"Wij kunnen dien Heer toch niet op de trap laten staan", zeide Helding:

"'t schijnt een deftig man: en Heynsz zal wel terugkomen. Wat dunkt u,

dat ik hem binnenroepe?"

"Wel ja!" zei de treurpoëet, met de vuist op de tafel slaande, dat al de

roemers er van dansten: "hoe meer zielen, hoe meer vreugd."--Ook de

overigen keurden goed wat de traktant voorstelde, die dan ook vertrok en

na een kort vertoeven terugkeerde, een vreemdeling inleidende met een

karmozijnen rok, een zwaar gepoederde pruik, een bril met groote glazen,

een stok met een amberen knop en een deftig voorkomen.

"Kom binnen, mijn waarde Heer!" zeide Helding, hem als 't ware

binnendringende met een ongemeene drukte: "'t is immers beter in een

warme kamer te wachten dan op een tochtig portaal. Een stoel voor

Mijnheer. Wees zoo goed en neem plaats. Maak, bid ik u, geen

complimenten. Hier! een pijp voor Mijnheer! en een schoonen roemer."

De onbekende beantwoordde al deze beleefdheden met stille buigingen;

doch sprak zoo weinig of hij stom ware. Hij vlijde zich in den

leunstoel, die hem werd aangeschoven, sloeg beleefdelijk met een

beweging der hand de aangeboden pijp af, zag met een vluchtigen blik het

gezelschap rond, en haalde toen een zijden doek uit, die waarschijnlijk

met welriekende wateren doortrokken was; want hij bracht dien dadelijk

voor 't gezicht en berook hem met zooveel welbehagen, dat het wel te

bespeuren was, dat hij geen liefhebber was van den tabakswalm.

Zijn komst en nog meer de weinige voorkomendheid van zijn manieren

brachten die stilte te-weeg, welke doorgaans op dergelijke bezoeken

volgt en niet ongelijk is aan die, welke op een school, waar alles

lustig en vrolijk toegaat, bij de komst des meesters ontstaat. Helding

bespeurde deze onwelkome stemming, en, als een plichtmatig traktant,

deed hij zijn best om de vreugd weder aan te wakkeren.

"Komaan, mijn Heer!" zeide hij, den roemer des onbekenden boordevol

schenkende: "sta mij toe, dat ik uwe gezondheid drinke. Misschien is

UEd. beteren wijn gewend dan deze; maar wij burgerlui doen het ermede,

en wij kunnen u niet meer aanbieden dan wij hebben."

"Dat zei Lys Morsebel ook," zeide de _poëta comicus_, "en zij smeet haar

buurvrouw een handvol vlooien naar 't hoofd."

"Uwe gezondheid, Messieurs!" zeide de vreemdeling, met een schorre stem,

zich buigende en zijn glas naar de hoogte brengende, dat hij vervolgens

bij kleine tusschenpoozen ledigde.

"Wel!" zeide de _grappige duivel_, met die gemeenzaamheid, welke onzen

burgerstand veelal eigen is: "mijn Heer is, geloof ik, ook bang, dat er

hoorntjes en schelpen in zitten."--En, om te toonen, dat hij dezelfde

vrees niet koesterde, ledigde hij zijn glas in ééne teug.

"Komt!" zeide Helding: "hoe zit gijlieden allen zoo stil? mijn Heer

Huyck! laat ik u eens inschenken. Waar waren wij ook gebleven? Komt!

lustig aan en leve de pret!"

Maar de pret laat zich niet gebieden: en allen bleven even stemmig

kijken, alsof de glazen voor des vreemdelings oogen de uitwerking van

Medusaas hoofd bezaten.

"'t Is of wij hier bij de Kwakers zitten," zeide de _drollige vent_:

"hoe is het? getuigt de geest niet, Pietje?" (dit was de voornaam van

den _tragicus_) "Je zoudt een liedje zingen."

"Wel ja! komaan! een liedje!" zeide Helding;--maar de Treurpoëet was

schor of verklaarde althans het te zijn.

"Kom!" zeide eindelijk de _koddige kwant_: "'t is of gijlieden bang

zijt, dat mijn Heer u op zal eten: mijn Heer is geen bullebak. Jelui

kijkt hem aan, of het Cartouche was, daar Heynsz zoo even van vertelde

... en pots seldrementen! dat is nog al grappig! mijn Heer heeft ook een

karmozijnen rok aan."

