vriendschap. Ik ben u de betuiging schuldig, dat mijn vermoedens mij
leed zijn, en dat ik u voor een eerlijk man houde. Het is alleen, omdat
ik weet hoe gevaarlijk het is, wanneer jonge lieden elkander vaak,
vooral op zulk een geheimzinnige wijze, spreken, dat ik als vader eenige
zorg gevoel."
.Mijnheer! Ik schroom niet, u te zeggen, dat mijne affecties elders
geplaatst zijn."
"'t Is mogelijk," zeide hij: "maar het hart mijner dochter is nog vrij:
en--zonder u een compliment te willen maken--het is niet voor u, het is
voor haar, dat ik mij bekommer, en dat ik een dergelijke gemeenzaamheid
noodlottig zou achten."
"Mijnheer!" hernam ik: "uw dochter is een beminnenswaardige Juffer, aan
wie ik het hoogste geluk toewensch; doch zoo weinig verlang ik, eenige
genegenheid voor mij onwaardige bij haar op te wekken, dat ik het als
een der aangenaamste tijdingen zal rekenen, wanneer ik verneem, dat zij
met u in veiligheid van hier is."
Dit gezegde was niet beleefd, maar het scheen hem echter tevreden te
stellen: en hij sprak niet weder, tot wij de deur van de herberg
genaderd waren. Toen zeide hij, terwijl hij mij de hand op den schouder
legde, op een plechtigen toon: "jongeling! mijn leven ia tot nog toe een
afwisseling geweest van hoogheid en tegenspoeden, van macht en
vernedering, van weelde en gebrek; maar mocht ik mij ooit weder in de
gelegenheid bevinden wèl te doen aan anderen, wees dan verzekerd, dat
mijne dankbaarheid jegens u zich met meer dan ijdele woorden toonen zal,
en dat ik u door daden het verdriet zal pogen te vergoeden, dat ik u
thans onwillig veroorzaakt heb."
Met deze woorden verliet hij mij, en ik vervolgde mijn weg, door deze
nieuwe ontmoeting in een vrij onaangename stemming gebracht, mijn
gesternte verwenschende, dat mij met dien Bos, Van Beveren, of wat namen
hij verder voeren mocht, in kennis gebracht had; en toch begeerig te
weten, hoe het met hem en zijn beminnelijke dochter zoude afloopen. Wat
mij het meest kwelde, was de valsche stelling, waarin mij deze lastige
historie tegenover mijn ouderen geplaatst had. Ik was bijna zeker, dat
mijn vader reeds vermoedens koesterde en dat het tot een onderhoud zoude
moeten komen, waaruit ik niet wist, hoe mij te redden, daar het aan de
eene zijde tegen mijn gemoed en kinderplicht streed, de waarheid voor
hem te verbergen, en aan de andere zijde mijn belofte mij het zwijgen
opleide. O! hoe folterde mij de gedachte, dat het onderling vertrouwen,
hetwelk altijd tusschen mijn ouders en mij had geheerscht, en waar ik
zoo grooten prijs op stelde, wellicht voor langdurigen tijd stond
verbroken te worden: en dat, al werd mijn gedrag later eenigszins
gerechtvaardigd, de eens gegeven indruk niet zoo ras zoude worden
uitgewischt. Had iemand mij veertien dagen vroeger gezegd, dat ik, eene
week na mijn terugkomst in het ouderlijke huis, met looden schoenen zou
derwaarts gaan en zelfs opzien tegen een ontmoeting met mijn vader, hoe
buitensporig, ja onmogelijk zoude mij de vervulling eener dergelijke
voorspelling zijn voorgekomen. En echter: zoo stonden thans de
zaken!--Ik trok met een bevende hand aan de huisschel: ik wenschte, dat
mijn ouders, daar het reeds laat was, zich ter ruste mochten begeven
hebben, en ik gevoelde een angstige gewaarwording, toen de dienstbode
mijn vraag, of mijn ouders nog op waren, toestemmend beantwoordde.
Met een kloppend hart trad ik de eetzaal in, waar de goede lieden mij
wachtende waren, beiden in hun nachtgewaad, bij het licht van een paar
kaarsen, die reeds dreigden in de pijp te branden. Het gewone avondmaal,
brood, kaas en vruchten, stond nog op de tafel: en mijn zorgvolle moeder
had een waterkaraf voor zich, met een fleschje _spiritus_, voor het
geval dat ik te veel gebruikt mocht hebben.
