is niemand die u beklaagt: maar dan is het

_tu l'as voulu George Dandin_: boontje komt om zijn loontje, enz;

terwijl men, in een zeeslag sneuvelende, ten minste sterft met het

bewustzijn van nuttig geweest te zijn en nog een lofspraak in de courant

bekomt bovendien."

"Dat is zeker zeer troostrijk voor de erfgenamen," zeide Reynhove,

lachende: "ik moet echter avoueeren, dat UEd. volkomen waarheid spreekt;

doch UEd. zult mij toestaan te observeeren, dat men ook op andere wijzen

zijn Vaderland dienen kan, en dat, wanneer men, zooals ik, eenige zoon

is, men beter doet een betrekking te kiezen, welke ons niet obligeert

onze familie gedurig en soms voor zeer langen tijd te quiteeren."

"En in welke betrekking dient UEd. het Vaderland dan?" vroeg Suzanna.

"Tot nog toe in geene," antwoordde hij, half lachende, half beschaamd:

"maar ik zal met genoegen de carrière volgen, welke gij mij aan wilt

wijzen."

"Ik vrees, dat ik een slechte raadgeefster zoude zijn," zeide Suzanna:

"en ik zou u beklagen, zoo UEd. in dezen den raad van een ander noodig

had."

Terwijl zij aldus voortging met hem tot het doel te nemen van haar

plagerijen, welke hij echter wel opnam, ja, waarin hij zelfs behagen

scheen te scheppen, overlaadde Weinstübe Henriëtte met een vloed van

zoutelooze vleierijen, waar ik bijna tevergeefs een woordje poogde

tusschen te voegen. Tante, die ongaarne een gelegenheid liet voorbijgaan

om zich te onderrichten, had zich bij Lodewijk gevoegd, wien zij met

hare gewone levendigheid allerlei vragen deed betreffende de zeevaart en

stuurmanskunst, welke hij nu en dan beantwoordde, zoo dikwijls hij zijn

pijpje uit den mond nam, om een teug uit de nevens hem staande flesch te

nemen.

Wij waren onder dit alles een goed eind verder gekomen en bevonden ons

reeds op de hoogte van Muiderberg, toen Tante, die al pratende niet

vergat dat de tijd voortging, aan Lodewijk vroeg, of hij niet welhaast

terug zoude keeren, en haar, volgens belofte, aan de hoeve afzetten.

Niettegenstaande het beklag van Reynhove en van Weinstübe, dat de dames

hen zoo spoedig weder verlaten wilden, begon Lodewijk, die misschien in

zijn hart wel van ons ontslagen wenschte te zijn, bereids klarigheid te

maken om den steven te wenden, toen Henriëtte hem een vraag deed, welke,

hoe onschuldig ook, de gewichtigste gevolgen had.

"Aan wien behoort die fraaie boeier," vroeg zij, "die daar achter ons

komt aanzetten?"

"Te deksel ja!" zeide Lodewijk: "aan wien behoort die boeier, Klaas?"

"Dat is de nieuwe boeier van Jan Pergens," antwoordde de knecht: "die

ons vooruit wil: hij heit er al 'ang op 'eloerd."

"Ons vooruit!" riep Lodewijk: "neen voor den d.....! dat zullen wij hem

anders leeren. Je mot het mij niet kwalijk nemen, Mevrouw! maar dat laat

ik mij niet doen."

"Maar Mijnbeer Blaek!" zeide ik: "het wordt laat en de dames wenschten

wel, aan wal te zijn. Wat gaat het u aan, of hij vooruit komt, daar hij

toch op de stad aanzeilt, en wij op Oud-Naarden moeten aanhouden?"

"Wat het mij aangaat?" herhaalde Lodewijk, met het geheele gewicht van

zijn lichaam over het roer buigende: "Klaas! man! pas op je tellen.--Wat

het mij aangaat?--Zet het zwaard nog wat neer, Klaas!--Wat het mij

aangaat?--Wel! zoo ik op den wal aanhield, zou hij denken, dat ik voor

hem loopen ging."

"Maar Mijnheer Blaek!" zeide Tante, na mij eenigszins verlegen te hebben

aangezien; "wij wenschten gaarne te huis te wezen: en UEd. is te beleefd

om aan het verzoek van dames geen gehoor te geven."

"'t Is waarachtig mijn eer te na, Mevrouw!--Klaas! haal de fokkeschoot

nog wat aan." Hier zag hij achter zich om, met een angst op het gelaat,

als ware de boeier een roofschip geweest: "'t Is maar voor tien minuten,

Mevrouw! om hem mijn meerderheid te toonen; en dan zeilen wij in een

ommezien weer terug naar de hoeve."

"O! nu gaat het recht pleizierig, Mevrouw! Dat mag zeilen heeten,

Tante!" zeiden Henriëtte en Suzanna, die er juist zooveel kwaads niet in

zagen of zij een uurtje later te huis waren, en er beiden vermaak in

schepten, om te zien, met welk een snelheid het vaartuig, daar de wind

nu was aangewakkerd, de golven kliefde.

Wat mij betreft, ik was minder voldaan met het antwoord van Lodewijk;

want ik berekende, dat, hoe meer de wind thans in ons voordeel was, hoe

meer moeite wij zouden hebben om weer naar de hoeve te zeilen: en mijn

ongerustheid werd niet verminderd door een leelijke wolk, die uit het

noordwesten tegen den wind kwam opzetten.

"Ziet gij die bui daar opkomen?" vroeg ik, zoo zachtjes mogelijk, om de

dames niet te verontrusten, aan den schippersknecht: "het zou mij

ontgaan, indien wij daar geen regen uit kregen."

"Wij zullen geducht sop hebben," antwoordde Klaas: "maar wat wil je der

an doen? Meneer kan den boeier toch niet laten voorbijzeilen?"

"Mijnheer Reynhove!" zeide ik, den Hagenaar naderende: "heeft UEd. ook

invloed genoeg op den Heer Blaek, om hem te beduiden, dat hij aan het

verlangen der dames gehoor geve?"

"_Comment_!" vroeg hij: "UEd. heeft zelf gehoord, dat het zeilen de

dames amuseert en dat zij prefereeren, nog niet aan wal te gaan."

Ferdinand Huyck · 第 28 / 51 段