Deze onhebbelijke uitdrukking, in stede van, gelijk anders de

kwinkslagen des _geestigen duivels_, de vreugd te doen herleven, maakte

op de aanwezigen een onaangename uitwerking: en velen, wier gedachten

niet meer helder waren, keken den vreemdeling zoo angstig aan, als of

zij werkelijk meenden, dat Cartouche uit de andere waereld onder die

gedaante te voorschijn kwam. Wat den man zelf betrof, ik zag dat zijn

voorhoofd zich fronste: maar hij zeide niets. Ik begreep inmiddels, dat

het meer dan ooit tijd voor mij werd om af te trekken; doch wenschte een

tijdstip af te wachten, dat mijn vertrek niet bemerkt zoude worden: en

daartoe moest het onderhoud weder levendig worden: ik bood derhalve aan,

zelf een liedje te zingen, daar al de overigen dit weigerden: en dit met

gretigheid aangenomen zijnde, dreunde ik een barcerolla op, die ik te

Venetië van de Gondeliers had gehoord en waarvan ik verzocht, dat men

het refrein in koor herhalen zou. Dit had de gewenschte uitwerking: nu

raakten de tongen weer los: de een zong voor, de andere na en eindelijk

zong alles door elkander, behalve alleen de karmozijngekleede Heer, die,

gelijk de _malle weerga_ het uitdrukte, er bij bleef zitten als

_Ducdalf_ in 't _Doolhof_. Ik maakte van de drukte gebruik en sloop

onopgemerkt de deur uit

* * * * *

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN VERHAALD WORDT, WIE DE HEER IN 'T KARMOZIJN WAS, EN HOE DEERLIJK

FERDINAND ER ZICH IN WERKTE.

Terwijl ik, in mijn zak schommelende, de meid riep om haar een fooi te

geven, hoorde ik mij zachtjes bij mijn naam noemen. Ik keerde mij om en

zag Amelia op de trap staan, die naar haar kamer geleidde.

"Hebt gij een oogenblik tijd voor mij?" vroeg zij, met een gesmoorde,

eenigszins bevende stem.

"Kan ik u van dienst zijn?" stamelde ik, insgelijks onthutst en kwalijk

tevreden van opnieuw in hare zaken bemoeid te worden.

"Volg mij!" zeide zij, op een toon, die meer gebiedend dan smeekend was:

en mij bij de mouw vattende, als wilde zij mij den weg wijzen op de

donkere trap, ging zij mij voor naar boven. Ik volgde werktuiglijk: en

de Hemel vergeve mij de dwaze gedachten, die op dat oogenblik mijn brein

vervulden, en den verkeerden dunk, dien ik van hare voornemens opvatte.

Wij kwamen in haar kamer, waar een licht op de tafel brandde. Zij zette

de deur aan, zonder echter de kruk om te draaien, nam toen achter de

tafel plaats en wenkte mij tegenover haar te gaan zitten, terwijl zij

een stoel, die bij haar stond, wegschoof, als wilde zij zorg dragen dat

ik niet naast haar zou komen. Deze voorzorgen en nog meer de

waardigheid, over haar geheele wezen, in weerwil van haar blijkbare

ontsteltenis verspreid, deden mij blozen over mijn ongepaste vermoedens.

"Ik ben recht verheugd," zeide zij op een haastigen toon, "dat ik u nog

aantref. Ik had al een poos op de trap vertoefd en vreesde zoo dat er

een ander kwame. En ik moet u zoo noodwendig spreken: ik heb hier toch

niemand buiten u in de geheele stad, waar ik op vertrouwen kan."

"Ik hoop," zeide ik, met de meeste koelheid, die ik voor kon wenden: "ik

hoop, dat ik in staat zal zijn, uw bezwaren weg te ruimen; maar uw

toestand is van zulk een ingewikkelden aard...."

"Om u niet op te houden dan.... Ik moet van hier. Ik kan niet langer in

dit huis blijven."

"En welke reden noopt u tot dat besluit?"