"Zoo Ferdinand! ben je eindelijk daar?" vroeg mijn moeder, terwijl ik
haar omhelsde: "is dat nu vroeg te huis komen, gelijk gij beloofd hadt?
Hoe is het, ben je nuchteren of niet? Laat ik u eens in de pogen zien.
Ja: uw oogen staan goed; maar anders zie je er geweldig ontdaan uit. 't
Is goed voor eens; anders deugen u die slemppartijen en dat nachtbraken
niets."
"Ik hoop," zeide mijn vader, mij bij de hand nemende, en mij insgelijks,
doch met een ernstigen blik, aanziende, "dat de slemppartijen en het
nachtbraken nog maar de eenige redenen zijn van uw verbleekte kleur en
ontstemde pols. Maar mag ik u vragen, is Helding verhuisd? of zijt gij
de nachthuizen nog rondgeloopen met uw poëten? Ik weet, dat zulks wel
eens de gewoonte is ... een gewoonte, die de zoon van den Hoofdofficier
niet moest navolgen."
"Hoe meent UEd. dat?" vroeg ik, niet weinig verlegen: "ik begrijp
niet...."
"Reeds eens uur geleden heb ik, op aandrijven uwer moeder, die bezorgd
was dat gij de gracht voor den wal zoudt aanzien, Joris met de lantaren
naar het huis van Heynsz gezonden: en hij is teruggekomen met de
boodschap, dat de Jongeheer reeds vertrokken was."
Ik begreep terstond, dat de knecht daar gekomen was toen ik mij bij
Amelia bevond en toen ieder beneden mij vertrokken waande.
"Ik heb," zeide ik stamelend, "een der gasten, met wien ik een zeer
belangrijk gesprek voerde, te huis gebracht en ben wat lang met hem
blijven staan praten. Maar ik kan u verklaren, dat ik niets gedaan heb,
waarover ik mij behoef te schamen."
"Dan behoeft gij ook niet te kleuren," zeide mijn vader: "hoe heette die
nieuwe vriend, die zoo belangrijk sprak?"
Deze vraag bracht mij deerlijk in 't nauw; want, in omstandigheden als
de mijne waren, zijn de eenvoudigste doorgaans het moeilijkst te
beantwoorden. Nu moest de draaierij wel een logen worden: "Velters," zei
ik, bevende.
"Velters?--Nu ja, wat schort er aan, dat gij zulk een moeite schijnt te
hebben om een zoo eenvoudigen naam uit te spreken? Ik ken Velters bij
reputatie. Hij is een braaf jong mensch, die vlijtig oppast, en wel
voort zal komen, indien zijn gezondheid zijn goeden wil evenaart. Maar
het belangrijkste gesprek had u niet moeten doen vergeten, dat uw moeder
ongerust was en gij haar wakende hieldt."
"Nu," zeide die goede moeder: "wij moeten ook denken, Ferdinand is zoo
lange jaren buitenshuis geweest en de gewone sleur wat ontwend. Hij zal
vergeten hebben, dat wij lieden van de klok zijn. Ik hoop maar, dat
dergelijke invitaties niet te dikwijls zullen komen.--Nu! Ik ga naar
bed: want ik heb werk dat ik uit mijn oogen zie. Blijft gijlieden nu ook
niet langer plakken."
Dit zeggende kuste zij ons goeden nacht en verliet de kamer. Mijn vader
rees ook op, en, zich tot mij wendende: "slaap wel!" zeide hij: "maar
voor gij u ter ruste begeeft, bid God, dat Hij u vertrouwen inboezeme in
een vader, die u liefheeft."
De tranen ontsprongen mijn oogen op het hooren dezer toespraak: "Lieve
vader!" riep ik, de hand des braven mans tusschen de mijne drukkende en
die aan mijn mond brengende: "God weet het, ik zou niets liever
verlangen, dan dat ik spreken mocht; maar...."
"Ik zal geduld hebben en de ure des vertrouwens afwachten," zeide mijn
vader, bedaard: "Gij zijt geen kind meer en ik wil u niet tot spreken
dwingen, wanneer gij beter acht te zwijgen. Dit slechts wensch ik, dat
de Alwijze uw geest verlichte en u leere wat uw plicht medebrengt."--Met
deze woorden drukte hij mij nogmaals de hand en vertrok, terwijl ik mij
zuchtende naar mijn slaapkamer begaf. Zoo had ik dan voor 't eerst mijn
ouderen VOORGELOGEN!--Ach! ik gevoelde te wel de behoefte, om het
voorschrift mijns vaders na te volgen: en in angstige verzuchtingen
smeekte ik den Almachtige, mijn gangen te bestieren en mij licht te
geven op mijn donkeren weg. Dit besluit nam ik echter, om, wat er ook de
gevolgen van wezen moesten, mijn vader te overtuigen, dat ik, hoezeer
misschien verkeerdelijk mijn woord gegeven hebbende, door hem zelfs niet
van mijn belofte ontslagen kon worden.
Het was dan ook met dit oogmerk, dat ik den volgenden dag na den eten,
en toen ik wist, dat Heynsz zich verwijderd had, mijn vader kwam
opzoeken. Ik had dit oogenblik verkozen, omdat ik wenschte uit te
vorschen, of Heynsz den Heer Bos ook verklapt had, in welk geval mijn
verplichting tot geheimhouding ophield en ik, door voor de zaak uit te
komen, dezen laatste misschien dienst kon doen. Mijn vader bespeurde wel
aan mijn houding, dat ik iets op het hart had, en, zijn papieren ter
zijde schuivende, vroeg hij met een ongemeene vriendelijkheid:
"Hebt gij iets met mij te spreken? Dan zal ik die stukken wel even laten
rusten. Echter heb ik niet lang tijd," vervolgde hij, op zijn uurwerk
ziende: "want waarschijnlijk zal er straks een bezoek komen."
"Ik heb u slechts weinige woorden te zeggen, Vader!" zeide ik, "maar ik
wenschte wel, dat ons gesprek langdurig zijn kon."
"Wat meent gij? Dat klinkt eenigszins raadselachtig en duister. _Fallax
sollertia nobis_."
"Helaas!" zeide ik. "UEd. heeft te recht opgemerkt, dat er iets is,
hetwelk mij als een pak op het hart ligt. Ik ben soms afgetrokken,
verstrooid: mijn gangen, zoo UEd. die had doen nasporen, zouden wellicht
zonderlinge vermoedens bij u hebben doen ontstaan: ik heb, zeer mijns
ondanks, vreemde avonturen gehad sedert ik terug ben:--en hetgeen mij
het meest nog hindert, is, dat ik de reden van dat alles aan u niet
ontdekken mag."
"Ik kan," zeide mijn vader, de schouders ophalende, "niet oordeelen over
uw verplichting tot zwijgen, daar ik de aanleiding niet ken, welke u die
heeft doen aangaan. Alleen zoude ik u, in 't afgetrokkene, willen
oplettend maken op het gevaarlijke om zich tot iets dergelijks te
verbinden. Er zijn slechts weinige zaken, welke een kind aan zijn
ouderen niet zoude mogen openbaren. Dan alleen, wanneer het geheimen van
derden geldt, kan er een uitzondering bestaan; doch een geheim, dat u
niet persoonlijk betreft, kan, dunkt mij, zulk een invloed niet op u
gehad hebben, gelijk aan dien, welken uw houding en gedrag mij doen zien
dat bij u is teweeggebracht."
"Het is een geheim van derden," zeide ik, niet weinig verheugd, dat mijn
vader zelf mij alzoo vrijheid tot zwijgen gaf: "maar een geheim, waar ik
door een samenloop van omstandigheden ben ingewikkeld."
"En...." vroeg mijn vader, na zich een wijl bedacht te hebben: "betreft
dit geheim ook zekeren Zwarten Piet? Ik vraag u dit als vader, niet als
Hoofdschout."
"Slechts zeer zijdelings," antwoordde ik, uit deze vraag de
gevolgtrekking makende, dat mijn vader omtrent de wezenlijke oorzaak nog
niets wist: "doch, vergun mij ook een vraag, mijn vader! indien deze
Zwarte Piet mij het leven gered had en ik zijn verblijf kende, zoude
UEd. dan oordeelen, dat ik verplicht ware, het aan den Hoofdschout te
openbaren, bijaldien deze er naar vroeg?"