"Hoor toe: ik begin te vreezen, dat het een afgesproken werk is ... dat

mij hier een strik wordt gespannen ... dat men mij met opzet hierheen

gebracht heeft. Die Heynsz ... o, 't is afschuwelijk...! Hij is een

verklikker: een geheime dienaar der Justitie."

"Dat wist ik," zeide ik, "maar ik wilde u door de mededeeling daarvan

geene ongerustheid baren."

"Hoe! gij wist dit? Hebt gij dan zelf misschien?... maar neen! uw

aangezicht is te eerlijk ... foei mij, dat ik zulke gedachten van u

voeden zou!--Maar hoor verder en oordeel over mijn angsten. Ik was

straks op de trap, om...." hier kleurde zij hevig en zweeg plotseling

stil.

"Welnu? om...."

"Niets.--Ik hoorde u juist zingen.--In 't kort, ik was op de trap: daar

is een reet in 't beschot:--ik keek er door--en ziet: in een vertrekje,

waarvan ik het bestaan niet kende, stond de huisheer, die Heynsz, in

gesprek met denzelfden Jood, die mij hier bracht."

"Dien Simon?--Gelukkig kent hij u niet, en weet alleen, dat gij met mij

hier gekomen zijt. Hij heeft u niet met uw vader gezien."

"Ach! Gij zoekt mij gerust te stellen," zeide zij, het hoofd schuddende:

"maar luister verder: in den beginne verstond ik niets van hun discours;

maar langzamerhand merkte ik, dat de Jood aan Heynsz berichten gaf

omtrent zekere dievenbende, die zich te Naarden heeft opgehouden. Dit

ontstelde mij reeds; maar verbeeld u mijn schrik, toen de Jood, op een

vraag, hem door Heynsz gedaan, hem vertelde, dat iemand, wien zij alle

moeite deden om te ontdekken, en dien ik aan de beschrijving voor mijn

vader herkennen moest, in Zuid-Holland had rondgezworven, zich in

's-Hage had opgehouden en morgen, volgens zijne berichten, met de schuit

van Utrecht hier te Amsterdam moest komen."

"Hier! in den muil des leeuws?"

"Oordeel, hoe ik te moede was? Ik hoop nog, dat het niet waar moge zijn:

want o! mijn vader is verloren, zoo hij herwaarts komt. Alleen uit zijn

bezorgdheid omtrent mij zou ik een zoo onvoorzichtigen stap in hem

kunnen verklaren. Doch, hoe dit zij, heb ik niet te vreezen, dat men hem

naar dit huis wil lokken om hem in de gespreide netten te vangen? Moet

ik mij niet uit deze gevaarlijke plaats verwijderen?"

"Met uw verlof?" vroeg ik, na een oogenblik te hebben nagedacht: "hebt

gij voor u-zelve iets te vreezen voor de nasporingen der Justitie?"

"Ik!" antwoordde zij, blijkbaar verwonderd: "wat zou ik met haar hebben

uit te staan? of strekt men in dit land vijandschap tegen den vader tot

zijn kinderen uit."

"Dat juist niet," hernam ik: "maar er worden soms maatregelen van

voorzorg genomen.... Ik zou u afraden, deze kamer vooralsnog te

verlaten. Weet men nog niets, dan zou dit alleen argwaan wekken en

oorzaak zijn, dat men uwe gangen bespiedde:--is men reeds achter de

waarheid gekomen, dan is het toch een onnutte voorzorg en geen

verwijdering kan u meer baten. Bovendien: gij schijnt zelve onbewust,

waar zich uw vader bevindt. Zoudt gij, ingeval gij van hier gaat, hem

kunnen verwittigen, waarheen gij u begeeft? De Heer Bouvelt, die de

eenige tusschenkomst schijnt te zijn, is ongesteld: zóó zelfs, dat hij

voor niemand te spreken is;--ik weet u geen anderen raad te geven, dan

de toekomst met gelatenheid af te wachten."

"Met gelatenheid!" herhaalde zij, oprijzende, en de kamer op en neer

gaande: "God! Is dat een mogelijkheid in mijn toestand?--o! het ergste

lot ware minder onlijdelijk dan deze verschrikkelijke onzekerheid.--En

dat is de eenige troost, dien gij mij bieden kunt?"

"Helaas!" zeide ik, zuchtende: "wat wilt gij, dat ik voor u doe? Wanneer

zelfs mijn betrekking als zoon van den Hoofdschout mij niet verbood,

krachtdadig voor u werkzaam te zijn, zou niet de zorg voor ons beider

goeden naam mij van alle dadelijke bemoeiingen in deze moeten doen

afzien, ten einde den laster geen stof te geven om iets schuldigs in

mijn deelneming te vinden?"

Dit gezegde van mij was hard en zij gevoelde het diep; want, opeens

stilstaande, zag zij mij aan met oogen, waarin zich bij eene hevige

verontwaardiging eene diepe smart liet lezen.

"Men had het mij voorspeld," zeide zij met bitterheid, "dat ik in dit

land slechts koele harten vinden zou. De laster ... ja voorzeker!

--Ziedaar de voorwendselen, waarachter men zich verschuilt, wanneer het

er op aankomt zijn naasten een dienst te bewijzen; men zou een mensch

zien verdrinken, eer men een vooroordeel opofferde.--Is het niet, omdat

de Godsdiensten verschillen, dan is het omdat men voor zijn reputatie

vreest.--Maar ik zal u niet langer lastig vallen, Mijnheer Huyck. Ik

vraag u om verschooning voor de moeite, die ik u veroorzaakt heb."

"Mejuffrouw!" zeide ik, niet zonder verlegenheid: "ik heb u onwillig

beleedigd:--en, God weet het, dat was verre van mijn voornemen.--Gij

hebt, en hier in dit vertrek, en ten huize mijner tante, naar ik geloof,

kunnen bespeuren, dat ik, zoodra het in mijn vermogen stond, bereid was

u van dienst te zijn. Waarlijk ik heb een innig medelijden met uw

toestand en wenschte slechts, dat iemand mij kon zeggen, wat mijn plicht

ware, en hoe ik tot uw voordeel handelen kan?"

"Gij hebt gelijk," zeide zij, zich een traan uit de oogen wisschende:

"en ik ben het, die onbillijk en ondankbaar ben. Gij hadt, na al wat gij

voor mij gedaan hebt, iets beter dan verwijtingen van mij verdiend. En

uw tante ook, zij is zoo goed, zoo minzaam jegens mij geweest.--Ach! zoo

mijn vader het mij slechts veroorloofde ... hoe gaarne zou ik haar de

vertrouwde van mijn lijden maken.--Zij zou mij bijstaan, daar ben ik

zeker van, mij uit dit huis helpen, waar alles mij doet beven: mij

verlossen van de onbescheidene aanzoeken van den Heer Blaek, die mij

geen oogenblik met rust laat."

"Hoe!" riep ik uit: "heeft hij opnieuw pogingen gedaan om u te spreken?"

"'t Is vruchteloos," zeide zij, "of ik hem zijne brieven en geschenken

terugzend: den volgenden dag vind ik die weder op mijne kamer liggen:

hij moet hier in huis medeplichtigen hebben. Zie wat hij mij durft

zenden."

Dit zeggende, rukte zij met drift een lade open en haalde er een fraai

garnituur uit, hetwelk zij voor mij op tafel neerlei: "En dan zijne

brieven," vervolgde zij, "waarin hij mij voorslagen doet, die ik mij

schamen zou te herhalen! O! ik ben diep ongelukkig."

Hier zegevierde de droefheid over haar kracht van geest: zij bracht den

zakdoek voor de oogen en snikte luide. Ik was opgestaan om de juweelen

te bezichtigen. Zij stond naast mij en boog onwillekeurig het hoofd

voorover, zoodat het op mijn schouder te rusten kwam. Mijn toestand werd

netelig: en ik wist niet, hoe ik best daar vandaan zoude geraken, toen

wij opeens menschen de trap hoorden opkomen.

Amelia trad sidderend ter zijde. "Mijn God!" riep zij: "zou men hier

komen? op dit uur!"

"Hierheen, Mijnheer Van Beveren!" zeide de stem van Heynsz; de deur ging

open en de gepoeierde Heer met den karmozijnen rok trad binnen, door

Heynsz gevolgd.