"Gij weet waar Zwarte Piet is?" vroeg mijn vader met drift.
"Neen", antwoordde ik, glimlachende: "en ik heb ook aan hem geene
verplichting; maar ik stel dit slechts als een voorbeeld."
"Gij weet te goed," zeide mijn vader, "dat, ofschoon de dankbaarheid
slechts een _officium inperfectum_ is, en het inlichten der Justitie een
_officium perfectum_, als zijnde dit laatste bij Keuren en Ordonnantiën
voorgeschreven, de tweede plicht in dezen voor den eersten zoude moeten
wijken, aangezien de dankbaarheid door een hoogere dan de aardsche
wetgeving is voorgeschreven. Dan, dit daargelaten: zoo gij een geheim
bezit, hetwelk gij mij niet vertrouwen moogt, waarom er mij dan over
gesproken? want nu kan ik niet nalaten, te gaan gissen en raden."
"Slechts daarom, mijn vader! omdat mij het denkbeeld onverdraaglijk is,
dat gij mij van gebrek aan vertrouwen beschuldigen zoudt: omdat ik u
smeeken wilde, uw oordeel over mij slechts zoolang op te schorten, tot
ik in staat zal wezen, u de noodige opheldering van mijn gedrag te geven
en te openbaren wat u thans onverklaarbaar moet voorkomen?"
"Gij hebt welgedaan, mijn zoon! En ik zou een slecht rechter zijn,
indien ik u condemneerde, zonder u den tijd te laten om aan te voeren,
wat tot uwe defensie dienende kan zijn. Dit slechts moet gij mij
verzekeren, dat gij niets hebt beloofd, wat tot nadeel van dezen lande
zoude kunnen strekken. Gij weet, dat wanneer het de veiligheid van den
Staat geldt, het _crimen reticentiae_ hem, die het begaat, tot
medeplichtige maakt aan het gesmede landverraad."
"De veiligheid van dezen lande loopt zoo weinig gevaar," zeide ik
glimlachende, "dat UEd. zelf mijn stilzwijgen zult billijken."
"Dan ben ik tevreden," zeide mijn vader.
Op dit oogenblik werd hard aan de voordeur gebeld en hield er een
rijtuig stil.
"Is het reeds zoo laat?" vroeg mijn vader, op zijn horloge ziende: "ja
waarlijk! nu moet gij voort, want ik verwacht een deftig bezoek: of
blijf hier: ik zal in de zijkamer gaan: hij, wien ik verbeid, is een man
van gewicht en dient als zoodanig ontvangen te worden."
Dit zeggende, haastte hij zich naar de zijkamer; maar de persoon, dien
hij verwachtte, verscheen niet: en, gelijk mij later bleek, was het
alleen de Onderschout, die met een koets aan de Beerebijt de aankomst
der Utrechtsche schuit had staan wachten, ten einde den Heer Bos bij het
uitstappen te knippen. Daar deze niet was komen opdagen, en de schipper
verklaarde, dat de gehuurde roef ledig gebleven was, kwam de Onderschout
alsnu eenvoudig verslag geven van het mislukken der hem opgedragen
commissie, en de zaak liep voor 't oogenblik af met een schrobbeering,
die Simon ontving, omdat hij zich had laten verschalken.
* * * * *
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN EENIGE OUDE KENNISSEN WEDER OP HET TOONEEL VERSCHIJNEN EN EEN
PAAR NIEUWE WORDEN INGEVOERD.