"Ik ben het, Amelia!" zeide de Heer Bos (want hij was het zelf): "ik

wist niet," voegde hij er op een gestrengen toon bij: "dat gij

gezelschap hadt."

Amelia stond als verplet. Zij wrong de handen en zag haar vader aan, met

oogen, waarin een onbeschrijfelijke angst was uitgedrukt. Wat Heynsz

betrof, hij meesmuilde achter den rug van den Heer Bos en hief

spotachtig dreigend den vinger tegen mij op; maar ik was onzeker, of de

vroolijke uitdrukking van zijn gelaat teweeggebracht was door zijn

blijdschap, dat hij den man, dien hij zocht, in de knip had, of wel

alleen uit zekere schalksche vreugde ontstond, dat ik door Amelia's

vader zoo te onpas verrast werd.

"Ja mijn kind!" vervolgde de Heer Bos, waarschijnlijk om haar gerust te

stellen: "gij hadt mij zoo vroeg niet verwacht; maar ik heb mijn zaken

spoediger gedaan gekregen dan ik gehoopt had: en daarenboven is mij,

gelijk ik den Heer Heynsz verteld heb, een onaangenaam avontuur

overkomen, dat mij wel noodzaakte mijn komst alhier niet langer uit te

stellen. Ik merk ook," vervolgde hij met een verheffing van stem en

terwijl hij mij scherp aanzag, "dat het tijd werd dat ik kwame."

"Met uw verlof," zeide Heynsz, tusschen beiden tredende: "deze Heer is

de Heer Huyck, zoon van onzen achtbaren Hoofdofficier en een eerlijk

cavalier, wien Mejuffer zich niet behoeft te schamen van te kennen."

"Met uw verlof," zeide Bos, zich naar Heynsz keerende en op een hoogen

toon sprekende, welke mij vreemd genoeg voorkwam jegens iemand, van wien

hij zooveel te duchten kon nebben: "ik ben zelf de beste beoordeelaar

der kennissen, welke het mijne dochter betaamt te onderhouden: en,

terwijl hetgene ik deswege met haar te spreken heb best zonder getuigen

wordt afgehandeld, zal ik de vrijheid nemen u te verzoeken...." hier

wees hij op de deur met een gebiedenden wenk.

"Niets is billijker," zeide Heynsz, eenigszins overbluft: "ik zal u niet

storen:" en meteen verliet hij het vertrek. Ik stond onzeker of ik hem

volgen of blijven zoude.

"Blijf Mijnheer!" zeide Bos: "ik heb een woord met u te spreken."

"O God! mijn vader!" zeide Amelia, met een gesmoorde stem, terwijl zij

hem omklemde: "wat hebt gij verricht? Weet gij welke onvoorzichtigheid

gij begaat? wie de man is, die de kamer daar verlaten heeft?"

"Ik weet alles," antwoordde Bos: "en ik geloof, dat ik niet de

onvoorzichtigste ben van ons drieën. Slechts toen was ik het, toen ik op

het eerlijke gelaat van Mijnheer vertrouwde." Hier zag hij mij ernstig

aan.

"Mijnheer!" zeide ik, geraakt: "ik heb uwe geheimen bewaard, zelfs ten

koste van mijne rust. Maar spreek zacht, bid ik u. Men kon ons

beluisteren, en...."

"En men zou nog niets verstaan," viel Bos in, "zoolang de vrienden

beneden zoo luidruchtig blijven, dat onze woorden door hun gezang

gesmoord worden. Ik spreek niet van het bewaren mijner geheimen;--ik

vraag, wat uw bezoek op een zoo ongelegen uur, wat de juweelen te

beduiden hebben, die ik op de tafel zie?"

"De Heer Huyck is onschuldig, mijn vader!" zeide Amelia, eer ik

antwoorden kon: "hij is hier op mijn verzoek gekomen ... hij heeft met

deze juweelen niets te maken."

"Hoe!" herhaalde de vader, meer en meer verstoord: "op uw verzoek? En

waart gij dan...? o ik onnoozele!" riep hij, zich voor het hoofd

slaande.