Den volgenden morgen (Zaterdag) begaf ik mij, volgens de met Tante
gemaakte afspraak, weder naar Heizicht, waar ik met een kloppend hart
mijn Dulcinea terugvond en door Tante ter verantwoording werd geroepen
over mijn ontmoeting met Zwarten Piet. Dewijl ik op haar vragen
voorbereid was, kostte het mij minder moeite, die te beantwoorden: en
zonder haar de geheele waarheid te vertellen, wist ik haar omtrent de
reden van het bezoek des roovers zoodanige opheldering te geven, dat ik
haar tevreden stelde en haar ongerustheid wijken deed. Wij aten dien dag
zeer vroeg en zeer overhaast, vermits het oogmerk van Tante was, met ons
naar een boerderij te rijden, welke zij eenigen tijd geleden in de
omstreken van Oud-Naarden gekocht had, om daar met wandelen en
koffiedrinken den avond door te brengen. Wij reden tegen twee uren af:
trokken over de heide naar Laren en van daar over Blarikum den Tafelberg
langs, waar wij een zijweg insloegen, die ons in korten tijd aan het
doel van onzen tocht voerde. Hier hielden wij voor een schuur stil,
welke tot stalling diende, stapten af, en wandelden naar het woonhuis;
en niet weinig keek ik op, toen de vrouw, welke ons aan de deur
verwelkomde, niemand anders bleek te zijn dan de oude Martha, en haar
woning dezelfde, waarin mij de Heer Bos ontvangen had. Zoo ik de
gelegenheid niet dadelijk herkend had, het was omdat wij deze reis langs
een anderen weg waren gekomen. Nu werd mij duidelijk, waarom de oude
vrouw mij op dien noodlottigen avond zoo had aangekeken: en ik
verwonderde mij, haar toen reeds niet herkend te hebben, daar zij
vroeger tuinvrouw bij mijn Oom Van Bempden geweest was.
De oude vrouw ontving Tante met de gebruikelijke _formules_ van:
"Wel Mevrouw? hoe vaart Mevrouw? Mevrouw is hier in lange niet 'eweest.
Ik kan niet zeggen, dat Mevrouw 'er uitzien er op 'ebeterd is!"--een
compliment, waar schier alle lieden van die klasse gewoon zijn hunne
meesters op te vergasten, als ware het de uitgezochtste vleierij. Mij
herkennende, geraakte zij min of meer in verlegenheid en zocht mijn blik
te vermijden. "Ik heb het koffiegoed boven klaar gezet," ging zij voort.
"Ja! dat is wel," zeide Tante: "maar het is zulk mooi weer. Wat zeggen
de meisjes er van? Zonden wij de koffie niet liever buiten de deur
gebruiken?"
Dit voorstel werd toegejuicht en de bevelen dienvolgens gegeven.
"Is uw zoon niet hier?" vroeg Tante, ziende, dat Martha zelve met een
tafel en stoelen kwam aandragen.
De oude vrouw zuchtte en haalde de schouders op: "och Mevrouw!" zeide
zij, "men zoon is men kruis: sedert acht dagen heb ik hem niet 'ezien:
waar hij zit, God weet het."
Ik kan niet ontkennen, dat deze gemankte of schijnbare ongerustheid der
moeder mij genoegen deed, want ik beschouwde de tegenwoordigheid van
Andries aan de hoeve niet slechts als hoogst gevaarlijk voor de
nabuurschap, maar ook als zeer schadelijk voor de belangen mijner Tante;
en ik nam voor, om, het mocht kosten wat het wilde, haar in te lichten
omtrent de hoedanigheid van dien persoon. Intusschen, onder den schijn
van de vrouw te willen helpen in het aandragen der benoodigdheden,
volgde ik haar naar binnen. Zoodra wij in de keuken waren, tikte ik haar
op den schouder: "Is het stellig waar," vroeg ik, "dat uw zoon verdwenen
is?"
"Zoo waar ik leef Meneer!" zeide zij, al bevende: "om Gods wil! maak ons
niet ongelukkig."
"Ik geloof ook," vervolgde ik, "dat het raadzaam voor hem zijn zal, zich
niet weer hier te vertoonen: want het is genoegzaam bekend bij de
Justitie, dat hij met Zwarten Piet en zijn makkers heult, en, zoo men
hem krijgt, zal hij den dans van de ladder niet ontspringen."
"O, Meneer Huyck!" zeide zij: "je weet niet, wat ik van den jongen te
lijen heb. Och! hij heit nooit willen deugen; maar ik kan het warentig
niet helpen: ik heb hem vermaningen genoeg 'egeven."--Vervolgens den
toon latende zakken: "UEd. heit toch niet 'esproken met Tante, van dat
UEd. hier laatst 'eslapen heit, en van de menschen, die UEd. hier heit
'ezien?"
"Volstrekt niet," antwoordde ik: "maar zeg mij, hoe kent gij die
lieden?"