"De geheele toedracht der zaak is doodeenvoudig," zeide ik, op een toon,

zoo kalm als mij maar eenigszins mogelijk was aan te nemen: "indien UEd.

aan Mejuffer of mij vergunt, u te verhalen al wat sedert onze komst te

Amsterdam heeft plaats gehad, zal het u niet bevreemden dat zij, door

den uitersten angst gedreven, mijn raad heeft ingenomen, als van den

eenigste, op wien zij wist te kunnen vertrouwen. Door eenige andere

uitlegging aan mijne tegenwoordigheid te geven, zou UEd. en haar en mij

onbillijk beoordeelen."

"Welaan!" zeide de Heer Bos, terwijl hij plaats nam: "ik luister: het

zou mij al te veel kosten, mijn achting en liefde te moeten verliezen

voor het eenige voorwerp, dat mij nog aan het leven hechtte."

Hier stak hij de hand aan zijn dochter toe, die ze met vurigheid kuste.

Daarop gaven wij hem een beknopt verslag van het voorgevallene. Hij

maakte niet een enkele aanmerking, noch gedurende, noch na den afloop

van het verhaal, maar vergenoegde zich met nu en dan bedenkelijk het

hoofd te schudden en zich het poeder van den rok te schuieren. Hij

eindigde met de hand zijner dochter, die nog altijd in de zijne lag,

minzaam te drukken; hetgeen mij ten bewijze strekte, dat hij met de

gegeven opheldering voldaan was.

"En thans, Mijnheer!" hervatte ik na een korte pauze; "thans moet ik u

bekennen, dat de Juffer zich mijns inziens niet zonder recht ongerust

maakt, en dat uwe komst alhier niet wel geschikt is, die ongerustheid te

doen ophouden."

"Ik ben er zelf evenzeer over verwonderd van mij hier te zien,"

antwoordde hij, "als de Doge was, toen hij zich aan het hof van Lodewijk

XIV bevond: maar ik heb door de ondervinding geleerd, dat onbeschaamde

stoutheid soms beter in staat is, de menschen te bedriegen, dan de

fijnst gesponnen list. Ik was, Amelia! sedert uw vertrek, hoogst

ongerust, geen brief van u te ontvangen, vooral nadat ik reeds een paar

reizen onder couvert van den Notaris Bouvelt geschreven had, dat ik mij

in 's-Hage bij den Russischen Gezant ophield...."

"Welke brieven," zeide ik, "waarschijnlijk nog ongeopend bij Bouvelt

liggen, die gevaarlijk ziek is."

"Ik had intusschen bemerkt," vervolgde de Heer Bos, "dat mijn gangen

gevolgd werden door datzelfde Joodje, hetwelk te Soest zoo ongenadig

door mij begroet werd. Bekommering over uw lot kwelde mij: ik kon niet

langer aan de begeerte weerstaan om iets van u te vernemen. Aan Mijnheer

dorst ik niet schrijven: hij had reeds last genoeg van ons gehad: en ik

wilde hem geen nieuwe onaangenaamheden veroorzaken. Eindelijk kon ik

mijn geduld niet langer bedwingen en ik besloot hierheen te reizen. Maar

ik moest eerst mijn lastigen verspieder verschalken. Gisteren was ik te

Utrecht: daar zat hij mij weder op te hielen. Ik had mijn plan gevormd

en toen ik hem op de straat tegenkwam, vroeg ik hem, of hij een

boodschap voor mij wilde doen. Ik zag zijne oogen van blijdschap

fonkelen. Toen gaf ik hem geld om de roef af te huren naar Amsterdam

voor de schuit van morgenmiddag, niet twijfelende of hij zou de

heuglijke tijding van mijn overkomst dadelijk aan zijn betaalmeester

overbrengen. Hem dus van 't spoor geleid hebbende, wandelde ik de poort

uit, nam te Zeist een rijtuig, dat mij naar Amersfoort bracht, en

wachtte daar de komst van den Deventerschen wagen, die mij hier voerde.