"Hoe ik hen ken?" vroeg zij: "heb ik den jonker niet an men aigen borst
'evoed?--en toen Kapitein Reefzeil op 's-Gravenland weunde, was het toen
niet bij mijn an huis, dat hij altijd met Keetje Reefzeil, dat zoete
hartje, spreken kwam? Maar kom an, ik mot het theewater buiten brengen,"
en meteen zich omwendende ging zij naar voren. Ik wilde haar volgen,
toen toevallig mijn blik in den tuin viel en ik twee oogen ontmoette,
die op mij gevestigd waren.
Ik heb vroeger gezegd, dat de achterdeur, door welke ik de eerste reis
in deze woning gekomen was, in de keuken opende en op den tuin uitkwam.
Naast deze achterdeur was een openstaand raam: en voor dat raam, op het
tuinpad, stond een man, in havelooze lompen gekleed, mij aan te gluren.
Zoodra hij merkte, dat ik hem van mijnen kant gezien had, begon hij op
een smeekenden toon:
"Meneertje! zoo waar God leeft, gheen dijt rijk! Hik 'eb nog gheen
'andgift gead van dhaag: geen dijt rijk, zoowaar zei je ghezond
blijven."
"Gij hier Simon!" riep ik, den man herkennende: "wat komt gij hier
zoeken? En waar is de negotie?"
"Neghoossie? Och! was ik mhaar zoo gelikkig, dat hik een klein beetje
neghoossie thoen kon:--mhaar een vrouw met zeuven kinderen! Je mot
dhenken, dat kan wat an:--gheen dijt rijk...."
"Foei!" zeide ik: "is het geld al op, dat de Jongeheer Blaek u gegeven
heeft om de gangen van eerlijke meisjes te bespieden?"
"Heerlijke meissies! Na doch!" zeide Simon, het hoofd schuddende.
"Ja zeker eerlijk! En zoo ik mijn vader dergelijke stukjes van u
verhaal, zal hij u afleeren, u met zulke knoeierij op te houden."
"Khom! word dan thoch maar niet boos. Khan ik 't 'elpen? Een bhoodschap
is een bhoodschap! As Meneer Blaek theugens me zeit: "Shimon: ga en
khijk waar die Jiffrouw blijft: je zelt een ghilden van mier 'ebben--nou
khijk! wat mot Shimon dan doen? der steekt gheen kwaad hin, dat Meneer
Blaek weet, waar die Jiffrouw whoont, en der stheekt veul goeds hin, dat
Shimon voor een dhag of wat den kost heit mit zen hijshouwen.--Maar je
vraagt men of het vertheerd is sinds dien thijd?--Och! hik eb sedert
gheen dijt verdiend: gheen penning! khan men dhaar van leven hacht
dhagen mit 'en hijshouwen? zoowaar zei je ghezond blijven."
"Misschien zult gij mij ook zoeken wijs te maken, dat Heynsz u de reis
niet betaalt, die gij heden doet."
"Nou khijk Meneer Hijk! 't Ishomdat je de zeun van dan Oofd-hoffiesier
bent--God zegen hem--'t is een schraal loon dat hik van 'Eynsz
ontvang.--Hik khan er waarachtig niet van bestaan.--En hik 'eb ommers
gheen woord er van ghesproken, dat je met die Jiffrouw in de Naarder
schijt 'eb gheseten?"
"Denkt gij," zeide ik wrevelig, "dat ik mij bekommer over hetgeen gij
van mij vertelt? Maar wat doet gij nu hier? Wie valt hier bespieden? Het
is hier geen publieke grond; en zoo Tante hoort, dat gij op haar erf
zijt, zou zij er u wel eens door den koetsier kunnen doen afjagen."
"Na doch! je weet wel, wien hik ier zoeken khom: 't his ommers je papha,
die 'et ghelast 'eeft, Shimon is ommers gheen dhief, die wat wegnemen
zal."
"Ik geloof, dat gij vergeefsche moeite doet," zeide ik, wel gissende
wien hij zocht: "maar wees gewaarschuwd, en pak u weg; want zoo iemand
anders u ziet, gij zult niet vriendelijk ontvangen worden."