Onderweg had ik mijn kleeding stuk voor stuk veranderd, mijn haar

gepoederd en mij door het opzetten van een bril nog meer onkenbaar

gemaakt. Hier gekomen, nam ik mijn intrek in het beste logement, onder

den naam van Van Beveren, begaf mij dadelijk naar Bouvelt en vernam daar

uw verblijf. Zoodra ik den naam van Heynsz hoorde, was mijn besluit

gevormd. Ik kende, om 't even hoe, de geheime betrekkingen, die deze

Sinjeur vervult: en wetende, dat niets beter in staat is om ook de

schranderste personen te misleiden, dan het streelen hunner ijdelheid,

begaf ik mij naar hem toe. Reeds hier beneden had ik aanvankelijk het

genoegen van te zien, dat mijn vermomming gelukt was, daar zelfs de Heer

Huyck mij niet herkende. Kort na uw vertrek, Mijnheer Huyck! kwam Heynsz

binnen. Ik verzocht hem alleen te spreken. Ik meldde hem dadelijk, dat

ik de vader was van Amelia, de Overijselsche koopman, waar hem Bouvelt

over gesproken had. Voorts verhaalde ik hem, dat ik opgelicht was door

zekeren schelm, wien ik zoo juist beschreef, dat zijn portret volkomen

overeenkwam met dat van den man, die u bij Naarden heeft aangerand: en

zeide, dat hij, Heynsz, mij was aan de hand gedaan als de bekwaamste man

om dergelijke fielten te doen opsporen. Ik eindigde mijn verhaal met een

fatsoenlijk present en oordeel nu den man gewonnen te hebben. Dat hij

mij met dat al te slim is, is mogelijk; doch, naar zijn houding te

oordeelen, geloof ik, dat hij niets vermoedt."

"Maar Papa!" zeide Amelia: "al misleidt gij Heynsz, zijt gij niet

beducht, dat er hier te Amsterdam nog vele lieden zijn, die u herkennen

zullen?"

"En wie zou thans in mij den cadet der marine herkennen, die voor vijf

en twintig jaren hier over straat slenterde of den galant speelde bij de

jonge schoonen?"

"Bij den eersten opslag niet;--maar, wanneer men weet dat gij u hier in

de buurt bevindt?--En dan, vloeit deze stad niet over van vreemdelingen,

die u vroeger, in andere landen, hebben kunnen ontmoeten?"

"Ook denk ik mij niet meer dan noodig is op straat te vertoonen. In

allen gevalle, ik heb besloten, het te wagen. Hier is toch eene betere

gelegenheid dan elders, om mij naar de plaats onzer bestemming in te

schepen. Bovendien, ook buiten deze stad was ik niet langer veilig: want

ik weet, dat de Spaansche Ambassadeur op mijn uitlevering aandringt, en

dat de Staten-Generaal, die anders zoo prat zijn om de vrijheden des

lands te bewaren, in dat geval hunnen bondgenoot ter wille zullen

zijn.--Wij moeten dus voort: en wel zoodra ik in het bezit ben dier

noodlottige papieren."

"En zal ik hier blijven?" vroeg Amelia.

"Ik zie daarin geene zwarigheid. Integendeel, ik heb Heynsz gevraagd of

hij mij insgelijks huisvesting verleenen kan: en daar er, zoo hij zegt,

bij deze kamer nog een kabinetje is, waar een ledikant gezet kan worden,

zal zich dit zeer goed schikken. Voor dezen nacht keer ik naar mijn

logement. Wat die juweelen betreft, berg die maar weer: ik zal voor de

terugzending zorg dragen."

Ik wilde nu mijn afscheid nemen. De Heer Bos verzocht mij, daar hij toch

éénen weg met mij op moest, hem mijn gezelschap te schenken; waarop wij,

na Amelia vaarwel gezegd te hebben, het huis verlieten.

Wij gingen eenige oogenblikken zwijgend naast elkanderen. De Heer Bos

was de eerste, die het gesprek aanving:

"Ik ben u groote dankbaarheid verschuldigd," zeide hij: "maar ik wensch

mijn schuld niet te vermeerderen. Of liever--ik zal u nog erkentelijker

zijn, indien UEd. voor het vervolg uwe bezoeken staken wilt."

"Mijnheer!" antwoordde ik, op een koelen toon: "ofschoon ik medelijden

met u en met uwe dochter heb, verlang ik niets liever, dan dat ik niets

meer van u hoore: de zaak heeft mij reeds kwelling genoeg veroorzaakt."

Ferdinand Huyck · 第 26 / 51 段