Met deze woorden wendde ik mij van hem af en keerde terug bij de dames,
die reeds onder de breede takken der eiken om de theetafel gezeten
waren.--"Wel!" zeide Suzanna, zoodra zij mij zag: "waar heb je nu weer
gestoken? Ik dacht, gij waart uitgegaan om de oude Martha te helpen, en
gij komt met ledige handen weer. Gij slacht de poes wat, die men naar
Rome zendt en die _miaauw_ zeit, als zij terugkomt. Nu! daar hebben wij
ook veel aan, aan zoo'n cavalier, die ons alleen laat zitten: en dat nog
wel in een tijd, dat het van dieven en struikroovers grimmelt. Maar
zeker! aan uwe hulp zouden wij weinig hebben, daar gij toch ook maatjes
zijt met de bende."
"Ik dacht, Santje! wij zouden daar niet meer over spreken," zeide Tante,
die niet hield van scherts over zulk een onderwerp.
"Gij ziet hoe mijn lot is," zeide ik tegen Henriëtte, "en hoe ik door
mijn zuster behandeld word. Gij, die zoo goed zijt, zoo gij een broeder
hadt, zoudt hem zeker niet zoo kwellen."
"Hoe weet gij, of ik goed ben," zeide zij lachende: "vraag maar aan
Lodewijk, hij zal u wel zeggen, dat ik er hem ook van langs kan geven."
"Ja kom!" zeide Suzanna; "maar daar heb je geen pleizier van; want
Lodewijk wordt boos als men hem kwelt: en dat moet ik tot eere van mijn
broeder zeggen, hij neemt het altijd nogal wel op." Hier klopte zij mij
op den schouder.
"Dat is nu het beste, dat gij in lang gezegd hebt," zeide ik: "daarvoor
moet ik u omhelzen."
"Weg! weg!" zeide Suzanna, mij afwerende: "_jeux de mains, jeux de
vilains_. Gebruik uw mond en niet uw handen."
"Wel, 't is ook juist mijn mond, dien ik gebruiken wil," zeide ik, haar
kussende.
"Och Jetje! help mij toch!" zeide Suzanna: "gij blijft daar maar zitten
en trekt u het lot niet aan van uw mishandelde vriendin."
"Ik zal wel deugdelijk oppassen, van er mij mede te bemoeien," zeide
Henriëtte.
"Integendeel!" zeide ik: "Santje heeft gelijk: en gij zoudt mij een
bijzonder genoegen doen, zoo gij er u mede wildet bemoeien."
"Wat is het toch, kinderen?" vroeg Tante, die intusschen met Martha
geredeneerd had: "op deze wijze krijgen wij geen koffie."
"Och! 't is Ferdinand, die mij plaagt," zeide Suzanna.
"Men plaagt wie men liefheeft," zeide Tante.
"Zoo dat waar is, dames!" zeide ik, terwijl ik, hoewel in 't algemeen
sprekende, het oog bepaaldelijk op Henriëtte gevestigd hield, "hoe meer
gij mij dan plaagt, hoe aangenamer het mij zijn zal."
Met deze en dergelijke praatjes, welke toen voor de belanghebbenden
vermakelijk waren, maar wier mededeeling den lezer vervelen zoude,
hielden wij ons bezig gedurende het koffiedrinken, waarna Tante een
wandeling voorsloeg, bij welke gelegenheid ik niet verzuimde alle
pogingen aan te wenden om meer en meer de gunst mijner schoone te
verwerven. Eindelijk maakte ik het zoo bont, dat zij den arm van Suzanna
nam en vooruitholde, bewerende niet meer naar mij te willen luisteren.
Ik was zelf bang wellicht te ver te zijn gegaan, en bleef dus een wijl
met Tante achter, aan wie ik, zoowel bijwijze van gesprek als uit
nieuwsgierigheid, de vraag deed, of de oude Martha niet vroeger
tuinvrouw op Heizicht geweest was.
"Ja!" antwoordde zij: "tot den dood van haren man. Toen heeft zij een
woning op het dorp gehad: en naderhand, toen ik deze hoeve kocht, heb ik
haar daarop gezet,"
"Heeft zij," vervolgde ik, "niet eerst bij Kapitein Reefzeil gewoond?"
--Ik wist wel beter, doch wilde zoodoende het gesprek op die familie
brengen.
"Dat geloof ik niet," antwoordde Tante: "het is echter mogelijk; want
toen ik met uw oom Van Bempden trouwde, was zij reeds op Heizicht; maar
hoe vraagt gij dat zoo?"